
Broertjes van Eline Vere
Eline Vere, wie kent haar niet? Louis Couperus gaf met dit romanpersonage invulling aan een type personage dat we veelvuldig tegenkomen in de West-Europese literatuur: de 'femme fragile'. Dat er ook vele 'breekbare mannen' rondlopen in die literatuur is minder bekend. Wie zijn deze vruchten van degeneratie?
‘De vrucht van een degeneratie’
Het type van de ‘breekbare man’ in het Nederlandse verhalend proza van het fin de siècle (1890-1910)In de romancyclus De boeken der kleine zielen (1901-1903) van Louis Couperus toont de dilettant Paul van Lowe zich een kind van zijn tijd: ‘Wij, menschen, zitten volgepropt met oude ideeën: we erfden ze over; ze zitten ons in het bloed… En we leven in een maatschappij, waar de nieuwe ideeën al ontbloeien (…) Maar ik, voor mij, zit zoo vol oude ideeën in mijn bloed, dat ik niet meê kan…’ Paul is een ‘breekbare man’, een vervrouwelijkt type personage dat in het verhalend proza van het fin de siècle een buitengewoon intrigerende rol speelt.
Het type van de ‘breekbare man’ manifesteert zich vooral in verhalende teksten van Louis Couperus, maar is ook waar te nemen in enkele romans, novellen en verhalen van auteurs als Frans Coenen, Marcellus Emants, Jacob Israël de Haan en Johan de Meester. Door al deze schrijvers wordt dit karakteristieke verhaalpersonage op een opvallend overeenkomstige wijze gerepresenteerd, zowel wat betreft zijn uiterlijk en innerlijk als wat de manier aangaat waarop hij in hun verhalen functioneert.
De ‘breekbare man’, een nog niet eerder beschreven en hier geïntroduceerd type, is in veel opzichten vergelijkbaar met het type van de zogenoemde ‘femme fragile’. Deze vrouwelijke pendant van de ‘breekbare man’ komt regelmatig voor in de literatuur en beeldende kunst van het fin de siècle. De afgelopen decennia is zij reeds uitvoerig beschreven. Een voorbeeld van zo’n fragiele vrouw is de etherische Ellie in Vlindertje (1901) van Borel. In deze mierzoete roman wordt zij op een voor de ‘femme fragile’ kenmerkende manier beschreven:
Zélf leek ze, met haar fijn, goud haar, haar lichtblauwe-droom-oogen en haar rank, teêr figuurtje, véél meer een exquis, broos kunstvoorwerp dan een vrouw voor het groote Leven. Als een vreemde, exotische orchidee, gekweekt uit voorzichtige mengeling van allergevoeligste essences, zóó scheen zij opgebloeid, in haar milieu van lichte, zachte couleuren, omgeven van zijde en satijn, en van dingen, die alleen de aanraking verdragen van heel eerbiedige vingeren en heel luchtigen stap van voeten.
Ellie is net zo’n type als Cecile in Extaze (1892) van Couperus en Carla in Tragische levens (1901) van Reyneke van Stuwe. Zij hebben allen prachtige blonde haren, dromerige lichtblauwe ogen en een gracieuze gestalte. Maar Ellie lijkt ook als twee druppels water op haar stiefbroer, jonkheer Eduard van Wedell, en dat roept vragen op. De manier waarop de breekbare Pim, zoals zijn roepnaam luidt, wordt uitgebeeld doet zonder meer denken aan de wijze waarop zijn literaire zusje gestalte krijgt:
Zijn teêre, een beetje meisjesachtige ziel was eigenlijk wat schuchter en bang in het leven dat hij om zich heen zag. Het kwam misschien door zijn lichtelijk anemiek gestel, door het wat zwakke, fijne, edele bloed van een te oud geworden, te weinig vermengd aristocratenras, maar hij was niet erg hartstochtelijk van temperament, en de harde ruwheden van passie, die hij òm zich wist, irriteerden hem met een afkeer van vage walging.
Stereotiepe geslachtskenmerken spelen een bepalende rol in de representatie van de ‘femme fragile’ en de ‘breekbare man’. Hoewel Pim het evenbeeld is van zijn fragiele stiefzuster, wordt hij beduidend minder positief gewaardeerd. Het ontbreekt hem bijvoorbeeld aan typisch mannelijke eigenschappen als kracht en werkzaamheid. Het type van de ‘femme fragile’ daarentegen wordt, ondanks haar lichamelijke zwakte en nerveuze aanleg, doorgaans wel positief geïnterpreteerd. Dit verschil in waardering hangt nauw samen met hoe mens en wetenschap omstreeks 1900 over mannelijkheid en vrouwelijkheid dachten. Voor hier nader op in te gaan, zal ik om te beginnen iets meer vertellen over de ‘breekbare man’.
Een tere ziel
Net zoals de schone jongeling Narcissus is de ‘breekbare man’ gebiologeerd door zijn eigen spiegelbeeld, hoewel zijn eigen voorkomen hem nauwelijks kan bekoren. Zijn gezicht wordt ontsierd door een ongezond bleke huidskleur en een paar uitgebluste, diep in de kassen verzonken ogen. Bovendien hangen zijn tengere schouders zodanig dat hij ineengedoken in een stoel zit of voorovergebogen over straat wandelt: de ‘breekbare man’ gaat gebukt onder het leven. Een voorbeeld van zo’n ogenschijnlijk mismaakte man is Willem in de roman Een nagelaten bekentenis (1894) van Emants:Mijn kleine gestalte was ook al treurig uitgevallen. De druipschouders versterkten de indruk van zwakheid, die het aangezicht reeds maakte; mijn magere vingers en polsen waren erg knokig en ik liep met uitbuigende knieën.
Niet alleen heeft de ‘breekbare man’ een teer en disharmonisch lichaam, ook is hij onevenwichtig van geest. Zo is hij bijzonder ontvankelijk voor zintuiglijke indrukken – muziek of de weersgesteldheid. Zijn gemoedstoestand wisselt nogal snel. Hij is het willoze slachtoffer van de verfijning van zijn zenuwen, zoals kroonprins Othomar in de roman Majesteit (1893) van Couperus:
Hij was zeer moê en had toch geen slaap. In zijne gewrichten voelde hij een looden stijfte, als een koû, die hij zoû gevat hebben, en door zijn geheele lichaam ging eene voortdurende trilling, eene geheimzinnige siddering van zenuwen, als was hij een gespannen snaar, die men aanroert.
Hoofdpijn, koortsaanvallen en flauwtes teisteren de reeds wankele gezondheid van de ‘breekbare man’. Daarbij spelen ook slapeloosheid, kouwelijkheid en vermoeidheid hem regelmatig parten. Deze lichamelijke ziekteverschijnselen worden voorgesteld als symptomen van een psychische kwaal of zenuwziekte. Niet zelden lijden ook familieleden van de ‘breekbare man’ aan soortgelijke stoornissen. Dit is bijvoorbeeld het geval in De boeken der kleine zielen (1901-1903) van Couperus, waarin de broers Ernst, Gerrit en Paul worden gekweld door respectievelijk krankzinnigheid, melancholie en smetvrees.
Soms wordt de geestelijke verfijning van de ‘breekbare man’ verbeeld door een kasplantmetafoor. De vergelijking met een kasplant is treffend want ook de ‘breekbare man’ heeft behoefte aan liefdevolle verzorging en komt slechts in een beschermde omgeving tot volle bloei, zoals de intrigant Bertie in Noodlot (1891) van Couperus:
Zijn lijf en zijne ziel waren beide als geweekt in een bad van lauwe weelde; hij was geworden als eene kasplant, die, gewend aan de vochte warmte der serres, vreest in de open lucht te worden gezet.
Ook Pim in Vlindertje (1901) van Borel slijt zijn dagen bij voorkeur binnenshuis:
Want buiten is het groote, harde Leven, genadeloos, en zonder piëteit voor wat apart is en bizonder, dat groote, harde Leven waarin alleen het sterke, grof-gezonde kan gedijen, maar al wat teêr en broos is droeviglijk moet breken…
Omdat hij niet bestand is tegen het leven, wordt de ‘breekbare man’ langzaam maar zeker ten gronde gericht. Vaker nog dan een vlucht in de kunst of in zijn verbeelding is de – zelfverkozen – dood voor hem de meest aangewezen manier om de verstikkende werkelijkheid achter zich te laten. Wanneer hij er niet in slaagt om vat op het leven te krijgen, rest hem niets anders dan zich eigenhandig van zijn aardse kluisters te bevrijden.
Militairen en kunstenaars
De ‘breekbare man’ is het enige kind of de jongste zoon van twee ouders uit de hogere maatschappelijke kringen. Hij is een moederskindje: de persoonlijke band met zijn maatschappelijk geslaagde vader is van kinds af aan beduidend minder hecht dan de relatie met zijn nerveuze moeder. Van zo’n liefderijke omgang tussen een moeder en haar zoon is sprake in Couperus’ Majesteit (1893). In deze zogeheten koningsroman heeft Othomar niet de heerserskracht van zijn wrede vader, maar juist de breekbare gesteldheid van zijn ziekelijke moeder overgeërfd: ‘hij was haar kind: zij had den aanstaanden keizer van Liparië deze zwakte ingeboren’. Gezien het vroegtijdige overlijden van één van zijn ouders (meestal de vader) is de ‘breekbare man’ niet de eerste van zijn geslacht bij wie uitputting van ras haar tol eist.Het is niet verwonderlijk dat de ‘breekbare man’ zich ternauwernood thuis voelt in de mannelijke wereld van zaken en plichten. Hij is bang voor de beslommeringen die een baan met zich meebrengt, zoals de werkloze Willem in Een nagelaten bekentenis (1894) van Emants:
Ik was doodsbang voor de maatschappij. Meestal gaf i me de indruk van een soort kale, donkere strafkolonie te zijn, waarin geketende misdadigers door meedogenloze opzichters met zweepslagen aan het werk worden gehouden.
Of hij teert als nakomeling van een vermogend aristocratisch geslacht op het familiefortuin. In De boeken der kleine zielen (1901-1903) van Couperus is de decadent Paul zich maar al te goed bewust van zijn parasiterende levenshouding: ‘ik ben een dilettant, weet je. Mijn vaderlijk erfdeel houdt mijn bek open’.
Wanneer hij wél een beroep uitoefent, is de ‘breekbare man’ kunstenaar of bekleedt hij een eervolle functie als militair. Met het oog op zijn feminiene aard kan de keuze voor het bijzonder viriele beroep van officier in het leger opmerkelijk worden genoemd; blijkbaar tracht hij een schijn van mannelijkheid te bewaren. De kunstenaar daarentegen heeft weinig redenen om zijn onmannelijke natuur voor de buitenwereld te verbergen. Van een kunstenaar wordt immers verwacht dat hij sensitief is.
De mate waarin de kunstzinnige ‘breekbare man’ zich wijdt aan de kunst, varieert nogal. Velen zijn kunstenaars van de korte adem, zoals Lot die zich in Couperus’ Van oude menschen (1906) beperkt tot journalistiek werk en de grootste moeite ondervindt om aan een grote roman te beginnen. Anderen proberen door hun artistieke bezigheden een schijn van werkzaamheid op te houden. Een voorbeeld van zo’n indolente pseudo-kunstenaar is Vincent in Tragische levens (1901) van Reyneke van Stuwe: ‘toch bleef hij voor schilder poseeren, - omdat hij daardoor een voorwendsel had, om zich, zoo veel en zoo lang hij zou willen, te kunnen afzonderen’. Slechts een enkeling is werkelijk kunstenaar.
Op zoek naar het geluk
Uit de lotgevallen van de ‘breekbare man’ spreekt een pessimistische visie op het menselijk bestaan. De meeste schrijvers lijken dit type personage in te zetten om een ontluisterende kijk op het leven te verbeelden. In hun visie is de mens een gedetermineerd wezen, een erfelijk belast schepsel zonder vrije wil. Bovendien zijn enkele auteurs, zoals Couperus en Everts, van mening dat er een hogere macht – Het Noodlot, de Al-Bestierder – bestaat die de mens nog verder in zijn al niet zo ruime vrijheid beknot. De ‘breekbare man’ ervaart zijn leven als een permanente desillusie: in deze door onzichtbare krachten beheerste wereld blijft het geluk voor hem een utopie.De teloorgang van de ‘breekbare man’ spreekt op niet mis te verstane wijze uit de manier waarop de meeste romans, novellen en verhalen een einde nemen: hij sterft of verwordt tot een gebroken man die niets meer van het bestaan heeft te verwachten. In het laatste geval biedt enkel berusting in het onontkoombare levenslot enige verlichting. Hiervan probeert de zwakke Vincent zijn fragiele geliefde Carla in de roman Tragische levens (1901) van Reyneke van Stuwe tevergeefs te overtuigen:
Hoe langer je leeft, hoe gelatener en geresigneerder je wordt, en hoe minder je van de toekomst verwacht… Heusch, ’t dient nergens toe, je te verzetten, ’t maakt je alleen nòg ongelukkiger… Als je je leven niet weg-werpen wil, verdraag ’t dan, en berust… Zie naar mij… doe zooals ik…
Maar ook een gezonde dosis cynisme kan de levenspijn enigszins verzachten. Zo probeert Aad in Uit het leven van een hypochonder (1907) van Everts zijn talrijke desillusies keer op keer te relativeren: ‘stel je voor: Altijd geluk! ’t Zou geen geluk meer heten’. Toch is ook Aad niet bij machte zich te ontworstelen aan de neerwaartse spiraal waarin zijn leven zich beweegt.
Temperamentenleer
De ‘breekbare man’ en de ‘femme fragile’ zijn producten van een verzameling denkbeelden die in veel opzichten karakteristiek is voor het fin de siècle. De wijze waarop beide typen in het verhalend proza van deze periode worden beschreven, is voor een belangrijk deel schatplichtig aan al dan niet wetenschappelijk omklede ideologieën omtrent mannelijkheid en vrouwelijkheid, degeneratie en temperamentenleer.In de temperamentenleer wordt de mensheid op basis van lichaamsvochten in vier categorieën – temperamenten – verdeeld. Aan de basis van elk van deze temperamenten zou telkens één bepaalde dominante fysiologische eigenschap staan. Zo heeft het sanguinische temperament een sterk ontwikkeld bloedvatenstelsel, het nerveuze een overgevoelig zenuwstelsel, het cholerische een overvloedige galproductie en het flegmatische – of lymfatische – een zwakke weefselstructuur. Deze fysiologische eigenschappen vormen de voedingsbodem voor een omvangrijke reeks eigenschappen die zowel van lichamelijke als van psychologische aard kan zijn.
In het verhalend proza van het fin de siècle zijn het sanguinische en nerveuze temperament het ruimst vertegenwoordigd. Frequent vormen zij binnen één en hetzelfde verhaal elkaars tegenpolen. Een sanguinisch temperament heeft een rode gelaatskleur, blauwe ogen en een fors postuur. Hij wordt gekenmerkt door een goede gezondheid, een oppervlakkig gevoelsleven en een materialistische en zinnelijke instelling. Een literair voorbeeld van een sanguinisch temperament is de vitale ex-officier Aldo in Couperus’ Aan den weg der vreugde (1908):
Zijn gebaar en zijn blik waren gemakkelijk, sympathiek en natuurlijk beiden in de soldateske stramheid van zijn stevige bewegelijkheid. Hij was daar, in die eetzaal, heel mooi en heel gezond. Hij was treffend mooi en tusschen die ziekachtige oude, te dikke, te magere, te gele, te bleeke gasten, die de in onbruik geraakte baden wel niet veel bezochten, maar hier toch verzomerden voor lucht en voor lommer en koelte, was hij treffend gezond!
Een nerveus temperament daarentegen heeft een bleke huidskleur, blond haar en een tenger lichaam. Hij is fijngevoelig, onderhevig aan stemmingen en vatbaar voor zenuwaandoeningen, maar uitermate intelligent en artistiek begaafd. Een voorbeeld van een nerveus temperament is de zwakke Marietje in De boeken der kleine zielen (1901-1903) van Couperus:
Zij was lang en bleek en zij scheen plots omhoog in het grauwe licht te bloeien als een lelie van treurigheid, het witte hoofd geknakt aan de hals, een beetje schuin (…) In de beweging der lange armen, der lange magere handen was als een lome kwijning van anaemie en de blouse droop plooiende neer om de borst, die zich niet rondde. Zes-en-twintig, leek zij jonger, was er in haar fletse ogen een onschuld aan alle passie, als een onmacht om ooit vrouw te worden, of de zinnen in haar verlelieden met al stervingen in der stengelen buigingen.
Men was van mening dat het sanguinische temperament vooral onder mannen en het nerveuze temperament vooral onder vrouwen zou zijn te vinden. Deze veronderstelling gaat echter niet op voor de ‘breekbare man’, die onmiskenbaar een nerveus temperament heeft. Hij vertoont opvallend veel lichamelijke en psychologische kenmerken die gewoonlijk worden toegedicht aan de van oorsprong nerveuze vrouw. In het geval van de ‘breekbare man’ is er klaarblijkelijk iets niet helemaal in de haak: hij is een vervrouwelijkte man.
Degeneratie
In de tweede helft van de negentiende eeuw verschenen vooral in Franse medische kringen talloze publicaties over erfelijkheid. In deze min of meer wetenschappelijke geschriften werd ervan uitgegaan dat de mens volledig bepaald wordt door factoren als erfelijkheid en milieu, waarbij de invloed van de erfelijkheid duidelijk het meeste gewicht in de schaal legt. Veel erfelijkheidsdeskundigen waren van mening dat alle mogelijke eigenschappen en ziekten in principe overdraagbaar zijn. De Franse bioloog Lamarck beweerde zelfs dat ook aangeleerde eigenschappen langs erfelijke weg op het nageslacht worden overgebracht.Dergelijke ideeën over erfelijkheid laten zich zien in de uitbeelding van de ‘breekbare man’. Vooral de directe – kruislingse – erfelijkheid speelt bij dit type personage een rol van betekenis: als evenbeeld van zijn zwakke moeder zijn het doorgaans háár weinig begerenswaardige eigenschappen die hij heeft overgeërfd. Soms echter zijn de wortels van het kwaad al eerder tot volle ontwikkeling gekomen, zoals in Een nagelaten bekentenis (1894) van Emants waarin Willem moet boeten voor de daden van zijn lichtzinnige voorouders:
Ik weet niet hoeveel voorouders uitsluitend voor hun egoïst plezier moeten geleefd hebben, opdat een wezen als ik het levenslicht zou kunnen aanschouwen; maar wel weet ik, dat zij in alle gevalle beter hadden gedaan de soort niet lang genoeg voort te planten om er eindelijk een schepsel uit te laten voortkomen, dat zijn onuitroeibare ellendigheid zou beseffen en daardoor boeten voor allen te zamen
Als laatste telg van een eens roemrijk maar nu uitgeput geslacht is Willem ten prooi gevallen aan het met erfelijkheid verbonden verschijnsel degeneratie. Hieronder verstaan velen het in fysiologisch en psychologisch opzicht verarmen van een bepaald geslacht door een gebrek aan nieuw erfelijk materiaal. De Franse arts Morel daarentegen was van mening dat degeneratie wordt veroorzaakt door het tekortschieten van het erfelijke transmissiesysteem waardoor geestelijke afwijkingen niet onveranderd maar versterkt worden doorgegeven. Hoewel het degeneratieverschijnsel al veel eerder in de belangstelling van de medische wetenschap stond, werd het vanaf de jaren tachtig in toenemende mate negatief geïnterpreteerd.
Aan de hand van een lange lijst van fysiologische en psychologische kenmerken werd verondersteld te kunnen bepalen of iemand gedegenereerd was. Omdat tussen bepaalde fysiologische afwijkingen en abnormaliteiten in het functioneren van de hersenen een verband werd gelegd, was het mogelijk een oneindige reeks verschijnselen aan het rijtje van degeneratiekenmerken toe te voegen. Voorbeelden zijn: achterlijkheid, alcoholisme, zwaarmoedigheid, homoseksualiteit en de neiging tot suïcide.
Door Nederlandse prozaschrijvers wordt het degeneratieverschijnsel vanaf de jaren negentig van de negentiende eeuw in al zijn facetten uitgebeeld. Zo heeft de ‘breekbare man’ disharmonische gelaatstrekken (Willem in Een nagelaten bekentenis van Emants), suïcidale neigingen (Johan in Van de koele meren des doods van Van Eeden) of een afwijkende seksuele geaardheid (Helegabalus in De berg van licht van Couperus). Ook is hij krankzinnig (Ernst in De boeken der kleine zielen van Couperus), melancholisch (Siria in Argwaan van Emants), geobsedeerd (Aad in Uit het leven van een hypochonder van Everts) of overmatig zinnelijk (Joop in Pijpelijntjes van De Haan).
Maar het zijn vooral de vrouwelijke eigenschappen van de ‘breekbare man’ – ijdelheid, emotionaliteit, nervositeit en ziekelijkheid – die in de richting van degeneratie wijzen. Niet zelden wordt hij zelfs expliciet vergeleken met een vrouw, zoals de gedegenereerde keizer Helegabalus in De berg van licht (1906) van Couperus:
Week als een vrouw; blij-vrolijk als een kind; mystiek-helder als een priester des Lichts – zoo zoû hij altijd blijven; onbewust artistiek en veelvuldig in zijne ziel, die niet anders was dan de uiterste bloem eener ùitbloeiende overbeschaving
Doorgaans is de ‘breekbare man’ zich bewust van zijn vervrouwelijkte natuur en veroordeelt hij zijn gebrek aan mannelijkheid: het is ‘laakbaar, verwijfd, voor een man, er zoo uit te zien’, aldus Vincent in Tragische levens (1901) van Reyneke van Stuwe.
Toch zijn er voor de ‘breekbare man’ ook positieve kanten verbonden aan degeneratie. Omdat zijn geestelijke vermogens niet evenredig tot ontwikkeling zijn gekomen, is bij hem één bepaald talent zo sterk ontwikkeld dat het alle andere persoonlijke kwaliteiten overheerst. Zo is hij intelligenter, verfijnder en artistieker dan de ‘normale mens’. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de ‘breekbare man’ zich tegenover zijn medemens maar moeilijk een houding weet te geven. Enerzijds voelt hij zich door zijn ziekelijkheid en krachteloosheid een inferieur schepsel, anderzijds weet hij zich door zijn verstandelijke vermogens, fijngevoeligheid en artisticiteit juist een superieur soort mens. Voorbeelden van ambivalente ‘breekbare mannen’ vinden we gewoonlijk onder kunstenaarspersonages.
De kunstenaar: een ‘dégénéré superieur’
Aan het einde van de negentiende eeuw bestaat er een tweeledig beeld van de kunstenaar. Enerzijds wordt hij – vrouwelijke kunstenaars worden als een ontaarde zeldzaamheid beschouwd – gezien als iemand met bijzondere gaven die hem van de ‘normale’ mens onderscheiden: hij is een ‘dégénéré superieur’. Dit betekent een opwaardering van het verschijnsel degeneratie. Anderzijds wordt de kunstenaar voorgesteld als een psychisch gestoord of zelfs misdadig individu. Een illustratie van deze opvatting vinden we in de populaire studie Entartung (1892) van de Duitse arts Nordau, waarin de gehele kunst van het fin de siècle als ontaard wordt verketterd.In veel verhalende teksten van het fin de siècle wordt de lezer geconfronteerd met kunstenaars. In de uitbeelding van deze personages komt de ambivalente visie op het kunstenaarschap duidelijk naar voren. Zo wordt de talentrijke kunstschilder Johan in Van de koele meren des doods (1900) van Van Eeden in een weekblad geprezen als een groot kunstenaar:
Hij werd genoemd als het nieuwe genie, te hoog om door de menigte gekend te worden, de grote vizionair, begaafd met zienerskracht van hoger herkomst, wiens licht zou overschijnen het licht van profeten uit alle landen en tijden.
Maar ook hier is de stap van genialiteit naar krankzinnigheid niet groot: in de ogen van zijn jeugdvriendin Hedwig is het duidelijk ‘dat het evenwicht van dezen geest verstoord was’. Ook in Een nagelaten bekentenis (1894) van Emants wordt het vermeende kunstenaarschap van Willem in verband gebracht met abnormaal gedrag en geestesziekte:
Al dikwijls had ik me afgevraagd, of de vele abnormaliteiten, waarvan ik me bewust was, niet het kenmerk konden zijn van een artistieke natuur. De tijden, waarin kunstenaars de gezondste, de eenvoudigste, de krachtigste, de verstandigste, de edelste kinderen waren van een volk en een tijd, zijn – indien ze ooit bestaan hebben – voorbij. Tegenwoordig is iedere artiest min of meer ziek, erg gecompliceerd, neurasthenisch, in sommige opzichten ontoerekenbaar, in andere pervers.
Dit pathologische beeld van de kunstenaar zien we in veel literaire representaties terugkeren: hij is een uitzonderlijk, maar tegelijkertijd ziek en misdadig mens.
Twee zwakken
Bleek, tenger, ziekelijk en nerveus: de ‘breekbare man’ en de ‘femme fragile’ zouden zonder veel moeite als broer en zus door het leven kunnen. Beiden zijn de laatste telgen van een familie uit de hogere maatschappelijke kringen, emotioneel en artistiek begaafd, of minstens gevoelig voor kunst. Het ware kunstenaarschap echter is voorbehouden aan de ‘breekbare man’: de fragiele vrouw ontbeert de broodnodige creativiteit en energie om uiting te kunnen geven aan haar schoonheidsgevoel. Wanneer zij wél voldoende talent heeft om grootse kunst te vervaardigen, wordt ze meestal afgeschilderd als een ontaarde vrouw. Voorbeelden hiervan zijn de schilderes Felicia Beveridge in de gelijknamige roman (1895) van Vosmeer de Spie en de dichteres Tilia in Eene illuzie (1892) van Couperus.Opvallend is dat beide typen verschillend worden gewaardeerd. Deze observatie hangt samen met omstreeks 1900 vigerende theorieën over mannelijkheid en vrouwelijkheid. Zo worden in het geval van de ‘femme fragile’ eigenschappen als zwakte, ziekte en nervositeit beschouwd als tekenen van verfijning en positief geïnterpreteerd, terwijl dezelfde kenmerken bij de ‘breekbare man’ doorgaans in negatieve zin worden omgebogen. Blijkbaar voldoet hij niet aan het beeld van de sterke, onafhankelijke en maatschappelijk geslaagde man, terwijl de fragiele vrouw juist volkomen beantwoordt aan het beeld van de fysiek en psychisch zwakke vrouw.
Bij de ‘femme fragile’ treedt een verschijnsel als degeneratie minder sterk op de voorgrond dan in het geval van de ‘breekbare man’ en de ‘femme fatale’, de zinnelijke tegenspeelster van de fragiele vrouw. De fatale vrouw doet met haar erotische uitstraling een beroep op de lagere lusten van de man en probeert hem zo in haar netten te verstrikken. Die onverhulde sensualiteit echter wordt haar kwalijk genomen; zinnelijkheid wordt beschouwd als een typisch mannelijke wezenstrek. Zoals de ‘femme fatale’ niet voldoet aan het beeld van dé vrouw, beantwoordt de ‘breekbare man’ niet aan dat van dé man: beiden zijn ontaarde wezens.
Tegenover het illustere duo van de ‘femme fragile’ en de ‘femme fatale’ staat het al even opmerkelijke koppel van de vergeestelijkte ‘breekbare man’ en de zinnelijke fatale man. Gewoonlijk strijden zij om de liefde van één en dezelfde vrouw. Voorbeelden van zo’n contrasterend tweetal mannen vinden we in Langs lijnen van geleidelijkheid van Couperus (Duco en Rudolf), Tragische levens van Reyneke van Stuwe (Vincent en Frans) en Vlindertje van Borel (Pim en Maurice). Met uitzondering van de typisch mannelijke eigenschap zinnelijkheid, fungeren deze koppels op vergelijkbare wijze als de vrouwelijke paren: de ‘breekbare man’ en de ‘femme fatale’ zijn pathologische gevallen, de ‘femme fragile’ en de fatale man uitvergrotingen van respectievelijk dé vrouw en dé man..
Ook op verhaaltechnisch niveau onderscheiden de ‘breekbare man’ en de ‘femme fragile’ zich van elkaar. Terwijl de ‘breekbare man’ psychologisch uitvoerig wordt getekend en doorgaans de belangrijkste verhaalprotagonist – en soms zelfs ik-verteller – is, wordt de fragiele vrouw slechts van buitenaf getekend. Voor haar is in geen enkel literair werk van het fin de siècle een rol als verteller weggelegd.
Interessant is dat het type van de ‘breekbare man’ ook in de buitenlandse literatuur van het fin de siècle kan worden waargenomen. Voorbeelden zijn: Dorian Gray in de roman The picture of Dorian Gray (1891) van Oscar Wilde, Andrej Wasilitsj Kowrin in het verhaal ‘De zwarte monnik’ (1894) van Anton Tsjechow en de would-be-kunstenaar Detlev Spinell in de novelle Tristan (1903) van Thomas Mann.
In Tristan neemt Mann enkele topoi uit de fin de siècle-literatuur op subtiele wijze op de hak. Dat hij behalve de platonische liefde, het type van de ‘femme fragile’ en haar zinnelijke echtgenoot ook de ‘breekbare man’ parodieert, bewijst dat Mann – en veel andere auteurs uit deze periode – dit personage rekende tot de vaste ingrediënten van de literatuur van zijn tijd.
Literatuuropgave
- Een interessante cultuur-historische beschouwing over de periode van het Nederlandse fin de siècle biedt: M. Kemperink, Het verloren paradijs. De literatuur en de cultuur van het Nederlandse fin de siècle (Amsterdam, 2001).
- Over het type van de ‘femme fragile’ in de literatuur van het fin de siècle: H. van Dijk, ‘In het liefdeleven ligt gansch het leven’. Het beeld van de vrouw in het Nederlands realistisch proza, 1885-1930 , pp. 165-184 (Groningen, 2001). L. Dirikx, Louis Couperus en het decadentisme: een thematologische confrontatie, pp. 235-265 (Gent, 1993). M.G. Kemperink, ‘Een beeld van een vrouw. Het type van de ‘femme fragile’ als bijdrage tot de beschrijving van het Nederlandse verhalend proza (1890-1910)’, in: De Nieuwe Taalgids 85 (1992), nr. 6 (nov.), pp. 479-494. A. Thomalla, Die ‘femme fragile’. Ein literarischer Frauentypus der Jahrhundertwendes (Düsseldorf, 1972). Alleen de studies van Van Dijk en Kemperink gaan exclusief in op het type van de ‘femme fragile’, zoals zich dat voordoet in het Nederlandse verhalend proza van het fin de siècle.
- Over hysterie, neurasthenie en de relatie tussen kunst en ziekte: M. van Buuren, ‘Een barst waardoor het kwaad de ziel binnendringt. Hysterie en literatuur in de 19e eeuw’, in: De Revisor 18 (1991), nr. 6 (dec.), pp. 30-48. M.G. Kemperink, ‘Hysterie in de Nederlandse roman van het fin de siècle’, in: Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 139 (1995a), nr. 43 (28 okt.), pp. 2194-2198. N. Laan, ‘Kunst en ziekte’, in: De Revisor 11 (1984), nr. 2 (apr.), pp. 54-62. H. te Velde, ‘“In onzen verslapten tijd met weeke hoofden”. Neurasthenie, fin de siècle en liberaal Nederland’, in: De Gids 152 (1989), nr. 1, pp. 14-24.
- Over erfelijkheid, degeneratie en temperamentenleer: M.B. van Buuren, Literatuur en temperament. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van gewoon hoogleraar in de moderne letterkunde, in het bijzonder de Franse, aan de Rijksuniversiteit te Utrecht op donderdag 12 oktober 1989. M.G. Kemperink, ‘Couperus en de temperamentenleer’, in: Literatuur 9 (1992), nr. 1 (jan.feb.), pp. 2-7. M.G. Kemperink, ‘Medische theorieën in de Nederlandse naturalistische roman’, in: De Negentiende Eeuw 17 (1993), nr. 3 (aug.), pp. 115-171. M. Kemperink, Het verloren paradijs. De literatuur en de cultuur van het Nederlandse fin de siècle (Amsterdam, 2001).
- De verhaalfragmenten zijn afkomstig uit: L. Couperus, Volledige Werken Louis Couperus. M. Emants, Een nagelaten bekentenis (Amsterdam, 1918). F. Coenen, Een zwakke (Haarlem, 1901). H. Borel, Vlindertje. Een Haagsche roman (Amsterdam, 1901). J. Reyneke van Stuwe, Tragische levens. Oorspronkelijke roman (’s Gravenhage, 1901). J. Everts, Uit het leven van een hypochonder (Bussum, 1907). F. van Eeden, Van de koele meren des doods (Amsterdam, 1982).
Gerelateerde links
Louis Couperus Genootschap en Teksttalenten.Verwante artikelen
- Louis Couperus: Componerend schrijver met een gouden pen: Louis Couperus - een van de grootste Nederlandse romanciers– beschrijft in boeken als Eline Vere, De Boeken der Kleine Zielen en Van Oude Mensen en d…
- Deventer boekenstad: Bij Deventer boekenstad denk je meteen aan de jaarlijkse boekenmarkt. Deventer heeft echter een grote boekenhistorie en behalve op de boekenmarkt kun je het hele jaar door terecht in een…
- Aparte manieren om te overnachten: boekenhotel en vuurtoren: Overnachten tussen de Bedoeïnen in een grot in Tunesië of in een wigwam in het Westen van de Verenigde Staten is uiteraard leuk en spannend. Voor…

Reageer op het artikel "Broertjes van Eline Vere"

Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.

