InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Diversen > Van kruidboek tot kunst: botanische prenten

Van kruidboek tot kunst: botanische prenten

Van kruidboek tot kunst: botanische prenten Bloemstillevens en botanische prenten staan volop in de museale belangstelling, mede vanwege aandacht voor de Gouden Eeuw, historische buitenplaatsen en de ´vergeten´ achttiende eeuw. Aan zowel de wetenschappelijke ontwikkeling op het gebied van de botanie als de kunstzinnige weergave van bloemen en planten worden tentoonstellingen gewijd. Die exposities maken duidelijk dat de eenvoudige botanische prent van weleer zich heeft ontwikkeld tot een gewaardeerde vorm van kunst.

Vroege prenten: handwerk

Al in de oudheid werden bloem- en bladmotieven, al dan niet gestileerd, afgebeeld vanwege hun gebruiksfunctie, decoratieve waarde of symboliek. Bij een botanische prent staat duidelijk herkenbare weergave van de plant voorop. Vorm, kleur, stengel en blad, opbouw van de bloem en vrucht moeten goed zichtbaar worden gemaakt.

In de Middeleeuwen baseerde men zich op kruid- en tuinboeken: naslagwerken met daarin een handleiding voor het kweken van planten. De soorten, bijvoorbeeld gekweekt in de klooster- of kasteeltuin, werden voornamelijk vanwege hun nut beschreven. De vereenvoudigde botanische afbeeldingen werden telkens handmatig overgenomen, wat de gelijkenis met het origineel en de herkenbaarheid van het exemplaar in de natuur niet ten goede kwam. Dit kon leiden tot gevaarlijke situaties wanneer men geneeskrachtige niet van mogelijk giftige planten wist te onderscheiden. In de vijftiende eeuw werden botanische tekeningen daarom nauwkeuriger. Niet alleen kruiden, maar ook bloemen, vooral gekweekt in de kloostertuinen om het altaar in de kapel te sieren, werden vanwege hun symbolische betekenis afgebeeld.

De eerste drukken

Albrecht Dürer, 1503 / Bron: Albrecht Dürer, Wikimedia Commons (Publiek domein)Albrecht Dürer, 1503 / Bron: Albrecht Dürer, Wikimedia Commons (Publiek domein)
De eerste gedrukte kruidboeken ontstonden in de tweede helft van de vijftiende eeuw: ze lieten vooral een schematische weergave van de plant zien. In andere werelddelen werden nieuwe plantensoorten ontdekt en naar Europa gebracht, waardoor men een nieuwe kijk op de botanie kreeg en de belangstelling ervoor toenam. Om die botanische renaissance en de nieuwe wetenschap vast te leggen, waren goede afbeeldingen en dus goede illustratoren een vereiste. Albrecht Dürer (1471 - 1528) was een van de eerste kunstenaars die oprecht in bloemen en planten geïnteresseerd was. Hij schilderde een aantal nauwkeurige botanische aquarellen, die veel fraaier dan de afbeeldingen in de gedrukte kruidboeken waren.

Een leerling van Dürer was hier zo van gecharmeerd, dat hij in Duitsland (na 1530) de eerste écht fraaie houtsneden voor nieuwe, verbeterde kruidboeken maakte en daarmee een impuls aan het drukken ervan gaf. Ook begon men bloemen om hun sier te waarderen. Ingekleurde houtsnedes van tulpenvariaties uit Turkije zijn hier een voorbeeld van.

Tulpen en andere bloemen zijn te vinden in florilegia, boeken met afbeeldingen van bloemen, die het uitgangspunt vormden voor kwekers en als voorbeeld dienden voor kunstschilders. In 1586 verscheen het eerste gedrukte exemplaar. In de zeventiende eeuw maakte men kopergravures van bloemen en planten, die gedrukt werden in dikke boeken van forse afmetingen.

Herbariums

Met de eerste gedrukte botanische werken kwam er nog een andere vorm om planten in boekvorm te bewaren op. Rond 1540 werden ze gedroogd in een herbarium; een methode afkomstig uit Italië, die al snel navolging in andere landen kreeg. Planten werden gedroogd door ze plat te persen, vervolgens werden ze op papier geplakt. Het oudste bekende herbarium ter wereld is gemaakt rond 1543 en toont onder andere een tomaat, een tot dan toe onbekende vrucht. Het oudst bekende herbarium in de Lage Landen behoorde toe aan Petrus Cadé, een apotheker die geneeskrachtige kruiden droogde en opplakte, waaronder een 'meibloempje' (lelietje-van-dalen). De rage van het drogen ging ver: men droogde zelfs een schijfcactus, wat de herkenbaarheid van de plant overigens niet ten goede kwam. Het exemplaar maakte deel uit van een Duitse herbariumreeks, die uit vier kloeke boekdelen bestond.

Leiden: een botanische tuin...

Universiteitstuinen telden rond 1550 ongeveer zeshonderd verschillende planten in hun collectie. Carolus Clusius (1526 - 1609), een wetenschapper van Vlaamse afkomst en de bekendste botanicus van zijn tijd, werd in 1593 aangetrokken voor de hortus botanicus bij de Universiteit van Leiden. Hij had al veel botanische publicaties op zijn naam staan, waarvoor hij ook de afgebeelde flora had getekend. De tulp is via Wenen bij hem beland en in 1588 werd de aardappelplant vanuit Peru naar hem gestuurd. Ook besteedde Clusius aandacht aan paddenstoelen: hij maakte onderscheid tussen eetbare en niet-eetbare soorten. Eerder bestond er geen aandacht voor paddenstoelen.

In de universiteitstuin werden geneeskrachtige kruiden voor het wetenschappelijk onderwijs gekweekt. Hoewel het gebruikelijk was een kruidentuin naar Italiaans voorbeeld in te delen in sierlijk gevormde geometrische vakken, koos Clusius voor eenvoudige, rechthoekige vakken.

... en botanisch drukwerk

Op de vraag naar botanisch drukwerk speelde onder andere de drukker Christoffel Plantijn (1520 - 1589) in. Als boekdrukker en uitgever had hij een goedlopende drukkerij in de Zuidelijke Nederlanden (Antwerpen), waar veel houtsnijders, graveurs en letterzetters werkten. De houtblokken die voor de afbeeldingen werden gesneden, hadden het voordeel dat ze steeds opnieuw konden worden gebruikt. Vanwege de politieke onrust in de Zuidelijke Nederlanden vestigde Plantijn zich in 1583 in Leiden, waar hij drukker aan de universiteit werd en tevens tot drukker van de Staten-Generaal benoemd werd. Plantijn keerde in 1585 terug naar Antwerpen; de drukkerij in Leiden werd door zijn schoonzoon Frans en later door zijn kleinzoon Joost van Ravelingen - dichter én botanicus - voortgezet.

Expedities en ontdekkingen

Met de handel en import door de VOC (vanaf 1602) en de WIC vanaf (1621) werden onbekende en exotische producten geïntroduceerd. Thee, koffie, chocola, sukade en specerijen zoals kaneel, kruidnagel, foelie en nootmuskaat waren zulke producten van ver. Aan de expedities naar exotische gebieden werd vaak een tekenaar toegevoegd, om ter plekke de recent ontdekte flora (en fauna) vast te leggen. De florasoorten werden geschetst, gedroogde exemplaren gingen mee in een herbarium, en de zaden en planten zelf werden meegenomen. Eenmaal terug in het vaderland werden de schetsen verder uitgewerkt; de planten en zaden waren bestemd voor hoveniers, handelaren, wetenschappers en kunstenaars. Door hun beperkte overlevingskansen waren sommige soorten enkel van afbeeldingen bekend.

Catalogi, tulpenboeken en florilegia

Uit de catalogus van Cos, 1637 / Bron: P. Cos, Wikimedia Commons (Publiek domein)Uit de catalogus van Cos, 1637 / Bron: P. Cos, Wikimedia Commons (Publiek domein)
In navolging van de adel had ook de gegoede burgerij in de zeventiende eeuw een barokke siertuin: een kleine bij hun stadse huis, een grote bij hun buitenhuis. Dit getuigde van rijkdom en goede smaak, waarbij bovendien goede sier gemaakt werd met dure planten en exotische vruchten als de ananas en de meloen. Ook werd er bij het buitenhuis voedsel voor eigen gebruik verbouwd.
In de zeventiende en achttiende eeuw werd gebruik gemaakt van een oranjerie, opgetrokken uit steen en glas, om de uitheemse planten in houten kuipen of terracotta potten tijdens de koude maanden onder te brengen. Om de kostbare planten tegen diefstal te beschermen, werden tuinen afgesloten met een hek of voorzien van een muur.

De geordende pronktuin werd ook opengesteld voor wetenschappers. Het plantenbezit werd door sommige trotse tuineigenaren zelf getekend. De meesten trokken echter een tekenaar aan. Ook bollenkwekers huurden kunstenaars in voor de afbeeldingen in hun catalogi, zodat de bloemen ook na hun bloei getoond konden worden. Een florilegium uit 1612 is één van de eerste gedrukte kweekcatalogi.

Ook tijdens de Hollandse tulpenrage, die men wel opvat als een extreme vorm van liefde voor de natuur - hoewel economische motieven uiteraard een grotere rol speelden -, waren afbeeldingen van de bloeiende bollen belangrijk. De tulpenboeken met gedetailleerde tulpentekeningen, bestemd voor liefhebbers, kwekers, wetenschappers en verzamelaars, maakten hun entree.
Omdat populaire plantontwerpen ook gebruikt werden om nijverheidsobjecten zoals tegels, glazen en borduurwerken op te sieren, kopieerden de makers hiervan florilegia en kleine prenten door de tekening op ander papier door te prikken.

Bloemstilleven

Rond 1600 werd het geschilderde bloemstilleven, in het verlengde van de grote belangstelling voor botanie en in het verlengde daarvan voor bloemschikken, een genre in de schilderkunst. Bloemen werden vanaf toen niet alleen vanwege hun wetenschappelijke, maar ook vanwege hun esthetische en exotische waarde steeds vaker afgebeeld in weelderige boeketten en niet langer in kleine vaasjes met een klein boeketje. Hollandse kunstschilders, zowel mannen als vrouwen, legden zich toe op dit specialisme. Zij baseerden zich voor hun schilderijen, waarvan de boeketten opgebouwd waren uit een compilatie van verschillende plantentekeningen, onder andere op botanische prenten. Zo konden bloemen, afkomstig uit diverse seizoenen of onbruikbaar als snijbloem, op de schilderijen worden afgebeeld. Al ontbrak een wetenschappelijke functie, de bloemen werden uiterst natuurgetrouw weergegeven. Ook dienden de schilderijen soms een opvoedkundig doel: een verwijzing naar ijdelheid en vergankelijkheid.

Hoftuinen

De komst van de Engelse Mary Stuart II (1662 - 1695) in 1667 naar ons land, als echtgenote van stadhouder en latere koning van Engeland Willem III, gaf het tuinieren en een verdere impuls. Al vanaf haar kinderjaren verzorgde zij, geheel in lijn met haar opvoeding, haar tuin en bloemen. Maar ook de Oranjes hadden belangstelling voor tuinieren. Jan van der Groen (1635 - 1672) was een bekende hovenier, verbonden aan hun hof. De eerste druk van zijn handboek Den Nederlandtsen Hovenier verscheen in 1669 en werd mateloos populair. Het boek beschreef enkel planten en hun teelt, hun gebruiksfunctie deed er minder toe, en gaf een aanzet voor het beschrijven van de tuincultuur.

Bijzonder is ook de Codex Honselaerdicensis (van paleis Honselaarsdijk). Het gaat om een verzameling van zevenennegentig bloemen en planten, gemaakt tussen 1685 en 1688, door Caspar Fagel, raadpensionaris van Holland. Na zijn dood kwam deze collectie in bezit van Willem III. Op veertig prenten zijn kleine boeketjes van hoogstens vijf snijbloemen, gerangschikt in vaasjes, te zien.

Tuinieren was dus een prestigieuze bezigheid voor zowel heren als dames van stand geworden. In de kringen rondom Mary II waren dan ook dames te vinden als Agnes Block (1629 - 1704), die de eerste ananas in ons land wist te kweken, en Magdalene Poulle, de dame met de eerste tropische kas in ons land. Sommige exotische plantensoorten, zoals de Zuid-Afrikaanse Agapanthus, redden het hier in de zeventiende-eeuwse tuin.

Vernieuwingen

In 1685 had de Leidse Hortus Botanicus inmiddels een collectie van drieduizend soorten, waarvan meer dan de helft uitheems.
Herman Boerhaave (1668 - 1738) was als onder andere arts-anatoom en botanicus vanaf 1701 verbonden aan de Universiteit van Leiden. In 1709 ging hij zich bezighouden met de botanische tuin en voerde er diverse vernieuwingen door. Vanaf 1714 was hij rector magnificus universiteit.

Op zijn voorspraak kon de Zweed Carolus Linnaeus (1707 - 1778), eveneens onder andere arts en botanicus, zich in ons land aan verdere vernieuwing van de botanische wetenschap wijden. Hij ontwikkelde een systeem van classificatie van het plantenrijk en wist als eerste in ons land een bananenplant tot bloei te brengen en vrucht te laten dragen. Linnaeus ordende de planten in vierentwintig klassen, gebaseerd op hun aantal stampers en meeldraden. Zijn indeling geldt tot op de dag van vandaag.

Aan het begin van de achttiende eeuw kende men meer dan zevenduizend plantensoorten. Jan Monickx en Maria Monickx waren twee kunstenaars die rond 1700 botanische aquarels van de planten in de nieuwe Amsterdamse Hortus Botanicus maakten. Meer dan vierhonderd gekleurde prenten werden, met behulp van collega-kunstenaars, verzameld in de Monickx-atlas. Bijzonder was dat de Amsterdamse hortus niet alleen kruiden en planten met een medicinale of consumptieve waarde, maar ook decoratieve planten in de collectie opnam. De ananas, die in 1680 vanuit Zuid-Amerika naar Nederland kwam, werd in de kas van de Amsterdamse Hortus gekweekt.

Agneta Block

Als eerste botanicus van haar tijd slaagde de eerder genoemde Agnes Block er op haar landgoed Vijverhof in een vruchtdragende ananasplant te kweken; een prestatie van formaat waar ze veel eer mee inlegde. Daarom liet ze zichzelf tweemaal met een ananas afbeelden. Als vrouwelijke botanicus deed zij niet onder voor de mannen uit haar tijd. Ze onderhield nauwe contacten met belangrijke botanici en bezat een imposante wetenschappelijke collectie, zowel op schrift als in natura. Haar eigenhandig gekweekte bloemen en planten liet zij door beroemde botanische kunstenaars aquarelleren. De eerder genoemde Maria Moninckx, Pieter en Alida Withoos en Maria Sybilla Merian werkten onder andere aan haar collectie tijdens hun verblijf op het landgoed.

Maria Sibylla Merian
Maria Sibylla Merian: banaanMaria Sibylla Merian: banaan
Maria Sibylla Merian (1647 - 1717), geboren en opgegroeid in Duitsland, werd bekend door haar botanische prenten, waarop ze van jongs af ook insecten en hun metamorfose afbeeldde. Ze publiceerde diverse bloemen- en insectenboeken, waarbij de bloemen - voornamelijk rozen en bolgewassen - als voorbeeld voor kunstenaars, borduursters en wevers dienden. Ze kleurde, net als haar tijdgenoten, afdrukken van haar werk in.

Samen met haar twee dochters leverde ze een belangrijke bijdrage aan de botanie en biologie, onder andere door het vastleggen van al het onderzoek dat ze tijdens een verblijf in Suriname deed.

Alida Withoos

Net als de andere kinderen uit het gezin werd Alida Withoos (1662-1730) opgeleid door haar vader Matthias Withoos. Zij wist zich professioneel te ontwikkelen als tekenares van botanische prenten, onder andere met een tekening van de eerste opgekweekte ananas in ons land in opdracht van Agnes Block uit 1687. Ook tekende zij diverse prenten voor de gekleurde Moninckx-atlas.

Trends en rages

Inmiddels ging de aandacht weer meer uit naar de natuur dan, zoals eerder tijdens de Barok, naar de kunst, en er kwam meer aandacht voor ordening van die natuur. Gedroogde planten werden op losse herbariumvellen geordend, zodat er altijd bladen tussen konden worden gevoegd. Wel werden de herbariums in de eerste helft van de achttiende eeuw frivoler door het toevoegen van papieren decoraties. Men knipte gravures van sierpotten en -linten uit en plakte die over de plant of bloem op het herbariumblad. Hiëronymus van der My (1687 - 1761) was een kunstenaar die veel van dit soort versieringen maakte.

Na de eerdere tulpenrage werd de hyacint een geliefde bollensoort. Vooral de exemplaren met een dubbele bloem, geïntroduceerd tegen het einde van de zeventiende eeuw, deden het goed. Er ontstond een ware hyacintenrage, waardoor de prijs ervan de pan uitrees. Net als eerder met de tulp gebeurde, stortte de markt in 1734 volledig in.

Redouté

De achttiende eeuw bracht een alom bewonderde botanisch tekenaar voort: Pierre Joseph Redouté (1759 - 1840), die de boeken van beroemde wetenschappers illustreerde en aan het Franse hof werkte. Zijn bijnamen 'Rafael van de bloemen' en 'Rembrandt van de rozen' ontleende hij aan zijn twee beroemdste boeken Les Liliacées en Les Roses. Zijn eerste boek ging over geraniums, het werk eraan werd onderbroken door het uitbreken van de Franse Revolutie. Redouté maakte ook een boek over vetplanten met de wetenschapper A.P. de Candolle. Het boek werd een groot succes voor beiden, hoewel de naam van de wetenschapper later op de achtergrond raakte, waarna enkel en alleen de naam van Redouté met het boek in verband werd gebracht.

Koninklijke hoftekenaar

Koning Lodewijk XIV beschikte al over een koninklijke verzameling botanische schilderingen, waar jaarlijks nieuwe exemplaren aan toe werden gevoegd. Die verzameling, de Vélins du Roi, werd geschilderd op het duurste en witste perkament of vellum. Vanwege de hoge mate van vochtgevoeligheid is het lastig aquarelleren op deze ondergrond. Toch slaagde Redouté, ten tijde van koning Lodewijk XVI, daar uitermate goed in, al maakte hij wel eerst proefschilderingen op minder duur papier. Ook werkte hij als dessinateur du cabinet de la reine voor Marie-Antoinette, de echtgenote van Lodewijk XVI.

Werkwijze

Redouté werkte met grafiet, pen en penseel, aquarelverf en zwarte en gekleurde inkt. Zijn werk diende uiteraard aan de eisen van een botanische tekening te voldoen. Mede daarom waren zijn tekeningen aanvankelijk ingetogen, later werden ze artistieker en uitbundiger, maar ze bleven nauwgezet. Wanneer voor botanische prenten een kader verplicht was, ging dit tegen de wens van Redouté in, die dat verafschuwde. Daarom zocht hij naar een manier om het kader te doorbreken, zoals bij zijn prent met een Magnolia, waarop hij - heel ongebruikelijk - de grote magnoliabladeren en -bloem het kader laat doorsnijden.

Aan het keizerlijke hof

Keizerin Joséphine de Beauharnais, de echtgenote van keizer Napoleon Bonaparte en na de onttroning van Marie-Antoinette vorstin van Frankrijk, was net als haar voorgangster een groot plantenliefhebster. In de kassen op haar landgoed Malmaison werden dan ook veel zeldzame en kostbare soorten aangetroffen. Aan Redouté, in 1805 inmiddels peintre de Sa Majesté l'Impératrice, de taak om ze te vereeuwigen. Ze zijn terug te vinden in zijn twee beroemdste boeken.

Les Liliacées bestaat uit meer dan vijfhonderd afbeeldingen, verdeeld over acht delen. Redouté bracht de delen zelf uit en maakte gebruik van de door hemzelf ontwikkelde stippelgravuretechniek. Hierbij werd een kopie van een aquarel met behulp van talloze stipjes overgebracht op een koperen drukplaat. De eerste afdruk werd gemaakt in zwart-wit en op mogelijke onvolkomenheden gecontroleerd, daarna volgde de kleurendruk. Deze werkwijze, waarbij de kleur in slechts één drukgang werd opgebracht, leverde het beste drukresultaat, maar was duur en arbeidsintensief. Afbeeldingen uit het boek werden onder andere overgenomen op het kostbare Sèvres-porselein.

Ook voor zijn beroemdste boek, Les Roses, gedrukt in drie delen met meer dan honderdvijftig afbeeldingen, baseerde Redouté zich op rozen uit de tuinen van Malmaison. Daarnaast kwamen de afgebeelde rozen overal vandaan, variërend van eenvoudige wilde soorten tot de fraaiste gekweekte exemplaren. Napoleon gaf de boeken als luxe relatiegeschenken cadeau. Redouté was inmiddels zo beroemd, dat naamsvermelding van de botanicus bij zijn publicaties ondergeschikt was aan die van hem; een unicum voor die tijd!

De laatste jaren

Na de val van de keizer bleef Redouté werken in hofkringen. Hij gaf belangrijke hovelingen en de elite schilderlessen. Tijdens die lessen schilderden zijn leerlingen eerst met zijn aquarels als voorbeeld. Beheersten ze de techniek in voldoende mate, dan mochten ze een echt boeket naschilderen. Naarmate Redouté´s faam toenam werd zijn werk minder wetenschappelijk. Hij begon bloemstillevens voor in de salon te schilderen in een precieze, maar losse stijl.

Redouté bleef tot aan zijn dood schilderen. Hij beeldde ook vruchten en paddenstoelen af. In zijn geboortestreek in Belgisch Luxemburg zag hij de paddenstoelen in de plaatselijke bossen. Schimmels werden destijds als een speciaal soort plant gezien, waardoor ook paddenstoelen als plant werden beschouwd.

Aanloop naar het heden

Rond 1800 had de formele tuin bijna overal plaatsgemaakt voor de romantische en natuurlijke landschapstuin. En hoewel de botanische belangstelling bleef, was de welgestelde plantenliefhebber minder geïnteresseerd in botanische prenten, hoe fraai en kunstig ook. Zij dienden enkel nog voor wetenschappelijk onderzoek. Toen in het midden van de negentiende eeuw de fotografie werd ingezet om planten en bloemen vast te leggen, leek de botanische prent het tegen deze nieuwigheid te gaan afleggen.

Het pakte echter anders uit. Op wetenschappelijk gaat gebied er niets boven een getekende afbeelding van bloem en plant, desnoods ondersteund door fotografisch materiaal, vanwege de hoge mate van detaillering die daarbij bereikt kan worden. Tegelijkertijd worden die getekende afbeeldingen als een uiting van kunst gezien, met name door hun kundige en realistische weergave. In Nederland zijn, nadat hun aantal aanvankelijk afnam, diverse botanische kunstenaars actief. Zij zijn sinds 2006 verenigd in de Vereniging Botanisch Kunstenaars Nederland. Het voortouw hiertoe werd genomen door Anita Walsmit-Sachs, als hoofd van de tekenkamer van het Herbarium van de Rijks Universiteit Leiden.

Zij is tevens één van de gerenommeerde botanisch kunstenaars waaraan de Britse prins Charles vroeg een bijdrage aan zijn Highgrove Florilegium te leveren. Met dit eerste Britse florilegium, een prestigieus boekwerk in twee delen gewijd aan de bomen en planten in de koninklijke tuin van Highgrove, sluit de kroonprins aan bij de traditie van zijn vorstelijke Europese voorgangers van weleer.

Exposities en botanische boeken digitaal

Dit artikel, met het accent op de ontwikkelingen in Nederland, is onder andere gebaseerd op exposities die in 2012 en 2013 plaatsvonden en -vinden. Naast tentoonstellingen over de Gouden Eeuw en de Amsterdamse grachten zijn dat exposities die in het teken van de historische buitenplaatsen stonden. Het jaar 2012 was immers het jaar van de historische buitenplaats. Verder hebben diverse exposities waarin bloemen en planten centraal stonden een aanzet tot dit artikel gegeven, waaronder de recente exposities Leidse Weelde (t/m 5 mei 2013) in Museum Boerhaave en Rozen van Redouté in het Haarlemse Teylers Museum (eveneens t/m 5 mei 2013). Dat museum heeft in de digitale collectie diverse botanische boeken online gezet, waaronder de acht delen van Les Liliacées.

Het Noordbrabants Museum in Den Bosch exposeert van 12 september t/m 13 december 2015 botanische kunst, zowel historisch als hedendaags, onder de noemer Botanische Kunst - Een bloeiende wetenschap. De tentoonstelling wordt aangevuld met zeventig kunstwerken van de Vereniging Botanisch Kunstenaars Nederland.

Het Amsterdamse Rijksmuseum toont in drie prentenkabinetten - Bloemenkabinetten - t/m 30 november 2015 een selectie bloemenprenten uit de zeventiende t/m de negentiende eeuw. In het kabinet rond de negentiende eeuw gaat het voornamelijk om toegepaste kunst. Hier wordt de bijzondere collectie bloembehangsels getoond uit de periode rond 1900, toen bloempatronen een belangrijke rol in de interieurdecoratie speelden.
Meer toegepaste bloemenkunst toont het Rijksmuseum bij de expositie In bloei, te zien t/m 6 december 2015 in de Special Collections. Kleding en accessoires met bloemmotieven uit de collectie zijn door gastcurator Marlies Dekkers bij elkaar gezocht voor deze tijdelijke presentatie.
© 2013 - 2019 Sierkunst, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Botanische tuinen in NederlandBotanische tuinen in NederlandNederland herbergt een groot aantal botanische tuinen. De Latijnse naam voor een botanische tuin is Hortus Botanicus. Vo…
De botanische tuin in Puerto de la Cruz, TenerifeOok vandaag de dag is de botanische tuin in Puerto de la Cruz één van de meest bezochte bezienswaardigheden op Tenerife.…
De Botanische Tuin van Wenen is een rustpunt in de stadDe Botanische Tuin van Wenen is een rustpunt in de stadDe Botanische Tuin van Wenen mag eigenlijk geen enkele toerist missen. De tuin is een rustpunt binnen het drukke verkeer…
Wat te doen in Antwerpen: TheaterbuurtWat te doen in Antwerpen: TheaterbuurtDe Theaterbuurt wordt ook wel het 'Quatier latin' genoemd. In deze buurt is het altijd gezellig. Er zijn veel verschille…
Bolgewassen kunnen wel wat koude verdragenBolgewassen kunnen wel wat koude verdragenHeel wat planten horen bij de bolgewassen. Dit is de categorie flora waarbij er een bol onder de grond zit. Het zijn nie…
Bronnen en referenties
  • Delfts Aardewerk - Geschiedenis van een nationaal product: Vazen met tuiten (deel IV), 300 jaar pronkstukken; Marion S. Van Aken-Fehmers, Titus M. Eliëns (eindred.), Gemeentemuseum Den Haag, Waanders Uitgevers Zwolle, 2007.
  • Geloof in Natuur - Bloemen van betekenis; Sam Segal, Bijbels Museum Amsterdam, 2012.
  • Leydse Weelde - Groene ontdekkingen in de Gouden Eeuw; flyer Museum Boerhaave, Leiden 2012.
  • Rozen van Redouté; flyer Teylers Museum, Haarlem 2013.
  • Website Teylers Museum Haarlem: www.teylersmuseum.nl.
  • Website Vereniging Botanisch Kunstenaars Nederland: www.botanischkunstenaarsnederland.nl.
  • Website Rijksmuseum: www.rijksmuseum.nl
  • Website Het Noordbrabants Museum: www.hetnoordbrabantsmuseum.nl
  • Afbeelding bron 1: Albrecht Dürer, Wikimedia Commons (Publiek domein)
  • Afbeelding bron 2: P. Cos, Wikimedia Commons (Publiek domein)

Reageer op het artikel "Van kruidboek tot kunst: botanische prenten"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Sierkunst
Laatste update: 05-09-2015
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Diversen
Bronnen en referenties: 10
Schrijf mee!