InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Biografie > Tjoet Nja Din – de geschiedenis van een Atjehse vorstin

Tjoet Nja Din – de geschiedenis van een Atjehse vorstin

Tjoet Nja Din – de geschiedenis van een Atjehse vorstin Madelon Székely-Lulofs schreef in 1947 een geromantiseerde biografie over het leven van vorstin Tjoet Nja Din. Haar leven speelde zich af in het voormalig Nederlands-Indië vóór en tijdens de Atjeh-oorlog (1873 – 1903). De auteur verwerkte in haar boek een oude Indonesische ballade over de strijders in dat conflict. Ze maakte echter niet de mannelijke heldhaftigheid, maar de onverzettelijkheid van een vrouw tot thema van haar roman. In 1965 werd Tjoet Nja Din in Indonesië bij presidentieel besluit uitgeroepen tot nationale heldin vanwege haar strijd tegen de koloniale overheersing.

Boekgegevens

M.H. Székely-Lulofs:
Tjoet Nja Din – De geschiedenis van een Atjehse vorstin
Thomas & Eras, 2e druk, Den Haag 1985; oorspronkelijke uitgave 1948.
214 pagina’s met illustratie (kaart) en literatuuropgave.

Dit artikel houdt de naamspelling van het boek aan, die afwijkt van de huidige Nederlandse en Indonesische spelling.

Achtergrond

Madelon Székely-Lulofs begon tegen het einde van de oorlogsjaren in Nederland aan haar roman over de Atjeh-oorlog. Het boek en de hoofdpersoon Tjoet Nja Din lagen haar duidelijk nauw aan het hart; de schrijfster identificeerde zich sterk met de hoofdpersoon en beschouwde de roman als haar beste werk. Zowel de inleiding als de literatuurlijst tonen haar moeite aan het ware verhaal boven water te krijgen.

Uit de beschrijvingen van Atjeh komen de liefde voor en kennis van het gebied duidelijk naar voren. Ook steekt de schrijfster haar mening niet onder stoelen of banken. Zij kiest partij voor Tjoet Nja Din en haar volk, maar probeert de gebeurtenissen zo objectief mogelijk weer te geven. Gefingeerde dialogen tussen Tjoet en haar echtgenoten geven hun standpunten en gevoelens weer. Als alwetende verteller spreekt de auteur haar lezers aan.
Het verhaal kent zowel terug- als vooruitblikken, vooral in de zeventien hoofdstukken die de afkomst en het leven van Tjoet Nja Din beschrijven. Hoewel het om een geromantiseerde biografie gaat, volgt het verhaal de historische gebeurtenissen rond de Atjeh-oorlog nauwgezet.

De aanleiding

auteursportretauteursportret
In de inleiding, geschreven in 1947 in haar woonplaats Santpoort, vertelt de schrijfster tijdens het opruimen van haar boekenkast op een boek van de Leidse professor Snouck Hurgronje over de Atjeh-oorlog te zijn gestuit. Bij het doorbladeren ervan valt haar oog op de naam Dokarim: een Atjehse dichter die zijn heldendichten voordroeg, waaronder zijn epos Hikajat Prang Kompeuni, het Epos over de Oorlog met de Kompeuni over de Atjeh-oorlog (1873-1903). De rol van beide partijen in het conflict wordt hierin belicht en al kiest Dokarim partij voor zijn vaderland, toch biedt hij ook de Hollanders een monument ter nagedachtenis aan de strijd.
Beschaamd realiseert de auteur zich dat er van Hollandse zijde nog altijd geen vergelijkbaar document ter ere van beide partijen in deze zogenaamde beschavingsoorlog van christenen tegen moslims is uitgebracht, terwijl Dokarim daar al voor 1890 aan werkte.

Zelf verhuisde de schrijfster op zeer jonge leeftijd met haar ouders van Java naar Atjeh (Noord-Sumatra), waar haar vader bestuursambtenaar was. De eigenlijke oorlog was toen nagenoeg voorbij, maar vredig was het er allerminst. De namen van Tekoe Oemar en Tjoet Nja Din, het heldhaftige echtpaar uit het epos van Dokarim, zoemden er rond; in de Nederlandse optiek waren zij geen heldhaftige, maar verraderlijke en valse lieden. Dat beeld heeft de herinnering van de auteur aan die twee gekleurd.
Nu wil zij reconstrueren wat zich destijds heeft afgespeeld, vooral waar het om het menselijke aspect in dit historische drama gaat. De focus richt zij op de vrouwelijke tegenstander van de Nederlanders, de Atjehse vorstin Tjoet Nja Din. In haar strijdbaarheid, standvastigheid en geloofsovertuiging streefde zij de mannelijke spelers in het drama voorbij.

Informatie over schrijfster Madelon Székely-Lulofs is te vinden in de special met artikelen over haar leven en werk.

De voorgeschiedenis van Tjoet Nja Din

De legendarische, aristocratische verre voorvader van zowel Tjoet Nja Din als haar tweede echtgenoot Oemar was afkomstig van Midden-Sumatra, het land van de Minangkabau. Op zoek naar goud beproefde hij met succes zijn geluk in het noordelijke sultanaat Atjeh, aan de westkust van het eiland.

Honderd jaar later was het islamitische Atjeh een allerminst vreedzaam, maar versnipperd sultanaat, uiteengevallen in drie min of meer zelfstandige federaties – sagi’s – met elk een eigen heerser aan het hoofd. Die sagi’s werden weer onderverdeeld in kleinere vorstendommen. Geografische namen waren er niet; vorstendommen en sagi’s ontleenden hun naam aan het aantal moskeegemeenten: de moekims.

De grootvader van Tjoet Nja Din en Oemar werd, vanwege bewezen diensten aan de sultan, symbolisch aangesteld als erfelijk krijgsoverste in de VI Moekims. Hij ontving daarbij de adellijke geslachtsnaam Nanta. Zijn bijnaam werd Setia, de Getrouwe. Deze grootvader, die bekend werd als Nanta Tjih, had twee zoons, de respectievelijke vaders van Tjoet Nja Din en Tekoe Oemar.
De vader van Tjoet Nja Din, Nanta Setia de Jongere, wilde niet alleen symbolisch, maar ook daadwerkelijk heersen over de welvarende VI Moekims. Hij wist de zaken zo naar zijn hand te zetten dat zijn invloed steeds verder toenam. In huiselijke kring was hem echter minder geluk beschoren. Hij kreeg slechts twee zoons: de een stierf jong, de ander beschikte over verminderde verstandelijke vermogens.

Vroege jeugd

Het dorp Lampadang, de zetel van haar vader, was vermoedelijk het geboortedorp van Tjoet Din. Het laag gelegen, versterkte paaldorp lag in een vruchtbaar gebied. Van alle opbrengsten in de streek was een gedeelte voor haar vader bestemd. Het huis waarin Tjoet Din haar jeugd doorbracht was dan ook comfortabel, met een mannenvertrek aan de voorzijde, een middendeel met slaapvertrekken en een achtergalerij met het vertrek voor de vrouwen en kinderen.
Er was haar ouders veel aangelegen om toch een gezonde, flinke zoon te krijgen. Alle rituelen en smeekbedes ten spijt ging hun wens maar ten dele in vervulling. In 1847, toen Nanta tijdens een conflict de daadwerkelijke macht over de VI Moekims wist te grijpen, werd zijn dochtertje Tjoet Din geboren: een flink en gezond kind met een opmerkelijk lichte, waskleurige huid.
Haar eerste levensjaar ging met veel plechtigheden en rituelen gepaard. Pas op de vierenveertigste dag kreeg het meisje haar naam: Din vanwege haar lichte huidskleur en Tjoet vanwege haar adellijke afkomst. Later dat jaar werd zij symbolisch voor de rest van haar leven met de aarde verbonden.

Voor de beschrijving van Din’s jeugd hanteert de auteur Atjehse maatstaven: leeftijd wordt afgemeten aan vaardigheden als kruipen en lopen en aan de wijze van kleden. Tot een jaar of vier loopt het kind doorgaans naakt, met slechts een gouden schaamplaatje en amuletten. Het hoofd is, op een enkele pluk haar na, kaal geschoren.
Dan volgt de periode waarin het kindje een lang, zwart broekje draagt. Wanneer de tanden wisselen wordt het haar niet langer afgeschoren, totdat het uiteindelijk lang genoeg is om in een laag knotje te worden gedragen. Vanaf dat moment nadert een meisje de volwassenheid. Ze wordt geacht koranonderricht te volgen en vaardigheden als weven, borduren en koken te leren. Daarbij wordt, nu mogelijke huwelijkskandidaten zich kunnen aandienen, een twaalfjarig meisje binnenshuis gehouden.

Tjoet Din groeide voorspoedig op en was haar vaders oogappel. Fel van karakter toonde ze ook waardigheid en intelligentie. De verhalen van haar moeder maakten haar vertrouwd met de familiegeschiedenis en haar achtergrond.

Latere kinderjaren

Rond 1855 brak in Atjeh een machtsstrijd los om de sultanszetel. Het hoofdstrijdtoneel lag op het gebied van de VI Moekims. Ook langs de kusten en grenzen van Atjeh woedde strijd, namelijk tegen de op Sumatra oprukkende Hollanders. Rond 1858 keerde de rust pas ten dele terug. Tjoet was inmiddels een jaar of tien en zou weldra in het huwelijk treden: een uiteraard gearrangeerd huwelijk met de begeerlijke Tjoet Din als dure bruid, maar ook als welgestelde echtgenote en vermoedelijke toekomstige vorstin van de VI Moekims.

Nanta en de invloedrijke imam van een nabijgelegen plaats kwamen overeen dat Tjoet met diens zoon Ibrahim Lamgna zou trouwen. Dat bruid en bruidegom elkaar niet kenden, vormde hierbij geen belemmering. Het ouderlijk huis van Tjoet werd voor de plechtigheid gereed gemaakt, net als het bruidsvertrek midden in het huis. Het dorp maakte zich op voor grote feestelijkheden. De bruid zelf werd opgetuigd als een pop, bedolven onder de gouden sieraden, klaar voor de ontmoeting met de bruidegom. Bij binnenkomst van het bruidsvertrek bleek die er in elk geval goed uit te zien, en zo maakten de echtgenoten volgens de traditie op ceremoniële wijze kennis met elkaar.

Na de huwelijksplechtigheden bleef ieder van hen in het eigen ouderlijk huis wonen, waar Tjoet nu de bruidskamer bewoonde. Af en toe werd de bruidegom gevraagd zijn bruid een bezoek te brengen, totdat Tjoet op het ouderlijk erf het belangrijkste voor een Atjehse vrouw in bezit kreeg: een eigen onderkomen, speciaal voor haar gebouwd. Ook kreeg zij grond, kostbaarheden en kleding in eigendom en werd zij vergezeld door haar slavinnen, haar vrouwelijke gevolg en haar bedienden. Haar moeder en vrouwelijke bloedverwanten hielden voorlopig nog een oogje in het zeil.

Het eerste huwelijk: Ibrahim

De dichter Dokarim verhaalt dat Tjoet Nja Din veel van de ongeveer tien jaar oudere Tekoe Lamgna hield. De auteur wil hier wel in mee gaan en denkt dat Ibrahim – die overigens ook een volwassen echtgenote elders had – op zijn beurt veel om zijn echtgenote gaf. Din was echter zijn belangrijkste vrouw, gezien de macht van haar vader.
Aanvankelijk sliep zij als jonge bruid in zijn nabijheid, zonder dat haar man zich aan haar mocht vergrijpen, totdat de tijd daar was en zij ook werkelijk het huwelijk consumeerden.

De strijd tegen de Hollandse kolonisator ging door, al lag Tekoe Lamgna na verloop van tijd op achterstand. In de beschrijving hierover kiest de schrijfster duidelijk partij voor het jonge paar dat, vooral vanuit hun islamitische geloof, fanatiek verzet bood tegen de niet-gelovigen.
Toch maakte het huwelijk, gesloten rond 1858, een goede start. Hun eerste kind was inmiddels geboren. Het geluk van Tjoet Nja Din en haar echtgenoot duurde tot 1873: het begin van de Atjeh-oorlog.

Oorlogsvoorspel en verraad

De aanwezigheid van de Arabier Abdoerrahman Zahir, bijgenaamd Habib, de Geliefde, spleet Atjeh in twee partijen: de Atjehse Partij, gesteund door onder andere de sultan en de vader van Din en de Arabische Partij, gesteund door onder meer de Habib. Tekoe Lamgna bleef hierbij neutraal, al ging zijn voorkeur vermoedelijk uit naar de Habib.
De plotselinge dood van de sultan in 1870 bracht echter een verschuiving van de macht teweeg. Een minderjarige afstammeling werd tot sultan van Atjeh uitgeroepen, de Habib tot regent.

Het voorspel tot de oorlog – intriges aan beide zijden – laat de auteur voor wat het is. De twee partijen maakten zich in elk geval op voor de onvermijdelijke oorlog, waarbij Ibrahim en Din op de hand van de Habib zijn, die is afgereisd naar Turkije om daar namens Atjeh om bijstand te vragen. Een dialoog tussen beide echtelieden geeft aan hoe zij de balans van strijders aan beide kanten opmaken. De Atjehers zouden daarbij in de meerderheid zijn en het daarom volgens het vrome echtpaar moeten winnen van de Ongelovigen.

Op 22 maart 1873 koersten vier Hollandse stoomschepen op naar de noordpunt van Atjeh: drie oorlogsbodems en een gouvernementsstomer met aan boord de Hollandse Regeringsgemachtigde Nieuwenhuyzen. Zijn orders dienden de Atjehers te slikken, anders werd het stikken en zou hij hen een oorlogsverklaring overhandigen. Enkele Atjehse hoofden, waaronder een oude aartsvijand van Nanta, verraadden Atjeh op grond van oude Atjeh-vetes; iets waarvan de Nederlanders geen enkele weet hadden.

De kleine vloot vormde de voorhoede van de Nederlandse invasievloot, die op 8 april arriveerde. Een legerexpeditie ging aan wal en al spoedig werd er landinwaarts zwaar gevochten. De Hollanders staken de net gerestaureerde Grote Moskee in brand, een daad van ongeloof die schreeuwde om wraak. Daar slaagden de Atjehers al snel in: de Nederlandse opperbevelhebber van de expeditie kwam zelfs om en de Nederlandse schepen moesten de aftocht blazen.

De oorlog

Eind november 1873 keerden de Nederlanders terug met een machtige vloot onder commando van de nieuwe opperbevelhebber Van Swieten en vergezeld van een cholera-epidemie die vele levens eiste. Aan Atjehse zijde waren velen bereid de Zalige Dood te sterven.
Toch werd Atjeh opnieuw van eigen zijde verraden. Mede daardoor verliep de opmars van de Hollanders succesvol. De sultanszetel werd ingenomen; op zijn vlucht overleed ook de sultan aan cholera.

Al was Nederland nu in naam de baas, op lokaal niveau hield het verzet tegen het Nederlandse bewind aan. Snelle inlandse boten smokkelden wapens en doorbraken de Hollandse kustblokkade. Leiders als Nanta, Ibrahim en Din gaven de strijd niet zomaar op, al waren de inlandse machthebbers nog altijd verdeeld. Mede door het verraad van Nanta’s aartsvijand raakten de VI Moekims volop bij de strijd betrokken.

Het huis van Tjoet Nja Din werd de vergaderplek waar in de loop van 1875 heel wat priesters en schriftgeleerden bijeenkwamen om hun krijgskansen in de Heilige Oorlog in te schatten. Eind van dat jaar vielen de Hollanders de VI Moekims binnen. Din bereidde zich voor met haar inmiddels twee kinderen, haar huishouden en zoveel mogelijk bezittingen te vluchten. Haar echtgenoot begaf zich in de strijd. Mocht die in hun nadeel worden beslecht, dan zouden beide echtelieden met hun gevolg tot diep in de bergen trekken.

De vlucht van Tjoet Nja Din

Op de valreep herinnerde Din zich een uitspraak van een islamprediker. Waar het islamieten normaal verboden is om getooid met gouden sieraden ten strijde te trekken, moesten zij in de strijd tegen de Ongelovigen juist de Atjehse rijkdom tonen, zodat de Hollanders hierover bij een confrontatie met de overledenen ontdaan zouden zijn. Dus vertrok Din getooid als een der rijkste vorstendochters in haar draagstoel, getooid met flonkerende juwelen, gehuld in met gouddraad doorstikte kleding en met bloemen in haar haarwrong. Zo verliet zij, net als haar moeder, haar huis en haar moedererf. Onderweg vernam zij dat haar vader en haar echtgenoot zich in de bergen hadden verschanst: haar vader wenend en aarzelend, haar echtgenoot strijdlustig.
De Nederlanders toonden zich van hun slechtste kant. Zij verbrandden veel al dan niet verlaten kampongs en ook het ouderlijk huis van Din en haar eigen huis gingen op nieuwjaarsdag 1876 in vlammen op.

De guerrilla

Met Dins vertrek naar de bergen verloor de schrijfster, net zoals destijds de bedoeling was, haar uit het oog. Intensief speuren heeft geen informatie over haar bestaan opgeleverd. Inmiddels was het hele gebied van de VI Moekims en meer door de Kompeuni ingenomen, waardoor Din vermoedelijk nog verder de hooggelegen bergwouden in moest trekken.
Uiteindelijk zet de dichter Dokarim de auteur weer op het spoor van Din, of liever dat van haar strijdende echtgenoot. Met zijn medestrijders slaagde hij erin een troepenmacht van de Kompeunie in hun slaap te overvallen.

Ondertussen was ook de Habib, na een lang verblijf in het buitenland, weer opgedoken. Zijn positie was omstreden vanwege pogingen van twee walletjes te eten. Omdat de Hollanders hem echter niet vertrouwden, koos hij definitief de zijde van Atjeh. Als militante moslimleider bracht de Habib een enorm leger op de been, dat vanuit Batavia met argwaan werd bekeken. Weer sloegen cholera en dysenterie toe, waardoor ook dit leger werd uitgedund. Velen deserteerden daarom, maar desondanks slaagde de Habib, gevoed door eerzucht, in zijn taak van militant leider.

Aan Atjehse zijde vocht een enorme troepenmacht in de Grote Opstand van juni 1878, waarbij tijdens bloedige gevechten aan beide kanten veel slachtoffers vielen. Dokarim verhaalt over een visioen van de Tekoe Lamgna, waarin de Habib hem aan de Hollanders zou verraden. Die voorspelling kwam uit, Tekoe Lamgna kwam om en werd door zijn volgelingen naar de verblijfplaats van zijn echtgenote gebracht. Veel tijd om te rouwen kreeg zij echter niet.

Oemar, de tweede echtgenoot

De Habib heeft het met de Hollanders later dat jaar op een akkoordje gegooid en de aftocht geblazen. Din is opnieuw getrouwd, nu met haar jongere neef Oemar. De schrijfster vraagt zich af of Din gelukkig met hem was, maar in tegenstelling tot haar huwelijk met Lamgna vertelt Dokarim hier niets over in zijn Hikat Prang Kompeuni. Daarom neemt ze hun huwelijk onder de loep vanuit Oemars perspectief, in alles het tegengestelde van Lamgna maar toch vanwege zijn strijdvaardigheid geliefd.

Omdat de strijd tegen de Ongelovigen moest worden voortgezet, trouwde Din nog geen maand na het overlijden van haar eerste echtgenoot opnieuw, nu dus met haar jonge, krijgshaftige neef. Die zag het huwelijk slechts als een nieuwe stap opwaarts. Maar zelfs al was Tjoet niet de hoogste in rang van zijn vrouwen, zij was wel zijn belangrijkste echtgenote: een die hem altijd de baas bleef. De twee waren aan elkaar gewaagd, en in die zin kan hun huwelijk als goed worden beschouwd.

Het einde van de oorlog?

Om het Nederlandse belang op Sumatra veilig te stellen tegen de hebzuchtige Engelsen en Amerikanen kon het leger zich niet geheel en al terugtrekken. Met een zo klein mogelijke troepenmacht werd daarom de macht op Atjeh in stand gehouden.
En terwijl diverse groten van Atjeh zich aan de Hollanders onderwierpen, ging voor het kamp van Din, Oemar en Nanta de strijd door. Toch kenden ook zij een tussentijdse periode van rust en welvaart. Al was haar geboortedorp vernietigd, Tekoe Oemar kon zijn vrouw en hun dochtertje Tjoet Gambang wel naar haar geboortestreek terug begeleiden. Omdat haar vader inmiddels te oud en haar broer geestelijk onvolwaardig was, liep de bevolking uit om Din alle eer te betuigen.

De ‘vrede’ werd door Nederland aangewend om Atjeh winstgevend te exploiteren, maar ook om het inlandse leven naar een hoger plan te tillen. Beide ingrepen werden ons land niet in dank afgenomen. Naarmate het Nederlandse leger zich verder terugtrok en de koloniale overheid de pacificatie preekte, zagen de Atjehers des te meer hun kans tot verzet schoon.
Voor de net gekroonde sultan van Atjeh bestond er een aanzienlijke kans dat geheel Atjeh op de Hollanders terugveroverd kon worden. Ook Tekoe Oemar pleegde, namens Din en haar vader, een felle aanslag op hun vroegere grondgebied van de VI Moekims.

Machtsverhoudingen

In 1893 was het nog altijd niet echt rustig in Atjeh. Diverse gouverneurs, afwisselend streng en mild, bestuurden het gebied. De sultan was dan wel ingehuldigd, aan macht ontbrak het hem; die was in handen van de Nederlanders. Om zijn gezag over de VI Moekims veilig te stellen, maar zonder zijn handen vuil aan verraad te maken, werd Nanta’s onbekwame zoon bij het Nederlandse bestuur voorgedragen als zijn opvolger. Een schijnonderwerping, want achter de schermen had de onverzettelijke Din de touwtjes in handen. De omstandigheden hadden haar oud gemaakt voor haar leeftijd. De dochter uit het huwelijk met Oemar is al volwassen, hoe het de kinderen uit haar eerdere huwelijk is vergaan weet de auteur niet.

Din was feller in haar geloof dan ooit te voren. Haar uitstraling van vroomheid en agressie verleende haar autoriteit, ook bij haar echtgenoot. Zij was haar man zodoende de baas en kon hem in zijn plannen dwarsbomen, iets wat Oemar niet beviel. Als verslagen strijder was hij uit op wraak tegen de Kompeuni. Hij vond die in de vorm van piraterij. Met de opbrengst daarvan paaide hij de sultan en priesters die, na de Hollanders, de feitelijke machthebbers waren.

De sultan benoemde hem tot Inner van de sultansrechten op peper aan de Westkust, waarmee Oemar zich naar willekeur kon verrijken ten koste van andere bestuurders en ten gunste van hen beiden. Een nieuwe Hollandse bestuurder maakte korte metten met het leven in weelde. Door zich te onderwerpen probeerde Oemar zijn hachje te redden, maar toen werden hem al zijn misstappen ten laste gelegd. Het zette hem in zijn gekrenkte trots opnieuw aan tot de guerrilla.

De ‘Oemar-komedie’

Zwak Nederlands bestuur en onderlinge Atjehse verdeeldheid speelden Oemar in de kaart. Fanatieke moslimstrijders terroriseerden de bevolking van onder andere de VI moekims. Din gebood hen, tegen haar geloofsovertuiging in, haar gebied te verlaten. Die oproep werd genegeerd, waardoor Din, geraakt in haar machtsgevoel, de hulp van haar echtgenoot inriep.

Oemar zag zijn wereldlijke macht erkend. Nu kon hij zich tevens ontdoen van de godsdienstige leiders. Met toestemming en steun van de Kompeunie, die een verdeel-en-heerspolitiek omarmde, maar zonder die van de sultan, bond hij met succes de strijd aan. Het verslaan van zijn godsdienstige vijanden droeg bij aan een versterking van Oemars positie, maar de rust was in Atjeh ver te zoeken.
Toen Oemar uiteindelijk in genade door de Nederlanders werd aangenomen, druiste dat in tegen de felle onverzoenlijkheid van Din. Maar ook met haar ging hij, volgens de auteur, de confrontatie aan om uiteindelijk aan het langste eind te trekken. Op 30 september 1893 bond Oemar, die ervan droomde sultan te worden, zich in gezelschap van zijn voornaamste vrouw Tjoet Nja Sapiah aan de Kompeunie. Din kwam verder niet aan dit spel van verraad te pas.

Oemar bootste de leefwijze van de bezetters na in zijn eigen huis, waar niet zijn voornaamste vrouw maar Din, met haar eigen vertrek in traditionele Atjehse stijl, het voor het zeggen had. Door zijn gewiekstheid en omkoperij wist hij iedereen aan zijn kant te krijgen. De schrijfster ziet zijn leven onder zijn nieuwe naam Tekoe Djohan Pahalawan (de Heldhaftige) als een komedie. Ze baseert zich hierbij op krantenartikelen van destijds.

Toen keerde het tij en kreeg Oemar zowel de Nederlandse als islamitische kant tegen zich. Hij zat klem tussen twee partijen die hem geen van beide vertrouwden en koos eieren voor zijn geld. Zijn sultansdroom hebben de Nederlanders niet in vervulling laten gaan, zijn erkenning is uitgebleven.
Din roept hem op, omdat zij meent ondanks haar leeftijd opnieuw zwanger te zijn. Hun toekomstige zoon kan mogelijk sultan worden als Oemar zich tegen de Hollanders keert. Eind maart 1896 neemt Oemar, op aandringen van Din, het op tegen de Kompeunie. Hij neemt honderden wapens en enorme hoeveelheden munitie mee en een bedrag van 18.000 dollar.

Oorlog tegen Oemar en Din

Nogmaals moeten Din en haar dochter hun grondgebied verlaten, maar ditmaal is Din zeker van de overwinning. Onder leiding van Van Heutz maken de Nederlanders echter korte metten met het verzet. Al het bezit van Oemar wordt verbrand, de strijd geeft hij echter niet op.

Drie jaar lang strijdt Oemar tegen Van Heutz, waarbij hij zich uiteindelijk een echte vrijheidsstrijder toont met Din aan zijn zijde. Haar zwangerschap was slechts schijn, maar al vinden zij elkaar niet langer in de liefde, nu vinden zij elkaar in hun gezamenlijke strijd.
Din leeft opnieuw in ballingschap, Oemar is de grote volksheld. Toch weet hij de uiteindelijke slag niet te winnen en moet hij met de zijnen vluchten voor de vernietigingsdrang van Van Heutz.
Zijn andere echtgenotes trekken niet maandenlang met hem mee, Din wel. Hun ontsnappingsmogelijkheden worden steeds beperkter, totdat ze in het Minangkabause gebied van hun oorsprong uiteindelijk niet meer aan de Nederlanders kunnen ontkomen. Oemar wordt in februari 1899 in een hinderlaag gelokt en sterft.

Sterven in ballingschap

Weer is Din weduwe; gelukkig is het stoffelijk overschot van Oemar niet in handen van de Hollanders gevallen. Ze trekt zich verder terug in het binnenland om de heilige strijd voort te zetten. Zes jaar houdt ze dat vol; de andere heersers van Atjeh hebben zich dan al onderworpen aan Van Heutz. Alleen in het binnenland is het nog onrustig. Hier leeft Din, armoedig en vogelvrij, invalide door de reuma, blind door een oogziekte, maar nog altijd onverzoenlijk.

Haar belangrijkste krijgsheer verraadt haar verblijfplaats uiteindelijk in haar belang, maar Din vlucht. Tijdens die vlucht probeert de totaal verwilderde Din zichzelf met een kris om het leven te brengen. De Hollanders én Atjehers willen haar echter niet dood hebben en verhinderen dit.
Nog eenmaal betuigen zij haar eer: de Nederlanders door haar niet van haar eigen grond te verbannen. Toch is zij een gevaar voor de machthebbers, die binnenkort uit Atjeh vertrekken. Daarom verbannen zij haar naar Java, weg van haar eigen volk. Daar slijt ze, in betere gezondheid en in een entourage passend bij haar vorstelijke status, de laatste jaren van haar leven.

filmposterfilmposter
Het boek sluit af met de woorden: Zullen wij dan niet tenminste de haat gunnen aan haar, die aan ons alles verloor, wat zij bezeten heeft en liefgehad.

Nationale heldin

Jaren na haar dood in 1909 kreeg Tjoet Nja Din in de Indonesische geschiedenis alsnog de plek die haar toekomt. President Soekarno riep haar op 2 mei 1965 uit tot nationale heldin van de onafhankelijkheid van Indonesië.
In haar geboorteplaats is een museum haar gewijd in een replica van het huis dat ze met Tekoe Oemar bewoonde.

De Indonesiërs hebben het epos Tjoet Nja’ Dhien verfilmd. De film werd in 1989 op het Internationale Filmfestival van Cannes getoond en eindigde daar als beste internationale film.

Lees verder

© 2012 - 2019 Sierkunst, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
L. Székely en I. Radnai: Dit altijd alleen zijn, boekverslagL. Székely en I. Radnai: Dit altijd alleen zijn, boekverslagTwee jonge Hongaren vertrekken in 1914 naar Sumatra, om daar een nieuw bestaan op te bouwen. De een redt het niet in het…
Kinderjaren (boekbespreking)Kinderjaren (boekbespreking)Mijn eerste reactie van het boek was, dat ik het over het algemeen gemakkelijk door te lezen vond, want de hoofdpersoon…
Spreekangst bij kinderenVeel kinderen hebben last van spreekangst. Ze worden nerveus bij het idee om hardop een stukje te moeten voorlezen, een…
Boekbespreking van 'De naam van de roos'Boekbespreking van 'De naam van de roos'De naam van de roos is een boek geschreven door de welbekende Italiaanse schrijver Umberto Eco die op 19 februari 2016 o…
Tsunami 2004: 230.000 slachtoffers waarvan 36 NederlandersTsunami 2004: 230.000 slachtoffers waarvan 36 NederlandersDe tsunami van 2004 eiste 230.000 slachtoffers in diverse landen. Van hen waren 36 uit Nederland afkomstig. De tsunami d…
Bronnen en referenties
  • Zie bovenstaande boekgegevens.

Reageer op het artikel "Tjoet Nja Din – de geschiedenis van een Atjehse vorstin"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Sierkunst
Laatste update: 02-01-2013
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Biografie
Special: M.H. Székely-Lulofs
Bronnen en referenties: 1
Schrijf mee!