InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Geschiedenis > Modern Israël: Israël als republiek - vrede en veiligheid

Modern Israël: Israël als republiek - vrede en veiligheid

Modern Israël: Israël als republiek - vrede en veiligheid De eerste jaren van Israël werden ook gekenmerkt door het streven naar vrede en veiligheid. Er waren tal van problemen zoals de bestandslijnen, Palestijnse vluchtelingen, de status van Jeruzalem, infiltratiepogingen, etc. Israël had constant last van Arabische agressie waar het hard tegenop trad. Ook werd het Joodse land op allerlei manieren politiek onder druk gezet met een blokkade, boycot, diplomatieke isolatie, etc.

Vrede/veiligheid – status Jeruzalem 1949

De Rhodes wapenstilstand akkoorden van 1949 verzekerden veiligheid en vrijheid voor Israël en haar Arabische buren. Maar Israëls toekomstige beleid werd niet bepaald door een document maar door fysieke en diplomatieke kwetsbaarheid. Israëls geografische positie was een strategische nachtmerrie. Dat gold ook voor de status van Jeruzalem waarbij de Nieuwe Stad in handen kwam van de Joden en de Oude Stad in handen kwam van Trans-Jordanië.

De realiteiten van Israëls buitenland politiek na de Onafhankelijkheidsoorlog

Het land was slechts 12.875 vierkante kilometer groot. De 966 kilometer landsgrenzen verschaften ogenschijnlijk geen verdediging in strategische diepte. Driekwart van de bevolking woonde tussen Haifa en Tel Aviv en in de Jeruzalem Corridor. De meeste nederzettingen lagen op minder dan 29 kilometer afstand van een Arabische grens. De smalste strook was ruim 14 kilometer tussen Jordanië en de Middellandse Zee. Jeruzalem werd aan drie zij geflankeerd door Jordaanse artillerie. Vanaf de Golan bedreigde Syrië Galilea. De toegang tot Eilat was kwetsbaar voor een Egyptische maritieme blokkade.

De menselijke bronnen van Israël waren ook gering. De Arabische wereld had veertig keer zoveel inwoners als Israël. En de Arabische legers waren acht keer groter dan die van Israël. Israël was onzeker wat de Arabische landen gingen doen. Tijdens de eerste twee decennia van Israëls onafhankelijkheid vonden ongeveer 20 politieke revoluties plaats in de Arabische landen die bijna allemaal uitgevoerd werden door junta's. De nieuwe militaire regimes durfden hun vijandige beleid tegenover Israël niet te verminderen uit angst dat ze geen steun meer zouden krijgen van hun eigen bevolking. De vijandigheid jegens Israël was gericht op de vernietiging van de Joodse staat. Israël bezat alleen territorium, wapens en burgers. Het had geen politieke bondgenoten in de regio. Israël had ook weinig financiële bronnen en diplomatieke mankracht om banden met het buitenland aan te halen. In 1968 had Israël in het buitenland slechts 8 missies bestaande uit een staf van 10 of meer personen en 12 missies met slechts 1 persoon en de rest door 3 of minder vertegenwoordigers. Het enige voordeel van de isolatie was dat het buitenlands beleid van de regering redelijke mate van vrijheid had om te handelen. De Knesset speelde er geen enkele rol bij.

Palestine Conciliation Commission

Op 11 december 1948 richtte de VN de Palestine Conciliation Commission (PCC) op. Deze hield zich bezig met drie taken:
  1. Het verkrijgen van een vredesregeling tussen Israël en haar Arabische vijanden;
  2. repatriëring en herhuisvesting van de Palestijnse vluchtelingen;
  3. het formuleren van een plan een permanent internationaal bestuur in Jeruzalem te organiseren.

Maar de PCC faalde in het bewerkstelligen van haar doelen. Het zou een kans van slagen gehad hebben wanneer de Israëliërs en de vertegenwoordigers van individuele Arabische landen onmiddellijk werden gepusht om directe onderhandelingen te beginnen. Er gingen 3 maanden overheen voor de 3 leden van de PCC in Lausanne bijeenkwamen. Bovendien maakten ze de fout de Arabische vertegenwoordigers in een blok te laten deelnemen aan de discussies. Zo konden individuele Arabische landen niet een gematigd standpunt naar voren brengen. Ook weigerden de Arabieren in één ruimte te zitten met de Joden. Tevens wilden de leden van de PCC niet dat een Arabisch-Israëlisch akkoord de belangen zouden schaden van hun eigen landen.

Toen de PCC er niet in slaagde de kloof tussen de Arabieren en de Israëliërs te dichten, eisten de Arabieren een terugkeer naar de grenzen van 1947 (VN-verdelingsplan) als voorwaarde voor een regeling. Israël hield evenwel vast aan de bestandslijnen van 1949.

De status van Jeruzalem 1949

Tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog werd duidelijk dat Jeruzalem niet onder internationaal bestuur zou gaan vallen. Het probleem werd voorgelegd aan Graaf Folke Bernadotte. Maar voor deze op 28 mei 1948 de stad bereikte was de Oude Stad reeds in handen van de Arabieren en het grootste deel van de Nieuwe Stad in handen van de Joden. Toen het eerste bestand in werking trad besloot Bernadotte dat Jeruzalem onder internationaal bestuur niet langer realistisch was. Hij stelde voor de hele stad in handen te geven van Trans-Jordanië. Maar zowel de andere Arabische landen als Israël waren hierop tegen. Israëls minister van buitenlandse zaken Sharett zou spoedig eisen dat de Nieuwe Stad bij de Joodse staat zou komen. Op 2 februari 1949 verklaarde premier David Ben Goerion dat de Nieuwe Stad van Jeruzalem door Israël niet langer als “bezet gebied” werd beschouwd. De stad stond niet langer onder militair bestuur. Op 1 maart 1949 tekenden de Trans-Jordaniërs en Israëliërs een akkoord over de bestandslijnen van Jeruzalem. De Hashemitische regering verving het militaire gezag door een civiel bestuur. De Arabische landen waren gealarmeerd en gingen naar de PCC toe om te melden dat ze bereid waren Jeruzalem onder internationaal bestuur te laten plaatsen. David Ben Goerion wilde dit alleen voor de heilige plekken. De PCC kwam met een compromis plan op 1 september 1949. Het wilde een internationaal bestuur waarbij de stad verdeeld werd in twee zones: een Arabische en Joodse met een eigen bestuur terwijl de VN commissaris de bescherming van de heilige plekken zou verzekeren en geen immigratie zou toestaan die de demografische balans zou verstoren. Maar zowel de Joden als de Arabieren wezen dit voorstel af. Israël en Jordanië onderhandelden in het geheim voor een de-facto deling van de stad. Ook het Vaticaan ging zich ermee bemoeien. Ze wilde niet dat de Nieuwe Stad van Jeruzalem in Joodse handen kwam. Er werd een uitgebreide anti-Israël campagne gevoerd in de Katholieke Wereld.

Op 9 december 1949 werd in de Algemene Vergadering van de VN gestemd over de status van Jeruzalem. De meerderheid van de VN wilde dat heel Jeruzalem onder internationaal bestuur kwam te vallen. Israëls reactie kwam op 13 december 1949 waarbij de hele regering zich ging vestigen in de Nieuwe Stad van Jeruzalem, behalve de ministeries van defensie, politie en buitenlandse zaken (de laatste twee zouden later worden overgeplaatst). Op dezelfde dag vaardigde Koning Abdoella een decreet uit waarbij de inwoners van de West Bank en Arabisch Jeruzalem het Jordaanse burgerschap kregen. Trans-Jordanië ging voortaan Jordanië heten.

Op 23 januari 1950 verklaarde de Knesset dat Jeruzalem “altijd” de hoofdstad van de Joodse natie is geweest. De internationale gemeenschap accepteerde uiteindelijk het Joodse bestuur over de stad. Van de buitenlandse ambassades vestigde 40% zich in Jeruzalem. Israël pompte miljoenen Israëlische ponden in de stad en vestigde er duizenden immigranten. Israël accepteerde de heilige plaatsen voor christenen en moslims in de stad. In het Arabische gedeelte van de stad werden alleen de christelijke heilige plekken beschermd. De Joodse heilige plekken kregen geen bescherming. Joden konden niet naar de Westelijke Muur. Op de Olijfberg werd een weg aangelegd door de Joodse begraafplaats. Grafstenen van Joodse graven werden voor bouw doeleinden gebruikt.

Vrede/veiligheid - Arabische vluchtelingen

In Paragraaf 11 van de VN-resolutie van 11 december 1948 stond dat Arabische (Palestijnse) vluchtelingen moesten kunnen terugkeren en dat degenen die dit niet deden gecompenseerd moesten worden. Volgens Israël ging het om 539.000 Palestijnse vluchtelingen terwijl de VN sprak over 639.000 vluchtelingen. De Arabische vluchtelingen waren verspreid over diverse landen: Libanon (100.000); Syrië (80.000); Irak (5000 tot 10.000); Gazastrook (115.000 tot 150.000); West Bank (250.000 tot 325.000). De VN hielp de vluchtelingen met noodhulp.

Israël tegen terugkeer van Arabische vluchtelingen

Israël was tegen de terugkeer van Arabische vluchtelingen. Het vertrek van veel Arabieren had een aantal cruciale problemen voor Israël opgelost. De eerste was een economisch probleem. Het meeste land dat de Arabieren hadden achtergelaten was niet vruchtbaar. Toch was het vruchtbare land vier keer zo groot als wat de Joden in bezit hadden bij de toewijzing in 1947. Ook hadden de Arabieren hele steden verlaten zoals Jaffo, Akko, Lod, Ramle, Beisan en Majdal (Migdal), alsook 388 andere plaatsen. Het ging om 100.000 woningen, 10.000 winkels, bedrijven en opslagplaatsen. De waarde werd geschat op 120 miljoen Israëlische ponden.

Verlaten gebied

Op 30 juni 1948 kwam de Israëlische regering met de “Verlaten Gebieden Verordening”. Onder een “verlaten gebied” werd verstaan iedere plek die veroverd werd door de IDF of die verlaten was door alle of een gedeelte van haar inwoners. Op 15 juli 1948 werd de Bewaarder van Verlaten Eigendom aangewezen. De Bewaarder nam bezit van Arabisch land en huizen voor zover deze al niet in handen waren van individuele Joden of Joodse boeren nederzettingen. Hij legaliseerde dit bezit. In december 1948 vaardigde de regering een serie van Afwezig Eigendom Reglementen uit. Doel was de terugkeer van de Arabieren onmogelijk te maken. Al het land, de huizen of bedrijven die verlaten waren werden overgenomen. De regering zorgde ervoor dat veel nieuwe immigranten in de verlaten Arabische woningen werden gehuisvest. Het ging vooral om Joodse immigranten uit moslimlanden die het slachtoffer waren geworden van confiscatie maatregelen in die landen.

Legalisatie

In 1951 nam de Knesset een nieuw wetsvoorstel aan die de bezetting van Arabisch land legaliseerde. De Bewaarder kreeg de bevoegdheid het verlaten eigendom te verkopen. De koper zou een Ontwikkeling Autoriteit zijn (om confiscatie van de regering te vermijden) die het land daarna zou verkopen aan de staat of meestal het Joods Nationaal Fonds. Deze zou het land verhuren aan Joodse nederzettingen. Alles kwam zo in Joodse handen en de Arabieren konden niets terugkrijgen. Van de 370 Joodse nederzettingen die in 1948 werden opgericht waren 350 gevestigd op verlaten Arabisch grondgebied. In 1954 woonde een derde van Israëls Joodse bevolking op verlaten eigendom en bijna een derde van de nieuwe immigranten (350.000) woonden in steden en dorpen die door Arabieren waren verlaten.

Compensatie

Israël gaf aan de Palestine Conciliation Commission (PCC) de verzekering dat het geld dat ze ontvingen van de verkoop van verlaten Arabisch land zouden geven aan de vluchtelingen bij een toekomstige vredesregeling. Het geld zou alleen gebruikt mogen worden voor de herhuisvesting van de vluchtelingen en niet voor hun terugkeer. Ook moest rekening gehouden worden met tegen claims van Israël voor schade die Joden uit Arabische landen hadden opgelopen bij de onteigening van hun eigendommen. Tot slot moest rekening gehouden worden met het feit dat de compensatie beperkt zou zijn vanwege de economische impact van de continue Arabische boycot en blokkade. Deze zouden moeten worden opgeheven.

Terugkeer versus herhuisvesting van Arabische vluchtelingen

De resolutie van de VN op 11 december 1948 riep de Arabische landen en Israël op vredesonderhandelingen te beginnen zonder vertraging en de vluchtelingen toe te staan naar huis terug te keren. Zowel het Arabisch als Joodse antwoord hierop was weinig bemoedigend. Israël verwierp het vluchtelingenprobleem maar had zelf nog geen duidelijke visie geformuleerd. In januari 1949 nam het Israëlische kabinet een positie in waarin het aangaf dat de repatriëring van Arabieren een bedreiging vormde voor Israëls veiligheid. Zelfs als er een vredesregeling zou komen moesten de vluchtelingen opgevangen worden in de naburige Arabische landen. De VS was niet blij met Israëls standpunt. Maar premier David Ben Goerion zei dat Israël geen zelfmoord zou gaan plegen.

Familiehereniging

Bij de tweede fase van de Lausanne Conferentie eind juli 1949 bleek Israël bereid te zijn om 100.000 Arabieren op te nemen mits er een vredesregeling zou komen. Vrede kwam er echter niet. Tegen 1956 mochten 35.000 Arabieren terugkeren in het kader van een familiehereniging. Israël gaf de schuld aan de Arabische blokkade van Israël dat er zo weinig vluchtelingen konden terugkeren. Israël wees er ook op dat de Palestijnse vluchtelingen kwestie niet uniek was omdat er 60 miljoen vluchtelingen wereldwijd waren (Palestijnse vluchtelingen vormden 1,25% van het totaal). Er waren geen historische precedenten waaruit bleek dat zoveel vluchtelingen konden terugkeren. Israël en de Arabische landen moesten volgens de Israëlische minister van buitenlandse zaken Sharett maar accepteren dat zowel Joodse als Arabische vluchtelingen niet konden terugkeren.

UNRWA

In maart 1950 werd de United Nations Refugee Work Administration (UNRWA) opgericht. Deze hielp de Arabische vluchtelingen met werk op relocatie projecten in Arabische landen. Zo zouden ze binnen 18 maanden zelfvoorzienend zijn en was hulp niet meer nodig. Maar dit pakte anders uit. De Arabische landen wensten niet mee te werken aan economische integratie van de Palestijnse vluchtelingen. Ze betoogden dat de vluchtelingen zo niet meer konden terugkeren op basis van Paragraaf 11 van de VN resolutie van december 1948. Alleen in Jordanië konden veel Palestijnen integreren. Ondertussen profiteerden de Palestijnse vluchtelingen wel van de hulp van de UNRWA. Ze hadden toegang tot gezondheidszorg en 45% van de kinderen kreeg gratis onderwijs. Ook leden ze geen honger. Tegen 1956 leefde slechts 39% in UNRWA kampen.

Vrede/veiligheid – infiltraties jaren '50

De vluchtelingenproblematiek leidde tot spanningen aan de grens. De wapenstilstanden die eerder waren gesloten waren bedoeld om een gunstig klimaat te creëren voor vredesonderhandelingen. Er werden 2 elementen gevormd om het gevaar van geweld langs de grens te verminderen. De eerste was de Mixed Armistice Commissions (MACs) en de tweede was de United Nations Truce Supervision Organization (UNTSO). Het doel van deze twee lichamen was te bepalen of er gewapende overtreding plaatsvond en dan de partijen aan te moedigen het conflict op te lossen. De voorzitter van de MAC had een beslissende stem in dezen. De machinerie om het gevaar van geweld langs de grenzen te verminderen was niet uitgerust om te dienen als een permanente vervanging voor vrede. De configuratie van de Rhodes grenzen was een ander probleem. De grenzen waren tijdelijke bestandslijnen. Nergens waren grenzen duidelijk gemarkeerd.

Infiltraties

Israël vatte infiltratiepogingen hoog op omdat dit het moreel van de grensbewoners ondergroef. De meesten van hen waren nieuwe immigranten. Vaak ging infiltratie ook om diefstal en vandalisme. Infiltranten die verzet pleegden werden doodgeschoten door de Israëlische grenspolitie. In 1952 werden 394 Arabieren gedood, raakten 227 gewond en werden 2595 gevangengenomen. In Israël waren mensen die zich verzetten tegen dit harde beleid zoals de dichter Natan Alterman. Maar de infiltranten gingen al snel over tot moord en brandstichting. Israël hield de Arabische regeringen verantwoordelijk voor de infiltraties. Israël en Jordanië beschuldigden elkaar van het schenden van het wapenstilstand akkoord.

Op 13 oktober 1953 werd een granaat gegooid naar een huis in Tirat Yehuda. Hierbij werden een moeder en twee kinderen gedood. De Israël-Jordanië MAC concludeerde dat de misdaad begaan was door Jordaanse terroristen. Israël kwam met een vergeldingsactie waarbij ongeveer 55 huizen in Qibya werden verwoest. Hierbij kwamen 69 Jordaniërs, waarvan de helft vrouwen en kinderen, om. David Ben Goerion was geschokt door de actie van het leger en zag het niet als een militaire actie maar als wraak. Toch bleef het leger o.l.v. generaal Moshe Dayan dit soort acties uitvoeren. Zo vergold het leger een actie tegen een Israëlische bus waarbij 11 Joden omkwamen en 2 Joden gewond raakten. De harde vergeldingsmaatregelen van Israël leidden er wel toe dat Jordanië het aantal infiltraties sterk beperkte. In 1954 werden nog maar 33 Israëliërs gedood door infiltranten. En in 1955 was dit aantal afgenomen tot 24.

Gedemilitariseerde zones en fedayeen

Ook het geweld in gedemilitariseerde zones nam toe. Er waren vier van zulke zones:
  1. in Jeruzalem rondom de Hebreeuwse Universiteit en het Hadassa ziekenhuis op de Scopusberg;
  2. in het noorden bij de grens met Syrië;
  3. op Jebel al-Makabbir in Jeruzalem;
  4. rond al-Auja bij de Egyptische grens

Choela moerassen

Vooral bij de Scopusberg in Jeruzalem waren veel incidenten. Dat gold ook voor de grens bij Syrië. Daar werd Israël vanuit Syrië beschoten toen het bezig was met de drainage van de Choela moerassen, het bouwen van hydro-elektrische krachtcentrales en het kanaliseren van water naar de Negev. Syrië wilde Israëls economische groei teniet doen. De moerassen lagen buiten de gedemilitariseerde zones. Maar het probleem begon toen Israël een weg moest aanleggen waarbij 100 acres Arabische grond werd aangetast in de gedemilitariseerde zone. De Israëliërs wilden de Arabieren compenseren maar de Arabische boeren mochten van Syrië geen zaken doen met Israël. Toch onteigende Israël het land en Syrië diende een klacht in bij de Syrian-Israël MAC. Deze gaf Syrië gelijk. Desondanks begon Israël met de onderneming. Onmiddellijk schoten de Syriërs op de Israëlische werknemers. Israël reageerde hierop door 630 Arabieren, die ze zag als vijfde colonne, uit de centrale sector van de gedemilitariseerde zone te halen en hun dorpen met de grond gelijk te maken. Syrische troepen kwamen de zone binnen en Israël bombardeerde het dorp al-Hamma. Er ontstond een groot conflict tussen beide landen en dat duurde 12 dagen totdat de Veiligheidsraad een staakt-het-vuren wist af te dwingen. Israël werd gedwongen het werk op het Arabische land te staken. Uiteindelijk maakte Israël het project af zonder Arabisch land te gebruiken.

Hydro-elektrische krachtcentrale

Er waren nog meer conflicten in het gedemilitariseerde gebied tussen Israël en Syrië. Zo moest Israël de bouw van een hydro-elektrische krachtcentrale bij de B'not Ya'akov brug staken onder druk van de VN omdat het de stroom van de Jordaan rivier in Syrië zou beïnvloeden ondanks dat Israël verzekerde dat Syrië haar aandeel van het water zou behouden.

Meer van Galilea

Een ander conflict betrof het vissen in het Meer van Galilea. Israëlische vissersboten die te dichtbij de noordoostelijke kust kwamen werden vanuit Syrië beschoten. In augustus 1951 besloot Israël dat de vissersboten minstens 250 meter van de kust voeren. Maar in december 1951 werden de boten toch beschoten omdat ze volgens Syrië 400 meter van de kust moesten blijven. Israël verwierp deze beperking en zo nu en dan werden de boten door het Syrische leger beschoten.

Israëlische soldaten gevangengenomen

In oktober 1955 werden 5 Israëlische soldaten in Syrië gevangengenomen toen zij bezig waren met een reparatie. Toen de Syriërs weigerden hen vrij te laten staken 2 Israëlische pelotons de gedemilitariseerde zone over en vernietigden een Syrische militaire konvooi en namen 5 Syrische soldaten gevangen. Pogingen om de soldaten te ruilen mislukten en de Syriërs bleven op vissersboten schieten. Op 11 december 1951 voerde Israël een vergeldingsactie uit en bombardeerde een serie Syrische militaire posities langs de noordoost kust. Hierbij werden 26 soldaten en 12 burgers gedood. Ook werden 30 Syriërs gevangengenomen. De Veiligheidsraad veroordeelde Israëls acties en dreigden met maatregelen. Langzaam verminderden de spanningen tussen Israël en Syrië.

Gazastrook

In de jaren '50 was het ook onrustig in het zuiden bij de Gazastrook. Israël wilde bij de al-Auja gedemilitariseerde zone een militair kamp plaatsen. Hier voor moesten 6000 Bedoeïenen uitwijken. Dit gebeurde in 2 operaties in september 1950 en mei 1951 waarbij Arabische bezittingen werden vernield en 13 Bedoeïenen werden gedood. In september 1953 werd een Nachal kibboets in het al-Auja gebied gevestigd die werd bewoond door militaire boeren. Spoedig daarna richtten de Egyptenaren een controle post op in al-Auja. Israël eiste het vertrek van de Egyptenaren maar die eisten op hun beurt het vertrek van de Israëliërs. Er ontstonden gevechten in 1954 en 1955. In oktober 1955 vernietigde de IDF een Egyptische legerpost bij al-Quntila. Hierbij werden 5 Egyptenaren gedood en 23 gevangengenomen. In november werd de hele Egyptische positie verjaagd uit de al-Auja zone. Er vielen 50 doden aan Egyptische zijde en meer dan 40 Egyptische soldaten werden gevangengenomen. Israël werd door de Veiligheidsraad veroordeeld maar bleef in de gedemilitariseerde zone van al-Auja. Deze zone was belangrijk om Arabische infiltratie vanuit Gaza tegen te gaan. Tussen 1949 en 1956 had Israël 7 militaire operaties uitgevoerd tegen Egyptisch gebied. Ze werden allemaal veroordeeld door de Egypt-Israel MAC of de Veiligheidsraad. Omdat Israël weinig begrip kreeg in de wereld voor dit soort acties zei de Israëlische ambassadeur bij de VN, Abba Eban, dat vergeldingsacties op een dood spoor zitten. Maar Eban was niet goed doordrongen van het feit dat in deze 7 jaar tijd 1300 Israëlische slachtoffers waren gevallen bij infiltratiepogingen door fedayeen. Vier vijfde daarvan waren burgerslachtoffers waaronder veel vrouwen en kinderen. Ook stond Israël constant onder Arabische druk van blokkades, propaganda, etc.

Vrede/veiligheid - Arabische agressie

Ondanks de Arabische agressie in de jaren '50 van de vorige eeuw hadden de Arabische landen toch baat bij permanente vrede net zoals Israël. Het ging om onmiddellijke militaire behoeften: de gedemilitariseerde zones, de noodzaak van een uitgang aan de Israëlische Middellandse zeekust, verbinding tussen Egypte en Jordanië via de Negev, en een defensieve status voor Jeruzalem. Koning Abdoellah van Jordanië hernieuwde zijn geheime contacten met luitenant-kolonel Moshe Dayan.

Geheime contacten tussen Israël en Jordanië

Israël had in het begin wat moeite met de Jordaanse contacten. Israël had liever eerst een akkoord gesloten met Egypte om bredere territoriale concessies van Jordanië te verkrijgen. Ook waren de aanvankelijke eisen van koning Abdoellah niet bescheiden. Hij wilde toegang tot de Middellandse Zee via Beersheva en Gaza, de teruggave van Arabische wijken in het nieuwe stadsgedeelte van Jeruzalem, een doorgang langs de Jeruzalem-Bethlehem weg, en een haven in Haifa. In ruil hiervoor bood hij Israël toegang tot de potas werken aan de noordelijke kust van de Dode Zee, een haven bij de Golf van Akaba in ruil voor een deel van de Negev. Israël was bereid om Gaza aan Trans-Jordanië te geven en toegang tot de Middellandse Zee te bieden. Maar Israël wilde geen doorgang geven via de Negev vanwege het gevaar dat Israël in tweeën zou worden opgesplitst.

Egypte nam wraak

In de Arabische pers verschenen ondertussen berichten over de geheime besprekingen tussen Israël en Jordanië. Egypte nam wraak door een beroep te doen op de internationalisering van Jeruzalem en dat lukte in december 1949. Dit leidde op haar beurt weer tot onderhandelingen tussen Israël en Jordanië. Er werd een akkoord bereikt tussen beide landen in 1950: de grenzen tussen beide landen zouden 5 jaar onveranderd blijven; er zou normale handel en reizen tussen de twee landen mogelijk zijn. Jordanië zou een haven in Haifa krijgen met een nauwe corridor door het noorden van Israël. Ook zouden beide bevolkingen toegang krijgen tot hun heilige plaatsen in beide delen van Jeruzalem. In maart 1950 werd het concept akkoord ondertekend.

Koning Abdoellah vermoord

Toen berichten over het akkoord naar de rest van de Arabische wereld uitlekten brak er een storm van kritiek uit over koning Abdoellah. Er kwam een crisis in zijn eigen kabinet. De Palestijnse vluchtelingen op de Westoever kookten van woede. Syrië dreigde de grens met Jordanië te sluiten. Egypte en Saoedi Arabië wilden Jordanië uit de Arabische Liga zetten. Dit ging op het laatste moment niet door toen Jordanië het akkoord met Israël verbrak. De koning zond privé een bericht naar Israël dat hij zijn woord niet zou breken. Hij gokte erop dat de uitslag van de verkiezingen zijn beleid zou steunen. Maar de gekozen kandidaten waren tegen vrede met Israël. Op 1 januari 1950 annexeerde Jordanië heel Arabisch Palestina. De Arabische Liga protesteerde maar deed niets. Toch was de koning te ver gegaan. Hij werd vermoord op de trappen van de Omar moskee in Jeruzalem.

Arabieren waren bevreesd voor vrede met Israël

De Arabische landen hadden tijdens de oorlog van 1948-1949 tegen Israël niet veel verloren. De kosten van de oorlog waren 'slechts' 300 miljoen dollar. Ook hadden zij geen last van de vluchtelingen omdat ze die weigerden. Voor Libanon zou vrede met Israël verlies betekenen. Israël zou dan een economische concurrent worden in het Midden-Oosten.

De Arabieren waren ook bevreesd voor Israëlische expansie. In een krant (al-Hayat) stond dat Israël meer ruimte nodig zou hebben voor haar groeiende bevolking. Dit zou ten kosten gaan van haar Arabische buren. Vrede maken met Israël zou ook politiek gezien gevaarlijk zijn. Zo werd de Egyptische premier Nuqrashi Pasha vermoord door een terrorist van de Moslimbroeders omdat hij een wapenstilstand met Israël had gesloten. In Syrië werd het hele regime omvergeworpen door een militaire coup vanwege het verlies van de oorlog tegen Israël en vanwege het sluiten van een wapenstilstand. Premier Riad al-Suhl van Libanon werd vermoord vanwege een gematigde houding. En al eerder was, zo we al reeds vermeldden, koning Abdoellah vermoord.

Belangrijk voor de vijandschap tegen Israël was de rol van de Jihad waarbij oorlog gevoerd wordt tegen ongelovigen. Maar ook trots en eigenwaarde speelden een belangrijke rol.

Vrede/veiligheid -Arabische druk op Israël

De Arabische tactieken tegen Israël in de jaren '50 van de vorige eeuw waren isolatie, treiterijen en het wurgen van Israël door politieke druk, boycot, blokkade, propaganda en geweld aan de grens. Eén van de meest effectieve Arabische tactieken was diplomatieke quarantaine. Alle grenzen met Israël waren gesloten behalve bij Rosh Hanikra en bij de Mandelbaum Poort in Jeruzalem. Er was geen communicatie mogelijk tussen Israël en de Arabische landen. Bovendien kon niemand met een Israëlisch visum toegang krijgen tot een Arabische staat. Ook overtuigden de Arabische landen andere staten, vooral in Azië, om geen banden aan te gaan met Israël.

De Arabische boycot van Israël

De Arabische boycot van bedrijven en landen die zaken deden met Israël had een nog veel grotere impact. Ook werden neutrale landen overgehaald de boycot na te leven als een zaak van diplomatiek beleid. Toch was de boycot voor een groot deel geen succes. Westerse landen leden niet onder de boycot. Zo betaalde West-Duitsland herstelbetalingen aan Israël terwijl de export van West-Duitsland naar de Arabische landen toenam. Bedrijven werden echter wel getroffen door de boycot. Zo stopten grote Amerikaanse en Britse oliemaatschappijen de stroom van olie van Irak naar Haifa sinds 1948. De olieraffinaderij in Haifa werkte slechts op een derde van haar capaciteit. Veel luchtvaartmaatschappijen en rederijen meden Israël. Schepen konden onmogelijk op dezelfde route Israëlische en Arabische havens aandoen. In de jaren '50 stonden meer dan 120 schepen op de zwarte lijst. Het lukte de Arabische landen niet om de grote vliegtuigmaatschappijen niet meer op Israël te laten vliegen, maar dwong wel af dat de vliegtuigen die Israël aandeden niet in het Arabische luchtruim konden vliegen.

Egyptische blokkade van Israëls internationale waterwegen

Na het beëindigen van de oorlog in 1949 ging men er vanuit dat de blokkades van het Suezkanaal en de Golf van Akaba onmiddellijk beëindigd zou worden. Maar dit gebeurde niet. Egypte liet geen Israëlische schepen in het Suezkanaal door. In februari 1950 kwam het met een lijst van 'strategische' goederen die niet naar Israël mochten worden getransporteerd. Het ging om olie, farmaceutische goederen, chemicaliën, schepen en auto's. In november 1953 werd de lijst met voedsel en consumentengoederen uitgebreid.

In juli 1950 had Egypte al bepaald dat geen goederen naar Israël mochten worden vervoerd via derde landen. Israël protesteerde tegen de maatregelen bij de Veiligheidsraad. Israël redeneerde dat als het bestand toestond dat Egypte wapens mocht kopen dat Israël dan het recht had om het Suezkanaal en de Golf van Akaba te bevaren. In september 1951 bepaalde de Veiligheidsraad dat Egypte de blokkade moest beëindigen. Aanvankelijk verlichtte Egypte ook de blokkade maar later werd deze toch weer verscherpt. In juli 1954 werd het als een internationaal fait accompli beschouwd toen de Britten hun troepen bij de Suez terugtrokken. Israël protesteerde maar er was weinig internationale reactie. Israël testte de blokkade met het schip Bat Galim. Deze werd in beslag genomen en de lading geconfisqueerd. Een veto dreiging van de Sovjet Unie voorkwam dat de Veiligheidsraad in actie kwam tegen de blokkade. Ook de Golf van Akaba was verboden gebied voor Israëlische schepen. De Straat van Tiran werd door Egypte afgesloten. Dit belemmerde de Israëlische handel met het Verre Oosten en Oost-Afrika. De Sovjet Unie sprak een veto uit tegen een anti-Egyptische resolutie om de blokkade op te heffen. De blokkades van het Suezkanaal en de Golf van Akaba belemmerden de economische groei van Israël.

Plan Dulles - Jordaan Vallei Project

Voor de economische groei van Israël was water ontwikkeling van belang. John Foster Dulles, minister van buitenlandse zaken van de VS, kwam met een plan om water van de Jordaan aan Israël en haar buurlanden toe te wijzen. Hij kwam met een compromisvoorstel. Israëls aandeel zou 40% zijn. Maar de Arabische Liga besloot het voorstel uit te stellen. Later verweten de Arabieren Israël voor het mislukken van de onderhandelingen omdat Israël zou weigeren dat de VN de supervisie zou hebben over het project. Ook zou Israël niet te vertrouwen zijn vanwege een aanval op Gaza in 1955. Bovendien vreesden de Arabieren dat het Jordaan Vallei project de groei van de Israëlische economie zou bevorderen.

Vrede/veiligheid -Israël zoekt bondgenoten

Om om te gaan met de vijandigheden van de buurstaten keek Israël in de jaren '50 van de vorige eeuw naar bondgenoten elders. De Israëlische regering zei dat het zowel bondgenoten in het westen als in het oosten had. Voor Israël waren twee zaken van belang: het verkrijgen van wapens en de Joodse gemeenschappen in het Westen en in Oost-Europa. Ook speelde een rol dat Israëls tweede partij, Mapam, banden onderhield met de Sovjet Unie. Overigens wilde het Westen de stabiliteit in het Midden-Oosten herstellen en dus de Sovjet penetratie in de regio blokkeren. Het Westen wilde alleen wapens leveren aan landen in het Midden-Oosten voor zelfverdediging.

Israël en Groot-Brittannië

In 1951 bracht generaal Sir Brian Robertson van de Britse Midden-Oosten strijdkrachten een bezoek aan Israël. Hij wilde een overeenkomst met Israël sluiten waarbij de Britse luchtmacht en marine squadrons toegang kregen tot Israëlische bases en havens. Zijn troepen zouden dan ook gebruik maken van de Israëlische bouw arsenalen en reparatie workshops. Spoedig zou Groot-Brittannië een bondgenoot van Israël worden. Maar toen in 1951 Groot-Brittannië een conservatieve regering kreeg werden o.l.v. minister van buitenlandse zaken Anthony Eden, een traditionele beschermheilige van de Arabieren, de militaire onderhandelingen met Israël afgebroken.

Israël en de Verenigde Staten

Eén van de meest kritieke zaken voor Israël in de jaren '50 was het veiligstellen van een eigen voorraad moderne wapens. Groot-Brittannië was alleen bereid om gedateerde Meteor jets te verkopen aan Israël. Er was verder weinig hoop dat Israël uit West-Europa moderne wapens kon krijgen. Van de democratische landen waren de Verenigde Staten de meest waardevolle bondgenoot. Toen het economisch slecht ging met Israël in de jaren '50 hielpen de VS met een lening van 100 miljoen dollar. Ook de Amerikaanse Joden waren belangrijke geldschieters. In 1951 mocht Israël in de VS een State of Israel Bonds campagne voeren. De VS legden wel een prijs op voor haar vriendschap. Van Israël werd verlangd dat het de 'vrije wereld' steunde. Zo stemde Israël voor een VN-resolutie waarbij de agressie van Noord-Korea werd veroordeeld. Het leidde tot vijandschap van de Sovjet Unie tegen Israël.

Hoewel de economische steun van de VS indrukwekkend was, had Israël geen formele veiligheidsgarantie. De VS zochten samenwerking met Turkije, Iran, Pakistan en Irak tegen de invloed van de Sovjet Unie in het Midden-Oosten. Israël zag dit als een bedreiging, maar de VS verzekerden de Joodse staat dat de Arabische staten binnen een westers bondgenootschap minder gevaarlijk waren dan daar buiten. Maar Israël was daar niet gerust op. Het wilde een verdrag met de NAVO of een bilateraal verdrag met de VS. De regering Eisenhouwer wilde evenwel de relaties met de Arabieren niet in gevaar brengen. President Eisenhouwer verwierp zelfs de mogelijkheid vliegtuigen en tanks aan Israël te verkopen. De VS vonden luchtmachtbases en olie in de Arabische landen belangrijker.

Israël en de Sovjet Unie

In augustus 1948 bezocht minister Golda Meir de Sovjet Unie. De Sovjet Unie voerde een dubbel beleid: enerzijds vriendschap met Israël, anderzijds een repressief beleid t.a.v. de Sovjet Joden. Begin 1949 was de Sovjet Unie bezorgd om de relaties tussen Israël en de VS. Golda Meir verzekerde de Russische minister van buitenlandse zaken Andrei Vishinsky dat Israël nooit zou samenwerken met een anti-Sovjet bondgenootschap en dat Israël geen militaire bases aan Westerse landen zou geven. Maar Vishinsky was niet overtuigd en bleef de kwestie steeds aankaarten.

In deze periode verslechterde ook de positie van de Europese Joden. In Moskou werd het Joodse theater gesloten. Joodse emigratie uit Polen en Roemenië werd langzaam stopgezet. Op het diplomatieke vlak herhaalde de Sovjet Unie dat de vriendschap met de Joodse staat gehandhaafd bleef. Israël bleef bij de VN zwijgen over het onrecht in Bulgarije, Roemenië en Hongarije. In november 1952 vond een showproces plaats in Praag. Van de veertien top Communistische functionarissen die voor "verraad" werden veroordeeld waren er elf Joods. Het proces was niet alleen anti-Joods maar ook anti-Israëlisch. In januari 1953 werden in de Sovjet Unie Joodse artsen veroordeeld omdat ze van plan zouden zijn geweest om politieke en militaire leiders uit de Sovjet Unie te liquideren. De Joodse artsen werden ook beschuldigd agenten te zijn van de Amerikaanse inlichtingendienst en de Zionistische Organisatie. De Sovjet media beschuldigden Israël ervan "de belangrijkste aanstichter te zijn van anti-Sovjet gevoelens in de wereld." Op 5 februari 1953 werd de Israëlische minister in Praag persona non grata. Datzelfde gold twee dagen later voor Israëls afgezant in Warschau. Op 9 februari ging een explosief af in de tuin van de Sovjet gezantschap in Ramat Gan. Israël veroordeelde het incident meteen maar vier dagen later waren de relaties met de Sovjet Unie sterk bekoeld.

De redenen voor het anti-Joodse en anti-Israël beleid waren divers. Eén daarvan was Stalins angst voor Joden vanwege hun contacten met het buitenland en hun verbondenheid met het Trotski socialisme. Met de dood van Stalin in maart 1953 herstelde de relaties enigszins. Maar Israël moest verzekeren geen lid te worden van een agressief pact tegen het Communistisch Blok. Omdat Israël echter een bilateraal defensie verdrag met de VS zocht gaven de Russen steun aan de Arabische landen. In augustus 1955 werden drie leden van de Israëlische ambassade personae non gratae verklaard. Israël voelde zich steeds meer geïsoleerd.

Vrede/veiligheid -Israël en West-Duitsland

Eind jaren '50 was de schatkist met buitenlandse valuta zo goed als leeg als gevolg van de toestroom van nieuwe immigranten die opgevangen moesten worden. Het was op dit moment dat de onderhandelingen met West-Duitsland over herstelbetalingen vanwege de Holocaust noodzakelijk werden. Er werd al tijdens de Tweede Wereldoorlog over herstelbetalingen nagedacht door Joden. In december 1944 organiseerde dr. Siegfried Moses een "Raad voor de Bescherming van de Rechten en Belangen van Duitse Joden". De invloed van deze groep was verstrekkend. De leden hadden al de basis componenten van toekomstige Duitse herstelbetalingen omschreven.

Het idee van herstelbetalingen

Het idee van herstelbetalingen bestond al bij de geallieerden. Zij wilden een schadevergoeding van 20 miljard dollar van het verslagen Duitsland. De Joodse claims werden echter afgewezen behalve een bedrag van 25 miljoen dollar van tegoeden van Joodse slachtoffers van de Nazi's die zonder nabestaanden waren overleden. West-Duitsland stond echter Joodse restitutie organisaties toe claims in te dienen namens de overleefden en hun nabestaanden. Elke claim moest goedgekeurd worden door de Duitse deelstaten. Tegen 1953 waren 110.000 claims ingediend en was 83 miljoen dollar uitgekeerd. Maar het Joodse Wereld Congres ging in 1949 en 1950 met West-Duitsland praten over een betekenisvolle compensatie. Dr. Noah Barou, vice-president van de Britse afdeling van het Joods Wereld Congres kreeg in maart 1950 eindelijk de bevestiging van het Duitse ministerie van buitenlandse zaken dat het principe van collectieve vrijwaring geldig was en kon dienen als basis van de onderhandelingen. De Israëlische regering berichtte aan de vier Geallieerde Machten dat de Joods claim aan Duitsland 1,5 miljard dollar bedroeg. Dit bedrag was gebaseerd op de opname van bijna een half miljoen Joodse slachtoffers van de Nazi's in Israël waarbij per slachtoffer 3000 dollar nodig was. De Sovjet Unie beantwoordde het Israëlische verzoek aan Oost-Duitsland van 500 miljoen dollar niet. De Westerse Geallieerden vonden de claim van Israël gerechtvaardigd maar zeiden dat ze West-Duitsland niet konden dwingen. Ze adviseerden Israël direct met Bonn te onderhandelen.

Reacties in Israël

In Israël waren er bezwaren om geld van West-Duitsland te accepteren. Deze kwamen van de voorzitter van de Knesset, Josef Sprinzak, en van de rechtse Cheroet partij. Premier David Ben Goerion drukte evenwel de zaak door. Er werd een speciaal departement opgericht binnen het ministerie van buitenlandse zaken om de herstelbetalingen met West-Duitsland te regelen.

Duitsland erkent schuldig te zijn aan de Holocaust

Israël wilde dat de Duitse Bondskanselier Konrad Adenauer in de Duitse Bundestag verklaarde dat Duitsland verantwoordelijk was voor de Holocaust. Adenauer accepteerde dit. Hij gaf instructies aan zijn juridische medewerkers van buitenlandse zaken die de eerste concept verklaring opstelden in juli 1951. Het duurde nog drie maanden onderhandelen voordat aan de Joodse eisen was voldaan. Op 27 september 1951 hield Adenauer zijn lang verwachte Bundestag toespraak. Hij benadrukte dat Bonn er alles aan zou doen om de Nazi misdaden recht te zetten. De Duitse regering voelde zich verplicht materiële schade aan Israël en de Joden in het algemeen te betalen. Bijna de hele Bundestag ging akkoord.

Uitnodiging voor directe besprekingen tussen Israël en West-Duitsland

Er werd een officiële uitnodiging gedaan aan de Israëlische regering voor directe besprekingen. Nahum Goldmann van het Joods Wereld Congres en voorzitter van de Jewish Agency organiseerde een Conferentie over Joodse Materiële Claims tegen Duitsland. Hij werd ook door Jeruzalem gevraagd om namens Israël met Adenauer te onderhandelen en de basis te leggen voor een Israëlisch-Duits akkoord. In december 1951 werd in het geheim in Londen onderhandeld. Goldmann vroeg de Bondskanselier het bedrag van 1,5 miljard dollar op te schrijven ter bevestiging als een basis voor toekomstige gesprekken met Israël en de Joodse wereld. Adenauer ging akkoord en ondertekende het contract dat Goldmann had opgesteld.

Goedkeuring door de Knesset

Premier David Ben Goerion legde de kwestie van de onderhandelingen met Duitsland op 7 januari 1952 voor aan de Knesset. Met veel moeite lukte het Ben Goerion om het voorstel door de Knesset te loodsen. De gesprekken met Duitsland werden in Wassenaar op 21 maart 1952 gehouden.

Vrede/veiligheid -Duitse herstelbetalingen

In Wassenaar onderhandelden Israël en West-Duitsland over de herstelbetalingen. De Duitse delegatie werd geleid door professor Franz Böhm die geen nazi verleden had. De Israëlische delegatie werd geleid door dr. Giora Josephtal en dr. Felix Shinnar. De Jewish Claims Conference werd geleid door Moses Leavitt en Alex Eastermann. De onderhandelingen vonden plaats in een koele atmosfeer. Er werden geen handen geschud en er werd geen Duits gesproken. De voertaal was Engels.

De Israëlische en Joodse claims

Israël claimde van West-Duitsland een miljard dollar voor de integratie van de Joodse vluchtelingen. De Claims Conference wilde 500 miljoen dollar hebben voor het welzijn en de rehabilitatie van de Joodse slachtoffers die buiten Israël woonden. De Duitse onderhandelaars accepteerden de claims maar verwierpen de Israëlische eis inzake de voorwaarde waaronder het bedrag betaald zou moeten worden: een derde in harde valuta en twee derde in goederen over een periode van vijf tot zes jaar.

Duitsers hebben moeite met betalen

De Duitse onderhandelaars wezen erop dat tijdens de London Debt Conference West-Duitsland verplicht werd om de schulden te betalen die het land na de oorlog had. Duitsland had dus niet veel mogelijkheden om te betalen. Israël verwierp deze motivering en er ontstond een impasse in de onderhnadelingen. Het nieuws lekte naar Israël uit en 40.000 demonstranten protesteerden in Tel Aviv tegen verdere onderhandelingen met West-Duitsland. De burgemeester van Tel Aviv was zelfs bereid om in hongerstaking te gaan. Bonn was op de hoogte van de ontwikkelingen en bood ongeveer 750 miljoen dollar in goederen aan. Dit was de helft van het bedrag maar de Duitsers gingen er vanuit dat Israël het zou accepteren vanwege haar wanhopige financiële positie. Maar de Israëlische onderhandelaars vertrokken naar huis. Op dit punt intervenieerde Adenauer persoonlijk. Hij nam contact op met Goldmann. De twee ontmoetten elkaar op 20 april 1952. Goldmann zei dat de betaling een kwestie van eer was. Adenauer ging akkoord en dreigde dat zijn Christen Democratische partij uit de regering zou stappen indien Duitsland haar verplichtingen jegens de Joden niet na zouden komen. Het Duitse kabinet veranderde onmiddellijk haar onderhandelingstactiek. Böhm ontmoette Goldmann op 23 mei 1952 in Parijs en bood meer geld aan. Het aanbod werd geaccepteerd. Op 8 juni 1952 kwamen de Israëlische en Joodse onderhandelaars naar Bonn en hielden twee dagen lang besprekingen. Op 10 september 1952 werd vervolgens het Verdrag van Luxemburg getekend. De ceremonie werd geheimgehouden omdat Joodse extremisten hadden gedreigd met een aanslag.

Het Verdrag van Luxemburg

Hoe zag het Verdrag van Luxemburg eruit?
  • Een verdrag tussen Israël en Duitsland waarbij israël 750 miljoen dollar kreeg in goederen over een periode van 14 jaar;
  • Een Verdrag met de Jewish Claims Conference waarbij Bonn met nieuwe wetgeving kwam voor individuele compensatie aan de slachtoffers van de Nazi's;
  • Een verdrag met de Jewish Claims Conference waarbij de Conference via Israël 450 miljoen DM kreeg voor de rehabilitatie van Joodse slachtoffers buiten Israël;
  • Een verdrag waarbij Israël verplicht werd de waarde van Duits eigendom in Palestina terug te geven.

Het Verdrag moest nog wel goedgekeurd worden door de Duitse en Israëlische parlementen. De Arabische landen dreigden ondertussen geen importvergunning meer te leveren aan Duitse firma's indien West-Duitsland geld zou geven aan Israël. Het zou nog 6 maanden duren voor het Duitse parlement ermee akkoord ging. Ook het Israëlische parlement ging akkoord.

Geen diplomatieke banden met Duitsland

De israëlische economie profiteerde enorm van de Duitse herstelbetalingen. Ook Joden buiten Israël kregen geld. Voor Israël was het niet langer ondenkbaar om diplomatieke banden aan te gaan met West-Duitsland. Maar West-Duitsland liet zich bij het aangaan van buitenlandse relaties leiden door landen die geen banden aangingen met Oost-Duitsland. De Arabische landen accepteerden deze Westduitse doctrine mits de Westduitsers geen diplomatieke banden aangingen met israël. Dit was voor Israël een grote tegenslag.

De balans in de jaren '50

Hoewel Israël op diplomatiek vlak een aantal tegenvallers te verduren kreeg heeft het toch ook succes geboekt in de jaren '50 in Noord- en Zuid-Amerika, in West- en Oost-Europa, en in delen van Afrika en Azië. De problemen doken op waar Arabische vijandigheid de obstakel was. Overigens hoefde Israël nauwelijks "de vrije wereld" te steunen tijdens debatten bij de VN om toch verzekerd te zijn van Amerikaanse financiële en diplomatieke steun. De grootste moeite had Israël om erkenning te krijgen de "Derde Wereld" in Azië. De Aziaten bleven slecht geïnformeerd over Joods nationalisme. Dit kwam deels door de Arabische politieke en economische invloed in Azië, maar ook omdat Israël weinig aandacht schonk aan Azië. Israël heeft bijvoorbeeld de fout gemaakt om een Chinees aanbod om relaties aan te gaan in 1955 verworpen.

Israël was bij geen enkele regionale organisatie, pact, blok of verbond aangesloten. Ook kende het geen steun van een groot macht. Israël stond alleen, met uitzondering van banden die ze onderhield met Joden in de Diaspora.

Lees verder

© 2014 - 2019 Etsel, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Mythen over Israël & Midden-Oosten conflictMythen over Israël & Midden-Oosten conflictWat bezielt vele mensen om zich zo af te zetten tegen Israël, de Joodse Staat? Voor de moslimwereld speelt vooral het id…
Judea en Samaria 14: Joods-Palestijnse demografieJudea en Samaria 14: Joods-Palestijnse demografieMocht er ooit een vredesregeling komen tussen Israël en de Palestijnen dan zullen bepaalde delen van Judea en Samaria ge…
Grenzen van Israël: de staat Israël (bestandslijnen 1949)Grenzen van Israël: de staat Israël (bestandslijnen 1949)Op 14 mei 1948 werd de Joodse staat opgericht. De grenzen waren volgens het VN-verdelingsplan van 1947. Maar de Arabisch…
Judea en Samaria 9: Toekomst “Groene Lijn” van 1949De Groene Lijn is een bestandslijn tussen Israël en Jordanië na Israëls Onafhankelijkheidsoorlog in 1949. Het scheidt Ju…
Israël: politieke partijen in de Knesset (2015)Israël: politieke partijen in de Knesset (2015)Het politieke systeem in Israël is gebaseerd op proportionele vertegenwoordiging met een veel partijensysteem. Hoewel er…
Bronnen en referenties
  • A history of Israel (From the rise of zionism to our time) - Howard Morley Sachar
  • Atlas of Israël - Martin Gilbert

Reageer op het artikel "Modern Israël: Israël als republiek - vrede en veiligheid"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Etsel
Laatste update: 05-05-2019
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Geschiedenis
Special: Geschiedenis Modern Israël
Bronnen en referenties: 2
Schrijf mee!