Tachtigjarige en Oorlog

Tachtigjarige Oorlog: Nederland in 1555-1567

De Tachtigjarige Oorlog begon voor Nederland officieel in 1568. Er gingen hier echter vele gebeurtenissen aan vooraf. Wat gebeurde er voor 1568, wat de oorlog en de opstand heeft doen oplaaien?


Nederland in 1555-1567

De koning van Bourgondië, Filips de Schone, kreeg door zijn huwelijk het Spaanse rijk in handen. Zijn zoon, Karel V, volgde hem in latere jaren op. Karel V streefde naar centralisering van zijn bestuur en naar een krachtige bestrijding van het protestantisme. Hij voelde zich verantwoordelijk voor het katholieke geloof en probeerde daarom altijd het protestantisme zo veel mogelijk in de kiem te smoren. Toen Karel V Op 25 oktober 1555 afstand deed van zijn troon, in het hertogelijk paleis op de Koudenberg in Brussel, droeg hij een deel van zijn bezittingen, waaronder de Nederlanden, over aan zijn zoon Filips II.

De Nederlanden besloegen het grondgebied van het huidige Nederland, België en Luxemburg met nog een gedeelte van Noord-Frankrijk. Erbuiten bleef het prinsbisdom Luik. De meest machtige en welvarende gewesten waren Brabant, Vlaanderen en Holland. De Nederlanden telden in die tijd ongeveer drie miljoen inwoners en hadden gezamenlijk een oppervlakte van ongeveer 70.000 km2.

Van een eenheid was niet echt sprake. De onderlinge verschillen tussen de provincies waren erg groot en zij gingen ook vooral uit van het eigenbelang. De gewesten in de Nederlanden hadden dan ook vaak hun eigen normen en waarden, eigen regels en eigen wetten. Binnen de provincies verdedigden de steden in die tijd hun zelfstandigheid.

Landsheer Filips II liet zich door een landvoogd vertegenwoordigen. Deze werd bijgestaan door verschillende raden. Door de landsheer werden ook gewestelijk stadshouders aangesteld. De macht van de landsheer was niet onbegrensd. Wanneer hij belastingen wilde opleggen, had hij toestemming nodig van de gewestelijke staten. Voor het vullen van zijn krijgskas was hij verplicht de Staten-Generaal bijeen te roepen om een verzoek te doen, wat ook wel ‘bede’ genoemd werd. Dat gaf de gewesten de mogelijkheid invloed uit te oefenen op het beleid. Deze bede was voor Filips II erg vervelend omdat hij op deze manier afhankelijk was van de Staten-Generaal. Hij kon namelijk uit eigen middelen de oorlogslasten niet dragen.

Filips II voerde net als zijn vader een centralisatiepolitiek. Hij wilde eenheid tussen de gewesten, eenheid in bestuur, godsdienst en rechtsspraak. Wat er op neer kwam dat mensen in Nederland veel minder te zeggen kregen. Dit zorgde voor veel spanningen binnen de Nederlanden. De hoge en lage adel verdedigden hun particuliere belangen. En niemand wilde natuurlijk en hun vrijheden opgeven en hogere algemene lasten betalen.Uit het verzet van de Nederlanden tegen dit beleid van Filips II kwam het tot een opstand die uiteindelijk een scheiding tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden te weeg zou brengen.

Situatie in de jaren vóór 1568
De economische situatie was verre van gunstig. Een conflictpunt, was de geldverslindende oorlog die de Spaanse koningen tegen Frankrijk voerde. Tussen het Franse en het Spaanse koningshuis werd al sinds het einde van de 15e eeuw oorlog gevoerd. Een van de oorzaken daarvan was de beheersing van Italië. Na jarenlang oorlog gevoerd te hebben, waren de financiële middelen van zowel Filips II als van Hendrik II ( koning van Frankrijk) uitgeput en kwamen vredesbesprekingen op gang. In 1559 werd uiteindelijk de Vrede van Cateau-Cambrésis getekend.
De vrede was voor Filips II een grote overwinning omdat hij op deze manier zijn Italiaanse bezittingen veilig had gesteld. Ook waren Filips II en Hendrik II overeengekomen elkaar te steunen in hun strijd tegen de Hervorming. Omdat de snelle verbreiding in die tijd een grote bedreiging vormde voor de eenheid en vrede van hun land.

De vrede van Cateau-Cambrésis maakte dus een voorlopig einde aan het langdurige en geld slurpende conflict tussen Spanje en Frankrijk. Na de sluiting ervan vertrok Filips II naar Spanje.

Tot landvoogdes over de Nederlanden stelde hij zijn halfzuster Margaretha van Parma aan. Zij kreeg al vrij snel te maken met grote problemen. De provincies van de Nederlanden waren gedwongen geweest de financiële lasten van de Spaans-Franse oorlog te betalen. Omdat hier weinig eigen belang mee gediend was, gaf dat grote ergernis.

Maar er was nog meer conflictstof. Filips II probeerde het bestuur over de Nederlanden te centraliseren om zo meer vat op zijn rijk te krijgen. Hierbij stuitte hij op grote tegenstand van ondermeer de adel, de geestelijkheid en de steden. Zij wilden al hun rechten en vrijheden behouden en waren niet van plan toe te geven aan het moderniseringsstreven van Filips II.
Ook de toestand op godsdienstig gebied was al niet veel beter en ontwikkelde zich explosief, omdat het geloofsleven van velen in een crisis was beland. De oude leer van de Rooms-katholieke Kerk en de uitingen ervan stonden ter discussie. Vele geestelijken en religieuzen leidden een weinig voorbeeldig leven in die tijd. En de rijkdom van de kloosters waren voor velen een doorn in het oog. De pastoors hadden vaak een groot gemis aan theologische kennis en ook de kerkelijke organisatie was ronduit slecht. Nog al wat priesters hadden een vrouwelijke partner en kinderen. Het was duidelijk dat hervormingen binnen de kerk nodig waren. In de loop van de 16e eeuw was dan ook in West-Europa een hervormingsbeweging in de katholieke kerk ontstaan. Misstanden en verouderde opvattingen werden niet meer geaccepteerd. De protestbeweging bracht het protestantisme voort. Grote hervormers zoals Zwingli en Luther brachten die misstanden ten sprake en hun volgelingen scheidden zich af. Op de helft van de 16e eeuw kreeg hervormer Calvijn steeds meer aanhang. Vanuit Genève verspreidde hij via Frankrijk naar de Nederlanden zijn leer, het calvinisme.
Maar alle hervormingen en hervormers werden altijd al door Karel V en later ook door zijn zoon Filips II zo goed mogelijk bestreden. Zij Katholiek, dus ook de Nederlanden! Je was je leven niet zeker, als je hier tegenin ging. Hij probeerde de kerkelijke toestanden te verbeteren in de katholieke kerken en bestreed het protestantisme dat in zijn ogen pure ketterij was. Er ontstond grote politieke en maatschappelijke onrust door het harde optreden van Filips II tegen het protestantisme.

De landvoogdes van de Nederlanden, Margaretha van Parma, werd bij haar moeilijke taak bijgestaan door Granvelle. Hoge edelen zetten zich af tegen het beleid van Filips II en vormden een Liga. Het verzet was vooral gericht op Granvelle, die zij als bron van alle ellende zagen. In 1564 bereikten zij de terugroeping van Granvelle.

Later in 1565 gingen ook de lagere adel, gesteund door enkele andere leden van de hoge adel, zich verzetten. Deze edelen vonden met name dat de harde bestrijding van het protestantisme veel te ver ging en dat er ruimte moest zijn voor andere geloofsbelevingen zoals het calvinisme. Zij vormden in 1565 het Verbond der edelen en boden in 1566 aan Margaretha van Parma het Smeekschrift aan. In dit smeekschrift verzochten zij om de beëindiging van de harde maatregelen tegen de calvinisten. Door deze gebeurtenis kregen zij de naam ‘Geuzen’, afgeleid van het Franse ‘gueux’, wat bedelaars betekent . De naam was absoluut geen belediging want de naam werd al snel een eretitel.

Beeldenstorm (1566)
Door de diepe afkeer die ontstaan was tegen de katholieke kerk, begon op 10 augustus 1566 in Steenvoorde in Zuid-West-Vlaanderen een grote beeldenstorm. Het woedende volk drong de katholieke kerken binnen. Alle beelden en andere uitingen van de katholieke kerk werden kapotgeslagen. De gewelddadige vernielingen kwamen tot uitbarsting toen door armoede en gebrek, na een zeer koude winter, de spanningen opliepen tot een breekpunt. Deze Beeldenstorm sloeg als een lopend vuurtje over naar de andere gewesten van de Nederlanden en bracht dan ook grote ongerustheid te weeg.

Hoge edelen als Aarschot, Aremberg en Megen, Oranje, Egmond, Horn en nog vele anderen kwamen op 23 augustus 1566 met landvoogdes Margeretha tot een akkoord. Dit akkoord hield in dat er met man en macht zou worden geprobeerd de Beeldenstorm te beëindigen, op voorwaarde dat de protestantse eredienst, in plaatsen waar deze gehouden werd, ongemoeid gelaten zou worden. Het Verbond der Edelen werd hierna ontbonden.
Calvinisten maakten zich meester van Doornik en Valenciennes. Daarom besloot Margaretha van Parma om eerst in deze twee plaatsen de orde te herstellen. Valenciennes werd begin januari 1567 ingesloten en de stad gaf zich op 23 maart over. Dit was in feite de eerste Nederlandse militaire operatie in de Nederlandse oorlogen. Margaretha van Parma, gesteund door haar stadhouders en andere hoge heren, slaagde er uiteindelijk in ook de orde te herstellen in de rest van de Nederlanden.

Filips II zag met grote zorgen de toestand in zijn Nederlanden aan. Terugdenkend aan de godsdienstoorlog die in 1562 in Frankrijk was uitgebroken vreesde hij het ergste.

Daarom stuurde hij in 1567 hertog Alva met tienduizend soldaten naar de Nederlanden om orde op zaken te stellen en de schuldigen aan de ontstane onrust in zijn Nederlanden te straffen. Velen wachtten zijn komst niet af en zochten in het buitenland een veilig heenkomen. Zeker gezien het feit dat het leger van Alva sterk groeide met een uiteindelijke grote van ongeveer 60000 man maar ook door zijn keiharde optreden ontstond er grote angst voor Alva bij de leden van het Eedverbond der Edelen.

Bij aankomst in Brussel richtte Alva de Raad van Beroerten op, in de volksmond ook wel Bloedraad genoemd. Die raad had als taak de beoordeling en eventuele bestraffing van diegenen die door hen schuldig werden bevonden. Deze raad liet bijvoorbeeld Egmond en Horn gevangen nemen en in 1568 in Brussel onthoofden. Willem van Oranje, die de bui al zag hangen, vertok naar de Dillenburg in Duitsland.

De Hertog van Alva
Meteen na aankomst richtte hij de Raad van Beroerten op, die de opstandelingen niet voor niets de Bloedraad noemden. Het was een soort rechtbank. Wie zich verzette tegen het Spaanse regime, liep de kans hier berecht te worden. En de vonnissen waren niet mals; de Raad velde in totaal 8950 vonnissen waarvan ongeveer 1.100 mensen geëxecuteerd werden. Het schijnt dat één van de raadsleden altijd sliep, behalve als hij gewekt werd om zijn oordeel te vellen, dat onveranderlijk: naar de galg! was. De graven Egmond en Hoorne, collega's van Willem van Oranje, waren onder de eerste slachtoffers van de Bloedraad. Het is dan ook aan dit schrikbewind te danken dat Alva een slechte reputatie verwierf en de mensen hem graag belachelijk maakten. Zo verwijst het rijmpje op één april verloor Alva zijn bril naar de dag waarop de watergeuzen, een soort zeerovers in dienst van Willem van Oranje, de stad Den Briel veroverden op de Spanjaarden.
Willem van Oranje

Willem van Oranje-Nassau
Onder de hoge adel komen onder anderen Filips van Montmorency, graaf van Hoorne, Lamoraal, graaf van Egmont en Willem van Oranje in verzet. Op 11 maart 1563 sturen prins Willem, Hoorne en Egmont een scherpe en waarschuwende brief aan koning Filips II. De achterdocht van Filips II tegen prins Willem wordt bovendien gevoed door Willems huwelijk met Anna van Saksen in oktober 1561. Anna is een dochter van de keurvorst van Saksen. Door dit huwelijk krijgt prins Willem belangrijke relaties onder de Duitse vorsten. Uit het oogpunt van de familiebelangen is dit huwelijk nauwkeurig overwogen. Hoewel de keurvorst luthers is gaat Filips wel akkoord met het huwelijk. Willem van Oranje is in deze tijd weliswaar rooms-katholiek, maar erasmiaans gezind. Filips II wil echter een centraal rijk met één geoorloofde religie, het rooms-katholicisme. De lutherse ketters worden streng vervolgd en bestraft. De inquisitie treedt door middel van plakkaten en geloofsvervolgingen krachtig tegen de ketterij op. Het geeft, samen met de belastingpolitiek, grote spanningen in de samenleving. De Raad van State wordt als regeringscollege nauwelijks serieus genomen. De prins blijft daarom van juni 1563 tot augustus 1564 uit protest weg uit de vergaderingen van de Raad. In het najaar van 1564 besluit de Raad van State zich opnieuw te wenden tot Filips II over de gevolgen van de gevoerde politiek.

In de besluitvorming over de brief aan de koning spreekt prins Willem op 31 december 1564 een beroemde rede uit. In deze urenlange rede voert hij openlijk en duidelijk een pleidooi voor gewetensvrijheid van de onderdanen. “Ik kan niet goedkeuren dat vorsten over de gewetens heersen.” Door deze gebeurtenissen ontstond het conflict tussen Filips II en prins Willem. De aanloop naar de Opstand wordt genomen. Enige tijd later in december 1565 wordt het Verbond der Edelen opgericht. De rede van 31 december is van grote betekenis geweest in de Nederlandse geschiedenis. Deze openlijke uiting van afkeuring tegen de koning heeft ervoor gezorgd dat er in een rap tempo dingen veranderden in de Nederlanden met het uiteindelijke gevolg van het ontstaan van de tachtigjarige oorlog.

Op 16 december 1567 valt in de Raad van Beroerten het besluit om prins Willem van Oranje te vervolgen. De dagvaarding wordt in januari 1568 openbaar gemaakt. Zijn bezittingen in de Nederlanden, met een jaarlijkse opbrengst van ongeveer 150.000 gulden (wat in onze tijd gelijk staat aan een bedrag van miljoenen euro's), worden allen ingenomen. De prins begint om die reden in Duitsland met het aanwerven van troepen en zet de strijd in tegen Alva. In het voorjaar van 1568 rechtvaardigt Willem van Oranje zijn verzet tegen Alva en weerspreekt hij publiekelijk de beschuldiging en veroordeling door de Raad van Beroerten.
© 2007 - 2008 Henk-jan, gepubliceerd in Oorlog (Kunst en Cultuur) op 09-04-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Henk-jan is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Tachtigjarige Oorlog: Nederland in 1555-1567"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.