InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Geschiedenis > Modern Israël: De Jisjoev en de Balfour Verklaring

Modern Israël: De Jisjoev en de Balfour Verklaring

Modern Israël: De Jisjoev en de Balfour Verklaring Hoe zag de bevolkingssamenstelling er in Palestina uit tussen 1881 en 1914? De Arabische bevolking groeide van 470.000 tot 500.000. De Joodse bevolking groeide van 24.000 tot 85.000. Joodse nederzettingen lagen in het noordoosten van Galilea en in de Kustvlakte. De meeste Joodse immigranten kwamen uit Rusland, Galicië, Roemenië en Polen. In 1909 werd de eerste Joodse stad, Tel Aviv, gesticht. Joden kwam vrijwel alleen in het bezit van stukken land door die voor extreem hoge prijzen te kopen. In 1917-1918 veroverden de Britten Palestina. In 1917 kwam Groot-Brittannië met de Balfour verklaring waarin stond dat de Joden een Joods Nationaal Tehuis zouden krijgen. Het gebied werd tijdens de Conferentie van San Remo in 1920 bepaald door de volgende grenzen: in het noorden Libanon; in het oosten de rivier de Jordaan; in het zuiden de Sinaï-woestijn; in het westen de Middellandse Zee. In 1921 werd een deel van Palestina overgedragen aan Emir Abdoella. Dit gebied werd Trans-Jordanië.

De Jisjoev – Zionisme na Herzl

Na de dood van Theodor Herzl bleef de confrontatie tussen politiek Zionisten en praktisch Zionisten onopgelost: noch diplomatiek noch nederzettingen hebben opvallend succes geboekt. Op het Zevende Zionistische Congres van 27 juli – 2 augustus 1905 werd de toekomst besproken. Er werd besloten dat geen kolonisatie buiten Palestina mocht plaatsvinden. En tevens werd tijdens het Congres David Wolffsohn als opvolger voor Herzl gekozen.

David Wolffsohn

David Wolffsohn was een zoon van een rabbijn. Hij werd geboren in Litouwen. Toen hij 20 jaar was ging hij in Keulen wonen en deed zaken in meubels. Hij was een prominent Duits lid van Chovevei Zion toen Herzls Judenstaat verscheen. Sindsdien stond hij Herzl bij. Bij zijn aanstelling als nieuwe leider van de Zionistische organisatie was hij 49 jaar oud.

Wolffsohn was minder diplomatiek actief dan Herzl. De onderhandelingen met de Turken stopten. Wel had hij al vóór de dood van Herzl de Anglo-Palestine Compagny georganiseerd voor werk in Palestina en het JNF aangemoedigd landaankopen te doen. De aandacht werd geheel op Palestina gericht zoals de Oost-Europese Zionisten ook steeds hadden bepleit.

Tijdens het Tiende Zionistische Congres in 1911 werd Wolffsohn toch vervangen door een presidium met veel Oost-Europese Zionisten.

Het Tiende Zionistische Congres in 1911

Tijdens dit Congres werden de grote landaankopen door het Palestina Kantoor in Jaffo o.l.v. dr. Arthur Ruppin goedgekeurd. Ook werd besloten dat Hebreeuws de officiële staal zou worden van de Zionistische Beweging. In de Diaspora zou Hebreeuws onderwezen gaan worden. Ook werd de deelname bevestigd van Joodse blokken in parlementaire en lokale verkiezingen, vooral in het Habsburgse Rijk zodat nationale belangen in veel staten benadrukt werden.

Meer structuur in de Zionistische Organisatie

Er kwam steeds meer structuur in de Zionistische Organisatie. Elke twee jaar werden er congressen gehouden en het aantal gedelegeerden bleef groeien. De lokale federaties werden sterker. Zionisten namen in Rusland deel aan de Doema verkiezingen van 1905. Vijf van de veertien Joden werden gekozen. Het aantal leden in de Zionistische Organisatie in Duitsland nam ook toe. Er deden belangrijke Joden mee zoals Albert Einstein en Martin Buber. In 1914 waren er wereldwijd 127.000 Joden die lid waren van de Zionistische Beweging. Er werden Hebreeuwse scholen georganiseerd. Overal verschenen de blauw-witte JNF busjes voor het inzamelen van geld. Het Praktisch Zionisme omarmde zowel kolonisatie in Palestina als culturele activiteiten in de Diaspora.

De groei van Zionistische partijen

Er ontstonden binnen de Zionistische Beweging politieke partijen zoals de Mizrachi en Poalei Zion. De religieus Zionisten kwamen opzetten. Zij mengden orthodoxie en Joods nationalisme met elkaar. Deze werden geleid door Rabbijn Samuel Mohilever (een Talmoedist uit Litouwen). Herleving van het Land Israël was één van de belangrijkste geboden uit de Tora.

Oprichting van de Merkaz Rochani – Mizrachi

Rabbijn Mohilever had al in 1893 de Mizrachi opgericht. Het werd later door Rabbijn Izaäk Jakob Reines tot een politieke beweging binnen het Zionisme gevormd. Volgens hem moest er een tweezijdige verlossing komen: van het Land Israël en van de Joodse geest. Aanvankelijk had de Mizrachi weinig invloed, maar de rigide ideologie vormde voor de 'cultureel' Zionisten van Achad HaAm een bedreiging (althans zo voelden deze dat).

Socialisme – de Bund

Het Arbeid Zionisme kende haar oorsprong in Oost-Europa. De Russische Joden werden beïnvloed door het Marxisme. Meer dan de helft van de Joodse bevolking behoorde tot het proletariaat. Ze werkten in de textiel, metaal, bouw en lichte industrieën. De Mei-wetten werden van kracht in de steden van Pale: er was grote armoede en honger onder de Joden. Veel Joden zochten hun heil in de Socialistische Beweging. Tijdens het Tweede Russische Sociale Democratische Partij Congres in 1903 waren de helft van de gedelegeerden Joden. Later werd de Joodse Socialistische Democratische Partij -de Bund- opgericht. Er waren 30.000 Joden lid van in de periode 1904-1906. Zij zagen het Zionisme als “bourgeoisie utopisme”: Zionisme was afhankelijk van rechtse regeringen en Joodse kapitalisten. Het Zionisme schonk geen aandacht aan de politieke en economische aspiraties van de Joden in Rusland. De Joodse socialisten en Joodse Zionisten stonden tegenover elkaar. Toch hadden ze dezelfde idealen: Joodse loyaliteit, bouw van een Joodse samenleving gegrond in vrijheid en rechtvaardigheid.

De Jisjoev – Arbeid Zionisme – 2de Alija

Nachman Syrkin probeerde in 1898 de kloof tussen het Zionisme en het socialisme te dichten. Hij trachtte een synthese te vormen van beide ideologieën. In 1898 kwam hij met het essay 'Die Judenfrage und der Socialistische Judenstaat'. Socialisme kon het Joodse probleem alleen maar in de verre toekomst oplossen. Antisemitisme kon alleen aangepakt worden door de vorming van een Joodse staat. Syrkin kreeg weinig respons. Toch werd de Poalei Zion opgericht.

Poalei Zion - Ber Borochov

Geïsoleerde Arbeidszionisten richtten de Poalei Zion (Arbeiders van Zion) op. Ber Borochov formuleerde zijn unieke theorie van Marxistisch Zionisme. Hij betoogde dat Joden als een natie zonder land niet in staat waren om een vreemd economisch systeem te adopteren. Dit gold vooral voor het Joodse proletariaat. Hun tekortkomingen konden alleen geëlimineerd worden door vertrek naar een eigen land. Alleen daar kon de klassenstrijd gewonnen worden en hun sociale revolutie bereikt worden. Er was een land nodig waar Joden vrijelijk alle branches van de economie konden betreden. Het land moest semi-agrarisch en dun bevolkt zijn. Alleen Palestina beantwoordde aan die eisen.

Tienduizenden jonge Joodse socialisten reageerden enthousiast. Bochorov vluchtte wel in 1905 naar de VS vanwege de opstand in Rusland. Hij keerde pas 12 jaar later tijdens de Maart Revolutie van 1917 terug. Daar stierf hij in Kiev aan een longontsteking op 36-jarige leeftijd. In de VS had hij overigens verschillende essays geschreven waarin hij pleitte voor deelname van alle Joodse groepen aan het Zionisme.

De Tweede Alija

In 1900 woonden al meer dan 50.000 Joden in Palestina. Slechts 5000 hiervan woonden in agrarische nederzettingen. De Eerste Alijah had niet echt geleid tot de vorming van de 'nieuwe' Joodse boer.

De Oktober Revolutie van 1905 leidde tot een kettingreactie van pogroms. De Joden werden politiek en economisch hard onderdrukt. Tot aan de Eerste Wereldoorlog vertrokken veel Joden uit Rusland. Slechts een klein gedeelte vertrok naar Palestina. Zij werden aangetrokken door het land. Ze vertrokken niet naar Palestina vanwege de pogroms en vanwege het Arbeid Zionisme. Maar toch vroegen vele Russische Zionisten zich af waarom zij in Rusland waren en niet in Palestina. Zij vertrokken wél vanwege het Arbeid Zionisme, aangestoken door Jozef Vitkin, een leraar in Galilea in een agrarische kolonie. Tussen 1905-1914 vertrokken om die reden 30.000 Joden naar Palestina. De omstandigheden in de agrarische nederzettingen waren zwaar: uitputting, gebrek aan werk, wrok tegen de hardheid van het leven. In Petach Tikva bijvoorbeeld waren de kapitalistische eigenaren erg onvriendelijk en zelfs vijandig, zo rapporteerden Joodse immigranten in hun dagboeken. De taak van de Joodse boeren was erop toe te zien dat de Arabieren hun werk correct deden. Op de markt in het centrum kwamen de producten uit Arabische dorpen en werden door Arabieren verkocht. Veel Arabieren kwamen in Petach Tikva werken. Daarnaast spraken de Joden geen Hebreeuws maar Jiddisch.

De boeren hielden niet van de nieuwe immigranten met hun socialistische theorieën. In het blad Bustenia (sinaasappel kwekers krant) stond dat de nieuwkomers niet geïnteresseerd waren in werk en voedsel, maar in macht, economische en sociale dictatuur over het agrarische domein en degenen die het bezaten. De nieuwe immigranten zwierven van nederzetting naar nederzetting en waren zwaar ondervoed. Eén van hen was David Ben Goerion, de latere eerste premier van Israël. Een arts adviseerde hem naar Europa terug te keren. Achteraf schreef ben Goerion dat de helft van de immigranten die aankwamen meteen weer terugkeerden met hetzelfde schip. Mogelijk 80% van de Tweede Alija keerde naar Europa terug of gingen naar de VS.

Poalei Zion groepen werden door de nieuwe immigranten georganiseerd. Zij legden de nadruk op de klassenstrijd. Het was een soort seculier messianisme.

De Jisjoev-arbeid-collectieve nederzetting

Het Arbeid Zionisme legde de nadruk op klassenstrijd. De nadruk van de Tweede Alija lag op fysieke arbeid op de bodem van Palestina. De Joodse jongeren wilden Rusland ontvluchten omdat door de opkomst van de Industriële Revolutie het antisemitisme toenam in de stedelijke lagere-midden klasse. Alleen landbouw zou de Joden onafhankelijk kunnen maken. In Palestina richtten ze collectieve nederzettingen op.

Fysieke arbeid

Zionistische schrijvers zoals Chaim Nachman Bialik en Mica Jozef Berditchew, bewierookten fysieke arbeid. Zij zetten zich af tegen het Jodendom. Jozua werd afgezet tegen Mozes. Een andere schrijver was Jozef Chaim Brenner die Joden in de Jisjoev onderwees. Hij ontbeerde zelf de vaardigheden van de arbeid, maar hij zeg de arbeid wel als een handeling van overleven voor de Joden. Aaron David Gordon werd zelfs gezien als belangrijkste profeet van de 'arbeid religie'. Hij was opgegroeid als orthodox Jood, maar volgde het pad van de Haskala. Hij ontwikkelde zijn eigen unieke filosofie van het Zionisme als een handeling van persoonlijke verlossing. In 1903, op 48-jarige leeftijd, vertrok hij als werkloze naar Palestina. Hij kon op kantoor werken in Petach Tikva maar verkoos voor handenarbeid in sinaasappelboomgaarden. Daarna heeft hij nog in diverse nederzettingen gewerkt.

Zowel Gordon als Berditchewski zagen de vorming van een eigen staat als de Joodse toekomst. Gordon zag creativiteit als vitaal element voor staatsvorming. De creativiteit werd gevormd door arbeid. Zonder arbeid zouden de Joden een eiland blijven in de Arabische zee. Zijn ideologie oversteeg de klassen dogma's van de Poalei Zion. Zijn volgelingen richtten de HaPoel HaZair (de Jonge Arbeider) op. De nadruk werd gelegd op het verdienen van het eigen brood. Ze verafschuwden het 'materialisme' van de veteranen kapitalistische boeren.

De collectieve nederzetting

Met de Tweede Alija nam de nederzettingenactiviteit in Palestina toe. Ze werd geholpen door PICA van Baron Rothschild. Nieuwe nederzettingen waren o.a. Sejera, Mescha, Menachemia, Javne'el, Beit Gan, Mitspa, Kinneret. Met financiële steun van PICA konden de boeren zelfs een bescheiden winst maken. Ook de oudere plantage dorpen in de kuststrook werden voor het eerst economisch leefbaar. Petach Tikva en andere nederzettingen op de Sharon Vlakte konden winst maken met de citrusteelt. Toch koos PICA liever voor goedkope Arabische arbeid dan werk aan te bieden an Joodse nieuwkomers. Maar daar kwam verandering in.

In 1903 werd de Anglo-Palestine Company (later Bank) opgericht. Deze gaf leningen aan de boeren voor een lage rente. Een andere ontwikkeling was de liberalisering van de Ottomaanse overheersing (a.g.v. De Jonge Turkse revolutie) waardoor de Zionistische Organisatie haar eerste Palestina Kantoor in Jaffo kon openen. Dit kantoor werd geleid door de. Arthur Ruppin. Zijn eerste taak was om werkgelegenheid te creëren voor duizenden nieuwe immigranten. Ruppin stelde voor om 2 miljoen dunams land in Judea en Galilea te kopen en deze dan te verkopen aan Joodse immigranten die eerst getraind werden als boer. Zijn voorstel werd aangenomen. Er werd in steden en landbouw geïnvesteerd. Training aan de nieuwe boeren werd gegeven in Kinneret, Ben Shemen en Hulda.

De kvoetsa

Eén van de nieuwe sociale innovaties was de oprichting van de kvoetsa – een collectieve nederzetting. Men zag in dat samenwerking de enige manier van overleven was. Zelfs bij de oprichting van Tel Aviv in 1909 werd in groepen samengewerkt. Op landbouw gebied werd geëxperimenteerd op de trainingsboerderij in Sejera: eigen arbeid, gemeenschappelijke keuken, geen Arabische arbeid. In Um Juni gingen 36 leden van HaPoel HaZair aan de slag. Het werd een redelijk succes. Ze noemden de kvoetsa Degania. Al snel kwamen er meer kvoetsot (Merchavia en Gan Shmuel). Ook werd de nederzetting Beer Tuvia op deze wijze nieuw leven in geblazen. In 1914 waren 14 kvoetsot in Palestina. Ze hadden een hoger inkomen per hoofd dan de bestaande kapitalistische kleine boerderijen.

De Jisjoev-Hebreeuws-politieke identiteit

In 1907 werd de Bar Giora opgericht door Israel Shochat en vrienden. Dit was een organisatie die zich bezighield met Joodse zelf defensie. Zou dit niet gebeuren dan zou de Joodse natie op het spel staan. De leden van Bar Giora waren Arbeid Zionisten en spraken alleen Hebreeuws. Modern Hebreeuws werd ontwikkeld door Eliëzer Ben-Jehoeda. Hebreeuws zou de taal worden van de nieuwe Joodse staat. De Jisjoev streefde ondertussen naar een politieke identiteit.

Bar Giora- HaShomer

De PICA-boerderij van Sejera kwam onder Joodse protectie van Bar Giora. Ook omliggende dorpen kregen bewaking aangeboden. Arabische bandieten waren overal actief. In 1909 werden twee Joodse dorpen door Bar Giora beschermd: Sejera en Mescha (later Kfar Tabor). Maar de gehele Jisjoev had bescherming nodig. Daarom werd Bar Giora omgedoopt tot HaShomer (de Bewaker). De oorspronkelijke groep van 8 man breidde zich in 2 jaar tijd uit tot 26 man. Men oefende 's nachts, deed aan scouting, spoorzoeken en Arabische conversatie. Spoedig kwam heel Beneden Galilea onder controle van HaShomer: Javne'el, Beit Gan, Menachemia, Sarona, Mitzpa, Kinneret. In 1911 kreeg de groep ook voet aan de grond in Samaria. Van daaruit werd HaShomer bekend in Judea en de Kustvlakte. Rishon Le Zion, Ben Shemen en Beer Ja'akov kwamen onder de hoede van HaShomer. Ze verdedigde met succes tegen aanvallen van Bedoeïenen. Tegen 1914 waren vier eenheden in Judea actief en 100 man in heel Joods Palestina. Ze kwamen opdraven zodra er hulp nodig was. Maar er waren meer mensen nodig. Boeren en arbeiders gingen zelf wapens dragen. HaShomer had het moraal verhoogd in de Jisjoev.

De toenemende invloed van Modern Hebreeuws

Tot 1870 was Jiddisch de belangrijkste voertaal op de scholen in Palestina die voornamelijk religieus waren. Frans werd gebruikt bij de instructie van Sefardische Joden. Er was noodzaak voor modern Hebreeuws. Dit werd ontwikkeld door Eliëzer Ben-Jehoeda, een orthodoxe Jood die overgegaan was tot Haskala en later het Zionisme. Als student aan de Sorbonne zag hij in dat Hebreeuws de voertaal moest worden in Palestina om de Joden bijeen te houden; niet het oude Hebreeuws maar het moderne Hebreeuws voor het zakelijk leven.

Samen met zijn vrouw emigreerde Ben-Jehoeda naar Palestina. Op het schip daar naartoe spraken ze af alleen nog maar Hebreeuws tegen elkaar te praten. In Palestina gaf hij les op een school en redigeerde Hebreeuwse kranten. Hij en zijn vrouw leefden in bittere armoede en ze werden ook nog aangevallen door orthodoxe Joden die vonden dat de heilige taal Hebreeuws niet gebruikt mocht worden voor seculiere aangelegenheden. Hij werd zelfs in de ban gedaan door het rabbinaat.

Toch had Ben Jehoeda succes en abonneerden agrarische nederzettingen zich op zijn kranten en kochten zijn boeken. Hij werd een macht in de Jisjoev en de Zionistische wereld. Hij stortte zich uiteindelijk geheel op het schrijven van een Hebreeuws woordenboek. In 1904 werd zijn eerste woordenboek gepubliceerd. En voor zijn dood zou hij nog met 3 aanvullende edities komen. Zijn opvolgers maakten er totaal een serie van 17 van. Ben Jehoeda leunde zwaar op de leraren in de Jisjoev. De Hilfsverein scholen hadden een netwerk van 50 scholen in de Jisjoev waarbij 7000 jongeren werden onderwezen. Ook de Alliance scholen doceerden in het Hebreeuws, evenals de Zionistische agrarische kolonies. Daarnaast gaven 60 Zionistische scholen met 2600 leerlingen les in het Hebreeuws.

Echter door de drang van Duitsland naar het oosten nam de invloed van de Duitse taal toe. Zo werd op het Technion in Haifa in het Duits gedoceerd en ook in de Hilfsverein scholen. Er kwam verzet tegen en in 1914 werden de lessen in het Technion geheel in het Hebreeuws gegeven. In 1916 sprak 40% van de Jisjoev (m.u.v. de orthodoxe Joden) Hebreeuws als eerste taal. Toen Ben Jehoeda in 1922 overleed kwamen 30.000 mensen naar zijn begrafenis en waren er 3 dagen van officiële rouw.

De Jisjoev streeft naar politieke identiteit

De Zionisten deden niet mee met de politieke realiteit in het land. Slechts een paar Joden waren Ottomaanse burgers. Het grootste struikelblok was de heterogene aard van de Joodse bevolking: Asjkenaziem, Sefardiem, Oriëntalen, vromen, seculieren en verschillende politieke stromingen onder de Zionistische immigranten.

In 1907 werd een Palestijnse Raad opgericht met de intentie het werk van de Zionisten te coördineren. Maar er kwam onenigheid en in 1908 bestond de Raad niet meer.

In de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog werden twee regionale federaties van koloniën georganiseerd: in Judea en Galilea. Alleen de laatste overleefde de oorlog.

Wat kolonisatie betreft was er meer vooruitgang: de bevolking nam toe, er was economische groei, Jaffo werd een belangrijk centrum, Tel Aviv werd gesticht. Tussen 1905 en 1914 werden de funderingen van het Joods Nationaal Tehuis gelegd dat later met de Balfour Verklaring politiek gewicht kreeg.

Balfour Verklaring – Eerste Wereldoorlog

Asjkenazische Joden vertrouwden in de negentiende eeuw op Europese steun voor hun fysieke veiligheid in Palestina. Maar met de Turkse bemoeienis tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) verdween die zekerheid. Vooral de Turkse gouverneur van Jaffo, Beha-a-Din dwong Joden Palestina te verlaten. Zo'n 7000 Joden verlieten Palestina en de rest bleef verlamd achter. Religieuze Joden werden door rabbijnen geadviseerd het Ottomaanse burgerschap aan te nemen om uitzetting te voorkomen.

Joden in Palestina tijdens de Eerste Wereldoorlog

militaire dienstplicht

Om te voorkomen dat men militaire dienstplicht moest vervullen in het Ottomaanse leger konden christenen en Joden vóór de Eerste Wereldoorlog speciale belasting betalen. Maar dat was nu niet meer mogelijk. Het beste alternatief was 'arbeidsdienst' aan het thuisfront: wegen aanleggen, stenen dragen, etc. Degenen die ziek werden belandden in de gevangenis. Anderen stierven.

Joodse militie

De Arbeid Zionisten toonden hun loyaliteit aan het Ottomaanse Rijk. Ben Goerion en Ben Zvi stelden een Joodse militie voor om het land te verdedigen. Djemal Pasha, de militaire gouverneur, was er voorstander van. Maar de eerder genoemde Beha-a-Din was er tegen. Andere jonge Joden gingen wel in dienst van het Ottomaanse leger.

Joden verbannen

Nadat Djemal Pasha een desastreuze militaire expeditie had geleid bij het Suezkanaal besloot hij om Beha-a-Din aan te stellen als minister van Joodse Zaken. Op diens bevel werden de Anglo-Palestine Bank, Zionistische kranten, scholen en politieke kantoren gesloten. Zionistische activiteiten mochten niet meer in het openbaar plaatsvinden. Ook werden Joodse landeigendom in twijfel getrokken en werden Arabieren aangemoedigd Joodse dorpen aan te vallen. Toen Zionistische leiders protesteerden werden ze verbannen. De Joodse arbeid aan het thuisfront kreeg het zwaar te verduren. Vele honderden jonge Joodse mannen moesten geketend naar gevangenissen in Damascus marcheren. Anderen werden verbannen naar Brusa en Constantinopel. Er werden zelfs veroordeeld tot een levende dood in de graniet mijnen van Tarsus.

moeilijkheden door de oorlog

De Joden ondervonden niet alleen problemen door Turkse vijandigheid maar ook vanwege de Britse zeeblokkade die voedselimporten en geld uit Europa blokkeerden. De citrusteelt mislukte en er werden zware belastingen geheven. Tijdens de eerste twee jaren van de oorlog stierven in Syrië, Libanon en Palestina 35.000 mensen van de honger. Waarschijnlijk waren onder hen 8000 Joden. Joodse organisaties gaven Joden zoveel mogelijk voedsel.

hulp van buitenaf

Gelukkig kwam er ook inmenging van buitenaf. Zo kreeg Arthur Ruppin toestemming van de Duitse minister van BuZa Arthur van Zimmermann (een pro-Zionist) om fondsen te verdelen die van Duitse Joden kwamen. En de Amerikaanse ambassadeur in Constantinopel, de Jood Henry Morgenthau, bewoog Djemal de ergste maatregelen tegen de Joden op te heffen. Ook bewerkstelligde hij dat Amerikaanse marineschepen hulpgoederen en geld brachten. Dat ging goed tot de verhoudingen tussen de VS en het Ottomaanse Rijk in 1917 verslechterden.

Joods legioen

In maart 1915 hadden 10.000 Palestijnse Joden asiel gevonden in Egypte. De helft verbleef in vluchtelingenkampen onderhouden door Joodse gemeenschapsfondsen. Zij hadden alles in Palestina moeten achterlaten en kwamen zo op het idee een Joods legioen te vormen om tegen de Turken in Palestina te vechten. Het initiatief werd genomen door Vladimir Jabotinsky. Er waren wel gemengde gevoelens onder de Joden. Enerzijds waren de Britten bondgenoten van de Tsaar, anderzijds konden Joden, wanneer ze niet zouden vechten, gedeporteerd worden naar Rusland.

Jozef Trumpeldor

Eén van de belangrijkste Palestijnse Joden was Jozef Trumpeldor. Hij was opgeleid als tandarts en had als vrijwilliger in het Russische leger gediend waar hij een arm was kwijtgeraakt. In latere jaren ging hij in een kvoetsa in Galilea werken. Toen de oorlog begon werd hij door de Turken gedeporteerd. Hij ging in Alexandrië voor het Engelse leger werken. Hij ontmoette Jabotinsky in het Mafruza kamp. Ze gingen beiden aan de slag bij de vorming van het Joods legioen. In 1915 hadden ze ongeveer 500 Joden voor een speciale transport eenheid, de Zion Mule Corps, in het Britse leger. De eenheid trad op tijdens de Gallipoli campagne. Al snel verspreidde de reputatie van het Korps in de Zionistische wereld. Echter de Joden in Palestina vreesden vergelding van de Turken. Joodse loyalisten van de Turken riepen naar de andere Joden dat ze verraders waren. In ieder geval werd het Zion Mule Corps na de Gallipoli campagne opgeheven. Toch zou later blijken dat dit het begin was van Brits-Zionistische samenwerking.

Balfour Verklaring – Brits oorlogsbeleid

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ging Engeland haar Midden-Oosten beleid richten op de beveiliging van het Suezkanaal. Deze werd bedreigd door de Ottomaanse invasie. De Britten gingen samenwerken met de Arabieren, in het bijzonder Abdoella, de Hashemitische sherif van Mekka. De Arabieren wilden onafhankelijkheid. Daarnaast onderhandelden de Britten met Rusland en Frankrijk. Na 1914 werden de banden tussen de Britten en de Zionisten versterkt m.b.v. Chaim Weizmann.

Onderhandelingen met Frankrijk en Rusland

De Britten kregen een groot deel van Mesopotamië, Trans-Jordanië en zuidelijk Palestina toebedeeld. Frankrijk kreeg invloed in zuid Turkije, Syrië, noordelijk Palestina en het Mosul gebied.

Het lot van Palestina

Het grootste deel van Palestina (behalve de Jeruzalem sanjak) was een integraal deel van het Ottomaans-Syrisch bestuur. Rusland maakte zich zorgen over de Franse ambities in Palestina. De Franciscaanse Orde had een belangrijke invloed in het Heilige Land. De Russen hadden invloed via Russisch orthodoxe belangen. Groot-Brittannië had meer militaire dan religieuze belangen in Palestina. Palestina was strategisch van belang vanwege het Suezkanaal.

Sykes-Picot Overeenkomst voor de verdeling van Palestina in 1916

In de Sykes-Picot Overeenkomst wordt het Midden-Oosten verdeeld tussen Frankrijk, Rusland en Groot-Brittannië. Wat Palestina betreft controleerden de Britten het gebied tussen Akko en Haifa Baai. Er kwam een Britse spoorwegverbinding tussen Haifa en Bagdad. Tevens kregen de Britten zuid Palestina en het achterland Trans-Jordanië in handen. De Fransen kregen invloed in noordwest Palestina, inclusief heel Boven Galilea. In 1917 kreeg Italië bij het verdrag van St. Jean de Maurienne ook enige invloed in Palestina.

Britse strijd tegen de Ottomanen

De Britse strijd tegen de Turken vond plaats in de Sinaï-woestijn en Palestina. Op 22 december 1916 veroverde een groot Engels leger de Ottomaanse post al-Arish. Begin januari 1917 wordt Rafa ingenomen door de Britten. In maart volgde Gaza dat de toegang vormde tot Palestina. Hier stuitten ze echter op een grote Turkse tegenstand. Er werd een nieuwe Britse commandant aangesteld, Generaal Sir Edmund Allenby. In de lente van 1917 trok hij Palestina binnen.

Bondgenootschappen tussen Britten en Zionisten - Dr. Chaim Weizmann

Na 1914 werden de banden tussen de Britten en de Zionisten versterkt. Hierbij speelde dr. Chaim Weizmann een belangrijke rol. In maart 1916 werd hij naar Londen gesommeerd om een oplossing te vinden voor het tekort aan aceton dat gebruikt werd voor explosieven. Na twee jaar laboratoriumonderzoek heeft hij de oplossing gevonden. In deze periode maakte Weizmann vriendschappen op het hoogste niveau. Hij had bovendien charisma waarom hij bewonderd werd door de Britten. Daar kwam bij dat de Britten veel ophadden met het Oude Testament en dus met Palestina. Veel christenen voelden zich historisch verplicht aan de Joden. Zo kon Weizmann inspelen op een 'Brits protectoraat over het Joodse thuisland.'

In 1916 kwam er een nieuwe Britse regering met Lloyd George als premier en Balfour als minister van buitenlandse zaken. Zij vonden dat de Sykes-Picot Overeenkomst de Britse garanties niet meer voldoende kon garanderen. Zowel Joden als Arabieren konden belangrijk zijn voor de Britse overheersing van Palestina. Lloyd George wilde Palestina annexeren. De Zionisten c.q. Joden konden daarbij een belangrijke rol spelen. Sir Mark Sykes was eerst niet zo pro-Joods maar tijdens zijn reizen door Palestina kreeg hij steeds meer bewondering voor de Zionistische kolonies. Op 7 februari 1917 gaf hij de Zionistische leiders te kennen dat de Britse regering mogelijk een Joodse nationale entiteit in het Heilige Land gunstig gestemd was. Maar Groot-Brittannië was geen vrije agent in het Midden-Oosten. De Zionisten moesten gaan overleggen met de geallieerde regeringen in Frankrijk en Italië. Beide landen waren niet tegen.

Joods Legioen

Ondertussen was Vladimir Jabotinksy bezig met het organiseren van een Joods Legioen voor de bevrijding van Palestina. Maar in Engeland en Rusland was er onder de Joden weinig animo. Men was bang dat de Jisjoev hetzelfde lot zou treffen als de Armeniërs onder de Turken als die merkten dat Joden bezig waren om Palestina te bevrijden. Dit was niet vergezocht. Zo was de NILI organisatie (Nezach Yisrael Lo Y'shaker – De Eeuwige van Israël zal niet liegen) van Aaron Aaronsohn aan het spioneren onder de neuzen van de Turken. Het spionnen netwerk werd ontdekt en de leden werden gemarteld. Zelf overleed Aaronsohn tijdens een vliegtuigongeluk in het Engelse Kanaal. Hiermee kwam een eind aan de NILI.

Balfour Verklaring-Joods Nationaal Tehuis

Een Britse verklaring voor een Joods Nationaal Tehuis in Palestina kon niet langer uitblijven. Minister van BuZa van Groot Brittannië, Balfour, zag dat het Joodse patriottisme uniek was door zelfs Oeganda af te wijzen. Balfour werd sterk beïnvloed door de Hebreeuwse Bijbel. Ook had hij de Joodse geschiedenis intensief bestudeerd en had wroeging over het feit wat het christendom de Joden had aangedaan. Hij vond dat de Joden een veilig tehuis moesten hebben.

Zionisten schrijven een verklaring

Balfour drong er bij de Zionisten op aan zelf een geschikte verklaring te formuleren dat hij aan het Oorlogskabinet zou voorleggen. Sacher en Sokolow, twee partners van Chaim Weizmann, gingen een tekst voorbereiden. Sacher wilde heel Palestina als Joodse Staat. Sokolov was voorzichtiger en sprak over een Nationaal Tehuis voor het Joodse Volk. Uiteindelijk won het voorstel van Sokolov en werd 18 juli 1916 ingediend. Het Britse kabinet onthaalde de brief met enthousiasme. Er was echter krachtige oppositie van een Jood in de regering, Edwin Montagu. Hij vond dat een pro-Zionistische verklaring de moslims van India (hij was daar secretary of state) zou alarmeren en de Joden in Engeland in verlegenheid zou brengen. Daarom bleef de kwestie voorlopig onopgelost.

Rol van de VS

De VS zou een grote invloed gaan uitoefenen op de toekomst van het Heilig Land. De Amerikaanse Joden gingen het Zionisme steeds meer omarmen en de hoofdkantoren van de Zionisten kwamen in de VS terecht. Shmaryahu Levin vestigde in New York de 'Provisional Executive Committee for Genral Zionist Affairs' op. Deze organisatie zou uiteindelijke de Jisjoev redden. Ook Louis D. Brandeis, Joods lid van het Amerikaanse Gerechtshof, zou een rol spelen om Londen een pro-Zionistische verklaring te doen laten uitvaardigen. Op 2 november 1917 kwam het Britse kabinet met een brief gericht aan Lord Rothshild. De Joden zouden een Nationaal Tehuis krijgen, een kleine enclave in Palestina. Vijf jaar later zou Trans Jordanië eraf gaan en vijftien jaar daarna nog meer land. Ook zouden de burgerlijke en religieuze rechten van de bestaande niet-Joodse gemeenschappen beschermd worden. Hiermee zou Joodse immigratie beperkt worden. Toch werd overal in de Joodse wereld de Balfour Verklaring met gejuich ontvangen.

Het Joods Legioen en de bevrijding van de Jisjoev

Door de Balfour Verklaring slaagde Jabotinsky een Joods Legioen te vormen. Met de val van de Tsaar in maart 1917 verdween de Joodse oppositie tegen het plan van het Joodse Legioen. Daarnaast nam de kans op een Brits offensief in Palestina toe wat de angst voor Turkse represailles afnam. Jabotinsky overtuigde Lord Derby dat de Zionistische en Britse belangen gediend werden met een Joodse militaire eenheid. De Britten stemden in met een Joodse infanterie regiment die alleen zou vechten op het Palestijnse front. Het regiment werd georganiseerd door Kolonel John Patterson. In februari 1918 marcheerde het 38ste bataljon van de Royal Fusiliers door Londen. Er werden niet alleen Joodse soldaten gerecruteerd in Engeland maar ook onder Joden in Noord- en Zuid-Amerika. De Arbeiders Zionisten waren niet langer tegen het Joodse Legioen. Onder de gerecruteerden waren ook Ben Goerion en Ben-Zvi. Na voorbereiding in Engeland ging het Bataljon naar Egypte om buiten Caïro training te ontvangen. Ze kwamen zeker niet te vroeg. De omstandigheden in de Jisjoev verslechterden. Djemal Pasha beval de evacuatie van alle resterende Joodse inwoners van Jaffa en Tel Aviv. Deze gingen naar Joodse nederzettingen in Judea om bescherming te vinden. Later moesten ze zelfs naar Galilea vluchten.

In oktober 1917 lanceerde Allenby de aanval op Palestina. Het ging boven verwachting goed. Tienduizenden soldaten trokken het land binnen en veroverde Beer Sheva en Jaffo en een paar weken later Jeruzalem. Maar met de komst van de winter lukte het niet om het noorden van Palestina te veroveren. De Joden werden geterroriseerd door de Turken. Het aantal Joden in Palestina slonk van 85.000 vóór WOI tot minder dan 55.000. Velen waren van de honger omgekomen.

Het Joodse Legioen deed mee met de campagne van 1918. Ze patrouilleerde in de Jordaan Vallei om een Turkse tegenaanval af te slaan. Later mocht het Legioen meedoen met het Allenby herfst offensief. Het aantal Joden dat deel uitmaakte was 5000 man, een zesde van het Britse bezettingsleger en de helft van Feisals Arabische ongeregelde troepen. De rol van het Legioen in de verovering van Palestina was groot.

Lees verder

© 2011 - 2019 Etsel, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Israëls nederzettingen: doelstellingen van ZionismeIsraëls nederzettingen: doelstellingen van ZionismeSinds het begin van de Galoet (Diaspora) vanaf het jaar 70 van de gewone jaartelling bestaat het verlangen bij Joden om…
Israëls nederzettingen: historische ontwikkeling 1881-1948Israëls nederzettingen: historische ontwikkeling 1881-1948Er wonen ongeveer 24.000 Joden in de Jisjoev (de Joodse gemeenschap in Palestina) voor de komst van de eerste Joodse imm…
Israël-steden en streken: cultuurlandschap geografieIsraël-steden en streken: cultuurlandschap geografieSinds de komst van de Joden naar Erets Jisraeel is het land enorm veranderd. Kleine nederzettingen veranderden in grote…
Israëls nederzettingen: ruimtelijke ontwikkeling 1881-1948Israëls nederzettingen: ruimtelijke ontwikkeling 1881-1948Voor de start van de vestiging van Joodse rurale nederzettingen is de Joodse bevolking voornamelijk geconcentreerd in de…
Israëlische elite eenheden: de eerste eenheden (1936-1940)Al vóór de oprichting van de Staat israël in 1948 zijn joodse elite eenheden actief in de strijd tegen Arabieren. De eer…
Bronnen en referenties
  • A history of Israel (From the rise of zionism to our time) - Howard Morley Sachar
  • Atlas of Israel - Martin Gilbert

Reageer op het artikel "Modern Israël: De Jisjoev en de Balfour Verklaring"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Etsel
Laatste update: 09-07-2018
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Geschiedenis
Special: Geschiedenis Modern Israël
Bronnen en referenties: 2
Schrijf mee!