Bijbelse geschiedenis 37: beproevingen in de woestijn

De kinderen van Israël hebben voor bijna een geheel jaar hun kamp bij de Berg Sinaï gehad, wanneer de wolkenzuil voor de eerst opstijgt, over de Tabernakel. Meteen zetten de kinderen van Israël hun reis voort. Volgens het bevel van God, zetten de Joden hun reis door tot zij de Woestijn van Paran bereiken. Ondertussen worden de Joden aan beproevingen blootgesteld. Maar steeds weer biedt God de helpende hand.

Beproevingen in de woestijn

Vertrek uit de Sinaï
De kinderen van Israël hebben voor bijna een geheel jaar hun kamp bij de Berg Sinaï gehad, wanneer de wolkenzuil voor de eerst opstijgt, over de Tabernakel. Meteen zetten de kinderen van Israël hun reis voort. Volgens het bevel van God, zetten de Joden hun reis door tot zij de Woestijn van Paran bereiken.

De mensen vragen om vlees
De vermoeidheid begint een rol te spelen. Het Egyptische uitschot dat met de Israëlieten is meegereisd begint de ontevredenheid onder de Joden te voeden. Spoedig beginnen de kinderen te jammeren over het 'verloren paradijs' van Egypte en de ontberingen van de woestijn. Ze klagen: "Wie geeft ons vlees te eten? Wij denken terug aan de vis, die wij in Egypte aten om niet, aan de komkommers en de meloenen, het look, de uien en het knoflook. Maar nu drogen we uit, er is in het geheel niets, wij krijgen allen dit manna te zien."

Mozes luistert naar het gejammer met verdriet en hij bidt tot God. De Heer luistert naar zijn gebed. Hij beveelt Mozes zeventig wijzen te selecteren die God goddelijke geest zou schenken; zij zullen de last dragen om het volk te leiden. God belooft ook dat het volk het vlees zal krijgen waar ze om smeken, maar dat hen naar hen komt als een bittere straf. "De Here zal u vlees geven en gij zult eten. Gij zult het niet één dag eten en geen twee dagen, geen vijf dagen, geen tien dagen en geen twintig dagen, maar een volle maand lang, totdat het uw neus uitkomt en gij er van walgt - omdat gij de Here hebt veracht, die in uw midden is en aldus voor zijn aangezicht hebt gejammerd: Waarom toch zijn wij uit Egypte getrokken?"

Mozes is verbaasd dat er zoveel dieren zullen zijn om alle mensen eten te geven. Maar God zegt: "Zou de hand van de Here te kort zijn?"

Er steekt een sterke wind op en blaast kwakkels in het kamp. Het volk verzamelt alle dieren en eet tot ze verzadigd is. Maar de Heer treft hen met een plaag. De plaats wordt Kivroth-hattaavah genoemd, omdat men daar het gulzige volk begraven heeft.

De zeventig wijzen

De zeventig wijzen worden geselecteerd om de last op de schouders van Mozes te verlichten. In die tijd gebeurt een episode die het karakter van Mozes in al zijn puurheid en grootheid reflecteert. Twee van de geselecteerde mannen die kandidaten voor het leiderschap zijn blijven in het kamp, want God heeft om slechts 70 mannen gevraagd, terwijl er 72 kandidaten geselecteerd zijn van de twaalf stammen, van elke stam zes. Eldad en Medad vallen af, maar toch blijft de geest van God op hen rusten en zij beginnen te profeteren dat Mozes zal sterven voordat het volk het land Israël zal binnentrekken. En zij zeggen dat Jozua de kinderen van Israël Kanaän binnen zal leiden. Jozua klaagt hierover bij Mozes. Maar Mozes vertelt hem: "Wilt gij voor mij ijveren? Och, ware het gehele volk des Heren profeten, doordat de Here zijn geest op hen gave!"

De zonde van Mirjam

Als de tijd verstrijkt beginnen Mirjam en Aäron, die naast Mozes de grootste leiders en profeten in Israël zijn, onvriendelijk over Mozes te praten. God hoort dit en zegt: "Hoor nu mijn woorden. Indien u onder een profeet is, dan maak Ik, de Here, Mij een gezicht aan hem bekend, in een droom spreek Ik met hem. Niet aldus met mijn knecht Mozes, vertrouwd als hij is in geheel mijn huis. Van mond tot mond spreek Ik met hem, duidelijk en niet in raadselen, maar hij aanschouwt de gestalte des Heren. Waarom hebt gij u dan niet ontzien tegen mijn knecht Mozes te spreken?"

Op hetzelfde moment ontdekt Mirjam dat ze lepra heeft. Aäron smeekt Mozes tot God te bidden en Mozes doet het meteen. God zegt dat Mirjam zeven dagen uit het kamp moet blijven; daarna zal ze genezen zijn en mogen terugkeren.

Meer is te lezen in mijn special Bijbelse geschiedenis III: Mozes tot val Jericho.
© 2009 - 2012 Etsel, gepubliceerd in Geschiedenis (Kunst en Cultuur) op . Het auteursrecht van dit artikel en antwoorden op reacties ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.

Gerelateerde artikelen
Bijbelse geschiedenis 40: de laatste jaren in de woestijn De laatste jaren in de woestijn zijn zwaar voor de kinderen van…
Bijbelse geschiedenis 28: Mozes en Aäron bij de Farao Mozes keert terug naar Egypte. Samen met zijn broer Aäron gaat…
Bijbelse geschiedenis 25: de geboorte van Mozes De dag nadert wanneer, volgens de Egyptische astrologen, de bevrijder van…
Bijbelse geschiedenis 30: doortocht door de Riet zee De kortste route voor de kinderen van Israël naar het Beloofde Land…
Bijbelse geschiedenis 41: verovering oosten van de Jordaan De kinderen van Israël bereiken het Beloofde land. Ze moeten v…

Reageer op het artikel "Bijbelse geschiedenis 37: beproevingen in de woestijn"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Naam: E-mailadres: Meld mij aan voor de wekelijkse InfoNu nieuwsbrief. Reactie:
Infoteur: Etsel
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Geschiedenis
Schrijf mee!