Geschiedenis en Tempelbouw

Tempelbouw in het Oude Egypte

Tempelbouw in het Oude Egypte

De tempelbouw in het Oude Egypte... Met zijn bouwkundige vormgeving (pylonen, binnenplaatsen, zuilen met plantmotieven en heilige afdelingen), zijn versieringen (afbeeldingen van goden, koninklijke personen, rituelen en toegevoegde teksten) en zijn situering op een heilige plek was de Egyptische tempel een gedeeltelijke herschepping van het universum op aarde. Hoe werden deze Egyptische tempels nou eigenlijk gebouwd?


Tempelbouw oude Egypte

De oudste tempels waren vaak niet meer dan tichelstenen muur rond een heiligdom (een tent of rechthoekig bouwsel) met wimpels aan hoge palen. De overgang van tichelsteen naar natuursteen, die plaatsvond tijdens het Oude Rijk, is te zien in de dodentempels die bij de piramiden werden gebouwd voor de cultus van de dode farao. De tempels voor de goden werden echter in dichter bevolkte gebieden bij de jaarlijks overstroomde Nijlvlakte gebouwd. Hiervoor werd minder duurzaam materiaal gebruikt en de meeste zijn dan ook niet bewaard gebleven. Dit bleef overwegend zo in het Middenrijk. Pas tijdens het Nieuwe Rijk nam voor de niet-funeraire tempels het duurzamere zandsteen in plaats van kalksteen; daarom zijn uit deze periode ook meer bouwwerken behouden gebleven.

Locatie van de tempel

Doorgaans werden de Egyptische tempels geplaatst en georiënteerd op een opvallende plek, of dit nu een natuurlijk kenmerk was, een gebouw of een plaats, een windrichting of een astronomisch punt. In bredere in kon de keuze worden bepaald door oude mythen en tradities, zoals de vermeende locatie van de geboorteplek of het graf van een god. Maar meestal werd de locatie bepaald door praktische factoren, zoals de nabijheid van bevolkingscentra, doorgaande wegen of benodigde bronnen.

Rituelen bij de bouw

De bouw van alle religieuze gebouwen in het oude Egypte begon met ceremonies van zeer oude herkomst. Vergelijkingen van teksten en afbeeldingen van vele locaties laten zien dat de complete funderingsrituelen uit niet minder dan tien afzonderlijke riten bestonden, waarvan de meeste werden opgedragen voordat men met de bouw begon. In theorie werden de riten uitgevoerd door de farao zelf, gesteund door allerlei godheden. De riten bestonden uit:
  • Het vastleggen van het bouwplan van het gebouw door ‘het spannen van het koord’
  • Het strooien van gips over het beoogde terrein om het te zuiveren
  • Het graven van de eerste funderingsgreppel
  • Het strooien van zand in de funderingsgreppel
  • Het vormen van de eerste baksteen of bakstenen
  • De plaatsing van de funderingsdepots op de hoeken van het bouwwerk
  • Het begin van de bouw
  • Zuivering van de voltooide tempel
  • Het aanbieden van de tempel aan de beoogde godheid/godheden
  • Het brengen van offers

Tijdens of kort na de funderingsceremonie werden er funderingsdepots geplaatst bestaande uit kleine votieftabletten, bakstenen, modellen van bouwgereedschappen of voedseloffers en vaak de kop van een stier en een gans, in ondiepe putten dicht bij de buitenste hoeken van de te bouwen tempel. Zodra de funderingsrituelen voltooid waren, kon men aan de echte bouw beginnen.

Materiaal

Het Nijldal bestaat voor het grootste gedeelte uit enorme beddingen van kalk- en zandsteen, de twee belangrijkste bouwmaterialen die gebruikt werden voor de bouw van de tempel. Hoe de steen gewonnen werd, hing af van zijn aard. De meest gebruikte steensoorten zijn:

  • Zandsteen; de lichtste en zachtste steensoort. Zandsteen werd door de Egyptenaren beschouwd als meer ondoordringbaar tijdens een overstroming dan kalksteen en was de belangrijkste steensoort die vanaf het midden van de 18e dynastie gebruikt werd voor de bouw van tempels.
  • Kalksteen; een iets zwaarder gesteente, maar net als zandsteen eenvoudig te winnen.
  • Graniet; een stollingsgesteente bestaand uit kwarts, veldspaat en mica. Dit was een zwaarder gesteente, en werd vooral gebruikt voor de bouw van speciale onderdelen in de tempelbouw, zoals obelisken, stèles, beelden en deurposten.

Dankzij het zandsteen kon met gebruik maken van grotere bouwblokken –ruim 3 meter lang- zodat men de tempels ook steeds groter bouwde. Met behulp van tichelstenen hellingen en stellages kon men muren en zuilen bouwen en metselen, waarna ze bekleed en versierd werden met inscripties en schilderingen, gewoonlijk van boven naar beneden. Wanneer tempels in rotsen werden uitgehouwen, paste men dezelfde technieken van steenhouwen en polijsten toe als voor rotsgraven. Vanaf het Nieuwe Rijk werd de tempelingang geflankeerd door robuuste poorten, ofwel pylonen, die versierd waren met vlaggenmasten en wimpels. Uit deze periode stammen ook de eerste grote obelisken en zuilenhallen.

Naar moderne maatstaven waren de funderingen van de Egyptische tempels vaak van slechte kwaliteit en ze bestonden meestal uit weinig meer dan een met zand en wat lagen ruwe stenen gevulde greppel. Pas in de Grieks-Romeinse tijd werden sterkere tempelfunderingen gemaakt met lagen metselwerk.

In de meeste perioden werd zelden cement gebruikt. Bij de bouw van tempelmuren werden lagen van blokken zorgvuldig op elkaar gepast op hun raakvlakken en pas aan de buitenkant bewerkt als de muur af was. Vaak werden de blokken ondersteund door houten ankers in de muren tot het cement was opgedroogd.

Gereedschap

Het gereedschap van de oude metselaars was eenvoudig maar doeltreffend. Voorgehouwen stenen werden met metalen beitels en harde stenen stampers bewerkt, en men ging met kleine, stokachtige latten langs het oppervlak van de blokken om ze waterpas te maken en hun gladheid te controleren. Deze ‘nivelleerlatten’ kunnen het karakteristieke instrument van de bouwers geweest zijn, omdat het gebruik ervan vaak is getoond op oude afbeeldingen en andere veelgebruikte gereedschappen niet. Houten, vaste hoeken gebruikte men om hoeken aan te geven of te controleren.

Het staat vrijwel vast dat de Egyptenaren geen ingewikkelde mechanische til-instrumenten gebruikten voor het verplaatsen van de grote steenblokken. Pas in de Grieks-Romeinse tijd werd er voor het eerst gebruik gemaakt van de katrol. Voor die tijd gebruikte men waarschijnlijk hefbomen, walsen en schommelhouten.

Tijdens de bouw waren de stenen oppervlakken nog ruw en werden ze van boven naar beneden bewerkt en versierd. Sommige zuilen werden uit één stuk opgebouwd, maar verreweg de meeste zuilen werden in delen opgebouwd, die vervolgens weer van boven naar beneden werden gevormd en bewerkt. De voordelen van deze constructiemethode is dat men grote pylonen, muren, zuilen en andere onderdelen kon uithouwen en bewerken zonder de onvoltooide oppervlakken te beschadigen.

Versiering

De meeste tempels hebben al hun kleur verloren, maar vroeger kenden ze een schitterende kleurenrijkdom. Tegen een witgeschilderde achtergrond had men duizenden veelkleurige hiërogliefen aangebracht en felgekleurde offertaferelen met kolossale afbeeldingen van de farao en de goden. Dergelijke teksten en afbeeldingen droegen altijd in de eerste plaats een cultische betekenis, het waren nooit louter versieringen.

Bezoek ook mijn special over het tempels in het Oude Egypte: Tempels in het Oude Egypte.
© 2008 - 2010 Melod, gepubliceerd in Geschiedenis (Kunst en Cultuur) op 08-03-2008, laatst gewijzigd op 08-11-2009. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Melod is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Gerelateerde link

Meer informatie?.

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Tempelbouw in het Oude Egypte"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.