Michelangelo en Caravaggio

Michelangelo Merisi da Caravaggio: werken

Caravaggio: verbannen, hemelhoog geprezen, vergeten, gerehabiliteerd door zijn tijdgenoten en door het nageslacht. Een schilder eeuwig in processen gewikkeld, avonturier en twistzoeker, verliefd op de vorm, op de jeugd, op de straat - een dubbelzinnig figuur, trouw aan God, aan de glorie der heiligen, een vrome schurk blakend van schildertrots.


'Niets is zo misplaatst als de verdoezeling van de ruiter ten opzichte van het paard, van de heilige ten opzichte van het beest,'verklaart in deugdzame verontwaardiging Bernard Berenson, staande voor de sublieme Geestvervoering van St. Paulus. Leo Steinberg heeft deze beschuldiging van misplaatstheid rechtgezet door er eenvoudig aan te herinneren dat dit schilderij, bestemd voor een kleine kapel, van terzijde moest worden gezien, evenals zijn pedant, de Kruisiging van Petrus. Het werk leidt de beschouwer dan meteen naar het hart van het drama, waar Paulus, door de genade geveld, van zijn paard valt. De middelen van Caravaggio om zijn doel te bereiken zijn veel minder revolutionair en gewelddadig dan zijn bewonderaars en zijn verguizers in koor beweren.

De eeste meester van Michelangelo Merisi, Caravaggio genaamd, naar het kleine Lombardijse stadje waar hij het levenslicht zag, is Simone Peterzano, zelf een vlijtige leerling van Titiaan, maar zonder veel talent. Zijn voorliefde voor een spel van felle lichten en schaduwen, door de tijdgenoten, zoals Caravaggio zelf zegt, beschouwd als een uitvinding van deze schilder, komt rechtstreeks uit de Venetiaanse en Bergamaske school. Savoldo liet in Milaan talrijke voorbeelden na van deze zeer contrastrijke schildertrant.

De frescoschildering, toen beschouwd als het summum van kunst wees Caravaggio af en daarmee verwierp hij een hele traditie die de antieke kunst wilde nabootsen. Als eerste stillevenschilder en aanvankelijk niet in staat uit het hoofd te werken, maakt Caravaggio van de nood een deugd. Maar als zijn mentor, kardinaal del Monte, hem terugvoert tot de religieuze kunst, valt hij vanzelf terug op de lessen uit zijn jeugd. Hij wordt door zijn temperament meer beperkt dan beheerst. Verre van nieuwe wegen in te slaan, gaat hij het maniėrisme toepassen - en hij zal het zelfs voorbijstreven.

De Bacchus in de Uffizi - stellig een zelfportret - en Het concert bewijzen duidelijk dat het schandaal, verwerkt door Caravaggio, veel meer ligt in de schaamteloosheid die er zo eclatant uit spreekt, dan aan gedurfdheid van vormgeving. Het lichaam van de jonge Bacchus heeft de weke en uitgesproken musculatuur die de maniėristen na aan het hart lag. De jeugdige schelmen met hun sensuele lippen op Het concert vormen, zodra men de veelzeggende blik onder hun zware oogleden vergeet, louter een dichterlijke harmonie die herinnert aan Giorgione.

De legende dat Caravaggio inspiratie zoch onder het volk op straat is evenmin vol te houden als de meeste andere beweringen over het caravaggisme. Neemt men bijvoorbeeld de Spelers of de Waarzegster het zijn taferelen die, zoals R. Wittkower het uitdrukt, meer hebben van een 'tableau vivant dan van een momentopname naar het leven'. In feite is het pseudo- realisme van Caravaggio veeleer een expressieve interpretatie van de werkelijkheid.

Markies Giustiniani kocht ijlings het altaarstuk met de evangelist Mattheus, door Caravaggio geschilderd voor de Contarinikapel van San Luigi dei Francesi, dat men daar had geweigerd. Op raad van Rubens kocht de hertog van Mantua op dezelfde manier de Dood van Maria, door de monniken van Santa Maria della Scuolla vulgair geoordeeld. Caravaggio was geprikkeld dor die tegenslagen, maar hij gaf geen kramp. Baglione vermeldt overigens in zijn biografie dat 'een kop van Caravaggio duurder werd betaald dan grote composities van zijn rivalen.' Een verfijn schilder die hoge prijzen maakte: Caravaggio was volkomen geaccepteerd en werd bewonderd door een publiek van kenners. De onkunde van enkele priesters of bedeesde monniken heeft geleid tot hetbeeld van een onbegrepen Caravaggio, een volksschilder. Men ziet de schilder echter, ondanks zijn ergernis, zonder aarzelen opnieuw beginnen aan zijn altaarstuk voor de San Luigi dei Francesi, dat met de Roeping en marteldood van de evangelist Mattheüs tenslotte toch kwa m te prijken op het altaar waarvoor het was ontworpen. Mattheüs had niet meer waardigheid gekregen, maar was verhevener gestemd dan in de eerste versie. In volle overeenstemming met zijn afnemers - veelal leden van het Oratorium - maar ook met zichzelf gaat Caravaggio aldus zijn inspiratie kuisen om te komen tot doeken als de Zeven werken van Barmhartigheid, waarin de zinnelijke mystiek tot uiting komt die deze heftige, prikkelbare en gevoelige schilder beter kon verstaan en vertolken dan één andere van zijn tijdgenoten.

Toch hebben noch het naturalisme, noch het geestelijk vuur van Caravaggio's werken hem bij zijn leven zijn reputatie en invloed bezorgd, maar zijn 'tenebroso'. Giovanni Pietro Bellori wiens tweedehands getuigenis trouwens met reserve moet worden aanvaard, geeft op expressieve wijze de aantrekkingskracht weer die Caravaggio's felle tegenstelling van licht en schaduw uitoefende op zijn confraters: 'Caravaggio hefet zijn reputatie zeer versterkt door zijn uitermate gedurfde koloriet. De zachte kleuren, de schaarse tinten van zijn eerste werken hadden al moeten wijken voor een feller kleurengamma in een Luitspeler en in zijn Heilige Catharina. Daarna kwam hij tot een echt hard koloriet van zware schaduwen met veel zwart om reliėf te geven aan de lichaamsvormen. Geestdriftig over dit nieuwe koloriet plaatste hij voortaan zijn modellen niet meer in het volle licht. Volgens een speciaal systeem dat hij had uitgewerkt zette hij ze in een donker vertrek en liet van boven het licht invallen, dat de voornaamste de len van het lichaam bescheen en de rest in het donker liet - vandaar de felle contrasten tussen licht en donker.'

'Deze handelswijze verwekte vurige geestdrift bij de jonge schilders,' vervolgt Bellori, 'deie Caravaggio beschouwden als de enige ware schilder van de natuur (...). Ze pikten hun modellen op van de straat en versterkten het licht zoveel mogelijk. Intussen beweerden de oude schilders geėrgerd dat Caravaggio alleen maar kon werkenin donkere kelders'. Bellori, een trouwe bewonderaar van de antieken, geeft ongetwijfeld een caricatuur van Caravaggio en zijn leerlingen, maar hij stelt niettemin het typische karakter van zijn zwarte tinten in het licht, hun kunstvaardigheid, hun schemerdonker. Met het realisme van zijn modellen, met een theatrale toepassing van het licht in dienst van een religieuze symboliek - daarmee heeft Caravaggio, evenals iedere grote schilder, zijn heil gezocht waar het hem goeddacht. Hij is noch maniėrist, noch echte barok, en eigenlijk gezegd helemaal niet caravagesk, en hi j heeft geen echte opvolgers, hoogstens navolgers; maar onder de zeventiende eeuwse schilders die zijn werk en kenden, zijn er maar weinigen geheel en al aan zijn invloed ontstapt.
© 2006 - 2008 Guggenheimer, gepubliceerd in Kunst (Kunst en Cultuur) op 22-12-2006. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Guggenheimer is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Michelangelo Merisi da Caravaggio: werken"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.