Filosofie en Plato

Filosofie in de Klassieke Oudheid

Filosofie is de oudste theoretische discipline die verlangt en streeft naar wijsheid. Het Griekse woord filosofia is een samenstelling van de woorden voor liefde en wijsheid. Wat het precies is, is in feite een complex filosofisch vraagstuk. Men verwondert zich over de wereld, vraagt zich af wat ons denken en geloof rondom de meest algemene dingen in ons bestaan betekent en in hoeverre het klopt.


Een filosoof bestudeert ook de opvattingen, theorieën en visies van andere filosofen. Deze kan hij bekritiseren, corrigeren of overnemen om een eigen visie te creëren. Dit is een belangrijk aspect van de filosofie: een standpunt moet te betwisten zijn. Anders is het geen filosoferen meer. Het gaat dus eigenlijk om het nadenken over het leven, niet om de feiten.

De Klassieke filosofie

De Klassieke filosofie is de filosofie van de klassieke Griekse en enkele Romeinse filosofen. In deze tijd was dit een aangelegenheid van mannen die zich in hun vrije tijd (scholè) bezighielden met filosofie. In de school van Plato waren vrouwen alleen toegestaan in mannenkleren. De enige school die vrouwen toeliet, was Epicurus. De Tuin van Epicurus werd daarom ook wel ‘de tuin der lusten’ genoemd. De eerste mannen waarvan bekend is dat ze zich bezighielden met iets in de richting van filosofie, waren de ‘zeven wijzen’. Thales van Milete, de grondlegger van de filosofie, was hier één van. Dit waren geen echte filosofen omdat er niet van deze mannen bekend is dat ze hun theorieën ook probeerden te beredeneren.
Dit tijdperk kan verdeeld worden over drie periodes: de presocratische periode, de bloeitijd en de nabloei.

Vóór de Klassieke filosofische perioden was er de Mythologische periode, waarin mythologische verhalen de verklaring waren voor bijvoorbeeld natuurrampen. Dit mythologisch denken kreeg in de 6e eeuw een andere draai: mensen vonden de verhalen niet geloofwaardig meer. Ze zagen dat andere stammen en volkeren heel anders leefden. Dit leek niet te kloppen bij hun beeld over goden: zij dachten dat de goden alles bepaalden. Zo begon de Klassieke filosofie: men ging zich afvragen of er misschien nog andere mogelijkheden waren.

De Grieken vormen het begin van de westerse filosofie, met name een groep filosofen die de presocraten worden genoemd. Het bestaan van pre-filosofische stromingen in Aziatische, Egyptische en Babylonische culturen is zeker niet te verwaarlozen, maar de Griekse denkers voegden een belangrijk element toe. Zij keken verder dan dat wat algemeen bekend was en/of geaccepteerd werd. Zij vroegen zich bijvoorbeeld af wat leven is, waar alles vandaan komt, waar alles echt is van gemaakt, hoe natuurverschijnselen te verklaren zijn en waarom we deze kunnen beschrijven met enkelvoudige wiskunde.
Ze verwierpen de traditionele mytische verklaringen en begonnen op een meer rationele manier te beredeneren. Ze gingen af op observatie en volgden de rede. Presocraten werden ook wel hylozoïsten genoemd. Dit hield in dat ze de oorsprong van dingen in materie zochten. Kenmerkend voor hylozoïsten is dat nadachten over het levensbeginsel (archê). Dit was vernieuwend voor die tijd, omdat de mythologen simpelweg aannamen dat alles was gecreëerd door goden. Men ging van mythe (mythoi) naar logica (logoi).

De presocratische periode kan worden onderverdeeld in verschillende groeperingen: de Ionische natuurfilosofen, de Pythagoreeërs, de Eleaten en de natuurfilosofen van de vijfde eeuw.

De westerse filosofie, met name in de Renaissance en de Verlichting, is sterk beïnvloed door de klassieke filosofen Socrates, Plato en Aristoteles. De periode waarin zij leefden geldt als de bloeitijd van de Griekse en klassieke filosofie. Deze periode is onder te verdelen in twee groeperingen: de sofisten; Protagoras, Hippias en Gorgias, en de meesters; Plato, Socrates en Aristoteles.
Socrates is voor de rechtbank gesleept omdat men vond dat hij zijn vragen te ironisch stelde. Hij werd beschuldigd van het bederven van de jeugd en het introduceren van nieuwe goden. Dit laatste was gebaseerd op het feit dat hij een aantal keer gezegd heeft een ‘innerlijke stem’ te hebben die hem er soms van weerhoudt dingen te doen.

De nabloei van de Griekse filosofie, soms in zijn geheel aangeduid met de Hellenistische periode genoemd, is onder te verdelen in verschillenden stromingen/groeperingen: de hellenistische filosofie (bijvoorbeeld Epicurus), de Romeinse filosofen Cicero, Lucretius en Seneca en het neoplatonisme.

In de klassieke filosofie kun je een heleboel stromingen onderscheiden.
Eén daarvan is de Stoa of het stoïcisme. Deze stroming komt uit de hellenistische periode. De grondlegger is Zeno van Citium. Het stoïcisme houdt in dat men geen waarde moet hechten aan zijn omgeving. Geluk moet uit jezelf komen. Niemand kan zijn omgeving echt goed beïnvloeden, dus kun je jezelf daar ook niet gelukkiger mee maken. Alles wat je hebt (inclusief je vrienden en familie) moet je beschouwen als iets wat niet echt je eigendom is. Het lot kan het namelijk elk moment van je afnemen, waardoor je geluk snel weer verdwijnt. Het enige wat echt van jou is, zijn je eigen gedachten. Het doel van de Stoa is de onverstoorbaarheid of apatheia bereiken door een kuis leven te leiden en de filosofie en wetenschap te bestuderen. Je moet leven volgens de natuur, passieloos en waarheidslievend zijn, de rede volgen en gevoelens of hartstochten onderdrukken.

De tegenhanger hiervan is het epicurisme. Epicurus was een antieke Griekse filosoof, die rond 300 jaar voor Christus leefde. Epicurus werd sterk beïnvloed door Democritus. Hij gelooft dat de vrije wil een product is van toeval en dat de goden zich niet druk maken om ons. De dood betekent niets, het is slechts een uiteengaan van atomen. Genot is makkelijk te vinden en ernstige pijn is maar tijdelijk. Genot en pijn ontstaan volgens Epicurus namelijk door atomen. Het is dus iets vanzelfsprekends. Bij Epicurus gaat het echter wel om de lange termijn: iets wat in het begin goed voelt maar op de lange termijn slecht voor je zal zijn, is onverstandig. Het doel van het epicurisme is een goed leven. Volgens Epicurus is dit een wat teruggetrokken leven bij je vrienden. De epicuristische school had dan ook weinig belangstelling voor de omgeving. De epicuristen besteedde veel aandacht aan de goede band tussen de leden onderling.

De sofisten waren niet erg geliefd onder de meeste mensen. Een sofist onderzoekt bij bepaalde feiten of het gebaseerd is op de natuur, op gewoonte of op conventie (verdrag). Hij vraagt zich dus af of dingen vroeger zijn verzonnen en vastgelegd door mensen, en of het ook daadwerkelijk zo is. Verder waren het redenaars en stichtten ze scholen waarbij ze jongeren van goede afkomst retorica en algemene wijsheid bijbrachten.

Daarnaast kende men het cynisme. Het cynisme was een invloedrijke Hellenistische filosofische school. De naam is waarschijnlijk afgeleid van de naam van het gebouw in Athene waar de school in gehuisvest was: Cynosarges. Een andere mogelijkheid is dat de naam is afgeleid van het oud Griekse woord voor hond, kuon (κυων), het symbool van de school.
De populaire conceptie van de filosofie van deze school leeft nu nog voort in het normale gebruik van het woord cynisme: een levenshouding waarbij men niet in de goedheid van de mens gelooft.
De filosofie werd door Antisthenes, een leerling van Socrates, gesticht te Athene. Het cynisme als leer was geïnspireerd op de Socratische theorie ‘kennis is wijsheid’. De hele leer nam deze zin wel erg letterlijk op: ze zagen luxe, bezit of geld dan ook uit den boze en waren ervan overtuigd dat dit de enige manier was om wijs te zijn. Dit leidde uiteraard tot een vervreemding van de toenmalige maatschappij, die gebaseerd was op bezit, roem en geld. Deze afkering van de maatschappij, het alleenstaan in hun gevecht tegen het bezit wordt autarkie genoemd en was een sleutelbegrip voor de cynici. Een extreem voorbeeld van het in praktijk brengen van deze autarkie is Diogenes van Sinope.
Het cynisme was zeer lang actief: vanaf de stichting door Antisthenes in de 4e eeuw v. Chr. bleef de filosofie bestaan tot ver in de Romeinse Rijk. De cynici waren over de eeuwen heen een kleine, maar invloedrijke groep filosofen.

Idealisme is een filosofie waarin de ideeën of grondbegrippen als de ware werkelijkheid worden beschouwd. Het is terug te voeren tot op Plato die de algemene ideeën als belangrijker beschouwt dan bijzondere of individuele visies.

Neoplatonisme is een soort synthese is van de filosofieën van de klassieke oudheid.
Als stelsel vormde het Neoplatonisme (3e-6e eeuw n. Chr.) de afsluiting van de klassieke filosofie. Het omvat de theoretische leer van de presocratici, sofisten en de meesters. Maar daarnaast bevat het ook elementen van de praktische filosofie van het Scepticisme, de Stoa en het Epicurisme. Het neoplatonisme omvat dus zowel een theoretische filosofie als een daaraan verbonden praktische filosofie. De grootste vertegenwoordiger van het neoplatonisme was Plotinus (204-270). Zijn leer heeft ondanks de filosofische achtergrond ook een oorspronkelijke, mystiek-religieuze tint.

Presocratische filosofie is de naam die gegeven wordt aan de oud-Griekse wijsbegeerte die aan Socrates voorafging. Daartoe behoren overigens ook enkele tijdgenoten van Socrates (zoals Democritus) die wegens hun denken toch gerekend worden tot deze groep van presocraten of presocratici.

De hedendaagse filosofie

Opvallend is dat filosofen telkens op elkaars werk voortborduren. De hedendaagse filosofie is dus in feite een uitbreiding van de Klassieke filosofie.

Ook stellen mensen zichzelf over de hele wereld dezelfde vragen. Het verschil tussen westerse en oosterse filosofie is echter dat oosterse filosofie altijd een verband heeft met spiritualiteit en religie.

Stromingen binnen de hedendaagse filosofie zijn bijvoorbeeld postmodernisme, fenomenologie en existentialisme.

Postmodernisme is uiteraard een voortzetting van het modernisme. Een postmodernist twijfelt aan het bestaan van romantische begrippen zoals waarheid. Hij bekijkt het leven ironisch en houdt zich bezig met taalkritiek. Postmodernisten gaan er vanuit dat de fundering van onze kennis niet goed is het onderbewuste, emoties, anderen en taal. De waarheid bestaat niet, omdat kennis opgebouwd is uit gedachteconstructies. We kunnen weinig richting geven in ons leven door problemen met bijvoorbeeld planning en controle. Alles wordt gerelativeerd.

De fenomenologie beschrijft de ervaring. Bewustzijn is gericht op de wereld, en de wereld is weer iets wat op het bewustzijn verschijnt. De grondlegger, Edmund Husserl, geloofde dat de rede én de ervaring geen goede kennisbron zijn. Het fenomeen zelf moet je de waarheid vertellen.

Het existentialisme gelooft dat de mens in zijn bestaan is geworpen en de dupe is van een wereld die geen nut heeft. De mens moet vrij zijn en zijn eigen normen en waarden bepalen. Een existentialist is vaak angstig, chaotisch, eenzaam en teruggetrokken.

Er zijn een heleboel verschillende vakgebieden binnen de filosofie.
Zo heb je bijvoorbeeld esthetica: de leer van de schoonheid. Hierin vraagt men zich af wat mooi is en wat als kunst beschouwd kan worden.

Ethiek is een bekendere vorm van filosofie. Centrale vragen zijn bijvoorbeeld: “Wat is goed?” en “Wat zouden wij goed moeten vinden?”. Het gaat dus over juist handelen. Uiteraard hielden de Klassieke filosofen zich hier ook al mee bezig. Dit zie je heel duidelijk bij de Stoa en het Epicurisme: deze stromingen proberen beiden op hun eigen manier te ontdekken wat goed is. De Stoa beweert dat je gevoelens uit moet schakelen om juist te handelen. Gevoelens zijn volgens het stoïcisme zelfs gevaarlijk: ze brengen risico’s met zich mee die jezelf en anderen kan beïnvloeden.
De epicuristen integendeel willen gevoelens niet uitbuiten, en geloven dat geluk het doel is in het leven. Het neoplatonisme breidt dit uit en toont hoe je het in de praktijk moet gebruiken.

Logica houdt zich bezig met de formele regels van het denken. Dit zie je bijvoorbeeld terug in de leer van Aristoteles. Hij was de eerste filosoof die logica gebruikte bij wetenschap en filosofie. Hij beheerste alle wetenschappen en werkte dit alles uit in een systeem.

Metafysica gaat over wat er boven de natuur uitstijgt. Men onderzoekt wat er nog is buiten hetgene dat wij met onze zintuigen waarnemen. Dit vakgebied is erop gericht de gehele werkelijkheid te befilosoferen. De metafysici geloven dat er niets is als het geen verband heeft met al het andere. Dit is terug te voeren op Plato en Aristoteles. In de middeleeuwen is een gigantisch metafysisch systeem bedacht op grond van de theorieën van Plato en vooral Aristoteles. De term metafysica komt van Andronicus van Rhodos, die als eerste de werken van Aristoteles uitvoerde.
Andere voorbeelden zijn politieke filosofie, rechtsfilosofie, taalfilosofie en wetenschapsfilosofie.

Ook in de taalfilosofie spelen Plato en Aristoteles een grote rol. Zij onderzochten bij taaluitingen of de woorden en het onderwerp eigenlijk wel pasten, en dus of de uiting juist of onjuist was. Ook hier speelde Aristoteles de grootste rol.

Een vakgebied waar Plato belangrijker was, is de politieke filosofie. Hij beweerde dat de mens gelijkwaardig was, maar niet gelijk. De staat beschouwde hij als noodzakelijk, omdat een mens zich alleen goed kan ontplooien in een gemeenschap. Plato gelooft in de aristocratie en heeft een aantal communistische ideeën.

Je zou kunnen zeggen dat je de vakgebieden in kunt delen in drie richtingen: gericht op de mens, gericht op de natuur en gericht op kennis. Verder zijn er nog in de twintigste eeuw nog een aantal specifieke filosofieën opgekomen, zoals bijvoorbeeld taalfilosofie.
© 2008 Persephone, gepubliceerd in Diversen (Kunst en Cultuur) op 21-02-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Persephone is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Filosofie in de Klassieke Oudheid"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.