Bijbelse geschiedenis 38: de twaalf verspieders

Terwijl de kinderen van Israël hun kamp hebben opgeslagen bij Kadesh Barnea en het land Kanaän niet ver weg is, eisen ze van Mozes dat hij een groep verspieders naar het land stuurt, zodat ze geïnformeerd kunnen worden op haar sterkte en zwakte. De verspieders komen teleurgesteld terug. Het land is volgens hen onneembaar. Twee verspieders, Jozua en Kaleb, ontkennen het en zeggen dat ze op Gods belofte moeten vertrouwen. Het volk doet dit niet. En het wordt gestraft.

De twaalf verspieders

Mozes zendt verspieders naar Kanaän
God vertelt Mozes dat hij aan het verzoek van de bevolking moet voldoen. Mozes selecteert twaalf mannen, van elke stam één. Voor ze weggaan zegt Mozes: "Trekt het het Zuiderland in en trekt op naar het bergland, en ziet, hoe het land is, en of het volk dat er in woont, sterk is of zwak, klein of talrijk; en of het land, waarin het woont, of het in legerplaatsen woont dan wel in vestingen, en of het land vet is of schraal, of er bomen op staan of niet. Weest moedig en neemt van de vrucht des lands mede."

De twaalf verspieders gaan op weg en bereiken Hebron, de woonplaats van reuzen. Kaleb gaat daar naar de Spelonk van Machpela om tot God te bidden. Tien verspieders zijn zo onder de indruk van de reuzen dat zij besluiten dat het land onneembaar is. Alleen Kaleb en Jozua verliezen hun vertrouwen in God niet en weten dat Hij zijn belofte houdt. De verspieders nemen wat vruchten van het land mee die zo zwaar zijn dat acht mannen ze aan een stok moeten dragen.

De terugkeer van de verspieders
Na veertig dagen keren de verspieders terug. De vruchten die ze bij zich hebben zijn geweldig, maar hun verslag is niet opbeurend. Het is een land van melk en honing, maar in de sterke steden wonen reuzen, de verschrikkelijke zonen van Anak. In het zuiden zitten de Amalekieten, in de bergen de Hittieten, de Jebusieten en de Amorieten, en op de vlakten en de oevers van de Jordaan wonen de Kanaänieten.

Bij de mensen zinkt de moed in de schoenen. Maar Kaleb probeert ze hoop te geven en zegt dat ze kunnen overwinnen. De anderen wijzen echter op de gevaren. Zij stellen zelfs voor een nieuwe leider te kiezen die hen terug kan leiden naar Egypte. Het volk treurt en ziet zich nu gevangen in de woestijn, waar ze dorst en honger hebben en waar ze een prooi zijn voor de wilde dieren. Ze kunnen beter terugkeren naar Egypte dan hier te sterven. Kaleb en Jozua proberen het volk op te monteren en zeggen dat Gods belofte sterker is dan alle militaire macht en strategie. Maar het volk wil Kaleb en Jozua stenigen. Ze worden echter door God gered.

Straf voor de opstand
Dan verklaart God aan Mozes dat het volk gestraft moet worden voor hun ongeloof met pest en sterfte; van Mozes moet een grote en machtige natie afstammen die Gods naam draagt en Zijn waarheid verspreidt. Maar Mozes vraagt God om vergiffenis. En God zegt: "Op uw bede schenk ik vergeving. Evenwel, zo waar Ik leef en de heerlijkheid des Heren de ganse aarde vervullen zal: Geen van de mannen die mijn heerlijkheid gezien hebben, en de tekenen die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en die Mij nu reeds tien malen verzocht en naar mijn stem niet geluisterd hebben, zal het land zien, dat Ik onder ede aan hun vaderen beloofd heb! Ja, niemand van hen, die Mij versmaad hebben, zal het zien. Doch omdat bij mijn knecht Kaleb een andere geest geweest is en hij Mij volkomen gevolgd heeft, zal Ik hem naar het land brengen, waar hij heen geweest is, en zijn nakomelingschap zal het bezitten...In deze woestijn zullen uw kijken vallen, namelijk zovelen als er van u geteld zijn, naar uw volle getal, van twintig jaar oud en daarboven, omdat gij tegen Mij gemord hebt."

De Israëlieten moeten veertig jaar lang door de woestijn zwerven. Dan sterven al de verspieders, behalve Jozua en Kaleb, een plotselinge dood. Het volk wil haar zonde goed maken door Kanaän binnen te vallen. Maar Mozes waarschuwt hen niets tegen Gods bevelen in te doen. Hij waarschuwt voor een nederlaag en die komt er ook.

Straf voor het ontheiligen van de Sjabbat
Op een dag wordt door Zelofehad de Sjabbatsrust overtreden door het verzamelen van hout. Hij wordt voor Mozes gebracht en tijdelijk in bewaring gesteld, tot God de straf bepaalt. God beslist dat de man gestenigd moet worden. De Israëlieten realiseren zich dat het menens is met de heiligheid van de Sjabbat en de gevolgen van ontheiliging.

Straf voor blasfemie
Onder de kinderen van Israël is een man wiens vader een Egyptenaar is en zijn moeder Joods. Op een dag heeft hij ruzie en misbruikt Gods naam. Hij wordt voor Mozes gebracht en God beslist dat de man gestenigd moet worden als een plechtige waarschuwing voor allen.

Meer is te lezen in mijn special Bijbelse geschiedenis III: Mozes tot val Jericho.
© 2009 - 2012 Etsel, gepubliceerd in Geschiedenis (Kunst en Cultuur) op . Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Etsel is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer informatie…

Gerelateerde artikelen
Geschiedenis Joodse volk 2 (Kanaän) De Bijbel is de belangrijkste bron voor de geschiedenis van het Joodse volk. In…
Bijbelse geschiedenis 44: Jozua, waardig opvolger van Mozes Jozua volgt Mozes als leider op. Hij heeft de taak om het lan…
Bijbelse geschiedenis 43: Mozes' dood Mozes sterft in het land van de Moabieten. Hij mag het Beloofde Land niet binnengaa…
Bijbelse geschiedenis 46: de verdeling van Kanaän Na de verovering van Kanaän wordt het land verdeeld onder de twaal…
Bijbelse geschiedenis 40: de laatste jaren in de woestijn De laatste jaren in de woestijn zijn zwaar voor de kinderen van…

Reageer op het artikel "Bijbelse geschiedenis 38: de twaalf verspieders"

Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.
Infoteur: Etsel
Rubriek: Kunst en Cultuur / Geschiedenis
Schrijf mee!