InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Geschiedenis > Een eeuw gaslicht

Een eeuw gaslicht

Een eeuw gaslicht Gaslicht is romantisch en warm en wordt door veel mensen ervaren als sfeervol. Gedurende een dikke eeuw was het echter een belangrijke bron van verlichting. In het begin van de 19de eeuw maakten mensen er voor het eerst kennis mee. Het bleef in gebruik tot de Tweede Wereldoorlog en kende een bloeiperiode rondom de eeuwwisseling. Toch is het met name de 19de eeuw die altijd geassocieerd zal blijven met de zachtgele tonen van gaslicht. Komt dat nu nostalgisch over, in de tijd zelf was het een grote vernieuwing die de nodige veranderingen veroorzaakte. Gas was namelijk de eerste brandstof die via pijpleidingen bij de mensen werd gebracht.

Artikelindeling


De uitvinding van gaslicht: de pioniers

De ontwikkeling van gaslicht staat op naam van verschillende pioniers. De belangrijkste zijn de Britten William Murdoch en Samuel Clegg en de Maastrichtenaar Jan Pieter Minckelers. Zij experimenteerden in de laatste decennia van de 18de eeuw met steenkoolgas als mogelijke bron van verlichting.

Dat men gedurende deze tijd extra belangstelling kreeg voor nieuwe brandstoffen had te maken met de Napoleontische oorlogen. Hierdoor was een groot tekort ontstaan aan Russische talk, wat een onmisbare grondstof was voor de bereiding van kaarsen.

De precieze bijdragen van genoemde pioniers waren als volgt:

Jan Pieter Minckelers (1748-1824)
Bron: Ivory / Wikimedia CommonsBron: Ivory / Wikimedia Commons
Minckelers was professor aan de universiteit van Leuven waar ook zijn onderzoek deed. In 1785 liet hij zijn toehoorders versteld staan door zijn collegezaal te verlichten met lampen die op gas brandden. Dat was nadat hij in 1784 als eerste een verhandeling had geschreven over gasverlichting. Op basis daarvan mag hij best de uitvinder van gaslicht worden genoemd.

Aanvankelijk experimenteerde Minckelers met de vergassing van allerhande stoffen zoals wol, stro, beenderen, hout en turf. In 1783 lukte het hem echter om een ballonnetje gevuld met koolgas te laten opstijgen, waarna hij begreep dat dit een veel betere optie was.

Op de foto een standbeeld dat iedere Maastrichtenaar kent: Jan Pieter Minckelers met in zijn hand een brandende gasfakkel. Het beeld staat op de Markt in Maastricht en komt uit 1904.

Afgezien van een zoektocht naar het beste gas, zocht Minckelers ook al naar mogelijkheden gas te distribueren via buizen. Toch gelukte het hem nog niet om gasverlichting goed genoeg te krijgen voor algemeen gebruik.

William Murdoch (1754-1839)
Murdoch ontdekte dat gas beter werkte als het werd gezuiverd van teer en zwaveldioxide (wat ongetwijfeld ook gunstig uitpakte voor de volksgezondheid). Daarmee zette hij een flinke stap vooruit in de richting van de daadwerkelijke distributie van gas. Hij bouwde in 1802 en 1803 een eerste gasinstallatie voor de verlichting van de fabrieken van Boulton en Watt in de wijk Soho in Londen. Deze installatie had echter geen leidingnet.

Samuel Clegg (1781-1861) was een leerling van Murdoch. Hij bedacht uiteindelijk de technologische basis die maakte dat koolgas voor de markt geproduceerd en gedistribueerd kon worden. Daarnaast ontwierp hij een luchtkoeler tegen het teer en introduceerde in 1806 een systeem van kalkzuivering om de zwaveldioxide mee te verwijderen. In 1815 bedacht hij trouwens ook de eerste gasmeter.

De eerste brandstof via pijpleidingen

Vanaf 1805 was gasverlichting in principe klaar voor commercieel gebruik. Het gas zou daarbij vanuit een speciale gasfabriek verspreid worden via pijpleidingen. Dat was nog nooit eerder vertoond en een ware revolutie in de geschiedenis van brandstofgebruik. Wie een gasaansluiting had, hoefde niet meer rond te zeulen met afgepaste hoeveelheden brandstof, maar alleen nog de lamp aan te doen.

Gemakkelijk was het aanleggen van een gasnet echter niet. Een gemeente moest namelijk wel bereid en in staat zijn om daadwerkelijk een leidingnet met bijbehorende fabriek aan te leggen. Dat kon natuurlijk niet van de ene op de andere dag overal worden geregeld.

Vandaar dat gaslicht zich in een zeer gestaag tempo van stad tot stad zou verspreiden. De primeur ging daarbij naar Londen, waar in 1805 de eerste gasleidingen werden neergelegd. Het stadje Freiburg in Saksen was in 1811 de eerste plaats die de straatverlichting op het leidingnet aansloot. Londen volgde daarmee in 1812. Steeds meer steden zouden hierna volgen en later ook middelgrote gemeenten.

Het platteland zou echter nooit kennismaken met gaslicht. Tegen de tijd dat men daar aan een leidingnet toekwam, was elektriciteit al de betere optie.

Verspreiding gasverlichting

Tot halverwege de negentiende eeuw werd gaslicht toch vooral buiten gebruikt als straatverlichting, voor de verlichting van fabrieken of openbare gebouwen en in huizen van de allerrijksten. Voor woonhuizen was het maar matig geschikt om de volgende redenen:
  • Het was erg duur.
  • Het gaf teveel hitte af, wat een benauwde atmosfeer veroorzaakte.
  • Het gaf zwavel en stikstof af, wat slecht was voor de gezondheid, maar ook het meubilair aantastte.

Later werden deze problemen in toenemende mate verholpen, zodat het gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw steeds meer in huizen te vinden was. Rond 1880 was in Nederland ongeveer 1 op de 5 huishoudens aangesloten op een gasleiding.

Toch bleef het lange tijd een vrij dure aangelegenheid die niet op kon tegen petroleum. Een aansluiting hebben op de gasleiding wilde dan ook niet zeggen dat deze werd gebruikt. Waarschijnlijk hebben tal van huishoudens hun aansluiting nooit gebruikt of alleen in beperkte mate. In de tweede helft van de 19de eeuw was de petroleumlamp populairder.

Pas na het beschikbaar komen van het gloeikousje in 1892 kwam er een periode dat gas het qua kosten en gebruiksgemak kon opnemen tegen petroleum en veel mensen de overschakeling toch nog hebben gemaakt.

Gasverlichting in Nederland

Ondanks het werk van Minckelers kwamen in Nederland de zaken traag op gang. Pas in 1816 was er in Amsterdam een eerste publieke demonstratie van gaslicht. Dat was ter gelegenheid van het huwelijk van Willem III met grootvorstin Anna Paulowna. Willem stak het licht zelf aan, waarna alle aanwezigen diep onder de indruk raakten van het nieuwe wonder.

Door toedoen van Bernardus Koning, een andere Nederlandse gaspionier, kreeg het Binnenhof in Den Haag als eerste buitenverlichting op basis van gas. Deze heeft van 1820 tot 1844 gebrand. Vanaf 1824 kwamen er meer openbare gebouwen met gaslicht zoals de Hoogduitse Schouwburg in Amsterdam (1824) en de Dom van Utrecht (1826).

De eerste pijpleidingen werden aangelegd in Amsterdam in 1826. Niet eerder dan 1847 werden de straatlantaarns er op aangesloten. Andere Nederlandse steden hadden ook geen haast. In Den Haag bijvoorbeeld werden de eerste concessies voor het leggen van pijpen en doorgeven van gas pas in 1844 afgegeven. Daar werd de aansluiting van het openbare licht wel meteen mee geregeld.

Aanvankelijk wilden gemeenten de gasvoorziening absoluut niet zelf regelen en werden alle concessie uitbesteed aan particuliere gasmaatschappijen. Daar kwam halverwege de 19de eeuw voorzichtig verandering in. Sommige gemeenten kozen voor een eigen leidingnet. In 1848 opende de eerste gemeentelijke gasfabriek haar deuren in Leiden, in 1854 volgde er een tweede in Groningen.

Soorten gas

Niet iedere fabriek leverde hetzelfde gas af, want uiteindelijk bleken toch verschillende grondstoffen geschikt. Dat waren met name de volgende twee:

  • Koolgas of steenkoolgas. De experimenten van Minckelers en andere pioniers draaiden om gas dat uit steenkool werd gewonnen. Bij de verbranding van steenkool komen gasvormige producten vrij en blijven er cokes achter. Dit koolgas was het eerste gas dat uit de Europese leidingen stroomde. Het werd zelfs op geen enkele andere manier getransporteerd. Dat noemde men 'lopend gas'.

  • Oliegas. Later wist men ook gas te fabriceren uit raapzaad of andere oliehoudende zaden. Het gas werd verkregen door het ontgassen van de olie die uit dergelijke zaden werd geperst. Patenten op dit proces werden verkregen in 1815 en 1819. Het was goedkoper dan koolgas, stonk minder en gaf nog beter licht ook. De eerste gasfabriek in Amsterdam maakte dit gas. Afgezien van zaden maakte men ook wel gebruik van hars als grondstof. Dit gas werd ook verkocht in containers, wat men 'draagbaar gas' noemde.

Door misoogsten van oliehoudende zaden kon in sommige perioden steenkoolgas toch weer goedkoper zijn dan oliegas.

Lichtgas

Omdat grondstoffen hoe dan ook duur waren, is men steeds blijven zoeken naar manieren om zuiniger met gas om te gaan. Zo kwam in de tweede helft van de 19de eeuw het zogeheten lichtgas of stadsgas beschikbaar. Dat is een vorm van gas die vrijkomt wanneer je steenkool verhit zonder dat er zuurstof bijkomt. Er komt dan meer methaan in het gas wat een hogere verbrandingswarmte oplevert. Daardoor geeft dezelfde hoeveelheid gas meer licht.

Hedendaags gas

Aardgas is grotendeels iets van na de Tweede Wereldoorlog en is als zodanig nooit echt gebruikt als brandstof voor gasverlichting.

Tegenwoordig maakt men op campings en afgelegen plekken nog wel gebruik van gaslampen. In dergelijke gevallen gaat het echter om speciale gasmengsels die worden geleverd in tankjes en die werken op speciale lampen. Daarmee heeft gaslicht dus een transformatie ondergaan van het eerste licht dat uit leidingen kwam tot draagbaar licht dat men juist gebruikt als er geen leidingen zijn.

gasfabriek, Moskou 1912 / Bron: P. P. Pavlov print house / Wikimedia Commonsgasfabriek, Moskou 1912 / Bron: P. P. Pavlov print house / Wikimedia Commons

Gasmaatschappijen

Gas was de eerste vorm van een centraal gedistribueerde brandstof, maar dit werd niet door de landelijk geregeld, zoals wij dat nu kennen. Het besluit om op gasverlichting over te stappen was een keuze van het gemeentebestuur van een stad.

Wanneer de beslissing was gevallen werd er een concessie verleend aan een particuliere gasmaatschappij die vervolgens alle organisatie op zich nam: het leggen van leidingen, het beheren van de gasfabriek(en) en het distribueren van het gas. Elke stad kreeg aldus een eigen gesloten systeem van fabrieken met daarop aangesloten leidingen.

De grootste gasmaatschappij was de 'Imperial Continental Gas Association' uit Londen. Deze beheerde gasnetten door heel Europa. In Nederland waren verschillende van dergelijke maatschappijen actief en een gemeente kon dus onderhandelen over het verlenen van de concessie.

Uitvinding van het gloeikousje

In de jaren '80 van de 19de eeuw leek het bestaan van gasverlichting op een vroeg einde af te stevenen. Het was een tamelijk dure vorm van verlichting gebleven en had weinig voordelen te bieden ten opzichte van een nieuwe concurrent. De uitvinding van de gloeilamp had namelijk in 1879 plaatsgevonden.

In 1893 kwam er echter een onverwachte nieuwe impuls toen het gloeikousje op de markt kwam. Dat werd in 1885 al uitgevonden door de Oostenrijker Auer von Welsbach, maar hij wist het pas in 1892 toepasbaar te krijgen.

Het nieuwe 'gasgloeilicht', zoals het in Nederland werd genoemd, was veel beter dan welke andere lichtbron op dat moment ook. Het gaf een helder en sterker licht en spaarde bovendien brandstof uit.

Een gloeikousje is een stukje synthetisch weefsel dat in een chemische oplossing is gedoopt en vervolgens weer gedroogd. Als het in een brander wordt gehouden, verbranden de vezels en blijft er een soort netje van metaaloxyden achter. Gaslicht was aanvankelijk nogal geel en bevatte veel infrarood. Door de metaaloxyden werd het licht een stuk witter en krachtiger. Ook produceerden de lampen beduidend minder rook dan voorheen en veroorzaakten straatlantaarns geen hinderlijke schaduwen meer.

Het gevolg was dat de vraag naar gaslicht plotseling explosief steeg, zowel voor verlichting binnen- als buitenshuis. Leidingnetten werden verder uitgebreid en straatlantaarns aangepast. De ware bloeitijd van gasverlichting vond nu pas plaats. Toch zou het niet lang duren. Vanaf 1910 had een andere uitvinding een nog grotere impact dan het gloeikousje. Gloeilampen kregen gloeidraden van wolfraam, waardoor elektrisch licht een betere keuze werd.

Weerstand; nadelen van gasverlichting

Ondanks de verwondering van velen, was lang niet iedereen gecharmeerd van het idee van gasverlichting. Mensen zagen er ook de onderstaande nadelen aan.

Ongezond

Vanaf het prille begin vroegen mensen zich af of gasverlichting wel gezond was. Een grote groep tegenstanders wist vrij zeker van niet. Zij vreesden een totale ramp voor mens, dier en plant, door het gas dat men nu zou inademen. Dat was overdreven, maar helemaal ongelijk hadden deze mensen niet. Behalve zwavel en stikstof bevatte gas namelijk koolmonoxide, waarvan het gevaar bekend is. Al waren kachels op dat punt gevaarlijker dan lampen.

Monopolie gasbedrijven

Tegenstanders hadden ook problemen met het feit dat de gasvoorziening in handen was van particuliere bedrijven, met name omdat de straatverlichting erop was aangesloten. Voorheen was men gewend dat dergelijke centrale voorzieningen uitsluitend in handen waren van de overheid. Men durfde er niet aan te denken wat er kon gebeuren wanneer een gasmaatschappij slechte bedoelingen zou krijgen, zoals bijvoorbeeld het uitbuiten van het monopolie. Een angst die waarschijnlijk niet geheel onterecht was, maar gelukkig nooit bewaarheid is geworden.

Serieschakeling

Een ander probleem deed zich voor met de straatverlichting. Gaslantaarns waren in serie geschakeld, terwijl de olielantaarns die men voorheen gebruikte autonoom functioneerden. Dat betekende dat in geval van een storing de hele stad in het donker kwam te zitten, in plaats van een enkele straathoek. dat vonden veel mensen een beangstigend idee.

Opengebroken straten

Afgezien hiervan had men ook last van de straten die waren opengebroken om leidingen in aan te leggen. Dat zal niemand verbazen, want opengebroken straten zijn nog steeds een ergernis voor veel mensen. Destijds was het echter nog vervelender. Straten waren soms meer dan een half jaar lang grote modderputten, waarop met name vrouwen in hun lange jurken en rijglaarsjes nauwelijks nog konden lopen.

Voordelen

Ondanks het feit dat bovenstaande overwegingen serieuze problemen aankaartten, koos men toch steeds meer voor gas. Er waren toch ook veel voordelen:

  • Gaslicht was een schonere vorm van verlichting dan de meeste alternatieven. Olielampen stonden bijvoorbeeld bekend om het geknoei dat ermee gepaard ging en de booglamp, de eerste elektrische lamp, walmde erger dan de gaslamp.
  • Gaslampen waren ook gemakkelijker in het gebruik, omdat het de enige vorm van verlichting was waarbij men zaken als brandstof of koolstaven niet steeds zelf hoefde aan te vullen of vervangen.
  • Dankzij de vluchtige brandstof was er minder brandgevaar dan bij andere lampen. Een van tafel vallende olie- of petroleumlamp is natuurlijk een ander verhaal dan het soort van ongelukken dat je kon treffen met een gaslamp.
  • De gaslamp gaf verreweg het meeste licht, zeker na de uitvinding van het gloeikousje, maar was toch zacht voor het oog.

Verschillende typen gaslantaarns / Bron: Publiek domein / Wikimedia CommonsVerschillende typen gaslantaarns / Bron: Publiek domein / Wikimedia Commons

Gebruik buitenshuis

Het meest bekende gebruik van gasverlichting buitenshuis is natuurlijk de straatlantaarn op gas. Deze liet zich niet alleen herkennen aan het zachtgele licht, maar ook aan de fraaie gietijzeren lantaarnpalen. Dat was eigenlijk toeval omdat de opkomst van gaslicht gelijk opging met die van gietijzer. Tegenwoordig kunnen wij het één echter nog amper voorstellen zonder het ander. Meer dan andere lampen dragen deze lantaarns bij aan de nostalgische sfeer die gasverlichting vaak oproept.

Spoorrijtuigen

Veel minder bekend is het feit dat ook spoorrijtuigen lange tijd waren verlicht met gaslampen. Treinen hadden een gastank aan boord waarin het gas werd opgeslagen.

In Nederland werden treinen tussen 1870 en 1890 van gaslicht voorzien. De Nederlandse spoorwegen beheerden daarvoor hun eigen gasfabriek.

Gebruik binnenshuis

Al vanaf het prilste begin van gasverlichting is het binnen gebruikt, zij het vooral in openbare gebouwen en woningen van zeer rijke stedelingen. Daardoor bevonden zich onder de eerste generatie gaslampen echter juist fraaie lampen zoals kroonluchters, meestal gasluchters genoemd.

Door de jaren heen is er veel moeite gedaan om goede gaslampen te produceren. Dat draaide vooral om het zoeken naar zo goed mogelijk branders. Het was namelijk via de brander dat men de problemen die gas vooral binnenshuis veroorzaakte, kon oplossen. Uiteindelijk zijn er heel wat verschillende branders geweest. Dat kwam ook omdat ze steeds weer aangepast moesten worden op nieuwe ontwikkelingen. Zo wilde men na de uitvinding van de gloeilamp ook gaslampen die naar beneden konden schijnen in plaats van alleen naar boven. Niet zoveel later moesten alle branders weer worden aangepast op het gloeikousje.

In het dagelijks gebruik was de gaslamp uiteindelijk niet zo handig als de gloeilamp. Na enige tijd gebrand te hebben ging hij toch roken en moest hij worden bijgesteld. Dat was weliswaar een stuk minder na de invoering van het gloeikousje, maar helemaal ideaal zou het nooit worden.

Het einde van gaslicht (of niet?)

Uiteindelijk zou de gaslamp het op alle punten verliezen van de gloeilamp. De meeste voordelen die gaslicht had op andere lichtbronnen golden ook voor de gloeilamp. Alleen was het lange tijd zo dat de gloeilamp veel zwakker licht gaf. Nadat dit probleem was verholpen door een gloeidraad van wolfraam te maken, was de omschakeling onvermijdelijk.

Toch verliep ook die niet al te snel, want aanvankelijk was elektriciteit evengoed vrij duur. Daarom is gaslicht nog tot aan de Tweede Wereldoorlog op redelijk grote schaal in gebruik gebleven.

Desondanks is de gaslantaarn nooit helemaal uit het straatbeeld verdwenen. Dat kwam ook omdat men vast wilde houden aan de fraaie gietijzeren lantaarns. Aanvankelijk werden die veelal omgebouwd voor elektrisch licht. Dat is echter niet overal gebeurd, omdat men op sommige plekken het gaslicht sfeervoller vond. In recente jaren gebeurt het zelfs dat gietijzeren lantaarns worden teruggebouwd tot gaslampen en is gasverlichting dus eigenlijk weer in opkomst.

Lees verder

© 2010 - 2017 Varenna, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
De grootste olie- en gasbedrijven ter wereldDe tien grootste olie- en gasmaatschappijen in de wereld zijn niet alleen staatsoliemaatschappijen. Deze bedrijven zijn…
Gaslampen voor in huis (1800-1940)Gaslampen voor in huis (1800-1940)Bij gaslicht denken mensen meestal aan sfeervolle straatlantaarns. Ook voor gebruik binnenshuis zijn er echter veel soor…
Energieleveranciers vergelijken en overstappen: Gaslicht.comEnergieleveranciers vergelijken en overstappen: Gaslicht.comGaslicht.com is een van de vele vergelijkingssites van internet-ondernemer Ben Woldring en zijn onderneming Bencom. Een…
Straatverlichting door de eeuwen heenStraatverlichting door de eeuwen heenVan keurig verlichte straten zoals wij die kennen, was lang niet altijd sprake of toch zeker niet in dezelfde mate. Het…
Met Gaslicht.com vergelijken en overstappen: snel en veiligOp Gaslicht.com kun je nagenoeg alle energieleveranciers op een rij zetten. Zo kun je snel achterhalen welk aanbod voor…
Bronnen en referenties

Reageer op het artikel "Een eeuw gaslicht"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Infoteur: Varenna
Laatste update: 10-04-2017
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Geschiedenis
Special: Licht geschiedenis
Bronnen en referenties: 7
Schrijf mee!