Farao in het Oude Egypte

Farao in het Oude Egypte

In het oude Egypte dacht men dat alles omgeven was van hogere machten: goden en geesten, zowel goede als kwade, levend in dieren, planten, bergen en stenen. Om het evenwicht in deze schepping niet te verstoren moest de mens deze geesten en goden respecteren, verzoenen of bestrijden. De priesters waren de bemiddelaars tussen de goden en de mensen. De voornaamste priester was de farao. De eerste tot en met de laatste farao werd beschouwd als de voornaamste hogepriester.
De farao was de verdediger van de kosmische orde. Hij was de bewaker van het evenwicht tussen de krachten in de hemel en de onderwereld. De oude Egyptenaren noemden deze kosmische orde Maät. Maät werd afgebeeld als een godin met een veer op haar hoofd.. Deze veer was naast de veer van de waarheid, de kosmische orde.

De maatschappij bestond uit goden, de farao en de gewone mensen. De gewonen ontbreken echter vaak op officiële afbeeldingen omdat ze een god en een los persoon niet samen afgebeeld mochten worden. De gewone mensen stonden ook niet afgebeeld in tempels. Ook mochten gewone mensen nooit in tempels worden afgebeeld.

Farao's deden hun status vaak hoog voor tegenover de gewone mensen door zich met bepaalde goden te vergelijken of in sommige gevallen zelfs zichzelf als godheid te zien. Sommige farao's brachten offers in hun gewone gedaante voor hun alter ego dat vergoddelijkt was.
Na hun dood konden farao's pas vergoddelijkt worden.

Officiële en volksreligie

De officiële godsdienst bestond uit erediensten en feesten in de belangrijkste tempels. Deze eredienst was gebaseerd op wederkerigheid. De farao had de zorg voor de goden en de godenbeelden, hoewel de priesters dit meestal in de praktijk hadden. De goden verschenen dan in de beelden en toonden hun gunst aan de farao, welke het vervolgens doorgaf aan de mensheid.
Mensen en ook de farao kunnen de godheid niet ‘liefhebben’, maar hem alleen ‘respecteren’, ‘vereren’ of ‘danken'.

Het handhaven en verstevigen van de bestaande wereldorde was het voornaamste doel van de religie. De belangrijkste tempels waren gewijd aan de plaatselijke goden, die binnen hun eigen terrein als scheppers werden vereerd.

De eredienst werd verricht door een priesterlijke hiërarchie. De massa van het volk bleef hierbuiten, behalve diegenen die een tijdelijke priesterlijke functie vervulden (zij hadden een maand per kwartaal dienst) en zij die op de landerijen van de tempels werkten. Alleen priesters mochten de tempels betreden. De god verliet de tempel bij verschillende feesten. Dan konden ook de gewone mensen hem benaderen, vooral om orakelspreuken van hem te vernemen, maar het godenbeeld bleef verborgen in een schrijn die op symbolische boot werd meegevoerd; men wist dat de god aanwezig was, maar men zag hem niet.

Als er geen feesten waren had de godsdienst niet zoveel waarde voor de gewone mensen. Iedereen bevredigde zijn godsdienstige behoeftende anders. Buiten de gewone tempels waren er over het hele land veel plaatselijke heiligdommen voor de mindere goden, of voor afwijkende vormen van de hoofdgoden. De gewone mensen gingen naar die heiligdommen om te bidden, offergaven neer te leggen en orakelvragen te stellen.

De goden kenden ook een soort amuletten en toverspreuken. Er waren magische bezweringsformules tegen ziekte, liefdesdrankjes, kalenders van gelukkige en ongelukkige dagen, spreuken der vermijding van het Boze Oog, toekomstvoorspellingen door middel van dromen en talrijke andere nog vreemdere methoden, brieven aan dode bloedsverwanten van wie men dacht dat zij een wrok koesterden tegen de levenden, en nog vele andere zaken.

Positie farao

Samen met de vizier nam de farao de belangrijkste positie in in het land. Hij hield inspectietochten en ook leidde de belangrijke godenprocessies. De hofhouding van de farao bestond uit zijn harem waarin de grote koningsvrouwe een bijzondere positie innam. Naast zijn eigen kinderen leefden ook zoons van overwonnen vorsten en kinderen uit aanzienlijke families in het paleis, die dankzij hun opvoeding daar later loyale dienaren van de farao konden worden.
In het paleis waren ook een veelzijdigheid aan verzorgers aanwezig, zoals butlers, kronenbewaarders, masseurs, kappers en koks.

De vijf namen van de farao

De farao droeg vijf 'grote namen', het koningsprotocol.
De ‘Horus-naam’, geschreven in een paleisfaçade die bekroond werd door een staande valk, stelde de farao gelijk met de hemelgod Horus van wie hij de aardse incarnatie was.
De ‘Beide-Meesteressen-naam’, die wij al in de 1ste dynastie tegenkomen, gaf aan dat de farao de bescherming genoot van twee oude rijksgodinnen. De gier staat voor Nechbet, de godin uit het Zuiden, en de cobra voor Wadjet, de godin uit de Delta.
In de ‘Horus-van-goud-naam’ werd de farao wederom gelijkgesteld met de hemelgod, maar tevens werd ermee aangegeven dat het lichaam van de koning goddelijk was, omdat het uit de zonnestof goud bestond.
De ‘insibiya-naam’, meestal vertaalt als farao van Opper- en NederEgypte, betekent: 'hij die bij het riet en de bij hoort'. Twee oeroude emblemen van respectievelijk het Zuiden en het Noorden symboliseren de macht van de farao over Beide Landen.
De ‘zoon-van-Re-naam’ komt halverwege de 4de dynastie op onder de toenemende macht en invloed van de cultus van Re en geeft aan dat de farao afhankelijk is van de zonnegod die hem verwekt heeft.

De twee laatste namen werden geschreven in cartouches. De symboolwaarde van de cartouche, afgeleid van de hiëroglief voor 'omcirkelen', is dat de koning regeert over alles wat door de zon wordt omcirkeld. De eerste vier namen waren als het ware een beknopte regeringsverklaring van de farao, de vijfde naam droeg de koning als prins. Men refereerde nooit rechtstreeks aan de grote namen van de koning, omdat zij te machtgeladen waren.

Sedfeest

De farao was een godheid die zich telkens opnieuw reïncarneerde in een menselijk lichaam. Tijdens het 'sed-feest' moest de farao bewijzen dat hij in staat was de inwonende god te herbergen door diverse lichamelijke prestaties te leveren.
De oorsprong van het ‘Sed-feest’ moet gezocht worden in het vermijden door de farao's van de rituele koningsmoord die vóór de historische tijd in gebruik moet zijn geweest. Daarbij werd een ouder wordende heerser na een vastgestelde tijd gedood zodat het door hem belichaamde koningschap kon overgaan in een jonger lichaam.
Op seksueel gebied bewees de farao potentie door er een harem op na te houden, waarmee hij een uitzondering op de regel vormde.

Bezoek ook mijn special over het tempels in het Oude Egypte: Tempels in het Oude Egypte.
© 2008 - 2012 Melod, gepubliceerd in Geschiedenis (Kunst en Cultuur) op . Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Melod is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer informatie…

Gerelateerde artikelen
Het Oude Egypte: geschiedenis in een notendop Het Oude Egypte was zonder twijfel een van 's werelds grootste beschavingen…
Bijbelse geschiedenis 28: Mozes en Aäron bij de Farao Mozes keert terug naar Egypte. Samen met zijn broer Aäron gaat…
Bijbelse geschiedenis 19: Jozef als bestuurder van Egypte Jozef komt vrij uit de gevangenis wanneer de Farao hem vraagt z…
Egyptische kunst 2: Overzicht van de dynastieën Om de kunst van het oude Egypte te kunnen begrijpen is het van belan…
Egyptische kunst 3: Verhouding tussen farao en volk De Egyptische koningen, de Farao's, konden niet naar willekeur regere…

Reageer op het artikel "Farao in het Oude Egypte"

Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.
Bronnen en referenties
  • http://www.egypte-info-site.nl
Infoteur: Melod
Rubriek: Kunst en Cultuur / Geschiedenis
Bronnen en referenties: 1
Schrijf mee!