
Zaans van A tot Z: A - B
Zaans, een dialect apart. Naast het feit dat voor buitenstaanders het Zaans totaal niet te verstaan is, gebruiken de zaankanters ook woorden, die voor mensen van buiten de zaanstreek een andere betekenis hebben. In de komende artikelen zult u kennis maken met de meeste van deze woorden, met een duidelijke vertaling en betekenis erachter.
A
Aal: Om het meteen maar ingewikkeld te maken, met Aal is niet de vis bedoeld. Die heette in de Zaanstreek eel. De a-klank werd dikwijls als een ee uitgesproken; deer, lete, peerde, skepekees. Nee, Aal was een meisjesnaam, soms verkleind tot Aaltje, tegenwoordig beter bekend als Alie. De Zaankanters, die zich wel bewust waren van hun afwijkende uitspraak, kenden destijds de zegwijze: ik heb liever Aal als eel. Vrouwenhaters en visliefhebbers varieerden dat door te zeggen: Ik heb liever eel als Aal.Aar: De nog wel gebruikte uitspraak van het woord 'ander'. De are kant oit zeiden de Zaankanters. Zo zeiden ze ook aars in plaats van anders: je benne aars as aars, zo droisteg. En voor 'anderhalf' zeiden ze aarf. Dat horen we nog in het oude Zaanse bruiloftslied dat begint met 'Tjonge, dat is mooi eweest, zeun wet was dat aardeg; wie had dut van hum edocht, aarve cent wel waardeg.'
Aarsom: Om nog even door te gaan op de woorden aar en aars. Zaankanters zeiden natuurlijk ook aarsom. Het is o.a. bewaard gebleven in de uitdrukking Aarsom as Kees Joor danst. Dat betekent zoveel als 'naar de andere kant draaien'; men kan het zeggen als men een schroef of een sleutel verkeerd draait. Kees Joor was in het begin van de 19e eeuw, zo'n 190 jaar geleden, een Zaandamse dwerg, een lilliputter, die op kermissen danste en daarmee zijn waarschijnlijk niet erg dik belegde boterham verdiende. Een andere uitdrukking die aan hem herinnert is van wuptem Keessie, en dat betekent: 'met een sprongetje', een wuppersie in het Zaans.
Achterkouseg: Wantrouwend, achterdochtig. Een woord dat niet meer gebruikt wordt, maar zo zijn er veel ... Je kon, op z'n Zaans gezegd, astrantereg, aveloineg, pruttekolleg of punteneureg weze. Maar achterkouseghaid lag de Zaankanters het minst van al. Ze waren, door de bank genomen, nogal rechtoit, ze hielden niet van draaien. Achterdocht lag hun daardoor niet, wie hen achterkouseg bejegende kwam bij hen de winderege deur in.
Achterom: De uitdrukking Achterom woont gien vollek is eigenlijk moeilijk te 'vertalen'. Een sloffe vrouw, die haar huishouden maar een sliert gaf, kon voldaan zeggen: Zo, achterom woont gien vollek. Ze bedoelde ermee dat alles er voor het oog wel netjes uit zag, de voorkant mocht gezien worden en verder moest men maar niet kijken.
Aitje: Ze aitje is dun eskild, dat zeiden de Zaankanters van iemand die snel aangebrand, opvliegend was. Een andere uitdrukking waarin het woord 'ei' voorkomt, geeft sommigen de aanleiding om erop te wijzen dat de dingen in de Zaanse streektaal 'recht voor z'n raap' gezegd werden. Als iemand erg in angst (op z'n Zaans gezegd: in de nartel) zat, kon men van hem zeggen: Je ken een ai in ze kont gaar koke.
An: Zo gaat dat in de liefde, het is an of oit. Als het duidelijk zichtbaar an was, dan konden vrienden en magen zeggen: Nounou, et is an met Jan en Laisie. Als het an was met Jan en Laisie, dan was er géén sprake meer van een losse skarrel!
Andirreke: Dat is hetzelfde als opdirreke. We horen het nog wel eens: 'Ik kom direct, ik moet me nog even opdirken'. Het is een woord dat afkomstig is uit de zeilvaart. Een schip werd annedirrekt als de opvarenden gingen passagieren, als het in de haven lag. Met de dirrek (kraanlijn) werd de giek dan enigszins opgehesen. Vrouwen die zich 'opdirken' voor een feestje, dat wil dus zeggen: zich mooimaken, beseffen voortaan dat ze een woord gebruiken dat een paar honderd jaar geleden tot de Zaanse scheepstaal behoorde. Als ze dit stukje lezen , tenminste.
Ankend: Ankende week gane me te warskip bai me snaar, oftewel: 'volgende week gaan we logeren bij me schoonzuster'. Als u achteloos een mondje Zaans wilt laten horen, dan moet u deze zin maar uit uw hoofd leren. Het is weer eens wat anders dan met je hut een pronkie in de weeg slaan of met je reg teuge de lening van de breg staan. U zult inmiddels begrepen hebben dat ankend de Zaanse samentrekking van 'aankomend' is. Ankende week of ankende zundag betekent dus 'aanstaande week' of 'aanstaande zondag'.
Ankerstok: Door de scheepvaart zijn heel wat uitdrukkingen in het Zaans terecht gekomen. Geen wonder in een streek met zoveel water (denk aan de Zaan en het Noord-Hollands Zeekanaal), die door de gemakkelijke verbinding met de Zuiderzee al in de zestiende eeuw de eerste walvisvaart kende en die gaandeweg een bloeiende scheepsbouw kreeg. Zo leneg als een ankerstok is slechts één van die aan de scheepvaart ontleende uitdrukkingen. Een verklaring is niet nodig; wie zo leneg als een ankerstok is, mag zich in het Zaans ook een staive huut noemen. Dat laatste is 'boerentaal', daar komen later ook nog wel wat voorbeeld van aan bod.
Ankleeuw: Dit is een woord dat rond 1900 al verouderd en uit de Zaanse taal gesleten was. Het betekende 'enkel'. Ik vermeld het hier omdat het mij de mogelijkheid geeft erop te wijzen dat in het Zaans de 'auw'-klank als eeuw werd uitgesproken. Er zullen vast wel lezers van dit artikel zijn die weten, dat greeuwe orte 'grauwe erwten' zijn. En in de pelmolens sprak men over een 'kleeuwaizer', ofttewel een 'klauwijzer', een bepaald molenonderdeel. Ankleeuw ('enkel' dus) zou elders 'aankleeuw' luiden, als ik goed ben ingelicht kwam dat woord al in de middeleeuwen voor.
Ankneppele: Dat kneppelt an! betekent: 'dat wordt een heel bedrag, dat loopt op!' Een Zaankanter zou kunnen zeggen: Ajje elleke week vaif gulde opzai legge den moet je kaike hoe dat ankneppelt. Het (inmiddels waarschijnlijk volkomen verouderde) Zaanse woord kneppele is moeilijk vertaalbaar, het betekende ongeveer 'erom spannen'. Met et kneppelt er bedoelde men 'het is zorgelijk'. Kneppel is de Zaanse uitspraak van 'knuppel', zo was een skortkneppel in de oliemolens een stok waarmee de heiden werden gelicht ('geschort').
Anpunte: Aansteken van een sigaret, sigaar of pijn. Wacht effe, ik wul me paip anpunte. Het woord komt uit de houtzagerij, 'aanpunten' (anpunte) betekent daar het aanscherpen, met een vijl, van de stompgeworden zaagtanden. Uit die hoek komen wel meer woorden die een andere betekenis kregen. Zo is een ofzaagendje (met een sterke klemtoon op ènd) het Zaanse woord voor een peukje van een sigaar. Wie wil kan nu zijn ofzaagèndje anpunte!
Anstoele: Verschillende geboren en getogen Zaankanters zullen dit woord nog wel kennen. Het betekent gewoon 'de stoel waarop je zit dichter naar de tafel schuiven'. Het werd vooral tegen kinderen gezegd: Veroit, anstoele! of [/I]leet Wumpie es anstoele, aars zit ie zo met ze ete te meddere[/I].
Arrempiedeur: Dat is natuurlijk gewoon 'gearmd', maar dat zeiden Zaankanters nooit. die zeiden arrempiedeur. Bijvoorbeeld: Nou maid, ik verskoot me rot, die grille kirrel wou iniene arrempiedeur met me.
Asem: Adem. Asem is geen specifiek Zaans woord, het komt ook in andere streektalen voor. Maar er zijn wel een paar Zaanse uitdrukkingen die mij het vermelden waard lijken: Hai heb vergete ze asem te hale, een wat onderkoelde aanduiding dat iemand overleden is. En van wie héél diep zucht kan men zeggen: Hai haalt ze asem bai ze reg op.
B
Baithakkertje: Volgens Boekenoogen 'een blauwe of rode doek die de boeren om de hals knoopten'. Natuurlijk is de naam ontstaan omdat zo'n halsdoek vooral op koude winterdagen werd omgedaan, bijvoorbeeld als men een bijt in het ijs moest hakken. Rond het jaar 1900 werd een halsdoek in de Zaanstreek nog een baithakkertje genoemd.Balie: Een bezege balie, zo werd een vrouw genoemd die altijd bezig was. Een maltentege vrouw dus, die doeneg was en hesterde. Balie was een meisjes- en vrouwennaam (Mabelia), die we nu niet meer kennen. Ook een andere betekenis van het woord balie is vergeten, het was de Zaanse aanduiding voor een teil of tobbe. Een balie met wapeling was een teiltje met zeepsop.
Ballekevlotter: Het transport van boomstammen naar de vele houtzaagmolens ging over water. De stammen werden tot vlotten samengevoegd en de ballekevlotters boomden deze vaak diep in het water liggende en gladde vlotten door de Zaan en de vele sloten naar hun plaats van bestemming. Ballekevlotters waren lange tijd een vertrouwd beeld in het Zaanse leven. Maar hoe kwam men er toe om pastoors en andere katholieke geestelijken de scheldnaam ballekevlotter te geven? Tot op de dag van vandaag is dat bij geen enkeling bekend ...
Ban: De ban in de rondte, nog niet zo heel lang geleden was dat voor Zaankanters een bekende wandeling of fietstocht. Je kon daarbij de kleine en de grote Ban kiezen. De oorsprong ervan is niet moeilijk: de Ban of Banne was vroeger een rechtsgebied, een streek die onder tuchtspraak van éénzelfde rechter stond. Zo waren er de Banne van Assendelft, van Krommenie, van Westzaan, van Wormer, Jisp en Neck, en van Oostzaan. De ban in de rondte was dus een tochtje om het betreffende rechtsgebied.
Bangeskaiterd: In een volkstaal - en dát was het Zaans - werden de dingen altijd zonder omhaal bij de naam genoemd. Het verschijnsel dat angst de darmfunctie stimuleert, was uiteraard ook de Zaankanters niet ontgaan. Vandaar de bangeskaiterd, vandaar ook de uitdrukkingen als hai skeet temet in ze broek of hai skeet olie voor iemand die in angst zat.
Barnen: In het middel-Nederlands, de taal die in de middeleeuwen werd gesproken, was barnen 'branden'. In de Zaanstreek is barnen in die betekenis tot ver in de 19de eeuw gebruikt. De Zaandammers hebben misschien ooit van het Barndegat gehoord, een vroegere inham van het IJ tussen Zaandam en Oostzaan, die zijn naam wel te danken zal hebben aan voortdurende rietbranden. En in Jisp waren vroeger twee molens, de Barnde Bok en de Barnde Molen, waarin het woord barnen nog voortleefde.
Barrel: Oorspronkelijk betekende barrel 'afval' of 'uitschot'. In de molens werd bijv. gezegd: doen die barrels maar bai mekaar, dan kenne me ze tegelaik oprode. Het is niet zo verwonderlijk dat een slonzige vrouw ook zo werd genoemd: deer hejje die barrel ok weer!; een drinkeboer werd trouwens ook een barrel van een kirrel genoemd.
Bed: Deer gaan ik niet van te bed, zeiden de Zaankanters en ze bedoelden ermee: 'daar heb ik niets aan, dat levert niets op'. Dat ze voor 'bed' ook dikwijls de woorden lappemand en klossebak gebruikten, zullen we later nog behandelen. Niet onvermeld mag blijven de uitspraak van een Zaanse vrouw tegen haar blijkbaar verhitte echtgenoot: Ben jai et Hain, of lait de kachel te bed? Hain stoofde of, veronderstellen we.
Beerze: De letterlijke betekenis is 'door slijk en water waden'. In de Zaanse huishoudens werd de betekenis echter 'met vieze voeten binnenkomen'. Beers niet nee binnen op me gnappe zail! In ongeveer dezelfde betekenis werd knetere gebruikt: kaik oit, je stane in de poep te knetere! De arbeiders in de stijfselfabrieken, die immers door de kliederige stijfselmassa beersten; werden daardoor dikwijls voor staifselkneters uitgescholden.
Begaafdhaid: De typisch Zaanse humor, die ik eerder als eens 'onderkoeld' noemde, laat zich moeilijk beschrijven. Een voorbeeld ervan is nu mogelijk. Als een Zaankanter een fors gebouwde vrouw zag, van wie men tegenwoordig zou zeggen 'met alles erop en eraan', dan kon hij uit de grond van zijn hart verzuchten: wet een begaafdhaid!
Begaffele: Et is zo drok, me kenne et niet begaffele. Met andere, niet-Zaanse woorden: 'We kunnen het werk niet af'. Me kenne et niet bedoen, zeiden de Zaankanters ook, en dan bedoelden we hetzelfde. Het woord begaffele zal waarschijnlijk afkomstig zijn uit de boerentaal, met de gaffel zal dan wel de hooivork bedoeld zijn. De meeste bewoners van onze streek kennen de woorden begaffelen en bedoel nog wel.
Beruste: Ook inde gewone Nederlandse taal, het zogenaamde 'algemeen beschaafd (ABN)', komt het woord berusten voor. Zaankanters gebruikten het bovendien in een andere betekenis. Ze konden tegen de melkboer of de bakker als die aan de deur kwam zeggen: ik berust maar en ze bedoelden dan: ik heb niets nodig.
Beskete: Wie een bleke, ongezonde gelaatskleur had, zag er op z'n Zaans gezegd beskete uit. Mensen met een witte huid werden ook wel een bleekskeet genoemd. We wisten in deze buurt vroeger altijd wel plastisch, om niet te zeggen treffend, uit te drukken.
Beskoit: Voor wie het Zaans wat moeilijk leest, met beskoit is 'beschuit' bedoeld. De sch werd altijd als sk uitgesproken: skeel, skool, skaal, skoen en dus ook beskoit. Ik vermeld dit woord hier niet met het og op de beroemde vroegere beschuitbakkerijen, maar omdat men zich uit z'n Zaanse kindertijd nog wel het beskoitje met soiker zal herinneren. Bij het roepen van beskoitje met soiker werd men op een pijnlijke manier in de kin geknepen, een enigszins hardhandige liefkozing.
Bessel: Opraig zeiden de Zaanse vrouwen ook wel. Een besseltje was een vastgestikte plooi. Als een rok of broek te wijd was, dan werd er een bessel in gemaakt om 'm passend te krijgen. Een opraig was toch weer wat anders, die werd met grote losse steken gemaakt, een 'zoom' zegt men tegenwoordig.
Besteltje: Een vlug en vriendelijk kind werd in de Zaanstreek een aardeg besteltje genoemd. De oorsprong van het woord is duidelijk: evenals nu werden kinderen er op uitgestuurd om boodschappen te doen. Wie dat vlug en handig deed was een aardes besteltje, die kon je zoals dat gegenwoordig heet 'om een boodschap sturen'.
Beuling: Een hoefijzervormig, met amandelspijs gevuld soort gebak. Elders in het land betekent beuling 'worst', in de Zaanse beulings (woorden met het achtervoegsel -ing kregen in het meervoud een s: palings, bestellings, smerings, stieglings en zinkings) waren dus worstvormig. Een ander soort gebak, gemaakt met stroop en suiker en vooral in Zaandijk verkocht, werd gevormd door de bolussen. Ook die naam was door de vorm van het gebak bepaald!
Big: Misschien heeft de oorspronkelijke boerenbevolking van de streek ervoor gezorgd dat een stoffer een big werd genoemd. Een bezem heette in de Zaanstreek een varreke. De leerlingen van de vroegere HBS aan het Ruyterveer werden in de vorige eeuw trouwens Franse bigge genoemd; dat herinnert eraan dat de HBS oorspronkelijk een zogenaamde 'Franse school' was.
Binstereg: Ruw, schilferig, van de huid. Kaik nou, me fleke benne helegaar binstereg. Die binstereghaid van de huid was toch weer wat anders dan sprooshaid. Als de handen (of lippen vooral) door de kou ruw en gebarsten waren, dan waren ze sproos. Om het nu nog ingewikkelder te maken: de huid kon ook strips zijn, rimpelig en gezwollen door vocht.
Blaipote: Kaik die kirrel es een blaipote hewwe! Die 'kirrel' had dan grote, brede voeten, die hij wat onbeholpen neerzette. Een blei is een nogal platte vis en dat verklaart de uitdrukking wel. Overigens, het Nederlandse woord 'blij' werd in de Zaanstreek altijd uitgesproken als blaid, met een d aan het eind. Er waren meer dergelijke woorden: armoed, gleed, laad.
Bliert: Meester, me zussie ken niet op skool komme, ze heb de bliert. En wat was die bliert dan wel? Diarree. In Assendelft had men voor hetzelfde woord nog een plastischer woord, daar zei men: ik hew de radder. En in de hele Zaanstreek duidde men, als de spijsvertering enigszins ontregeld was, dat aan door te zeggen dat men dagwerrek mit de broek of had.
Blik (1): Zo blaid as blik, dat is erg blij. De uitdrukking heeft niets met blik te maken, maar met 'bliek', de vissoort. 'Zo blij als een spartelende vis', zou je kunnen zeggen. Uitdrukkingen waarin zogenaamde 'strafrijm' voorkomt, blijven altijd lang in het geheugen en de spraak voortleven. Een paar andere Zaanse zegswijzen met strafrijm: binke of bonke, met klus en klois, zo makkelek als Mariebuur.
Blik (2): De vele pelmolens in de Zaanstreek werkten met een blikken mantel om de platte ronddraaiende steen. Zonder in technische uiteenzettingen te vervallen moet hier verteld worden dat het een hoogst enkele maal voorkwam dat zo'n pelsteen 'sprong', uit elkaar spatte. Dat was een ramp, waarbij soms wel slachtoffers vielen. Men zei dan dat de stien deur et blik gong. Zo ontstond de uitdrukking stien deur et blik en dat betekende 'wat een ramp, wat ontzettend!' Ook te blikstien herinnert daaraan, al zal de (veel oudere, overal elders voorkomende en naar de oude naam van de duivel verwijzende) verwensing 'blikskater' daarvoor wel model hebben gestaan.
Blus: Een blus van een kopje of een bord, dat is een beschadiging, een afgesprongen scherfje van het aardewerk. Zo kon men ook een blus (een wondje) aan z'n vinger of z'n hand hebben. Aardewerk kon makkelijk blusse, er sprong gauw een scherfje af. Natuurlijk was het oorspronkelijke woord bluts, maar de t werd nie tuitgesproken. Dat was nie tspecifiek Zaans, want overal zei men mus in plaats van 'muts'. Zaankanters noemden een muts trouwens meestal een pussie.
Bonkertje: Ja, dat lekkere ouderwetse bonkertje, een kort duffels jasje, een jekker.Warm dat dat was! Er hoorde 's winters een krol bij, zo'n speciaal soort muts met kleppen over de oren en om onnaspeurbare redenen een knoopje bovenop.
Borsteg: Verkouden, hoesterig. Gaan niet zo op de trek zitte, je benne ommers al een bietje borsteg, derekt kraig je et helegaar te pakke. Later kom ik nog wel terug op het typische gebruik van 'understatements' in het Zaans; wie een geweldige hoestbui had, kon met de tranen nog in zijn ogen droogweg zeggen: ik laik wel borsteg.
Bratje: Een kluwentje wollen stopgaren. later werd stopwol op kaartjes verkocht, niet meer optgekluwd; toen verdween het woord bratje. Een kluwen werd in het Zaans trouwens een kloen of een kloentje genoemd en voor het werkwoord 'opkluwen' zei men kloene. Op mog even op brat terug te komen, het betekende ook 'flink, uit de kluiten gewassen': een bratte kirrel was een boom van een vent. De familienaam Brat zal ook wel uit deze hoek komen.
Brief: Een brief an de koning skraive, daar mag je nie tbij gestoord worden. Daarom noemden de Zaankanters het tukkie, het middagdutje zo. Hè, effies neer, effies een brief an de koning skraive.
Buul: Het is eigenlijk verwonderlijk dat het woord buul in het Zaans is blijven hangen. Het is heel oud en komt van 'buidel'. In onze streektaal zou dat 'boidel' of 'boil' moeten zijn, maar het werd buul. Je benne puur in de buul eweest, zeiden de Zaankanters, ofwel 'je hebt flink wat geld uitgegeven'. Je zel in de buul moete betekende: je zult moeten betalen. Ik moet ook nog herinneren aan de bule (gemaakt avn buullake) in een oliemolen. En waarin bewaarden Zaanse jongetjes vroeger hun knikkers? Juist, in een knikkerbuul!
Buut: Horen we dat kinderen nog wel eens roepen als ze verstoppertje spelen? 'Verstoppertje', wat een woord! In de Zaanstreek heet dat opskoilders en als je niet gevonden wordt en het honk (et buut) weet te bereiken, dan roep je luid en triomfantelijk buut! We horen er het Franse 'but' (doel) in. © 2007 - 2009 Hikari, gepubliceerd in Taal (Kunst en Cultuur) op 15-10-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Hikari is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...
Verwante artikelen
- De Zaanse Schans in Noord-Holland: De Zaanse Schans, gelegen aan de Zaan in Zaanstad, is een openluchtattractie waar historisch erfgoed is bewaard. Het is een woon-werkbuurt met diverse musea, molens, ambach…
- Waarom Fries een taal is en Gronings een dialect: Heeft u zich dat ook wel eens afgevraagd? Waarom is het Fries nou een taal en bijvoorbeeld het Gronings een dialect? Wat zijn de eisen waaraan een dialect mo…
- ABC-International: Het internationaal alfabet of tewel het ABC-international. U kent het wellicht van piloten die in het vliegtuig communiceren met behulp van dit intenationaal alfabet. En wie kent niet de c…
- De Arabische taal: Arabisch wordt wereldwijd door vele miljoenen mensen gesproken en is daarnaast de taal van de Koran, waardoor de taal ook voor niet-Arabische moslims erg belangrijk is. Daarom hier wat mee…
- Zaans van A tot Z: D - F: Zaans, een dialect apart. Naast het feit dat voor buitenstaanders het Zaans totaal niet te verstaan is, gebruiken de zaankanters ook woorden, die voor mensen van buiten de zaanstree…

Reageer op het artikel "Zaans van A tot Z: A - B"

In Krommenie hebben we een Dr. Boekenoogenstraat. Deze Dr in de Nederlandse Letterkunde promoveerde in Leiden in 1896 op De Zaansche Volkstaal. Wel heel gek dat de auteur van het artikel over het Zaans van A tot Z niet bekend is met deze bekende Zaankanter, die voor de streektaalliefhebbers een 'must'is om het maar even in gewone taal te zeggen. Wellicht is het ook handig om de boeken van de heer Klaas Woudt, Zaandijk te bekijken. Ofschoon bij mijn weten alleen 'Op een hebbel en een drebbel' nog te koop is. In 2004, bij het verschijnen van de nieuwe uitgave van De Zaansche Volkstaal van Dr. Boekenoogen, 100 jaar na de eerste publieksuitgave, is ter gelegenheid van dat heuglijke feit een Zaans Dictee gehouden. Winnaar Mevrouw Marie Kleij, schrijver van dit commentaar, schrijft sinds september 2006 wekelijks een column in het Zaans.
Tot zo ver deze mededeling.
Met vriendelijke groet en veel inspiratie om nog meer van het Zaans te leren toegewenst,
Marie Kleij, alias Kleidoiffie.
Reactie infoteur op 15-11-2007:Hoi,
Ik zal binnenkort als ik vrij heb meteen op zoek gaan naar meer informatie over deze interessante personen en hun boeken.
Bedankt voor de informatie!
Groet, Hikari
Met belangstelling gelezen. Ik kijk uit naar de volgende delen. Mijn complimenten. Een vraag: in hoeverre wordt het zaans woordenboek van Dr. Boekenogen hiervoor gebruikt of anders gezegd, in hoeverre verschilt deze rubriek met de woorden van dit boek.
Reactie infoteur op 14-11-2007:Hallo Fred,
Bedankt voor uw reactie. Hier even een reactie terug om uw vraag te beantwoorden n.a.v. het woordenboek van Dr. Boekenogen.
Ik heb nog nooit van deze Dr. Boekenogen gehoord, en ook niet van zijn of haar woordenboek. Ik zou dus niet kunnen zeggen in hoeverre mijn artikelen over Zaans van A tot Z zullen verschillen met de woorden in het woordenboek.
Hopelijk heb ik hiermee uw vragen voldoende beantwoord.
Met vriendelijke groet,
Auteur van dit artikel, Hikari

