Groningen en Museum

Groninger Museum

Groninger Museum

Het Groninger musem ligt op een historische locatie in het water, grenzend aan statige 19e-eeuwse singels met herenhuizen die zijn gebouwd op de plek waar vroeger de stadsmuren van Groningen stonden. Het nieuwe Groninger Museum is als geheel niet zomaar een omhulsel voor kunst, het is zelf eigenlijk ook een kunstwerk, een principe dat in de hedendaagse architectuur steeds vaker voorkomt. Het museum zelf is eigenlijk het meest kostbare onderdeel van de kunstcollectie van het Groninger Museum.


HET GRONINGER MUSEUM

De realisering van het huidige Groninger Museum heeft een lange en intense voorgeschiedenis alvorens begonnen werd met het spectaculaire museumontwerp dat tot op de huidige dag nog steeds inzet is van discussie over moderne museumarchitectuur.
Na een jarenlange periode van schetsen en ontwerpen en heftige debatten is het ontwerp van de Italiaanse vormgever Alessandro Mendini en drie gastarchitecten Philippe Starck, Michele de Lucchi en Coop Himmelb(l)au in 1994 voltooid en opgeleverd.
Over het ontwerp, de wensen van de toenmalige opdrachtgevers, de ideeën van de architecten gaat dit artikel.

VOORGESCHIEDENIS

Aanleiding
De directe mogelijkheid voor dit grootscheepse bouwproject wordt gegeven op 28 september 1987. Dan schenkt de N.V. Nederlandse Gasunie 25 miljoen gulden voor een nieuw te bouwen Groninger Museum. Voor het museum een prachtig moment. Het oude gebouw aan de Praediniussingel, waarin het Groninger Museum precies 100 jaar gehuisvest was, werd veel te klein. De schenking, ter ere van het (in 1988) 25-jarig bestaan van het gasconcern wordt dan ook met gejuich ontvangen. Het is de start van een ruim 7 jaar durend project dat op 29 oktober 1994 voltooid wordt met de opening van het nieuwe Groninger Museum.

Locatie
Na allerlei locatiemogelijkheden te hebben bekeken, kiest een voorbereidingscommissie in 1990 uiteindelijk voor de zwaaikom in het Verbindingskanaal aan de zuidkant van het centrum. Het is een historische plek, grenzend aan de statige 19e eeuwse singels met herenhuizen die gebouwd zijn op de plaats waar ooit de oude verdedigingsmuur van de stad stond. De stadsgracht lag op de plek waar later het verbindingskanaal gegraven is. Aan de andere kant bevinden zich het hoofdstation en enkele grote lintvormige kantoorgebouwen gebouwd in de laatste decennia. Een unieke locatie die het stationsgebied verbindt met de binnenstad.

Mendini
De keuze voor de hoofdarchitect valt vrijwel direct op de Italiaanse vormgever/architect Alessandro Mendini, van wie het Groninger Museum al verscheidene werken in collectie heeft. Immers, de geest van de jaren tachtig, een periode die sterk vertegenwoordigd is in de collectie Hedendaagse Beeldende Kunst, is bij uitstek in zijn werk aanwezig. Zijn visie en werkwijze sluiten perfect aan op de ideeën van de toenmalige directeur van het museum, Frans Haks, omtrent de nieuwbouw. Want één ding stond vanaf het begin al vast: het moest een bijzonder gebouw zijn, het visitekaartje van het museum. Uitnodigend en toegankelijk.
Mendini, geboren in 1931, is een veelzijdig man. Naast architect is hij ook designer, kunstenaar, theoreticus en dichter. In 1988 presenteerde het Groninger Museum een grote overzichtstentoonstelling van zijn activiteiten waarin zijn veelzijdigheid duidelijk tot uiting kwam. Mendini publiceert veel. Hij schrijft bijvoorbeeld columns in internationale tijdschriften waardoor hij als theoreticus van het nieuwe design kan worden beschouwd.

Uitgangspunten
Uitgangspunt in 1987 voor het nieuw te bouwen museum was de aard en de sfeer van de collecties waar het Groninger Museum uit bestaat: Archeologie en Geschiedenis van Groningen, Kunstnijverheid, met als belangrijke deelcollectie Chinees en Japans porselein, Oude Beeldende Kunst (van ca. 1500 tot 1950) en Hedendaagse Beeldende Kunst (vanaf 1950 tot nu). Deze vier totaal verschillende collecties vormen de identiteit van het museum en die zouden in het gebouw zichtbaar moeten zijn en een eigen plek moeten hebben. Tegelijkertijd moest het nieuwe gebouw een staalkaart zijn van de ontwikkelingen in de kunst en architectuur van de jaren tachtig. Logisch was dan ook de eis van samenwerking met verschillende architecten en/of ontwerpers, zodat allerlei verschillende gezichtspunten gecombineerd zouden worden en de afzonderlijke sferen van de collecties tot uiting kwamen.

Eisen en wensen
Mendini was gebonden aan een aantal eisen van de gemeente. Er moest een directe verbinding tussen station en binnenstad (fiets- en voetgangersbrug) opgenomen worden in het ontwerp, de scheepvaart moest door kunnen gaan, en men moest vanaf de ene oever de andere oever kunnen blijven zien (de 'transparantie' van het ontwerp).
Met deze gegevens volgt een jarenlang ontwerpproces, waarbij allerlei ideeën en ontwerpen de revue gepasseerd zijn. In november 1990 werd het definitieve ontwerp goedgekeurd. Echter, door een beroepsprocedure aangetekend bij de Raad van State door tegenstanders van het Groninger Museum, duurde het tot april 1992 voordat met de bouw begonnen kon worden.

DE FILOSOFIE VAN MENDINI

Ontwerp
Wat zijn de principes van Mendini bij een dergelijk ontwerp? Hij vindt dat het aanbrengen van versieringen diep in de mens geworteld zit en versieren moet daarom uitgangspunt zijn van het ontwerpen. De functionalisten verwerpen juist het ornament omdat dat de aandacht afleidt van waar het om gaat, namelijk de functie. Wat zij maken is sober met alle aandacht gericht op de doelmatigheid van het voorwerp. Dit zou volgens de tegenstanders leiden tot onpersoonlijke massaproducten. Volgens Mendini willen de mensen tegenwoordig geen massaproducten meer. De mens is een individu en heeft behoefte aan persoonlijkheid in plaats van de anonimiteit van de functionele vormgeving. "leder mens is anders', zegt Mendini, "dus waarom een voorwerp ook niet?"

Geen gevestigde normen
Mendini’s werk heeft een aantal opvallende kenmerken. Mendini ontkent traditionele rangordes (bijv. dat schilderkunst verheven is boven toegepaste kunst) en historische indelingen van tijd en plaats. Hij vindt kunsthistorische stijlen, uitheemse culturen en kitsch allemaal even belangrijk.

Vermenging van disciplines
Uit deze opvatting komt het tweede kenmerk van zijn werk voort, namelijk vermenging van disciplines. Mendini vindt dat er geen grenzen zijn tussen de verschillende activiteiten waar hij zich mee bezig houdt. Theater, beeldende kunst, schilderkunst, architectuur, sculptuur en wetenschap kun je volgens hem vrij door elkaar gebruiken. Een scheiding tussen deze disciplines vindt hij onzin. Mendini meent bovendien dat alles al eens verzonnen en toegepast is. Dus wat overblijft is slechts opnieuw toepassen. Dit uit zich in redesign. De al bestaande ontwerpen worden vervolgens voorzien van een nieuwe decoratie, veelal afkomstig uit een ander vakgebied. Vooral de schilderkunst is een belangrijke bron van decoratie.

Samenwerken
Een derde kenmerk in het werk van Mendini is het samenwerken met anderen. Hij werkt samen met kunstenaars, architecten en vormgevers van zijn tijd. Zo ontstaan meubels, objecten, kleding, decors, schilderijen, theatervoorstellingen, keramiek en juwelen. Het verlangen naar het doorbreken van de grenzen van traditionele vakgebieden brengt haast vanzelf met zich mee dat Mendini meer als regisseur en bedenker actief kan zijn dan als uitvoerder.

Regisseur
Eén van de samenwerkingsprojecten waarbij Mendini als supervisor optrad, betreft de serie thee- en koffieserviezen voor Alessi. In 1980-'83 zijn elf theeserviezen van zilver uitgevoerd door de Italiaanse firma Alessi in een kleine oplage. Mendini trok tien van de belangrijkste architecten van deze tijd aan om ieder een servies te ontwerpen. Onder hen waren Hans Hollein (die het museum Abteiberg te Mönchengladbach ontwierp) en Aldo Rossi (de architect van het nieuwe Bonnefantenmuseum in Maastricht). De architecten vatten het servies op als een plein waarop ze theepot, melkkannetje en suikerpot als kleine gebouwtjes neerzetten, ieder in hun eigen persoonlijke stijl. Zo ontstond een serie van elf theeserviezen die bij de geschiedenis van het thee- en koffieservies horen, maar eveneens bij de eigentijdse vormgeving en architectuur. De serviezen kunnen als voorloper van het Groninger Museum beschouwd worden. Zij zijn sinds 2002 compleet in de collectie van het museum.
Een later project van Alessi betreft 100 porseleinen vazen, waarvan de basisvorm door Mendini is ontworpen, met decoratie van 99 kunstenaars en ontwerpers van over de gehele wereld. Van velen bevindt zich werk in de collectie van het Groninger Museum. De vorm is in dit project hetzelfde, de decoratie verschilt steeds. In een ander project, 33 spiegels voor de firma Glas, heeft Mendini de decoratie gegeven, en werd de vorm steeds door een andere ontwerper bepaald. De versiering is hier het Signac - motief, ontleend aan een pointillistisch schilderij van Paul Signac (eind 19e eeuw). Dit motief, voor het eerst toegepast op de Stoel voor Proust (1979), keert terug in allerlei variaties in de installatie Interno di un Interno en daarna in een horloge voor Swatch (Lots of Dots, 1991), de trap van het Groninger Museum en aan de buitenzijde van de oostelijke paviljoens. Alle bovengenoemde ontwerpen van Mendini en gastontwerpers bevinden zich in de collectie van het Groninger Museum.

Gastarchitecten
Voor het nieuwe museum werden gastarchitecten aangetrokken om delen van het museum, paviljoens, te ontwerpen: de Italiaanse vormgever Michele de Lucchi uit Italië, Philippe Starck uit Parijs en, in een vrij laat stadium, Coop Himmelb(l)au met kantoren in Wenen en Los Angeles. Ook werd samengewerkt met Nederlandse architecten en vormgevers, zoals het Groningse architectenbureau Team 4 (projectarchitect), Albert Geertjes en Geert Koster.

Het gebouw
Het basisontwerp van Mendini bestaat uit drie eenvoudige en strakke bouwvolumes die in de lengte van het Verbindingskanaal los in het water liggen en met elkaar verbonden worden door gangen. Deze gangen dienen tevens als brug. Een hemelsblauwe ophaalbrug voor fietsers en voetgangers doorsnijdt het complex. Het verbindt niet alleen de twee oevers, maar maakt tevens onderdeel uit van een rechtstreekse verbinding tussen station en binnenstad. Het museum is daardoor een toegangspoort naar het centrum geworden, waar men 'dwars doorheen gaat.
leder bouwvolume bestaat uit meerdere delen, paviljoens, die op of naast elkaar geplaatst zijn. Elk paviljoen heeft zijn eigen functie en daarmee samenhangend een eigen vorm, kleur en materiaal.

Relatie tussen binnen en buiten
Aan de buitenkant is direct te zien dat het hier gaat om een gebouw waarin diverse vormen van kunst en design gepresenteerd worden. De brug, aan de stationszijde gemarkeerd door een blauwe hoefijzervormige poort, verbergt een verrassing. Wanneer de ophaalbrug omhoog staat, kan men vanuit de stad een kunstwerk van Wim Delvoye zien, dat is aangebracht op de onderzijde. Uitvergrote Delftsblauwe tegels met schijnbaar 17e eeuwse emblemen verwijzen naar de collecties kunstnijverheid en oude beeldende kunst. De vorm daarentegen is heel eigentijds. De beeldspelletjes zijn geen bestaande voorbeelden, maar door Delvoye bedachte cartoons en de tegels zijn in werkelijkheid grote stickers.
Midden op de piazza voor de entree staat een sculptuur van Mendini. Het is een zelfstandig werk, een rustbank en een verwijzing: de plattegrond van het museum is hier rechtop gezet. Zo ontstaat en mensachtige figuur. Staande voor de entree is het rode neonplafond van François Morellet binnen in de entreehal te zien. De ovale lijnen van dit kunstwerk, dat speciaal voor deze plek is gemaakt, zetten de lijnen van de architectuur naar binnen voort.

HET CENTRALE PAVILJOEN

Als eerste blikvanger is er natuurlijk de ruim dertig meter hoge goudkleurige toren in het midden. Deze toren herbergt de depots en tevens de ingang. Het depot, bij musea vaak weggestopt in kelders of onopvallende bijgebouwen, is volgens Mendini het hart van het museum, de schatkamer waarin de kostbaarste bezittingen, de collectie van het Groninger Museum, bewaard worden. Daarom heeft het een centrale plaats gekregen en een goudkleurige bekleding van laminaat, een soort kunststof. Als de zon schijnt op het goud, wordt de toren oogverblindend en doet het gebouw niet meer aan een schip, maar aan een kerk denken. Aan weerszijden van de toren bevinden zich identieke bouwvolumes; het ene bekleed met roze, het andere met zachtgroene betonplaten. De herhaling van vierkanten benadrukt de symmetrie: laminaat, betonplaten, kleine vierkante mozaïeksteentjes en de ramen van de kantoren aan de bovenzijde.
Het groene deel aan de zuidkant heeft grote ramen. Hier is het café-restaurant gevestigd met een prachtig uitzicht over het water en de voorbijvarende schepen.

De entreehal
De entreehal is in 2002 ingrijpend vernieuwd. Aan de linkerzijde is een grote balie geplaatst met kassa’s en een groot plasmascherm met prijzen en informatie over de lopende tentoonstellingen. Ernaast is de doorgang naar de winkel. Aan de rechterzijde van de hal, bij binnenkomst, bevinden zich twee kleinere balies met schermen. Hier wordt informatie gegeven over de activiteiten van het museum en cultuurtoeristische informatie over Groningen door de VVV. Tussen beide informatiepunten bevindt zich de doorgang naar het café-restaurant. De hal is openbaar gebied en vrij toegankelijk tijdens openingstijden. Door de vernieuwingen heeft de hal meer de rol van ontmoetingsplaats en informatieruimte gekregen.

De centrale trap
De wenteltrap is de eigenlijke toegang tot het museum en de schatten van het Groninger Museum en tevens het centrale oriëntatiepunt. Maar ook is zij een zelfstandig kunstwerk. Opnieuw komen de kenmerken van Mendini's werk naar voren. De bezoeker moet de trap afdalen, en niet, zoals in traditionele musea, de trap omhoog nemen (naar de 'hogere' kunsten). De mozaïeksteentjes, aangebracht door Italiaanse vakmensen, doen denken aan Byzantijnse mozaïeken uit Ravenna, de vormen van de spiraaltrap aan Moorse kunst.
Via de grote wenteltrap komt men in de gangen die naar de tentoonstellingspaviljoens leiden. Tussen het centrale deel en de tentoonstellingspaviljoens zijn ovale expositieruimtes die buiten pleintjes vormen.
De halfronde ramen in de gangen doen denken aan een kloostergang. De overheersende kleur van de ramen, lichtblauw, verwijst naar het water buiten. In de bekleding aan de buitenkant komt deze kleur terug. Ook zijn hier grillige watergeultjes aangebracht in het materiaal.

WESTELIJK GEDEELTE

Westelijk van het centrale gedeelte staan twee paviljoens op elkaar. De onderste, een vierkant dat naar boven toe iets smaller toeloopt, was oorspronkelijk bestemd voor de presentatie archeologie en geschiedenis van stad en provincie Groningen. Dat wordt al duidelijk aan de buitenkant van het paviljoen: het is bekleed met rood bak steen, van oudsher hét traditionele bouwmateriaal van Groningen. Bovendien wekt het de indruk van een fort en doet het denken aan de dwingers van de verdedigingswerken, die in het midden van de 17de eeuw op deze plek waren aangelegd. Twee leeuwen uit de collecte, afkomstig van de borg Farnsum, bewaken het fort.
Deze inrichting is sinds 1998 een deel van de Groningse geschiedenis geworden. De historische opstelling voldeed niet aan de verwachtingen. Het heringerichte paviljoen draagt nu de naam Ploegpaviljoen Beringer-Hazewinkel, naar de nieuwe inhoud: een vaste plaats voor de Groningse kunstenaarsgroep De Ploeg en het Noord-Europees expressionisme. Het paviljoen is vernoemd naar
de schenkers van de nieuwe inrichting. De herinrichting is van de hand van dezelfde ontwerper als het oorspronkelijke paviljoen, de Italiaan Michele de Lucchi (1951).

Ploegpaviljoen Beringer-Hazewinkel
Het Ploegpaviljoen Beringer–Hazewinkel bestaat uit een centraal middengedeelte, waar in de blauwe middenzaal voorwerpen uit de Groningse cultuurgeschiedenis worden gepresenteerd, en zes zalen voor wisselende presentaties van De Ploeg en expressionisme, drie aan weerszijden met een verbindingsruimte achter de centrale middenzaal. Door een raam kan de bezoeker hier nog een blik werpen op de Villa Heymans van Berlage opgetrokken uit dezelfde bakstenen als het Ploeg paviljoen en een deel van de architectuurgeschiedenis van Groningen. Berlage was ook de eerste die een plan had opgesteld voor de verbinding van hoofdstation en binnenstad en is daarmee in feite een voorloper van het huidige museumgebouw. Opvallend in de zalen zijn de felgekleurde wanden, waarvan de intensiteit nog eens wordt versterkt door toepassing van gekleurd licht.

Starck paviljoen
Bovenop het bakstenen deel ligt een cirkelvormig paviljoen waarin voorwerpen op het gebied van Kunstnijverheid te zien zijn. De buitenkant is bekleed met aluminium platen, waarop in reliëf vaasvormen te zien zijn. Ook hier dus aan de buitenkant de verwijzing naar de inhoud. De vormgeving heeft de Franse ontwerper Philippe Starck (1949), in nauwe samenwerking met de vormgever Albert Geertjes, voor zijn rekening genomen.
Voor deze ruimte ontwierp Starck een verlichte cirkelvormige vitrine, helemaal rondom tegen de schuine binnenmuur. Hierin staat de internationaal belangrijke collectie Oosters keramiek centraal, met het accent op de Oost- West relatie. Het Groninger Museum heeft met het Rijksmuseum in Amsterdam, het Princessehof te Leeuwarden en het Gemeentemuseum in Den Haag de rijkste collectie Aziatische keramiek.
De ronde zaal wordt door middel van slingerende gordijnen verdeeld. In de ruimtes die daardoor ontstaan zijn, bevinden zich bijzondere opstellingen, waar de bezoeker zich kan concentreren op het porselein, maar ook op andere gebruiksvoorwerpen, zoals meubilair en Japans lakwerk.
De wijze van tentoonstellen sluit aan bij de aard en de bijzonderheid van de objecten. Op de betonnen vloer en wanden zijn grote kunstmatige barsten aangebracht, die verwijzen naar het craquelé van porselein. De lift is kelkvormig en verwijst zo naar kunstnijverheid, maar ook naar Starcks eigen ontwerpen, bijvoorbeeld de kaasrasp/houder Mister MeuMeu uit 1992, een gestileerde koeienkop. Op speelse en humoristische wijze verbindt Starck vorm en inhoud. Een van de twee hoorns van Mister MeuMeu blijkt, na opening, een lepeltje te zijn.
Een speelse oplossing in het paviljoen kunstnijverheid is het aquarium gevuld met porselein. Het bevat een deel van de beroemde collectie 'Geldermalsen porselein'. Chinees porselein uit het midden van de 18e eeuw, dat, wegens schipbreuk van het V O.C schip 'De Geldermalsen', eeuwenlang op de bodem van de Zuid-Chinese Zee heeft gelegen. Het Groninger Museum, heeft veel belangrijke stukken hiervan ten geschenke gekregen, nadat het porselein in 1986 door de berger Captain Michael Hatcher uit het water is gehaald. Deze stukken zijn in dit paviljoen weer 'te water gelaten'.
Door de gordijnen, prachtig vormgegeven vitrines en opvallende belichtingseffecten ontstaan sierlijke, sfeervolle ruimtes, waarin de objecten volledig tot hun recht komen. De gordijnen hebben bovendien een praktisch geluidsdempend effect. Een bezoek aan dit paviljoen lijkt een ontdekkingsreis met allerlei verrassende effecten.
Het theatrale inrichtingsconcept van Philippe Starck is bijzonder en origineel en eist dan ook de aandacht van de bezoeker. Het is een uitstekend voorbeeld van de nieuwste ideeën op het gebied van tentoonstellingsinrichting, waarbij de traditionele wijze van tentoonstellen in een neutrale ruimte steeds weer afgewisseld wordt met spannende, tot de verbeelding sprekende opstellingen.

OOSTELIJKE PAVILJOENS

Mendinipaviljoens
De 'klassieke" museumarchitectuur is ook in het museum vertegenwoordigd, en wel aan de oostkant van het complex.
Aan deze zijde zijn drie paviljoens op elkaar geplaatst. Het onderste paviljoen (Mendini 0), een trapeziumvorm, bestaat uit twee verdiepingen en is in zijn geheel, zowel binnen- als buitenkant, van de hand van Mendini. Aan de buitenkant van de twee Mendini-paviljoens wordt door het pointillistische Signac-motief verwezen naar de inhoud, namelijk beeldende kunst. De zeven doorlopende zalen op de begane grond zijn bestemd voor de wisselende tentoonstellingen. Hier worden tentoonstellingen van allerlei aard en samenstelling getoond die aansluiten bij het beleid en de collectie van het Groninger Museum, zoals Jozef Israëls (1999), Anton Corbijn (2000), Hel en Hemel, de middeleeuwen in het Noorden van Peter Greenaway (2001) en Ilja Repin (2002).
De zalen op de eerste verdieping (Mendini 1) zijn in principe ingericht met een steeds wisselende selectie uit de eigen collectie. Te zien zijn objecten die zich bevinden op de grens tussen kunst, architectuur en design (Pattern and Decoration, Memphis, Mendini), en sinds het einde van de jaren negentig veel geënsceneerde en documentairefotografie en mode, maar ook kunst uit de rijke historische collectie.

Klassieke indeling
In het midden van de vierkante plattegrond bevindt zich de grootste rechthoekige ruimte, met daaromheen kleinere zalen. Deze zijn tevens rechthoekig en verschillend van formaat. De verschillende formaten zijn noodzakelijk, omdat allerlei soorten kunst, groot en klein hier tentoongesteld moet kunnen worden. De ruimtes zijn strak en eenvoudig, en doen daardoor erg klassiek aan. Dit wordt versterkt door de brede doorgangen, waarvan de metalen omlijsting onderaan breed uitloopt. Zelfs het in de 19e eeuw in veel musea toegepaste enfiladesysteem, waarbij de doorgangen van de achter elkaar liggende ruimtes op dezelfde plaats zitten, heeft Mendini hier toegepast.
De verdere aankleding van de ruimtes op de begane grond, voor de wisselende tentoonstellingen, is natuurlijk afhankelijk van het soort tentoonstelling dat georganiseerd wordt. De kleuren van de wanden, en zelfs vloeren en plafonds, wisselen steeds.
Op de eerste verdieping, de presentatie Hedendaagse Beeldende Kunst, heeft iedere zaal zijn eigen kleur, naar een kleurenprogramma ontwikkeld door de Nederlandse kunstenaar Peter Struycken.
Zoais in de westelijke paviljoens 'traditionele' kunstvoorwerpen in een vernieuwende inrichting te zien zijn, contrasteren hier, op de eerste verdieping, de klassieke zalen met de hedendaagse, veelal vernieuwende kunst. In het Mendini 0 paviljoen is een rustpunt voor de bezoeker aangebracht, waar men op zijn gemak naar buiten kan kijken. Want ook voor deze paviljoens geldt: geen daglicht. Op Mendini 1 is hier later, met financiële steun van de Stichting Beringer-Hazewinkel, een prentenkabinet gebouwd.

COOP HIMMELB(L)AU PAVILJOEN

De vide met de grote trap verbindt de twee etages van het Mendinipaviljoen. De trap voert tevens naar het bovenste paviljoen, een zeer spraakmakend deel van het museum. Het ontwerp is van de hand van het architectenduo Wolfgang Prix (Wenen, 1942) en de Pool Helmut Swiczinsky (1944), oftewel Coop Himmelb(l)au. "Alsof er een bom ontploft is", liet een stadjer zich ontvallen toen het ontwerp bekend gemaakt werd. Het grillige paviljoen staat dan ook in groot contrast met de rest van het gebouw, ontworpen door Mendini, dat bestaat uit strakke en eenvoudige vormen.
De eerste indruk van dit laatste paviljoen is die van willekeur en chaos. De vorm is opgebouwd uit grote dubbelwandige staalplaten, die, daar waar ze elkaar niet raken, afgewisseld worden met gehard glas. De platen, waarop met teer de eerste schets en foto van het ontwerp aangebracht is, staan schots en scheef en hangen op sommige punten over het onderliggende paviljoen heen.

Deconstructivisme
Het ontwerp is een typisch voorbeeld van de jongste architectuurstroming, het deconstructivisme, waarbij alle tradities binnen de architectuur overboord gegooid worden. De traditionele constructieve elementen, zoals wand, vloer, raam en plafond, zijn losgemaakt van hun gebruikelijke samenhang. Zo kan hier een wand tevens plafond zijn en een raam ook vloer. De ruimtes die zo tot stand komen zijn volgens Prix een neerslag van spanningsvelden en beweging. "Veel van de technieken die we hanteren komen uit de kunst, zoals het vasthouden aan de eerste schets en het automatisch tekenen" zegt hij. "We willen gebruik maken van het onderbewuste en van daaruit nieuwe vormen ontwikkelen. We willen proberen de emotie terug te brengen in de architectuur."
Niet de gevestigde normen en waarden zijn uitgangspunt, maar de tijdsgeest van nu: versnippering, chaos, contrast, beweging. Een ander voorbeeld van deconstructivistische architectuur is het glazen paviljoentje van Bernard Tschumi op het Hereplein, vlakbij het museum, ontworpen in 1990 voor de tentoonstelling ‘What a wonderful world! Music videos in architecture’.
In het paviljoen zijn binnen drie tentoonstellingsruimtes gecreëerd, gescheiden door inhammen. De wanden zijn van staal en glas, zodat, op onverwachte plaatsen, daglicht toegelaten wordt. Ook dit staat in contrast met de gesloten bouwvolumes van Mendini. Coop Himmelb(l)au streeft naar ’open architectuur', naar wisselwerkingen tussen binnen en buiten, zodat de bezoeker regelmatig verrast wordt met plotselinge doorkijkjes naar buiten. Looproutes op verschillende niveaus maken dat de bezoeker de kunstwerken van allerlei kanten kan bekijken: vanaf de begane grond of vanaf de loopbrug die, enkele meters boven het vloeroppervlak, dwars door de ruimtes voert. De oorspronkelijke gedachte was hier, ter contrast, schilderijen uit de 16e –19e eeuw te tonen. Nu zijn er tentoonstellingen met voornamelijk ruimtelijk en driedimensionaal werk. Tentoonstellingen met bijvoorbeeld werk van de Britse kunstenaar Mark Grinnigen en de Amerikaanse Rona Pondick. Ook zijn de ruimtes heel geschikt voor grote ontvangsten. Bij openingen van tentoonstellingen zijn er zelfs dansfeesten gehouden. Het Coop Himmelb[l]au paviljoen driedimensionaal kunstwerk, op de sokkel gevormd door het Mendini-bouwdeel bekleed met veelkleurig laminaat.

Museum als kunstwerk
Het nieuwe Groninger Museum is als geheel niet zomaar een omhulsel voor kunst, het is zelf eigenlijk ook een kunstwerk, een principe dat in de hedendaagse (museum)architectuur steeds vaker voorkomt. Het museum is eigenlijk het meest kostbare onderdeel van de kunstcollectie van het Groninger Museum. Een kunstwerk midden in de stad, doorkruist door openbaar terrein, waar passanten al direct geconfronteerd worden met allerlei kunstwerken. Kan het uitnodigender?

bron: brochure Groninger Museum
© 2007 - 2008 Hbov, gepubliceerd in Kunst (Kunst en Cultuur) op 16-01-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Hbov is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Groninger Museum"


Door Fanny op 19-05-2008

Erg duidelijke informatie :-)