Zaans en Zaandam

Zaans van A tot Z: G - J

Zaans, een dialect apart. Naast het feit dat voor buitenstaanders het Zaans totaal niet te verstaan is, gebruiken de zaankanters ook woorden, die voor mensen van buiten de zaanstreek een andere betekenis hebben. In de komende artikelen zult u kennis maken met de meeste van deze woorden, met een duidelijke vertaling en betekenis erachter.


G

Gaaf: Het is nog maar enkele tientallen jaren geleden dat het woord gaaf de Zaankanters vóór in de mond lag. Het betekende zoveel als 'geweldig.' Dat vind ik gaaf van je! Een gave kirrel. En als er een goeie mop was verteld kon men nog nalachend zeggen: 'Gaaf he?'. Tegenwoordig wordt het woord gaaf weer volop gebruikt door de Zaanse jeugd.

Gank: In het vroegere Zaans werd de ng-klank aan het eind van een woord door een k gevolgd. Men zei allank-al en keuningk (koning). Met de Zaanse voorliefde voor verkleinwoorden had men het meestal over een gangkie. Mit een gangkie! met een vaartje. Of: as et niet in et petaal lait, den lait et wel in et gangkie. En der ware nag veul meer zukke dingkies. Ze gangk oittoile betekende: zijn gang gaan. Toile jai je gangk mar oit.

Geldjesdag: De dag waarop het loon werd uitbetaald. Dingesdag is et geldjesdag, den beure me weer. Want loont ontvangen heette beure. Alle arbeid was vroeger in feite stukwerk, men werd betaald naar prestatie. In de vele molens betekende een aantal dagen windstilte gewoon armoed. Men nam dan loon in voorschot op, op slop.

Geneved: Lang geleden werd er in onze streek kennelijk geneved gezegd in plaats van 'goeienavond.' Want er is een uitdrukking bewaard gebleven over een echtpaar waarvan de vrouw 'de broek aanheeft', waarin het woord geneved voorkomt: Hai zait geneved en zai de rest.

Gerak: Wul je nag wet? - Nee hoor, ik hew me gerak ehad. Het woord gerak kwam in de 17e eeuw ook elders in de taal voor, maar is uitgesleten. In het Zaans bleef het bewaard, waarschijnlijk door het isolement van de streek. Me gane nee hois, me hewwe ons gerak nou wel ehad. Gerak betekent eigenlijk: al het voedsel dat men nodig heeft.

Gewete: Er waren in het Zaans twee uitdrukkingen waarmee 'een ruim geweten' werd aangeduid. Er waren mensen met een gewete weer een driemaster in rondzaile ken, men zei ook: die kirrel heb een gewete mit een raig. De raig was het koordje in een buul of een stikkezak, dat al of niet strak kon worden aangetrokken. Het was door de zoom geregen, vandaar de naam.

Gistboffers: De kleine dikke pannekoeken met krenten en sukade die elders 'drie in de pan' heten, hebben in onze streek nog steeds de naam gistboffer. Een andere meelspijs, broeder, heet buiten de Zaanstreek 'Jan in de Zak'. Een gistboffer was ook iemand met een bleek en pafferig gezicht. En weten Zaankanters nog wat een pul in de broeder is?

Gladoor: Een Wormerveerder werd gladoor genoemd, Krommenieërs en Kogers waren koekvreters, Zaandijkers krentekakkers. Hoe die scheldnamen zijn ontstaan is niet te achterhalen. Dat is wel het geval met de bijnaam galgezagers van de Zaandammers: in de nacht van 18 op 19 augustus 1678 werden de galgen waaraan schuldigen van het Zaandamse turfoproer (mei 1678) hingen, omgezaagd.

Glop: Een open ruimte heette een glop. Zo'n glop ontstond bijvoorbeeld als er één of meer huizen werden gesloopt. In verschillende Zaanse plaatsen kregen daardoor de straten de naam Glop (Wormerveer, Oostzaan), in de Oostzij in Zaandam was het Grote Glop. Maar een glop was niet alleen een open plek in de bebouwing. In een rij bomen kon ook een glop zitten en van een kind dat 'wisselde'en er een paar melktanden miste, zeiden de Zaankanters: leet deres kaike wet voor een glop je in je mond hewwe!

Glore: Je glore teuge me an! Dat betekende gewoon 'je ziet er goed uit.' Nou, je zou niet zegge dat jai ziek eweest hewwe, je glore teuge me an. Letterlijk betekent glore 'glimmen van gezondheid.'

Glouwe: Gluren heette in de Zaanstreek glouwe. Deer an de overkant zitte ze altemet nee ons te glouwe. Staan niet zo op me hande te glouwe, deer ken ik niet teuge. Ook werd wel eens gezegd: je bien glouwt deur je kous tegen een kind dat een gat in zijn kous had. Glouw (in de Koog, en andere Zaanse plaatsen werd meestal glooi gezegd) betekende 'open en bloot,' duidelijk zichtbaar. Lete me erreges aars zitte gaan, hiero zitte me zo glouw.

Gnap (1): Ik had het al eens over de Zaanse voorkeur voor woorden die met gn beginnen. Zaankanters zeiden gnap in plaats van knap, netjes. Je zitte gnappies in de klere. Hou je goeie goed een bietje gnap. Het vroegere 'zondagse pak' heette het opgnapperspak en ook wel me ongeregelde kostuum. Het werd immers ongeregeld d.w.z. niet regelmatig gedragen?

Gnap (2): De uitdrukking gnap ken bestaan is nog wel een enkele maal te horen; de betekenis is ongeveer 'wie zich fatsoenlijk gedraagt, handhaaft zich het langst.' Van gnap was ook het werkwoord gnappe gevormd, het betekende 'schoonmaken.' Morrege zelle me de skuur deres gnappe. Maar dat woord is nu verouderd, evenals gnaphandeg in de zin van 'netjes'. Als je gnaphandeg benne, den hoef je nag niet malteneg te weze.

Gnartele: Gnartele (soms hoorde je ook gnatele) betekende 'knabbelen.' Eet nou toch deres deur! Je zitte enkeld maar een bietje te gnartele.

Gnarte: Het woord gnarte had een heel andere betekenis van gnartele, namelijk 'doelloos heen en weer lopen, drentelen.' Daarvoor waren trouwens heel wat woorden in geberuik, ik noem bijvoorbeeld flentere en florte.

Gniepe: Op een gemene, achterbakse manier pijn doen. De verwantschap met 'knijpen' is duidelijk; in het algemene beschaafd komt trouwens de uitdrukking 'in het geniep' voor. Iemand die gniepte werd een lilleke gnieper genoemd. De ie-klank wijst er m.i. op dat deze woorden al hee lvroeg in het Zaans bestonden; zouden ze later uit 'knijpen' gevormd zijn, dan zou er immers een ai-klank gebruikt zijn.

Gnokke: Hunkeren, ook wel schooien, bedelen. Kaik die hond es gnokke, et kwail loopt oit ze bek. Gnokke werd inderdaad dikwijls van honden gezegd, maar soms toch ook van kinderen: zit je nag om een soikerdingkie te gnokke? De gn-introductie waarvan ik nu enkele voorbeelden heb gegeven komt zoals gezegd veel in het Zaans voor, ook in het woord gnorte voor 'knorren' (van varkens) of 'mopperen'. En het kan aan mij liggen, maar ik vind gnorte eigenlijk vele malen mooier dan 'knorren.'

Goes: DIt woord was het meest bekend in de verkleining goesie. De betekenis is ongeveer 'een klein bedrag, een gift'. Ik hew me dochter een goesie egeve voor een nuwe jurrek. Of: met de kerremes perbere me altaid wet goesies te kraige. De Zaankanters zeiden vroeger ook bai de goes en dan bedoelden ze 'op de gis'. Goese was trouwens ook een knikkerspel, de goes was daarbij de inzet, een bepaald aantal knikkers. Dit goese werd door de knikkerende jongens ook wel kulekie-gof genoemd.

Greeuw: Dat 'grauw' als greeuw werd uitgesproken, hebben we al eens eerder geconstateerd. Zaankanters aten dan ook geen grauwe erwten, maar greeuwe orte. Wie er bleek ,grauw, op z'n Zaans gezegd beskete uit zag, kreeg te horen: je ziene zo greeuw als een zeelt.

Gril: Het werkwoord grille betekent gewoon 'rillen'. Andijvie? Ik ken d'r wel van grille. Dat is dus wat anders dan het moderne anglicisme.

Grille: Gril betekent 'om van te rillen' en dat kan dan zowel 'guur' als 'griezelig' zijn. Kaik es zo gril as dat kind bai de sloot staat. Maar ook: Me kraige gril weer met Pinkstere. En zelfs: Gril, zo'n kip in de grill zou nu mogelijk zijn.

Groizeg: Een groizege eter is iemand die wat gretig en schrokkerig zijn bord leeg eet, die eet of ie te hooie moet. Daar komt zowaar de boerentaal weer om de hoek: wie moest hooien gunde zich blijkbaar weinig tijd en at haastig, groizeg.

Groos: Trots, groots. Eigenlijk zeiden de Zaankanters meestal grozeg. Hai is helegaar niet grozeg. Zij gebruikten ook het zelfstandig naamwoord grozeghaid voor trots of hoogmoed. Bekend was de uitdrukking hai loopt van grozeghaid te water. Wie opschepperig met z'n neus in de lucht loopt moet met dat risico rekening houden. Er zit iets in van de hoogmoed die voor de val komt.

Grutte: Zoeken, wroeten in modder of rommel om iets terug te vinden. En omdat de bewoners van onze streek gewend waren de dingen nogal plastisch te benoemen zeiden ze bijvoorbeeld ook: zit niet in je neus te grutte.

H

Haai: De 'hei', de stamper van een oliemolen werd de haai genoemd. Binnen zo'n molen kon het een oververdovend lawaai zijn. Geen wonder dat veel van de vroegere olieslagers haaidoof waren, een beroepskwaal die evenals de hokbiene en de peldersborst maar moesten worden geaccepteerd.

Haal an de klink: Drukte. De uitdrukking zal wel ontstaan zijn doordat de deurklink bij drukte vele malen werd aangeraakt. Ik hou niet van zoveul haal an de klink. Als men ergens een oploopje ontwaarde, kon men ook zeggen: Gaan deres kaike wet deer veur haal an de klink is.

Haaste: Een moeilijk vertaalbaar woord. Et haast me in de keel betekent dat je het eten niet door je keel kunt krijgen, doordat het droog of scherp is. Haasteg of haastereg wil dan ook zeggen dat men een droge keel heef,t waardoor men steeds moet hoesten. Je laike wel haasterege!

Hach: Dat is een hele hach, zeiden de Zaankanters vroeger en ze bedoelden dan 'dat is een waagstuk, dat is riskant'. 't Is wel grappig om in zo'n oud streekwoord de stam te vinden van het woord 'hachelijk'. Een eigenschap van elke streektaal is dat soms woorden bewaard blijven die elders volkomen uit de taal zijn weggesleten.

Haileg: Vrijaf, nadat het werk gedaan is. Vaneved hewwe me om zeve uur haileg. Of: Et werrek is of, me gane haileg houwe. De uitdrukking zal wel ontstaan zijn omdat men alleen op zondag vrij had. De werkweek telde vroeger zes dagen van twaalf uur of meer.

Haise: Dat is natuurlijk 'hijsen', beslist geen Zaans woord. Ik vermeld het omdat we hier de uitdrukking et haist wel kenden in de betekenis van 'het gaat wel'. Op de vraag 'hoe gaat het met je?' antwoordde men, als daar tenminste aanleiding toe was, et haist wel. De zeilvaart of de molenbedrijvigheid zullen de uitdrukking wel hebben doen onstaan.

Hardloper: In het zaans kwam de zegswijze voor: Een hardloper ziet et niet en een zachtloper heb der gien erreg in. Men ziet het uiteraard als iets nauwelijks opvallend was. Een hardroeier was de naam die men aan de 'Oostzaner jol' gaf, de slanke, voor en achter spits toelopende roeiboot die bijna alle boeren gebruikten.

Harrel: Een harrel is een vezel, een haartje van vlas of hennep. De Zaankanters gebruikten de uitdrukking ik begraip der gien harrel van. We zouden ons af kunnen vrgen of de oorsprong daarvan in de vroegere textielnijverheid ligt: de zeildoekweverij en touwslagerij werden enkele eeuwen achtereen druk beoefend in onze streek.

Hebbel: Op een hebbel en een drebbel betekent 'inderhaast, in de gauwigheid, met kippedrift'. Het is een verbastering van 'op een huppel en een dribbel'. Het is onvermijdelijk dat de taal zich vernieuwt en verjongt, maar het blijft te hopen dat uitdrukkingen als deze toch nog wel eens worden gehoord.

Heer: De Zaanse uitspraak van het zelfstandige naamwoord 'haar'. Als twee schepen of voertuigen elkaar rakelings passeerden zei men: et heer brandt er of. Als iets schoon was en van frisheid blonk kon men zeggen: je ken je heer der op oitkamme, met andere woorden 'het blinkt als een spiegel'. Here of hare waren ook de paardeharen matten die ten gebruike in oliemolens werden vervaardigd in de harenmakerij.

Hempie: Er zou geen aanleiding zijn om over de Zaanse uitspraak van 'hemdje' te schrijven, ware het niet dat de uitdrukking hempie raakt me boikie niet en gatje gaat te kerremes toch wel aan de vergetelheid ontrukt mag worden. Men zei dat als men iemand zag die met ingetrokken buik (en daardoor met achteruitstekend bilwerk) stond of liep.

Hestere: Bedrijvig bezig zijn. Je benne puur an et hestere. De oorsprong van het in de Zaanstreek algemeen gebruikte hestere zal wel samen hangen met 'haast' en 'haasten'. Er zijn me overigens geen andere woorden bekend waarvan de aa-klank in het Zaans als è werd uitgesproken.

Heutemeteut: Iemadn die onhandig en teuterig bezig was noemde men een heutemeteut. En dat was beslist wat anders dan een otjemedor, want met dit laatste werd iemand aangeduid die de baas was, of die van alles op de hoogte was. Ik kan er ook niets aan doen dat taal soms bijna dezelfde woorden heeft voor begrippen die mijlenver uit elkaar liggen.

Hewwe: Het werkwoord 'hebben' werd als hewwe uitgesproken. In z'n functie van hulpwerkwoord werd het nogal eens gebruik in plaats van 'zijn'. Ik heb d'r eweest zeiden de Zaankanters. En: as je vroeger ekomme had. Ook blaive en gaan werden met hewwe vervoegd. En tenslotte: de uitdrukking et heb der op betekent 'het lijkt erop'.
Voor main heb et derop dat dut allegaar puur moeielek is. Et weet wet!

Hoed: Geen specifiek Zaans woord, het komt in alle germaanse talen voor. Ik noem het niet alleen om op de heiersrijmpjes te wijzen waarbij de laatste klap vaak 'met een hoed' werd geroepen, maar vooral om de uitdrukking hoed op et doffie. Het doffie is, zoals men weet, het zitbankje in een roeiboot. Met een hoed op et doffie werd een heel klein mannetje aangeduid, bij wijze van spreke zó klein dat je als hij in een roeiboot zat, alleen z'n hoed boven het boord uit zag steken. Vandaar!

Hok: Zijn er nog jonge ouders die kom es in me hokkie tegen hun kinderen zeggen? Nee! Zijn er nog wel ouders die een hok met jonges hebben? Dat zal wel niet, laat ik daarom maar het woordt hokbiene verklaren. Hokbiene noemde men destijds de naar buiten wijzende dwarse voeten die men tengevolge van de orthopedische zorg van onze tijd nu niet meer ziet. In de tijd van de oliemolens waren hokbiene een beroepsdeformatie, een vergroeiïng die ontstond doordat de jongens dag in dag uit met gespreide voeten tegen het koekenhok aangedrukt zaten.

Hooimaker: De allereerste bewoners van de Zaanstreek waren boeren en vissers. Ze zijn er altijd gebleven, zij het dat hun aantal steeds kleiner werd. Het Zaans bevat tamelijk veel woorden uit de boerentaal. Hooimaker is er één van, een prachtige, bijna dichterlijke aanduiding van de zon.

Hop of drop: Is een Zaanse uitdrukking die ongeveer 'hollen of stilstaan' betekent. Als drukke tijden afgewisseld worden met stille perioden, dan kan men zeggen et is hop of drop. Naar mijn waarneming wordt deze uitdrukking nog wel eens gebezigd, wat niet het geval is met de Zaanse zegswijze hoop over stoop, met de betekenis 'hals over kop'. Eigenlijk zouden we best zulke goedklinkende uitdrukkingen nieuw leven kunnen inblazen!

Hore: Een van de merkwaardigheden van het Zaans, of beter: van de Zaankanters, was dat men zelden rechtstreeks 'ja' zei; in plaats daarvan had men een fors aantal mogelijkheden. Om er een paar te noemen: Dat zel sloite, dat kon welderes weze, deer hoor ik je. Dat deer hoor ik je vulden ze vaak nog aan, ze maakten ervan: deer hoor ik je, zee dove Jaap. We kunnen niet ontkennen dat onze voorouders vaak een heel gezellig taaltje bezigden.

Hussel: De uitdrukking van de hussel weze betekent 'de kluts kwijt zijn, van slag zijn'. Ik denk dat de oorsprong ervan in de papiermakerij ligt. In de vele papiermolens werd de papierstof op de zeven geschept en er was een bepaalde hussel (= schuddende beweging) nodig om een gelijkmatig, overal even dik vel papier te laten ontstaan.

I

Iefie: Eerst moet ik uitleggen dat Iefie waarschijnlijk de oude Zaanse uitspraak van de meisjesnaam Eefje (Eva) is. De uitdrukking Iefie en Afie bevat dus twee meisjesnamen. En wat bedoelde men ermee? In deuze winkel ken je Iefie en Afie kope. Me hewwe over Iefie en Afie epraat. De beste vertaling is 'van alles en nog wat'.

Ienkend: Eenkennig. Een van de merkwaardigheden van het vroegere Zaans is dat de utigang -ig soms werd vervormd. Dat was bij mijn weten alleen het geval als er een telwoord bij in het geding was. Zo sprak men over een tweewielde of een driewielde wage, waar elders tweewielig of driewielig werd gezegd. Mooi is ook de uitdrukking voor 'staren': kaike as een ienoogde kip, letterlijk dus 'kijken als een éénogige kip'.

Ientje: De ee-klank in woorden als bijvoorbeeld 'één', 'been' en 'steen' werd dikwijls (niet altijd) als ie uitgesproken. Maar dat wist u ongetwijfeld al. Ik heb het nog niet gehad over de neiging van de Zaankanters om verkleinwoorden te gebruiken. Daar kom ik nog wel op terug, laat ik nu volstaan met zeggen dat 'één' dikwijls tot ientje werd verkleind. Geef main der ook ientje. Helegaar in ze ientje. Een aardige uitdrukking is een enkeld ientje. Daarmee werd iemand bedoeld die dun, mager (enkeld) was.

Iepies: Ingebeelde pijn, kuren. Als een kind gauw peeuwde zei men je moet niet zukke iepies hewwe. Ook het woord iepereg was bekend, het betekende 'kleinzerig'. Volgens Boekenoogen zijn deze woorden afgeleid uit 'hypochonder'; in West-Vlaanderen werd een huichelaar een 'hypo' genoemd.

Immetje: Ach, die Immetje, vrouw van een kastelein op de Zuiddijk in Zaandam, zo'n 180 jaar geleden. Ze leeft nog altijd voort in de uitdrukking zo zacht as Immetje an der boikie En dat is héél zacht, volgens de overlevering en volgens die kastelein ...

Indewinds: Zeilers zullen onmiddelijk weten wat bedoeld werd met een indewinds rak: tegenslag. Noselek voor Wullem, hai heb et iene indewinse rak nee et are, oftewel 'jammer voor Willem, hij krijgt de ene tegenslag na de andere'. Indewinds is zoals men zal begrijpen 'tegen de wind in'. De zeilvaart speelde altijd een grote rol in het Zaanse leven.

J

Jenteg: Netjes, aardig. Train is een jenteg maidje.De oorsprong van dit woord is oud, vergelijk het Franse 'gent' of 'gentil'; we kunnen trouwens ook naar het Engelse 'gentle' kijken. Jenteg werd in de vorige eeuw nog volop in de Zaanstreek gezegd, elders was het woord toen al vergeten, hoewel Hooft en Breero het in de 17e eeuw nog wel gebruikten.

Jeukbonkel: Tegenwoordig zeggen we 'muggenbeet', maar zo'n jeukende rode plek heette tot ver in de dertiger jaren van de vorige eeuw hier nog algemeen een jeukbonkel. Je moest er met je nagel een kruis indrukken, dan jeukte het niet meer, zeiden ze. En dat was nog waar ook!

Juffrouw: De pelmolens ,waarin gerst (en later rijst) werd gepeld, hadden veel wind nodig. Bij weinig wind werd alleen de zogenaamde waaierij in beweging gezet. Daar werden waaidoppen uit de gort gesorteerd; die waaidoppen brachtn zo weinig op dat de pelders de opbrengst als goesie aan hun vrouw gaven. Deze wijdlopige redenering is nodig om uit te leggen dat men bij weinig wind van een (pel)molen zei: hai maalt voor de juffrouw.
© 2007 - 2008 Hikari, gepubliceerd in Taal (Kunst en Cultuur) op 30-11-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Hikari is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Zaans van A tot Z: G - J"


Door S de boer op 22-10-2008

Ik woon al meer dan 55 jaar niet meer in de Zaanstreek. Maar er wordt nog steeds gezecht dat ik Zaans spreek.

Door Stefie op 27-09-2008

Ik vindt het echt geweldig om dit allemaal te lezen
jammer dat het niet veel meer gebruikt word
de enige die ik nog wel eens zaans hoor praten is me opa
jammer :-( Reactie infoteur op 27-09-2008:Zaans is - naar mijn mening - inderdaad een zeer mooie streek-taal. Persoonlijk vind ik het dan ook zeer jammer dat het bijna niet meer gesproken wordt. En als het al gesproken wordt, is het voornamelijk door de oudere generaties, zoals opa's en oma's.

Als de jongeren het al spreken, zijn het de overblijfselen van het zaans, zoals de "skeufpeu" en "skat", veel verder gaat het helaas niet meer...

Door H. van Nek op 25-12-2007

Het scheldwoord gladoor voor een Wormerveerder is ontstaan uit het beroep zakkendrager, de zakken schuurden langs de oren die werden hiervan glad vandaar. Westzaners waren kroisdoikers, vanwege het daar in de Reef voorkomende kroos, begroeiing op stilstaand water. Reactie infoteur op 27-09-2008:Bedankt voor de geweldige aanvullingen! Dit wist ik nog niet.