Zaandam en Zaanstreek

Zaans van A tot Z: D - F

Zaans, een dialect apart. Naast het feit dat voor buitenstaanders het Zaans totaal niet te verstaan is, gebruiken de zaankanters ook woorden, die voor mensen van buiten de zaanstreek een andere betekenis hebben. In de komende artikelen zult u kennis maken met de meeste van deze woorden, met een duidelijke vertaling en betekenis erachter.


Aangezien in het Zaans geen streektaal voorkomt welke met een C begint, zult u merken dat ik in het tweede artikel direct met de D begin. In dit artikel zullen woorden met de beginletters D, E of F aan bod komen.

D

Daaiereg: Taai, kliemerig. Dat laatste woord is óók Zaans, hoewel het zoals zoveel woorden uit ons dialect ook in Friesland voorkomt. De vroeger in Noord-Holland gesproken taal was immers een Fries dialect. Hoe dat zij, draaiereg of daaieg werdd gezegd van deeg, of van slechtdoorbakken brood, van plussel ook, zoals de Zaanse lezers wel zullen weten. Het woord heeft niets te doen met het Zaanse werkwoord daaie, dat we nog kennen uit de zegswijze et zal der an daaie, 'het zal ten naaste juist zijn, het zal ongeveer wel kloppen.'

Daine: De vervelende, zeurende en toch ook wel stekende pijn die men soms in een kies voelt, dat is daine. Me vinger daint zo kon een Zaankanter zeggen. Men noemde dat pijngevoel ook wel zangere of tokkele. De bekende love biene en een zangere boik hebben ermee te maken. Het is trouwens opvallend hoeveel woorden voor ziekten en zeertes er in onze streektaal voorkwamen.

Debber: Grote debber dat je benne! Dat zullen heel wat Zaanse jongetjes hebben moeten horen. Het betekent zoveel als grote sufferd! Mars van 't padje, lilleke debber! Met andere woorden: 'schiet op, verdwijn!' Het woord debber zal wel samenhangen met het oude werkwoord dibberen, dat bijvoorbeeld in het Vlaams voorkomt en daar 'weifelen, onzeker zijn' betekent.

Del: Een laagte, een inzinking in het land, vaak bijvoorbeeld een dichtgegooide sloot. Sommige stukken land ontleenden er hun naam aan, in Westzaan was ooit de Delkamp en in de Koog heette een weiland de Vogeldel. Het gewone Nederlandse woord 'dal' heeft er natuurlijk alles mee te maken. Ik vermeld del hier vooral omdat bij het bokkie springe altijd werd geroepen kop del!, wat betekent 'hoofd omlaag.'

Dem: Hees, schor. Je laike wel demmeg, guster een feessie ehad? Dem was en is een bekend Zaans woord. Het is wel eens grappig om op de oorsprong ervan te weizen. Dem was oorspronkelijk demp en dat was hetzelfde als damp. In Friesland noemt men koeien en paarden dempig als ze kortademig zijn.

Deur: De winderege deur inkomme, dat betekende dat men verre van welkom was. Terecht of ten onrechte wordt wel eens verondersteld dat deze uitdrukking iets te maken heeft met deuren in het molenlijf, die op de stelling uitkomen. Deur was ook de gewone Zaanse uitspraak voor het voorzetsel 'door'. Vreem dat wie het Zaanse deur gebruikte werd versleten voor een onbeschaafde plattelander, terwijl het Haagse deur uiterst gemaniëreerd en deftig in de oren klonk.

Doeg: Doeg is ons Zaanse exportartikel! Want dit doeg!, de Zaanse afscheidsgroet, hoort men tegenwoordig door heel Nederland. Dat komt doordat het wat gezelliger en vriendelijker klinkt dan 'dag', zoals 'joe' huiselijker aandoet dan 'ja'. Doeg wordt gaandeweg overal populair, al klinkt het nergens zoals hier: nou doe-oeg! In plaats van doeg werd er in onze Saanstreek ook heel dikwijls dug gezegd: dug hoor!

Doive: De duivekater (doivekater) die hierna komt, had net zo min iets met duiven te maken als de doive van de pastoor van Egmond. Dat waren namelijk meeuwen, mieuwe zou een oude Zaankanter zeggen. Hij noemde een meeuw kortweg ook wel een pastoor van Egmond. Hoe men aan die benaming kwam, zal wel altijd een raadsel blijven.
D'r draift met dut warreme weer puur wet dooie vis in de Zaan, deer komme de doive van de pestoor van Egmond op af.

Doivekater: Er wordt wel eens beweerd dat dit zoete en vastebakken witbrood typisch Zaans is, maar dat is niet waar. 17de eeuwe schrijvers als Hooft en Bredero noemden de duivekater al en omstreeks 1450 was er in Leiden al een bakker met de bijnaam deuvekater. Het is evenmin waar dat het woord ontstaan is uit 'deux fois quatre'. Dat zou voor stroopbrood, dat uit acht 'schootjes' bestaat, nog verklaarbaar geweest zijn. Hoe het zij, doivekaters worden in de Zaanstreek nog altijd gebakken en gegeten.

Dommelek: Hetzelfde als beknuffeld of beknoffeld. Bij hevige kou konden de handen gevoelloos worden, ze waren dan dommelek op beknuffeld. Door te blouwe kreeg men er weer gevoel in, ze begonnen dan zelfs soms te tempere, als u begrijpt wat ik bedoel.

Doppehokker: Zoals Westzaners de bijnaam kroosdoikers hadden, Assendelvers gortboike werden genoemd, Wormerveerders gladore heetten enzovoort, w erden de Oostzaners uitgescholden voor doppehokkers. Hoe dat kwam? Bij de oliemolens werd het afval gestort in het doppehok en het waren doorgaans Oostzaanse opkopers die dat afval weghaalden. Ze verkochten het weer als eendevoer. Maar aan de Zaankant gold daarvoor elke Oostzaner als een lilleke doppehokker!

Draai: Hai heb ze draai! wil zeggen 'hij heeft het naar zijn zin, hij is in zijn schik.' Dit is een uitdrukking die best wel eens uit de molentaal afkomstig zou kunnen zijn, hoewel men in de zeildoekweverij (en hoeveel weverijen zijn er vroeger wel niet geweest!) ook met het begrip draai werkte. Laten we het maar op de molens houden. Daar praatte men ook over een draaiertje, dat was net de geschikte hoeveelheid wind om de molen lekker aan de gang te houden.

Drabbeg: Weer eens één van de vele woorden waarmee men kon aanduiden zich niet erg lekker te voelen. Je kon je ook niet op munster voelen, of waan in je laif of stil in je laif. Drabbeg had ook de betekenis 'lusteloos.' Een drabzak (in de oliemolens een zak waardoor de olie werd gefiltreerd en waarin dus de drab achterbleef) was de aanduiding van een luie, lummelige man. Hij werd ook wel eens een drabber genoemd. Wet een drabber, der is gien gangk in te kraige!

Dral: De oorspronkelijke betekenis van dral was 'stijf gedraaid'; het woord is afkomstig uit de touwslagerij. Touwslagers waren er in de Zaanstreek destijds bij bosjes, in verband met de vele scheepswerven en molens. Gaandeweg kreeg dral ook een andere betekenis: 'stevig, rond, gedrongen.' Men kon van een kind zeggen: Wet heb ze een lekker dral kontje. De (overwegend Westzaanse) familienaam Dral zal met die betekenis samenhangen; we kennen immers ook de namen Kort, Dik en De Lange, om er maar een paar te noemen?

Dril: Haast. Wet hejje een dril zeun, et laikt wel of je te hooie moete. Die dril werd ook dikwijls kippedrift genoemd. Ik vermoed dat het woord drilder voor 'harde wind' (molentaal) met dril samenhangt. Zaankanters zeiden ook stilder in plaats van 'stiller', dunder in plaats van 'dunner', maalder in plaats van 'maler.' Een drilder zou in het Nederlands een "driller" hebben geheten.

Droisteg: Nou ja, dat hoef ik niet te vertalen, dat horen we nog dikwijls in de streek. Het betekent, voor wie het nog niet wist: 'druk', zelfs 'onbesuisd' of 'onstuimig'. Doen niet zo droisteg, zo derekt beure der nag ongelukke! Droisteg is één van de woorden die in het middelnederlands (dus in de late middeleeuwen) voorkwame;n, die vervolgens overal werden vergeten, maar in de Zaanse streektaal bewaard bleven.

Drok: Eén van de afwijkende klanken van het Zaans is de ò waar in gewoon Nederlands een u wordt gezegd. Zaankanters zeiden bos voor 'bus' (het Koger dodenbos), bokke voor 'bukken' en drok voor 'druk'. Wie het erg druk had, was zo drok as et mantje. Dat mantje betekent 'mannetje' (we zeiden zontje tegen de zon en noemden een bril een briltje), maar welk mantje nou zo bedrijvig is geweest, weet niemand meer.

Droksteve: Jan is zo'n droksteve; als ik me niet vergis is het Zaanse woord droksteve nog wel in gebruik. Drokslees (wat hetzelfde betekent) wordt niet meer gehoord. Maar zo'n 80 jaar geleden kon men nog horen: 'Wullem is een drokslees en hai houdt van een ketje, hai krijgt de rest altaid an de gang[/I]'. Druktemakers dus, die Jan en Wullem.

Drul: Tja ... dat is niet zo best. Drul ben je vooral bij waterverkouwenis, waterige ogen, steeds maar snuten. Wet zien je der drul oit maid! Ja, et is allegaar snot en kwail. Natuurlijk heeft drul iets te maken met het Nederlandse woord 'druilen'.

Dutrais: Dotrais zei men ook wel - de uitspraak van veel woorden verschilde van plaats tot plaats, soms zelfs van familie tot familie!. Hoe dat zij, een dutrois was een vergeefse tocht. Nou benne me helegaar nee et end van de Zoiddaik elope om een kompie koffie bai me ome te drinke en nou was ie niet thois ... Wet een dutrais!


E

Efter: In de middeleeuwen was dit een veel voorkomend woord, dat 'later' of 'daarna' betekende. We zien de verwantschap met het Engelse 'after' en ons 'achter'. In de Zaanstreek (en in het Fries) bleef de uitdrukking op een efter bewaard. 'Nu niet, maar een volgend keer,' betekent het. Kom je, Nee, op een efter! Jammer dat zulke stokoude uitdrukkingen met de tijd verloren gaan!

Erg Hebbe: Opletten, uitkijken. Soms werd ook arg gezegd. Heb erreg jonges, deer komt de pelisie! Hé, heb een biertje arreg en skudt niet an de tafel - ik zit te skraive! De lezers moeten maar eens erg hebben of ze deze uitdrukking nog dikwijls horen.

Eteg: Voedsel waarvan je gauw vol werd noemden de Zaankanters eteg. We moete vandaag eteg ete ete, konden ze zeggen. Over eten gesproken, ik noemde al eens de zegswijze ete of je te hooie moete (dat was schrokken, haastig de zaak naar binnen proppen), er werd ook wel eens gezegd ete as een houtzager, en daarmee werd bedoeld dat men een forse hoeveelheid aankon. Boerentaal en molentaal komen in het Zaans steeds weer om het hoekje kijken!

Etterdetet: Laat ik het eens ingewikkeld maken. Een etterdetet was iemand die overdreven precies en netjes wat. Een heutemeteut daarentegen was een teut, iemand die onhandig en langzaam werkte. En een otemetoot was iemand die z'n zaakjes voor elkaar had, die heel wat bereikt had. Etterdetet, heutemeteut en otemetoot, hoe verschillend ook, leefden vroeger naar ik hoop vreedzaam bijeen.

Ezeg: IJverig, hardwerkend. Een ezeg kirreltje was wat je noemt een druk baasje. In het Nederlands zou het woord 'azig' moeten zijn, maar dat bestaat niet en heeft nooit bestaan. Toevallig betekent het Zaanse woord ezele ook 'hard werken', maar het heeft evenmin verwantschap met ezeg als het Noordhollandse (dus ook Zaanse) woord verezen dat 'zich overeten, z'n maag overladen' betekende.


F

Fikkerai (of flikkerai): Wat dit woord ook betekenen moge, het kwam alleen voor in de uitdrukking dat is een beste fikkerai en daarmee werd dan bedoeld dat het 'een voordelig zaakje' was, dat er behoorlijk mee werd verdiend. Als je op Zundag in de zeumer van iedereen die in zee zwumt, een gulde zou vrage, reken den maar dat zuks een beste fikkerai weze zou!

Flank: In de flank valle zeiden de Zaankanters, en ze bedoelden ermee 'in de smaak vallen'. Als alles in de flank stond, dan was de boel netjes opgeruimd, keurig op een rij gezet, het flankte. Want het werkwoord flanke werd ook wel gebruikt. Zo tussentijds mag ik wel eens de vraag stellen of de woorden die ik behandel bij u een beetje in de flank valle wulle.

Fleek: Dat mochten we vroeger beslist niet zeggen, dat was zeer onbeschaafd. Moeder, ik heb zukke kouwe fleke. We moesten altijd 'handen' zeggen. Wat jammer toch dat een streektaal altijd onbeschaafd en bijna onfatsoenlijk werd gevonden. Want werkelijk, onnetjes was het woord fleek niet = het kwam al in de middeleeuwen voor (vleke) en betekende naast 'hand' ook 'vlinder'. Maar wij kregen mooi een draai om de oren als we fleek zeiden.

Fliert: Iets dat lang en dun is heette in het Zaans een fliert. Een fliert pampier (want papier werd altijd pampier genoemd) was een strook, een reep. Rafels heetten ook flierte. Een moeder kon tegen haar kind zeggen: Met die jurrek gaan je niet de straat op hoor, de flierte hange der bai. En natuurlijk werd iemand die lang, dun en lekker was ook een fliert genoemd. Kaik deer es wet een fliert! Koud bove?

Flietertje: Of fliestertje of flutertje (de uitspraak verschilde nog wel eens) werd gezegd tegen iets wat dun was. Bij het brood snijden of pannekoeken bakken bijvoorbeeld kon men horen: Niet zukke flietertjes hoor! Ook het woord flutereg zullen de meeste Zaankanters nog wel kennen. Dunne, slappe stof werd flutereg genoemd, het Nederlandse equivalent is 'floddderig'.

Florte: Nog maar twéé generaties geleden werd er op woensdag- en zaterdagavonden in de Zaandamse Westzijde eflort, dat wil zeggen 'heen en weer gedrenteld.' De jongens noemde het de maidemarkt ende woensdagavond heette voor hen bille-avond. Dat florte heette in Wormer gnarte. Het woord florte had trouwens ook nog een andere betekenis, die men bijna wel kan raden als men het snel uitspreekt: 'een wind laten'.

Fn-woorden: Een merkwaardige en onverklaarbare eigenschap van de Zaankanters was hun voorkeur om woorden die met fn of gn[/I[ beginnen. Wie de moeite zou nemen om eens ind e 'grote Van Dale' (het woordenboek) te tellen hoeveel Nederlandse woorden op die manier beginnen en daarna in het Zaanse woordenboek van Boekenoogen nakijkt hoeveel Zaanse woorden met [I]fn of gn er zijn, zou bemerken dat er twee- of driemaal zoveel van dergelijke woorden in onze streektaal bestaan, zoals fnoikie en fnistere, gnap en gnorte.

Fnazel: Een rafel. Deus eigenlijk hetzeflde als een fliertje. Fnazele was rafelen. Dut goed fnazelt nagal. Laat ik er nog een Zaans woord tegenaan gooieN: fnieste. Dat is niezen. Als je fnieste moete en je ken niet, dan moet je effe nee et zonnetje kaike.

Fnistere: We zitte jollie deer mit mekaar te fnistere? Fnistere is als klanknabootsend woord eigenlijk nog mooier dan 'fluisteren'. Maar helaas hoor je het in de Zaanstreek nog zelden zeggen.

Fnoikie: Een fnoikie was een klein beetje. Bij het koken gebruikte je een fnoikie zout. Een prippie zout zeiden ze in onze streek ook wel. En een heel klein beetje vloeistof noemden de Zaankanters een muggepissie. Je kon dus je maaltijd op smaak brengen met een fnoikie peper, een prippie zout en een muggepissie azain. Probeer het eens.

Franse invloed: Doordat in de 18de eeuw groepen Franse teeenhouwers naar de Zaanstreek kwamen om de duizenden molenstenen te hakken en te onderhouden - de eerste gastarbeiders in onze streek - kwamen er in de streektaal tientallen Franse woorden terecht, die we doordat ze verbasterd werden nog nauwelijks herkennen. Er worden er in de komende artikelen meerdere genoemd, bijvoorbeeld kaskedieze, maltenteg en punteneureg, om van een mallemegochel nu nog maar niet te spreken. Vele nazaten van die Franse steenhouwers wonen nog steeds in de streek: de Fleuren, Gobieltjes, Poulains enzovoort!~

Froiteg: Fris om te zien en bovendien levendig en vrolijk. Wet ziene die maidjes der weer froiteg oi, ik ken me der nie tloof an kaike! Van mannen of oudere vrouwen werd nooit gezegd dat ze froiteg waren, de term sloeg alleen op jonge meisjes of jonge vrouwen, die dan froiteghaidje gaan Op dezelfde manier werd een tenger, licht gebouwd meisje een faineghaidje genoemd.

Fuk: In de Zaanstreek, van oudsher bekend om zijn branden, was puur zo'n fuk van ernstiger aard dan een aardeg fukkie, heowel dat laatste er ook wel wezen mocht. Et wul best fukke constateerde men, als de flammen er aan alle kanten uitsloegen. Sommige lezers zullen liever fikke zeggen, dat mogen ze. Maar de vroegere Zaankanters maakten van de i doorgaans een u: Wullem en dut en wulle en ook fukke, 't is maar dat u het weet.

Futmeel: Het rellen (pellen) van gerst tot gort in de pelmolens luisterde erg nauw. Als het niet helemaal goed gebeurde, ontstond er een soort meel, dat door de molenaars mee naar huis genomen mocht worden, omdat het nauwelijks waarde had. Dat was het zogenaamde futmeel, waarvan futpannekoeke werden gebakken. Er was een levendige ruilhandel in, bij de oliemolens wilde men het futmeel graag ruilen tegen een kannetje olie.
© 2007 - 2009 Hikari, gepubliceerd in Taal (Kunst en Cultuur) op 19-10-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Hikari is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Zaans van A tot Z: D - F"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.