Armeniërs in Jeruzalem

Het Armeense volk is in het Westen vooral bekend om zijn tragische geschiedenis aan het eind van het Ottomaanse Rijk. De Armeense genocide van 1915 kostte vermoedelijk meer dan een miljoen Armeniërs het leven. Velen werden gedeporteerd of vluchtten. Maar de Armeense diaspora is veel ouder en heeft bijvoorbeeld in Jeruzalem een rijk verleden – hoewel de toekomst nogal ongewis is.
De Armeniërs zijn er trots op de eerste christelijke natie ter wereld te zijn. Het huidige Armenië ligt in de zuidelijke Kaukasus, ingeklemd tussen Turkije en Iran en de voormalige Sovjet-republieken Georgië en Azerbeidzjan. Hier woont het grootste deel van het Armeense volk in zijn eigen, sinds 1991 onafhankelijke land, voorheen eveneens een republiek binnen de Sovjet-Unie.

Het Armeense volk kent echter ook een aanzienlijke diaspora met centra onder andere in Syrië (Aleppo), Libanon (Beirut), Cyprus en Palestina/Israël (Jeruzalem).

Als oudste christelijke natie ter wereld is het niet verwonderlijk dat Armeniërs al heel vroeg een wijk hadden in Jeruzalem, vandaag bekend als de Armeense Wijk binnen de oude, ommuurde stad. De wijk verschilt erg in sfeer van de moslim- en christelijke wijken omdat hij niet wordt gedomineerd door drukke markten en tientallen toeristenwinkeltjes met alle drukte die daarbij hoort. De vele restaurants worden ook druk bezocht door Israëli’s die zich in Jeruzalems niet-Joodse stadsdelen wagen.

Geschiedenis

Volgens de traditie kozen Jezus’ discipelen na diens kruisiging Jacobus (‘broer van Jezus’) tot hun religieuze leider en tot eerste bisschop van Jeruzalem. Zijn huis, op de Zionsberg, werd een spiritueel en religieus centrum. In het jaar 62 werd Jacobus om het leven gebracht en zijn lichaam werd in de nabijgelegen vallei gegooid en aldaar begraven. In de 4e eeuw, toen een kleine groep monniken en pelgrims een nederzetting in het gebied had gesticht, werd hij herbegraven op de plaats waar nu de kerk staat die zijn naam draagt. Het gebied rond de Jacobus-kerk trok in de loop der tijd geleidelijk meer Armeense bewoners en ontwikkelde zich tot een volwaardige wijk die voorzag in zijn eigen levensbehoeften.

Tot de 7e eeuw was de Grieks Orthodoxe patriarch tevens hoofd van de Armeense kerk. Sindsdien heeft de Armeense kerk zijn eigen patriarch. Omar ibn al-Khattab, de tweede moslim-kalief die Palestina in 637-8 veroverde, erkende de rechten van de Armeense patriarch over de plaatsen die heilig waren voor het christendom in Jeruzalem, Bethlehem en Nablus. Armeense bezittingen vielen onder zijn bescherming en hij kende de gemeenschap vrijheid van godsdienst toe. Het desbetreffende document wordt bewaard in de bibliotheek van het Armeense patriarchaat.

Een verbeterde veiligheidssituatie na de komst van de Islam en betere wegen maakten dat er jaarlijks enkele duizenden pelgrims naar Jeruzalem kwamen. Daarvoor waren het er nooit meer dan zo’n 500 geweest.

Ook latere moslim-heersers erkenden de rechten van de Armeniërs. In de grofweg 1.300 jaar dat Jeruzalem onder moslim-bestuur viel, bleef de Armeense gemeenschap grotendeels intact. Zij voorzag in haar inkomsten door middel van het verpachten van land en door donaties van pelgrims. De gemeenschap kwam tot verdere bloei toen, na een slepend conflict over de eigendomsrechten over de Jacobus-kerk tussen de Armeense en Grieks Orthodoxe gemeenschappen, de Ottomaanse sultan Mahmud II in 1813 uitspraak deed ten gunste van de Armeniërs.

De Armeense gemeenschap groeide gestaag en Armeniërs die elders werden vervolgd, vonden vaak een nieuw huis in Jeruzalem. Absoluut dieptepunt was natuurlijk de toestroom van duizenden overlevenden van de Armeense genocide in wat nu Turkije is. Min of meer in een klap groeide de gemeenschap van 1.500 tot 5.000 personen. Anderen vonden onderdak elders in Palestina, zoals in Sheik Brak (Atlit), ten zuiden van Haifa.

Armeense invloed in de stad

Gezien de lange geschiedenis van Armeniërs in Jeruzalem is het niet verrassend dat zij belangrijke culturele bijdragen aan de stad hebben geleverd. De Jacobus-kathedraal is een van de mooiste in de stad. Hoewel de oorspronkelijke kerk dateert uit de 5e eeuw, is het grootste deel van het huidige gebouw en van de omringende kloosters, bibliotheek, museum en drukkerij van latere datum.

De eerste drukkerij in Jeruzalem werd in 1833 door Armeniërs geopend. Meer dan 1.200 titels zagen hier het licht. Veel Armeniërs die hier hun opleiding genoten, begonnen later voor zichzelf als drukker, boekbinder en typograaf. Ook waren Armeniërs prominent vertegenwoordigd in beroepen als goudsmid, musicus, arts, fotograaf en keramist. En die invloed is vandaag de dag nog steeds merkbaar.

Pioniers in fotografie

Aan het eind van de 19e waren er talrijke locale commerciële fotografen in Ottomaanse steden als Constantinopel (de beroemde studio van de Abdullah Broers die in 1858 zijn deuren opende), Jeruzalem, Beirut en Cairo. De aanwezigheid van niet onaanzienlijke Europese gemeenschappen in deze steden en hun aantrekkingskracht op pelgrims en de eerste echte toeristen hebben hier aan bijgedragen. De meeste studio’s waren in handen van leden van etnische en religieuze minderheden, en hierbij waren Armeniërs in de meerderheid.

De reden dat Armeniërs bovenmatig vaak in de fotografie zaten, kan ermee te maken hebben dat zij al generaties lang actief waren in metaalbewerking, graveerkunst en miniatuurschildering. Deze ambachten leverden hen vaardigheden op die relevant waren voor de vroege technieken van de fotografie. Een andere reden kan zijn dat Armeniërs meer dan gemiddeld in contact stonden met Europeanen, wat hen in de gelegenheid stelde de nieuwe technieken te leren en een klantenkring voor hun werk aan te boren.

De in Anatolië geboren Yessayi Garabedian (1825-1885) kwam in 1844 naar Jeruzalem om bij het Armeens patriarchaat te studeren. Aan het eind van de jaren vijftig raakte hij geïnteresseerd in fotografie. In 1859 bracht hij vier maanden in Constantinopel door om bij de Abdullah Broers zijn vaardigheden te vervolmaken en hij maakte een studiereis door Europa. Bij zijn terugkomst in Jeruzalem opende hij een fotografieatelier op het kloosterterrein van de Jacobus-kathedraal. Hiermee werd hij een van de eerste locale fotografen in Palestina.

Ook toen Garabedian in 1865 werd gekozen tot patriarch van Jeruzalem, ging hij door met fotograferen. Van zijn werk – hoofdzakelijk van het klooster en de Armeense gemeenschap in Jeruzalem – is niet veel bewaard gebleven. Tot zijn leerlingen behoorde Garabed Krikorian.

Krikorian (1847-1920) werd in het begin van de jaren zestig vanuit Constantinopel naar Jeruzalem gestuurd om voor priester te studeren in het klooster bij de Jacobus-kathedraal. In deze tijd bracht Garabedian hem ook de beginselen van de fotografie bij. In 1885 verliet hij zijn religieuze loopbaan en opende een portretstudio in Jeruzalem. Krikorian was de eerste commerciële fotograaf in Jeruzalem. Hoogtepunt van zijn carrière was dat hij als officiële fotograaf werd aangesteld om het bezoek van de Duitse keizer Wilhelm II aan Jeruzalem in 1898 op plaat vast te leggen.

Garabed Krikorian en zijn familie (1910)
Garabed Krikorian en zijn familie (1910)
Ook vandaag de dag behoren Armeniërs tot de meest prominente fotografen van de stad, vooral in het Oostelijke, bezette deel. Zo heeft Garo Nalbandian zich gespecialiseerd in het illustreren van boeken over Palestina en het Heilige Land. Hrant Nakashian fotografeerde voor de Verenigde Naties onder meer het leven in de vluchtelingenkampen van Gaza tussen 1948 en 1952.

Keramiek

De Palestijnse keramiekindustrie kreeg aan het begin van 20e eeuw een flinke oppepper toen drie Armeense families van ambachtslieden uit Kutahya (Turkije) werden gevraagd de glazuurtegels van de Rotskoepel in Jeruzalem (de Gouden Koepel) te restaureren. Hun ontwerpen en stijl werden kenmerkend voor heel Palestina, omdat zij Romeinse, Byzantijnse, Kruisvaarders en Islamitische thema’s in hun werk verweefden. Kenners herkennen meteen het werk van de drie Jeruzalemse keramiekscholen: Ohannissian, Balian en Karakashian.

Ten tijde van de economische bloei in de jaren twintig gaven vele villabezitters in Jeruzalem en omgeving, waaronder Bethlehem en Ramallah, Armeense vaklieden opdracht keramiektegels te maken om hun huizen zowel van binnen als van buiten te verfraaien. Ook werkten zij veel aan openbare gebouwen, vooral in de Armeense wijk van Jeruzalem.

De laatste decennia is het vak overgegaan op niet-Armeense Palestijnen. Velen van hen werken in de ateliers van Armeense eigenaren. Het valt echter te bezien of de keramiekindustrie op korte termijn blijft bloeien als in het verleden. Veel niet-Joodse inwoners van Jeruzalem hebben de ervaring opgedaan dat hun huizen min of meer elk moment kunnen worden geconfisqueerd en zij geven dan ook steeds vaker de voorkeur aan eenvoudiger verplaatsbare kostbaarheden.

Een onbestemde toekomst

Als gevolg van de Arabisch/Palestijns-Israëlische oorlogen van 1948 en 1967 leed de Armeense wijk aanzienlijke schade en ook relatief veel Armeniërs verlieten Jeruzalem en trokken naar de Armeense Republiek in de Sovjet-Unie, de V.S., Europa en andere delen van de wereld. Een gevolg van de oorlog van 1967 was dat een flink deel van de woonhuizen door oorlogsschade of als gevolg van de vlucht van hun bewoners leeg was komen te staan. Een buitenkans voor Joodse kolonisten die hun kans schoon zagen deze huizen aan de aangrenzende, zich gestaag uitbreidende Joodse Wijk toe te voegen. Tot de dag van vandaag is het niet gelukt de illegale bewoners uit deze huizen te zetten.

Daarnaast worden andere percelen opgeëist, waartegen vrijwel geen verzet mogelijk is. Het Armeense patriarchaat heeft verscheidene stukken van zijn landbezit zien worden geconfisqueerd. Werkzaamheden aan de Armeense kerk op de Zionsberg werden tientallen jaren vertraagd, omdat de autoriteiten weigerden bouwvergunningen te verstrekken.

De veronderstelde neutraliteit van de Armeniërs in het Palestijns-Israëlische conflict – omdat zijn noch Arabieren noch Joden zijn – moest in ieder geval in de jaren negentig enigszins worden bijgesteld. Toen de Amerikanen met het idee kwamen om de Joodse en Armeense wijken van Jeruzalems Oude Stad onder Israëlisch bestuur te stellen en de moslim- en christelijke wijken onder Palestijns bestuur, wendden de Armeniërs zich tot Yasser Arafat met het verzoek hun wijk deel te laten uitmaken van de christelijke wijk.

Hoewel de toekomst van de Armeense wijk niet direct op het spel staat, ziet de toekomst van de huidige ongeveer 1.200 inwoners er ook niet al te rooskleurig uit. En dat in een omgeving waarin drie volken wonen die maar al te vertrouwd zijn met de negatieve kanten van een diaspora.
© 2009 - 2012 Dreus, gepubliceerd in Volkeren (Kunst en Cultuur) op . Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Dreus is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer informatie…

Gerelateerde artikelen
Modern Israël 5: De Joodse connectie met Palestina In Peki'in (Galilea) woont de familie Zianati die daar onafgebrok…
Modern Israël 6: De Joodse Jisjoev in Palestina Het Palestina van de 19de eeuw onder Ottomaanse overheersing stelde…
Toerisme - Jeruzalem VI: Promenade Routes in Armon Hanatziv De Armon Hanatziv Bergrug heeft niet minder dan drie promenad…
De Irgoen, Israëls vrijheidsstrijders (1931-1948) De Irgoen heeft een slechte reputatie. Het wordt gezien als een jo…
Geschiedenis Joodse volk 11 (Palestina en Zionisme) Het huidige Israël werd eeuwenlang door vreemde machthebbers bestuurd…

Reageer op het artikel "Armeniërs in Jeruzalem"

Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.
Bronnen en referenties
  • John H. Melkon Rose: Armenians of Jerusalem: Memories of Life in Palestine (1993).
  • Geschriften van de archivaris van het Armeense patriarchaat in Jeruzalem, George Hintlian, bijvoorbeeld Armenians in Jerusalem (Jerusalem Quarterly, herfst 1998).
  • Over Armeense pioniers op fotografiegebied in het Midden-Oosten zie bijvoorbeeld de bijdrage van Badr el-Hage in hetzelfde tijdschrift (zomer 2007).
Infoteur: Dreus
Rubriek: Kunst en Cultuur / Volkeren
Bronnen en referenties: 3
Schrijf mee!