InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Geschiedenis > Modern Israël: Periode van groei 1956-1967

Modern Israël: Periode van groei 1956-1967

Modern Israël: Periode van groei 1956-1967 Na de Suez oorlog begon Israël een volwassen staat te worden. Het land werd nog steeds overspoeld door nieuwe immigranten die een betere opvang kregen dan in 1948. De bevolking moest verspreid worden over het land zodat het centrum niet overvol raakte. Israël was nog steeds voornamelijk een landbouwstaat met grote invloed van de moshaviem en kiboetsiem (alhoewel de industrie toch belangrijker was voor de economie). De landbouw had veel water nodig en dat kon alleen via irrigatie. Water uit Noord-Israël werd via kanalen naar de rest van het land gedirigeerd. Zoals naar de Negev waar nu landbouw mogelijk was. Toch was de Negev vooral een plaats waar de mijnbouw en industrie zich ontwikkelden. Er kwamen steeds meer mensen in de ontwikkelingssteden van de Negev wonen. Ook ontwikkelde de koopvaardij zich in de jaren '60. De economie trok na de Sinaï campagne aan. De industrie was de motor van de economie alhoewel Israël vooral naam maakte met landbouw (sinaasappelen, kibboets, moshav).

Groei - Israël een volwassen staat

Na de Sinaï campagne werd Israël een volwassen staat. De IDF werd een efficiënte militaire organisatie en ook een macht die voor sociale eenheid zorgde (een melting pot). Israël hoefde niet langer te overleven maar kon zelf richting kiezen hoe de samenleving op te bouwen. Het bebouwen van het land en het in bezit nemen van verlaten Arabisch eigendom, de economische hulp van de VS, Duitsland en Joden uit de Diaspora begonnen vrucht te dragen.

Toename van de immigratie

Noord-Afrika en Egypte

In 1956 en 1957 kwamen veel Joden naar Israël toe. Het ging om respectievelijk 55.000 en 70.000 Joden. Aanvankelijk kwamen de meeste Joden uit Noord-Afrika en Egypte. Zij moesten vluchten vanwege de haat van moslims tegen Joden. Zij spraken hun talen goed en waren goed in het doen van zaken. Zij gingen in de kuststeden wonen en vonden werk in de toeristenindustrie, hotels en banken.

Communistische landen

Ook Joden uit communistische landen vluchtten naar Israël. De meesten kwamen uit Polen en Hongarije. Tussen 1958 en 1960 kwamen 43.000 Joden uit Roemenië. In de communistische landen was sprake van een opleving van het antisemitisme. De Joden uit de communistische landen waren goed opgeleid en brachten veel ervaring mee naar Israël.

Jewish Agency

De Jewish Agency was niet goed voorbereid op de komst van zoveel Joden. Toch reageerde het krachtdadig en organiseerde het transport, doorgangskampen in Europa, en tijdelijke huisvesting voor de immigranten in herbergen en huurkamers. Ze kregen een betere behandeling dan de Oriëntaalse immigranten die vlak na de oprichting van de Joodse staat naar Israël waren gekomen. Ze konden betere huizen kopen met lagere rente in Tel Aviv en andere steden (niet meer de ontwikkelingssteden). Ook leerden de nieuwe immigranten in vijf maanden Hebreeuws. Er werd veel moeite gedaan hen passend werk te bieden. De Jewish Agency had van haar fouten uit het verleden t.a.v. de Oriëntaalse Joden geleerd.

Iran en Noord-Afrika

Tussen 1961 en 1964 kwam nog eens 194.000 Joden naar Israël toe, de meesten uit Iran en Noord-Afrika. Israël was wel teleurgesteld veel Algerijnse Joden voor Frankrijk kozen en niet voor Israël (15.000 naar Israël en 130.000 naar Frankrijk).

Bevolking groeit gestaag

De Joodse bevolking was in de periode 1956-1967 gegroeid van 1.667.000 naar 2.384.000. De etnische samenstelling van Sefardische en Ashkenazische Joden veranderde door de immigratie. Aanvankelijk woonden er meer Ashkenazische dan Sefardische Joden in Israël. In 1965 was er een evenwicht tussen Ashkenaziem en Sefardiem. En drie jaar later was de meerderheid (55,5%) Sefardisch. Bovendien groeide de Sefardische gemeenschap sneller door een hoger geboortecijfer.

Spreiding van de bevolking

Belangrijk was dat de bevolking goed verspreid werd. In 1948 woonde 18% van de Joden in landelijke gebieden, 52% in de drie grootste steden (Jeruzalem, Tel Aviv en Haifa) en 30% in andere steden. In 1968 woonde nog maar 11,3% in landelijke gebieden, 35% in de drie grootste steden en 54% in andere steden.

De verovering van het land en water

Landbouw

Eind 1966 woonden 340.000 Joden op het platteland in 729 nederzettingen. De Joodse landbouwdorpen vormden 13% van de Joodse arbeidsmarkt en bebouwden 4,5 miljoen dunam goed. Ze produceerden groenten, eieren en melk. Halverwege de jaren '60 werden naast citrusproducten ook katoen, noten, wintergroenten en fruit geëxporteerd. In 1964 vormde de landbouw een derde van de totale Israëlische export en 10% van het nationale inkomen.

Moshaviem en kibboetsiem

Afgezien van de citrusvruchten kwamen de meeste landbouwproducten uit de moshaviem en kibboetsiem. Tegen 1965 woonden in 229 kibboetsiem 78.000 inwoners en in 336 moshaviem 120.000 inwoners. Er waren ook nog 64 kapitalistische boerderijdorpen en een handvol gemengde boerderijen. De landelijke nederzettingen werden steeds moderner qua technologische voorzieningen maar ook qua onderwijs en cultuur. De kibboetsiem leverden veel luchtmacht piloten en officieren in het leger. Ook waren veel kibboetsleden actief in de politiek. Maar dat nam af toen de kibboetsiem materialistischer werden en minder socialistisch.

Irrigatie

Het gebruik van irrigatiewater nam toe. Israël moest het vooral hebben van water uit het noorden waar 's winters de meeste neerslag viel. De Jewish Agency had de mogelijkheden voor irrigatie al bestudeerd tijdens de Mandaat Periode. Dr. Walter Lowdermilk had in 1944 de basis gelegd voor waterplanning in Israël. Hij had berekend dat water uit de rivier de Jordaan en grondwater in de komende decennia een bevolking van 5 miljoen zielen van water kon voorzien. In 1960 legde Mekorot, Israëls waterplanning autoriteit, de blauwdruk voor een nationaal irrigatie schema: intensief grondwatergebruik, reclamatie van vloed overstroming en riolering, water tappen van de Yarkon en Kishon rivieren en het grote Jordaan Vallei Project. Er werd voor het irrigatie schema 175 miljoen dollar uitgetrokken. Israël had genoeg geld beschikbaar uit het buitenland en ook waren er honderden ingenieurs en technici beschikbaar. Het watergebruik schoot omhoog van 240 miljoen kubieke meter grondwater in 1940 tot 850 miljoen kubieke meter in 1963. Er werd ook nog ieder jaar 90 miljoen kubieke meter rioolwater gezuiverd. Water vanuit de Yarkon rivier werd naar de Negev getransporteerd via kanalen. Bij het Kishon Vallei project werd water uit de heuvels van Galilea naar de Jisraeel Vallei geleid. Ook werd water vanuit het Meer van Galilea naar het zuiden van Israël getransporteerd via de 'Nationale Waterweg'. Dit leverde jaarlijks 320 miljoen kubieke meter water op.

Groei - ontwikkeling Negev en koopvaardij

In de beginjaren van de staat Israël was de Negev woestijn nog grotendeels terra incognita. Een Britse geoloog, S.H. Shaw, had tijdens de laatste jaren van het Britse Mandaat in Palestina wat beginnende verkenningen verricht. Toen de Britten zich terugtrokken smokkelde Shaw materiaal naar de Hagana. In december 1948 trok een geologische expeditie onder leiding van Dr. Ya'akov Ben-Tor van de Hebreeuwse Universiteit naar het zuiden. De expeditie verbleef daar tot januari 1950 onder moeilijke omstandigheden. De resultaten van het onderzoek waren niet bemoedigend. De Negev bestond uit zand, mergel, zout en löss. Het zou lastig worden de Negev te ontwikkelen. Toch begon Israël daar aan in met name de jaren '60. Verder aandacht voor de Israëlische koopvaardij in de jaren '60.

Ontwikkeling van de Negev in de jaren '60

Het was lastig landbouw in de Negev te ontwikkelen zonder water. Er waren slechts een handjevol kibboetsiem aanwezig langs de kust en in de noordelijke Negev vóór 1948. Er kon nauwelijks landbouw worden bedreven. Maar met de komst van het nationale waterpijplijn in 1964 was het mogelijk om grond in de Negev te irrigeren. Vanaf toen werd alles anders. Tegen 1967 waren niet minder dan 55 kibboetsiem en moshaviem opgericht met een totale bevolking van 55.000 inwoners. De westelijke Negev werd beschermd tegen Arabische penetratie vanuit Gaza. Zo'n 140.000 acres woestijnland werd in cultuur gebracht. De regio was zelfvoorzienend in groenten, zuivel en fruit.

Mijnbouw en industrie in de Negev in de jaren '60

Ondanks de ontwikkeling van landbouw in de Negev werd dit nooit gezien als sleutel voor de regionale ontwikkeling. Die was weggelegd voor de mijnbouw en de industrie. De exploitatie van grondstoffen was evenwel afhankelijk van de toegang tot de wereldmarkten. Dankzij Operatie Kadesh werd Eilat weer bereikbaar. Zonder een open haven bij Eilat was nauwelijks industriële en commerciële ontwikkeling mogelijk. In 1957 arriveerden 30 schepen in de haven van Eilat met in totaal 24.000 ton importgoederen; 28 schepen vertrokken uit de haven met 20.000 ton exportgoederen. In 1967 was het aantal vrachtschepen dat Israël aandeed 66 en vertrok eenzelfde aantal naar Afrika en de Oriënt. De infrastructuur in de Negev werd verbeterd met de aanleg van een hoofdweg tussen Beer Sheva en Eilat en later tussen de Dode Zee Werken bij Sodom en Eilat. Ook kwam er spoor tussen Beer Sheva en Dimona.

Bij de Timna mijnen werd kopererts uit de grond gehaald. Tegen 1967 bedroeg dit een half miljoen ton. Potas werd gemaakt bij de Dode Zee Werken (600.000 ton per jaar). De Dode Zee Werken produceerden ook broom, magnesium chloride en zout. Vuursteen kleiafzettingen werd uit de krater van Machtesh Ramon gehaald en leverde 600.000 ton calciet op. Ook werd kwarts en gips uit de grond gehaald. In mindere mate werden dolomiet en kalksteen opgegraven. In 1965 werd olie gevonden in de zuidelijke kustvlakte en later in de noordelijke Chelez velden. Dit leverde jaarlijks 188.000 ton petroleum op, goed voor 10% van de binnenlandse consumptie. Ook werd methaan gas getapt in de Zohar velden van de noordelijke Negev. In totaal leverden de grondstoffen uit de Negev nauwelijks 7% van het nationale inkomen op.

Aanleg oliepijpleidingen in de Negev in de jaren '60

Naast een toegangspoort voor internationale handel diende de Negev ook voor de stroom van olie naar andere landen. Hiervoor werden pijpleidingen aangelegd tussen Eilat en Ashkelon om olietankers te bevoorraden. Daarnaast woonden ondertussen 250.000 Israëliërs in de Negev en waren er voldoende industriële projecten om werk te verschaffen. Deze industrie gebruikte 40% van de grondstoffen die uit de Negev kwamen. De rest -textiel, chemicaliën, bewapening- werden naar het zuiden gebracht.

Belangrijke ontwikkelingssteden in de Negev

Legenda
A. Beer Sheva
B. Ashdod
C. Kiriat Gat
D. Arad
E. Dimona
F. Eilat

Ontwikkelingssteden in de Negev in de jaren '60

In de Negev werden ook ontwikkelingssteden gebouwd. De meeste gemeenschappen waren klein zoals Netivot en Yerucham. Hier woonden in de beginjaren '60 niet meer dan 5000 mensen. Andere steden waren Kiriat Malachi, Sederot en Ofakim. De meerderheid (65% in 1964) van de bewoners in de steden waren Oriëntaalse Joden. In totaal woonde 37% van alle Oriëntaalse Joden in de ontwikkelingssteden en landbouwnederzettingen verspreid over heel Israël. De meesten die in het zuiden kwamen wonen werden daar geplaatst door de overheid die de bevolking zoveel mogelijk over het land wilde verspreiden. De steden kenden wel een veel betere planning dan de oudere nederzettingen.

Beer Sheva

De meest indrukwekkende nieuwe stad was Beer Sheva. Aanvankelijk woonden er voornamelijk Bedoeïen. Maar Israël wilde de stad tot hoofdstad van de Negev maken. Hier moest het administratief centrum van de Negev komen. De hoofdkantoren van mijnen en fabrieken in de woestijn kwamen in Beer Sheva. Hier kwamen ook de zuidelijke hoofdkwartieren van de overheid, het leger, en de Jewish Agency. De stad groeide als kool. Eind jaren '60 woonden al tegen de 100.000 mensen in de stad. Ook kende Beer Sheva het hoogste werkgelegenheidscijfer van heel Israël.

Kiriat Gat

Kiriat Gat was een andere ontwikkelingsstad die het redelijk deed. Het was het regionaal centrum van het Lachish plan. Er woonden 18.000 mensen en de stad had veel mogelijkheden op het gebied van behuizing, scholen en cultuur.

Ashdod

Ashdod werd één van de succesverhalen van de natie. Het was een geheel geplande stad. Midden jaren '50 werd een plan bedacht om het de toekomst haven van het land te maken. De overheid trok het meeste geld uit voor deze ontwikkelingsstad. De haven functioneerde al in 1965 en honderdduizenden tonnen grondstoffen werden vanuit de Negev naar de schepen in de haven gebracht. De stad moest in de toekomst ongeveer 350.000 inwoners gaan tellen.

Eilat

Eilat groeide vooral na de Sinaï campagne van 1956. De haven werd toegankelijk en tegen 1967 werd jaarlijks zo'n 700.000 ton goederen verhandeld. Het ging om de export van grondstoffen uit de Negev en de invoer van olie uit Iran die naar de raffinaderijen in Haifa werd vervoerd (rechtstreeks of indirect via Ashkelon). Ook ontwikkelde Eilat zich tot een belangrijke toeristenstad. Tegen 1967 kende de stad zo'n 17.000 inwoners. De stad moest in de toekomst uiteindelijk 50.000 inwoners gaan krijgen.

Dimona en Arad

In Dimona woonden veel Joden uit India en Marokko. Ze werkten in Sodom in de Dode Zee fabrieken en in de lokale textielfabrieken van Dimona. In Arad verrees petrochemische industrie gebaseerd op Negev gasbel en Dode Zee chloor en broom.

Stadsplanning

Israël deed veel aan stadsplanning van de ontwikkelingssteden. Er was genoeg ruimte om te bouwen. De grond was goedkoop en veel aandacht werd besteed aan de aanleg van brede straten, pleinen, parken, plantsoenen, etc. Elke buurt kende zijn eigen gemeenschapscentrum, commerciële en recreatieve faciliteiten. Ashkelon en Arad waren de voorbeeldsteden voor de andere ontwikkelingssteden. Op cultureel gebied was evenwel weinig te beleven in de nieuwe steden, met uitzondering van Kiriat Gat, Arad en zo nu en dan Beer Sheva. Dit had ook met de bevolkingssamenstelling te maken: veel laagopgeleide Oriëntaalse Joden.

Koopvaardij in de jaren '60

De koopvaardij ontwikkelde zich vanaf 1952. Met de herstelbetalingen van West-Duitsland werden vracht- en passagiersschepen gekocht. Tegen het einde van 1967 groeide de Israëlische vloot tot 105 schepen van verschillende omvang en type met een vracht van 1,4 miljoen ton. Het ging om moderne schepen. Israël had de op vier na grootste vloot van de Middellandse Zee landen. De boten vervoerden 45% van de Israëlische handel over zee tegen 1967 en 73% van de handel tussen Israël en andere Middellandse Zee landen. De schepen deden honderden havens aan op de vijf continenten. Het was overigens lastig om zeelui te werven omdat Joden niet graag lang zonder familie wilden zijn. Tegen 1967 kwam 40% van de bemanning uit het buitenland. Ook werd Israël negatief beïnvloed door de crisis bij passagiersschepen elders in de wereld.

Groei - de economie in de jaren '60

Het ging goed met de Israëlische economie na de Sinaï campagne van 1956. Er was zelfs sprake van relatieve welvaart. Sinds 1952 was het Bruto Nationaal Product 2,5 keer zo groot geworden. Het gemiddelde BNP per hoofd van de bevolking groeide met 6,3%. Hiermee behoorde Israël tot de dertig rijkste landen ter wereld. In 1950 was de voedselimport nog 50%; tegen 1967 produceerde Israël 85% van haar eigen voedsel. Het exporteerde eieren, groente, melkproducten en fruit. Toch was de industrie een veel belangrijkere economische sector dan de landbouw.

Industrie in Israël in de jaren '60

De industrie was gebaseerd op de consumptievraag en minder op grondstoffen en goedkope arbeid. De industrie moest overuren draaien om de nieuwe immigranten van goederen te voorzien. De immigranten zorgden er ook voor dat de arbeidsmarkt toenam tot 260.000 arbeiders. De industrie had een aandeel van 25,4% op de arbeidsmarkt. Dit cijfer nam alleen maar toe. Tussen 1950 en 1969 vervijfvoudigde de industriële output. Haar bruto inkomsten in buitenlandse valuta nam per jaar met 20% toe. Tussen 1950 en 1969 was dat een toename van 18 miljoen dollar tot 552 miljoen dollar. De industrie groeide ondanks tekorten aan natuurlijke en energiebronnen, kleine fabrieken, gefragmenteerde productie en hoge transport- verzekeringskosten vanwege de afstand tot de afzetmarkt.

Overheidsplanning van de economie in de jaren '60

Afgezien van het buitenlands kapitaal werd de groei van de economie veroorzaakt door goede overheidsplanning. Jonge getalenteerde economen kregen enige invloed op de politieke elite die de economische groei gingen beïnvloeden. De overheid voerde een programma uit met lage rente leningen van de ontwikkelingsbegroting, reducties van directe en indirecte belastingen, door de overheid gesponsorde industriële ondernemingen in de Negev mijnbouw, subsidies voor de industrie, en een aantal efficiency-training programma's. Er werd ook meer nadruk gelegd op het stimuleren van industriële concurrentie op de wereldmarkt door het geleidelijk verlagen van importquota en tarieven.

De industriële exportontwikkeling volgde drie principes:
  1. productie op basis van lokaal beschikbare grondstoffen;
  2. productie gebaseerd op vaardigheden;
  3. productie die kleine grondstoffen gebruikten om zo transportkosten te verminderen.

De laatste twee waren het meest winstgevend vooral wat betreft diamanten. Deze maakten in 1966 zo'n 35,5% van de totale export uit. In 1968 was Israël de één na grootste producent van gepolijste diamanten na België.

Transport en toerisme groeiden als gevolg van de uitbreiding van de koopvaardij en luchtvaart. Met transport verdiende Israël in 1965 zo'n 115 miljoen dollar aan buitenlandse valuta. Het toerisme leverde in 1966 ongeveer 56 miljoen dollar op. In 1967 exporteerde Israël in alle economische sectoren voor 1 miljard dollar.

Handelstekort in de jaren '60

Hoewel de ratio tussen import en export daalde, had Israël nog steeds een handelstekort. Er werd meer geïmporteerd dan geëxporteerd. Dit werd mede veroorzaakt door de grote uitgaven op defensie. In 1964 was er een tekort van 570 miljoen dollar, na de Zesdaagse Oorlog van 1967 was het tekort bijna 1 miljard dollar, en na de Jom Kippoer Oorlog van 1973 was dat meer dan 3,5 miljard dollar. Toch bleef de levensstandaard van de Israëliërs tot 1973 stijgen. De tekorten werden gedicht door een instroom van kapitaal van Joden uit de Diaspora, de herstelbetalingen van West-Duitsland en financiële hulp uit de Verenigde Staten. Geen enkel ander land in de wereld kreeg zoveel hulp uit het buitenland als Israël. Maar ook geen enkel ander land gebruikte de financiële hulp zo efficiënt om de vele immigranten te absorberen.

Inflatie in de jaren '60

Inflatie was nog een groter probleem dan het handelstekort. De inflatie nam elk jaar toe en de prijzen stegen sterk. Er waren een aantal oorzaken voor de inflatie: volledige werkgelegenheid, geldstroom vanuit het buitenland, overheidsomzetting van de valutamarktontvangsten, het lenen van geld van de banken, de stijging van de arbeidskosten overschreden de arbeidsproductiviteit sterk. Het was moeilijk de problemen aan te pakken zolang de vakbond Histadroet alle pogingen om de lonen te bevriezen blokkeerde of weigerde overbodige werknemers te ontslaan. Ook werd Israël getroffen door stakingen van hoger opgeleid personeel.

Militaire uitgaven in de jaren '60

De grootste veroorzakers van de inflatie waren de stijgende militaire uitgaven. Tussen 1952 en 1966 waren die zestien keer zo groot geworden. Het ging om 11% van alle uitgaven. Maar de werkelijke uitgaven waren hoger vanwege de jaarlijkse dienstplicht die ten koste ging van het werk. Ook de grensnederzettingen om het land te verdedigen kostten veel geld.

Bezuinigingen in de jaren '60

Om de inflatie te beteugelen moest er bezuinigd worden. De overheid ging minder uitgeven, krediet werd beperkt, bevriezing van een deel van de West-Duitse herstelbetalingen, pogingen om lonen en prijzen in evenwicht te houden, en een beteugeling van bouwactiviteiten. Grote projecten zoals het Jordaan Vallei Project en de havens van Ashdod en Eilat waren klaar, dus dat scheelde in de overheidsuitgaven. Ook was sprake van een sterke daling van de immigratie waardoor er minder huizen nodig waren. Dus door bezuinigingen en 'spontane' economische ontwikkelingen werd de inflatiespiraal beteugeld. De betalingsbalans verbeterde tussen 1965 en 1967. Het handelstekort nam met 30% af, de consumptie per hoofd van de bevolking daalde, persoonlijke spaartegoeden namen toe en de Israëlische pond werd weer sterker.

Gevolgen van de bezuinigingen in de jaren '60

Er werd voor de bezuinigingen een zware tol betaald. De groei van het Bruto Nationaal Product was slechts 1% in 1966, er was veel werkloosheid (tussen de 40.000 en 100.000 werklozen). Vooral de ontwikkelingssteden en de Oriëntaalse Joden werden getroffen door de bezuinigingen. Maar ook de de sabra's en Ashkenaziem waren slachtoffers. Veel hoogopgeleide Israëliërs emigreerden.

Levensstandaard nam toe in de jaren '60

Toch was het niet alleen kommer en kwel. Het inkomen per hoofd van de bevolking was redelijk hoog. Het inkomen per hoofd van de bevolking was redelijk hoog. Bijna iedereen had elektriciteit en stromend water. Een kamer hoefde met minder personen gedeeld te worden. De levensstandaard was toegenomen. Toch was er geen sprake van luxe en moest hard gewerkt worden (47 uur per week). Kleding en meubels waren duur. Reizen naar het buitenland werd zwaar belast. Er was ook een grote kloof tussen de laagste en hoogste inkomens. Een zesde van de bevolking leefde onder de armoedegrens in 1966. Er was zowel sprake van een toename van dure als achterstandswijken.

Overheid had weinig aandacht voor sociale problemen in de jaren '60

Omdat de meeste aandacht uitging naar defensie schonk de overheid weinig aandacht aan sociale problemen. De overheid vergeleek de situatie van Israël met die van de omliggende Arabische landen en constateerde dat de sociale problemen daar groter waren. De overheid dacht ook dat de economie zou aantrekken zodra de immigratie absorptie zou zijn afgerond.

Groei - Arabische sector in de jaren '60

Na de Onafhankelijkheidsoorlog van 1948-1949 bleven 156.000 Arabieren in Israël wonen. Tegen 1966 was de Arabische bevolking gegroeid tot 301.000 dankzij natuurlijke groei en afname van het sterftecijfer. Hiermee lag het percentage van de Arabische bevolking op 12% van de totale bevolking. De meeste Arabieren (75%) woonden in de 101 rurale nederzettingen in Galilea, op de Karmelberg bij Haifa en in de 'Kleine Driehoek'. De rest woonde in steden zoals Nazareth en Shefara'am en zes gemengde steden.

De Druzen

De Druzen, die het meest achtergesteld waren, bleken het meest pro-Israël te zijn. Zij waren traditioneel het slachtoffer van de moslim Arabieren. De Druzen kregen van Israël een officiële status van religieuze gemeenschap met hun eigen religieuze raad en rechtbanken. Ook mochten de Druzen door het hele land reizen. De Druzische dorpen kregen wegen, waterpijpleidingen en begeleiding op het gebied van landbouw bedrijven. Ze mochten ook in het Israëlische leger dienen (vaak de grenspolitie). Desondanks bleef het een geïsoleerde gemeenschap in Israël.

Verbeterde levensstandaard onder de Israëlische Arabieren in de jaren '60

Onder Israëlisch bestuur ging het de Israëlische Arabieren economisch een stuk beter. De landbouwsector herstelde zich. Dankzij het verbeterde economische klimaat in Israël kon de overheid meer doen voor de Arabische minderheid. In 1958 werd door de Israëlische regering een compensatie akkoord gesloten met Arabieren wier grond onteigend was in verband met het aanleggen van veiligheidszones. Ook verhuurde de Beheerder van Afwezig Eigendom grond aan kleinere Arabische boeren. In de jaren '50 en '60 deed de overheid nog meer om de levensstandaard van de Arabieren te verbeteren, zoals irrigatie en verbeterde landbouwtechnieken. Tegen 1967 was de Arabische landbouwproductiviteit sinds 1946 verzesvoudigd en per hoofd van de Arabische bevolking was de agrarische opbrengst het hoogste in de hele Arabische wereld. De infrastructuur in de Arabische dorpen en steden verbeterde: nieuwe wegen, moskeeën en kerken, culturele faciliteiten, sportteams, klinieken en winkelcentra.

Nieuwe sociale en politieke problemen in de Arabische sector in de jaren '60

Vanwege de mechanisering van de landbouw konden minder mensen werk vinden in de landbouw. Veel Arabieren moesten buiten hun dorpen en steden werk zien te vinden. Dit leidde tot nieuwe sociale en politieke problemen. In Joodse bedrijven werden Arabieren gediscrimineerd, kregen slechter werk, minder loon en sociale voorzieningen. Ze konden alleen maar kamers huren in de achterstandswijken van plaatsen zoals Haifa, Afula of Rechovot. Vooral voor ongetrouwde jongemannen was het lange verblijf van huis pijnlijk omdat ze een weinig sociaal en recreatief leven hadden.

Hulp van de vakbond Histadroet voor Arabische werknemers in de jaren '60

De vakbond Histadroet schoot de Arabische werknemers te hulp. Deze konden in 1953 lid worden van het ziekenfonds Kupat Choliem (ziekenfonds). Pas in 1959 konden de Arabische werknemers volledig lid worden van de vakbond. Er was een speciaal Arabisch departement die de Arabische werknemers wegwijs maakten binnen de Israëlische bureaucratie. Er kwamen arbeidsraden in de Arabische dorpen, schoolvoorzieningen werden geregeld alsook culturele activiteiten. Tegen 1967 waren zo'n 125 coöperatieve verenigingen in de Arabische sector opgericht voornamelijk voor het regelen van water.

Educatie in de Arabische sector in de jaren '60

De Israëlische overheid deed veel om het onderwijs binnen de Arabische sector op orde te brengen. In 1956 werd een lerarenopleiding opgericht. Ook gingen Joden uit Irak in het Arabisch onderwijs werken. In 1967 gingen zo'n 70.000 Arabische kinderen naar de lagere school. Dit was 80% van de jongens en 50% van de meisjes.

Aanvankelijk waren er weinig contacten tussen Joodse en Arabische leerlingen. Er werden hier en daar wat initiatieven ondernomen om de leerlingen elkaar te laten ontmoeten. Zo hadden verschillende Mapam en Achdoet HaAvoda kibboetsiem Arabisch in het curriculum van hun scholen en bezochten de leerlingen Arabische scholen. In kibboets Lahavat Chaviva was het 'Instituut voor Arabisch-Joodse relaties' opgericht. Ook in de gemeente Haifa werd een programma opgericht voor gezamenlijke activiteiten. Later kwam daar nog een gemengde school bij met speciale lessen in de Arabische taal. In Akko werd een speciaal centrum voor Joodse en Arabische kinderen opgericht. En er waren nog veel meer initiatieven op lokaal niveau.

Meer rechten voor Arabische vrouwen in Israël in de jaren '60

Door het verstrekken van onderwijs probeerde de Israëlische overheid de positie van vrouwen binnen de Arabische sector te verbeteren. Ook kregen vrouwen meer rechten op juridisch gebied via de Gelijke Rechten Wet van 1951. Bigamie werd verboden en kinderen mochten niet meer trouwen. Het was overigens wel lastig om de positie van vrouwen te verbeteren vanwege de conservatieve aard van de Arabische samenleving.

Nieuwe Arabische intellectuele elite - nationalisme in de jaren '60

Door het verbeterde onderwijs en daarmee afname van het analfabetisme groeide de Arabische intellectuele elite die kritisch was op het beleid van de Israëlische overheid. Dit ging gepaard met nationalistische motieven. Het kwam zo nu en dan tot conflicten waarbij doden vielen zoals in Kafr Qasim waar tientallen doden vielen toen de grenspolitie vuurde op onschuldige Arabieren die niet wisten dat een avondklok was ingesteld. De Arabische samenleving leefde in die periode nog onder militair bestuur. Deze werd pas in 1966 opgeheven.

De Israëlische Arabieren en het communisme in de jaren '60

Vanwege de oprichting van de 'Verenigde Arabische Republiek' van Egypte en Syrië in 1958 werd het communisme populair onder de Israëlische Arabieren. De Mapai, die altijd veel Arabische kiezers trok, probeerde de uitdaging van het communisme aan te gaan door een programma aan te bieden van sociale diensten in de Arabische dorpen. Maar de Arabische steun voor Mapai daalde toch. Bij de verkiezingen van 1959 stemde nog maar 52% van de Israëlische Arabieren op Mapai. Maki, de communistische partij, profiteerde van het verlies van Mapai. In 1961 splitste Maki zich op in Maki en Rakach. De eerste voerde een anti-Israël beleid gebaseerd op het Sovjet communisme. De tweede werd de eerste echte Arabische partij. Rakach kreeg steun van 22,6% van de Arabische kiezers. De meeste Arabische parlementariërs in de Knesset werden militanter. Ze reageerden op de ontwikkelingen in Egypte van Nasser en hielden zich bezig met nationalistische en sociale bevrijdingsbewegingen elders in de Arabische wereld in plaats van materiële vooruitgang in Israël.

Israëlische overheid had in de jaren '60 geen duidelijk beleid ten aanzien van de Arabische minderheid

In de eerste tien jaar van de staat Israël werden de Israëlische Arabieren, bewust of onbewust, geïsoleerd van de Israëlische maatschappij. Het was niet duidelijk wat de Israëlische regering wilde met de Arabieren: laten blijven of dwingen te vertrekken. Er waren vele verschillende tegenstrijdige beleidsplannen ten aanzien van de Arabieren. Enerzijds werd land onteigend en anderzijds werden Arabische boeren geholpen hun gewassen te verbeteren. Aan de ene kant werd het onderwijssysteem gemoderniseerd, aan de ander kant kregen de Arabieren moeilijk werk. Moesten de Arabieren in hun dorp blijven of mochten ze in de grote steden werken in de bouw. Kortom, het overheidsbeleid was nogal verwarrend.

Groei - Oriëntaalse Joden in de jaren '60

Niet alleen voor de Israëlische Arabieren was het leven in Israël zwaar, dat gold ook voor de Oriëntaalse Joden die de meerderheid in Israël vormden. Ze wilden dat hun problemen serieus genomen werden zoals bleek tijdens het Wadi Salib incident van juli 1959. De Oriëntaalse Joden lieten van zich horen via de extreem populistische Organisatie van Noord-Afrikaanse immigranten. Deze organisatie was militant zoals later de "Zwarte Panters" in de jaren 70. De leden demonstreerden, hielden interviews voor kranten en deden oproepen aan de Knesset. De Ashkenazische Joden trokken zich het probleem aan en zorgden voor belangrijke beleidsinnovaties in de economische en educatieve sfeer.

Educatie voor Oriëntaalse Joden in de jaren '60

Ondanks dat de overheid veel deed om goed onderwijs te verstrekken bleef dit in de ontwikkelingssteden schrikbarend achter. Zo'n 10% van de Oriëntaalse Joden verliet vroegtijdig de school. Slechts 28% van de studenten in de afgelegen gemeenschappen haalden het tweede jaar van het middelbaar onderwijs.

In 1962 werd een Centrum voor Educatieve Instituten in Behoefte van Speciale Zorg opgericht. Deze zorgde voor allerlei voorzieningen in het onderwijs voor Oriëntaalse Joden zoals boeken, leningen, hooggekwalificeerde leraren, etc. Zo kregen meer leerlingen onderwijs alhoewel nog veel kinderen gingen werken na de lager school. Om dit probleem aan te pakken kregen sommige families extra geld van de overheid zodat hun getalenteerde kinderen toch middelbaar onderwijs konden genieten. Ook was het mogelijk volwassen onderwijs te volgen dat verzorgd werd door het ministerie van onderwijs, de IDF en de Jewish Agency.

Tegen 1963 gaf Israël 7% van haar BNP uit aan onderwijs. Dat was hoger dan in andere landen in het westen. Het ministerie van onderwijs kreeg 12% van de totale begroting, het meeste na defensie. Het onderwijsbeleid was succesvol. De kloof tussen de opleiding van Ashkenazische en Sefardische Joden werd kleiner.

Economische vooruitgang onder Oriëntaalse Joden in de jaren '60

Er kwam meer werkgelegenheid voor ongeschoolde Oriëntaalse Joden in openbare projecten. Joden uit Egypte en Irak werkten in administratieve banen. Ook kregen Oriëntaalse Joden steeds hogere posities binnen het leger maar nog niet in de hoogste rangen. De inkomensverschillen tussen de Ashkenaziem of de Oriëntaalse Joden werden kleiner. Toch werkten nog weinig Oriëntaalse Joden in de witte boordensector.

Vele Oriëntaalse Joden woonden nog in achterstandswijken. De overheid probeerde deze wijken wel af te breken en alternatieve woningen aan te bieden maar vanwege de toenemende defensiekosten (de Zesdaagse Oorlog kwam eraan) verliep dat project traag. Bij de Oriëntaalse Joden moesten ook meer personen een kamer delen.

Oriëntaalse Joden blijven achter bij de Ashkenaziem

De Oriëntaalse Joden waren na ruim 15 jaar in Israël te wonen verbitterd dat ze het slechter hadden dan de Ashkenazische Joden. Zij voelden zich gediscrimineerd. Schrijver Kalman Katznelson schreef in het neo-fascistische boek (De Ashkenazische Revolutie) dat de Oriëntaalse Joden de Ashkenaziem zo haatten dat zij vaak riepen dat Adolf Hitler zijn werk had moeten afmaken. Op scholen werd de nadruk gelegd op het Ashkenazische erfgoed met uitgebreide lessen in de Europese Joodse geschiedenis en literatuur.

Cultureel pluralisme

Omdat de integratie in feite mislukt was kozen de regering en de Jewish Agency in 1965 voor een nieuwe benadering: cultureel pluralisme. De Oriëntaalse Joden zouden meer invloed krijgen omdat zij de meerderheid vormden. Dit gold vooral voor de politiek. Bij de vijfde en zesde Knesset waren meer Oriëntaalse afgevaardigden. Toch was het aantal Oriëntaalse parlementariërs tegen 1965 niet meer dan 12%. Er was slechts één Sefardische minister in het kabinet.

Maar in de lokale politie was de invloed van de Oriëntaalse Joden wel groter. In 1963 werd een nieuwe Oriëntaalse beweging opgericht door welgestelde Irakese Joden uit Ramat Gan en Jeruzalem. De groep concentreerde zich eerst op het steunen van de Oriëntaalse lijst in Beer Sheva. Mapai koos daarop een Oriëntaalse Jood als leider, rechter Eliahu Navi. De verkiezingen in Beer Sheva leidden tot een Mapai gedomineerde coalitie met aan het hoofd Navi en enkele Oriëntaalse raadsleden. Ook in Ashdod had Mapai een Oriëntaalse Jood als leider aangesteld. Tegen 1970 was 30% van de burgemeesters van Oriëntaalse afkomst; 39% van de plaatsvervangende burgemeesters was Joods. De toenemende invloed van Oriëntaalse Joden op lokaal niveau had z'n invloed op nationaal niveau.

Ook het aantal gemengde huwelijke tussen Oriëntaalse Joden en Ashkenazische Joden nam toe. Tegen 1989 betrof dit percentage 17,4%.

Lees verder

© 2014 - 2019 Etsel, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
De Negev gerbilDe mongoolse gerbil groeit op het moment uit tot 1 van de populairste knaagdieren/huisdieren van Nederland en omstreken.…
Israël-steden en streken: de Negev – cultuurlandschapIsraël-steden en streken: de Negev – cultuurlandschapDe Negev is het grootste gebied van Israël. Vanwege het semi-aride en aride klimaat is het tevens het dunst bevolkte geb…
Geografie Israël: Begin Plan voor Bedoeïenen in de NegevGeografie Israël: Begin Plan voor Bedoeïenen in de NegevEind 2013 komt Israël met het Begin Plan (vernoemd naar Benny Begin) voor Bedoeïenen in de Negev (feitelijk is al sinds…
Kibboets hotels: Kust, Jeruzalem, Dode Zee, EilatOveral in Israël bevinden zich kibboets hotels. Dit zijn hotels die in een landelijke omgeving liggen. In dit artikel aa…
Toerisme Israël: het klimaat in IsraëlToerisme Israël: het klimaat in IsraëlIsraël kent een Middellandse Zeeklimaat en in de Negev een woestijnklimaat. Hoewel de temperatuur in de zomer hoog is, i…
Bronnen en referenties
  • A history of Israel (From the rise of zionism to our time) - Howard Morley Sachar
  • Atlas of Israel - Martin Gilbert

Reageer op het artikel "Modern Israël: Periode van groei 1956-1967"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Etsel
Laatste update: 09-07-2018
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Geschiedenis
Special: Geschiedenis Modern Israël
Bronnen en referenties: 2
Schrijf mee!