InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Geschiedenis > Modern Israël: Brits Mandaat/Joods Nationaal Tehuis

Modern Israël: Brits Mandaat/Joods Nationaal Tehuis

Modern Israël: Brits Mandaat/Joods Nationaal Tehuis In het noorden liep de grens bij Libanon en Syrië. In het oosten grensde Palestina aan Irak en Saoedi Arabië. In het zuiden vormden Saoedi Arabië en de Sinaï de grens. De Joden hoopten op een gebied dat een stukje Libanon en Syrië bevatte. Tevens wilden ze een deel van de Oostoever van de Jordaan. In 1921 werd echter de hele Oostoever van de Jordaan aan Emir Abdoella gegeven. Een stukje van de Golan gaven de Britten aan Frankrijk. Aanvankelijk was de relatie tussen Joden en Arabieren goed te noemen. Emir Feisal sprak over diepe sympathie van de Arabieren voor de Zionistische Beweging. Hij stelde voor samen te werken en het Nabije Oosten te hervormen. Beide bevolkingsgroepen kunnen elkaar aanvullen. Het zou later echter allemaal anders gaan verlopen. Tussen 1920 en 1925 kochten de Joden voor bijna 1 miljoen Egyptische Pond land in de Jisraeel Vallei. Tegen 1925 woonden 2500 Joden in de Vallei. Er was 3000 hectaren kale heuvels bebost.

Brits Mandaat – grenzen en Joodse hoop

Eind 1918 hadden de Britse troepen zich in Syrië, westelijk Turkije, Palestina, Mesopotamië en zuidelijk Iran gevestigd. Ze waren in het bezit van alle historische routes tussen de Middellandse Zee en de Indische Oceaan. Ondertussen stelden de Zionisten de grenzen van hun Joods Nationaal Tehuis voor tijdens de San Remo Conferentie (1920): in het noorden de heuvels van Libanon, de bron van de Jordaan en Hermon Gebergte; in het oosten Trans-Jordanië; in het zuiden de Golf van Akaba.

Geografische en geologische onderzoek om grenzen van Joods Nationaal Tehuis te bepalen

De Zionisten baseerden hun grenzen op geografische en geologisch onderzoek. Vooral de waterbronnen, de Litani Rivier, de Jordaan bron, de bron bij het Hermon Gebergte en het grotere deel van de Jarmoek waren van belang. Maar de Joden kregen die niet. Doordat er geen natuurlijke geografische grenzen werden getrokken leidde dit ertoe dat het land constant blootgesteld stond aan gewapende invasies. Dit zou de vloek worden voor het Palestijnse Mandaat en later het hele Midden-Oosten.

Slechte fysieke omstandigheden in Palestina

Toen de Britten in 1917-1918 Palestina in bezit namen werd het land geteisterd door droogte, malaria en een afnemende bevolking. Het land werd getroffen door een blokkade van de Geallieerden en Turkse plunderingen. Daarom ging de Britse aandacht uit naar het verstrekken van voedsel vanuit Egypte. De American Near East Relief gaf kleren en medicijnen aan de christenen en moslims in Palestina, terwijl de Zionistische Organisatie en Hadassah (Joodse vrouwenbeweging) de Joden hulp verschaften.

Reorganiseren van Palestina en herleving van de economie

De Britten verdeelden Palestina in districten die elk onder leiding kwamen van een Britse militaire gouverneur. Zij voerden regels uit van centrale departementen van financiën, justitie, gezondheid, landbouw, educatie en openbare werken. De belangrijkste posten werden door Britten bezet; de Arabieren en Joden kregen de mindere banen. Het systeem werkte aardig. Er gloorde zelfs wat hoop door economische opleving.

Joodse Gemenebest

De Zionisten schreven een 'constitutie' uit waarbij Palestina een soort Joodse Gemenebest moest worden. Ze wilden de Joodse bevolking laten toenemen. Later zouden de Britten met de White Papers in 1922 de immigratie van de Joden sterk tegenhouden. Maar eerst gaf minister Balfour toe dat het Joodse tehuis levensvatbaar moest zijn.

Joods-Arabische samenwerking

In januari 1918 ging D.H. Hogarth onderzoeksdirecteur van het Arabische Bureau in Caïro, naar Jidda om Hoessein duidelijkheid te verstrekken over de gevolgen van het Zionistische programma. Hij vertelde dat de Zionisten willen samenwerken met de Arabieren. Hoessein was enthousiast. Hij zag de financiële voordelen van Arabisch-Joodse samenwerking. Hij nodigde hen uit. In de zomer van 1918 had Chaim Weizmann een ontmoeting met Emir Feisal, de zoon van Hoessein en leider van de Arabische Revolutie. In december 1918 bracht Sykes de twee mannen nogmaals samen. De emir zei dat de Joden welkom zijn en dat ze samen zullen werken. Joden kregen recht op vrije immigratie naar Palestina en het vestigen in het land. Op 4 januari 1919 werd er een 'overeenkomst' getekend. Voorwaarde voor Feisal was wel dat de Arabieren onafhankelijkheid zouden krijgen. Een paar weken later deden de Zionisten een aantal concessies, inclusief een vrije zone in de haven van Haifa en een gezamenlijke Arabische-Joodse haven bij de Golf van Akaba. Feisal verwachtte ook Zionistische diplomatieke steun tegen de Fransen. Maar Weizmann wilde niet onafhankelijk van de Britten opereren die bepaalde toezeggingen aan de Fransen hadden gedaan. Feisal was teleurgesteld en zag het Joods Nationaal Tehuis nu als een provincie binnen het Arabische Koninkrijk. Feisal wilde dat de Zionisten direct met de Arabieren onderhandelden. De Zionisten moesten hun claims matigen en ermee akkoord gaan dat het Heilige Land een integraal onderdeel zou uitmaken van Groter Syrië. In de herfst van 1919 stopte Feisal zijn contacten met het Zionistische leiderschap.

Brits Mandaat – einde militair regime

Het Britse Mandaat in Palestina kreeg vorm door lagere functionarissen uit het Britse leger en de Egyptische civiele dienst. De functionarissen vonden dat nadruk gelegd moest worden op vriendschap met de moslims. De Joden voelden zich benadeeld. Weizmann schreef een brief aan Balfour en wees op het gevaar dat er een Arabisch Palestina i.p.v. een Joods Palestina zou komen. Ondertussen gaf Groot-Brittannië aan Abdoella Trans-Jordanië zodat dit niet meer de Joden toekwam.

Arabisch geweld nam toe

Onder de Arabieren groeide de angst voor de Zionistische doeleinden. Sir Arthur Money, de militaire administrateur van Palestina, waarschuwde dat er een grotere militaire macht moest komen.

In februari 1920 vielen Arabische terroristen Joodse kolonies in Metoela en Tel Hai aan. Onder de Joodse doden was Joseph Trumpeldor, de nationale held van het Zion Mule Corps. En in maart 1920 bood het Syrische Nationale Congres aan Feisal de troon aan voor een verenigd Syrië, inclusief Palestina. Tijdens Nebi Musa (traditioneel Arabisch 'pasen') verzamelden Arabieren zich in Jeruzalem en werden gewelddadig. In 3 uur tijd werden 160 Joden verwond. Britse troepen herstelden de orde. Maar de volgende dag was het opnieuw raak. Pas na de derde dag werd het rustig. Ondertussen waren er al een aantal Joden en Arabieren gedood en enkele honderden gewond. De Arabische burgemeester van Jeruzalem gaf lichte straffen aan Arabieren, terwijl Joden (waaronder Vladimir Jabotinsky) zware straffen kregen (15 jaar). De Britten stelden een onderzoek in. De officieren van de militaire administratie spraken over Zionistische provocaties die Arabisch geweld hadden uitgelokt. De Joden beschuldigden het Mandaat bestuur van het aanmoedigen van Moslim onrust. Kolonel Richard Meinertzhagen gaf de Zionisten gelijk. Daarop werd het militaire regime vervangen door een provisorische civiele administratie.

Herbert Samuel – Hoge Commissaris voor Palestina

Herbert Samuel werd door Lloyd George aangesteld als civiele Hoge Commissaris voor Palestina. Dit was niet zonder risico omdat hij een loyale Jood en Zionist was en de Arabieren dit zagen als een provocatie. Toch zouden de benoemingen door Samuel leiden tot enthousiasme onder Joden en Arabieren. Zo werd Wyndham Deedes aangesteld als algemeen secretaris, Sir Ronal Storss als gouverneur van Jeruzalem en Norman Bentwich als procureur-generaal. Er kwamen kredietbanken, een kadastraal onderzoek naar landeigendom, openbare werken (snelweg, spoorweg, telegraaf en telefoonverbindingen en moeras drainage). De Zionisten waren blij met het open deur beleid m.b.t. immigratie. De instroom van Joden overtrof alle eerder migratiegolven.

Maar de onpartijdigheid van Herbert Samuel leidde er ook toe dat hij de anti-Zionist Ernest T. Richmond aanstelde. Deze hield de aankoop van een groot stuk staatsland in de Beisan regio door Joden tegen. Ook kwam hij met rigide maatregelen voor goedkeuring van verkoop van Arabisch land aan Joden. Deze maatregelen bevorderden het Arabisch geweld tegen Joden. Dit had ook te maken met ontwikkelingen in Syrië waarbij Frankrijk Feisals zelf uitgeroepen koninkrijk in Syrië liquideerde. Zo werd Palestina een surrogaat voor de Arabieren. In 1921 was er Arabisch geweld in Petach Tikwa en andere Joodse koloniën. Hierbij vielen 47 Joodse en 48 Arabische doden. Er werd weer een onderzoek ingesteld waarbij de Arabieren gelijk kregen. Samuel besloot de Joodse immigratie tijdelijk te stoppen. In juli 1921 werd dit weer opgeheven maar de regels waren wel strenger geworden.

Trans-Jordanië

In de lente van 1921 bezocht minister van koloniale zaken Winston Churchill Palestina. Hij steunde het Joodse Nationaal Tehuis. Maar zijn bezoek leidde er ook toe dat Trans-Jordanië zich afscheidde van Palestina. Trans-Jordanië was een hoogland (het Bijbelse Edom) waar zo'n 300.000 Arabische boeren en semi-nomaden woonden. Emir Abdoella was op weg naar Syrië om zijn broer Feisal aan de macht te krijgen. In maart 1921 stootte Abdoella door naar Amman. Groot-Brittannië moest Abdoella stoppen om een provocatie tussen Frankrijk en Engeland te voorkomen. Abdoella werd gevraagd om in Trans-Jordanië te blijven waar hij kon heersen als protegé van de Britten. Abdoella ging akkoord. Groot-Brittannië verschafte hem steun en verzekerde hem dat Trans-Jordanië op den duur zelfstandig zou worden. Nu kon de Balfour Verklaring niet meer toegepast worden op dit gebied.

Churchill White Paper

Ondertussen werd de Joodse immigratie beperkt tot westelijk Palestina. De Zionisten gingen met het Britse voorstel (dat later bekend werd als de Churchill White Paper) akkoord, de Arabieren verwierpen het. Niet alleen werd het Joodse Nationaal Tehuis toegestaan maar ook verzekerd. Joodse immigratie werd gestimuleerd evenals Joodse kolonisatie. Hebreeuws werd erkend als officiële taal. Een Jewish Agency ging samenwerken met het Mandaat. Het Bonar Law kabinet, dat de coalitie van Lloyd George opvolgde, verwierp elke Arabische poging de Britse steun aan het Zionisme en het Joodse Nationaal Tehuis te veranderen.

Brits Mandaat – 'constitutie'

Het wetgevend instrument definieerde de Britse verplichtingen onder het Mandaat. Openbare orde, een goede regering, civiele en religieuze rechten waren voor alle inwoners van het land. De feestdagen van alle gemeenschappen werden erkend. Engels, Arabisch en Hebreeuws waren de officiële talen. Elke gemeenschap kende zijn eigen schoolsysteem. Op 1 september 1922 werd de Palestine Order in Council ingesteld dat verschillende componenten van de Mandaat regering definieerde.

Hoe zag het Mandaat Bestuur eruit?

  • Een Hoge Commissaris die functionarissen benoemde.
  • Een onafhankelijk rechtssysteem o.l.v. een opperrechter die rechten beschermde van inwoners en buitenlanders en de religieuze normen van de gemeenschappen waarborgde.

Herbert Samuel, de Hoge Commissaris, hoopte op een eigen regering in Palestina. Er zou een wetgevende raad komen bestaande uit 22 leden (10 officiële leden van de regering en 12 officieuze leden). De officieuze leden waren inwoners van Palestina die via eerste en tweede verkiezingen gekozen zouden worden. De tweede gekozenen zouden georganiseerd worden in twaalf kiescolleges volgens hun religieuze gemeenschappen. Dit om de Joodse en christelijke minderheden te beschermen. De raad mocht ook geen verordeningen aannemen die de groei van het Joods Nationaal Tehuis tegen zouden gaan. Belasting en inkomsten kwesties werden op dezelfde wijze vrijgesteld. In elke zaak had de Hoge Commissaris een veto optie.

Algemene verkiezingen door de Arabieren geboycot

Zo werd de basis gelegd voor algemene verkiezingen. De bevolking bestond uit 650.000 moslims, 87.000 Joden en 73.000 christenen. De meerderheid van de Arabieren boycotten de eerste verkiezingen omdat Joden toegestaan werd beperkt gezag met de Arabieren te delen. Daarom werd de rest van de stemming afgelast door de regering.

Tweede Order in the Council

Op 4mei 1923 werd een tweede Order in the Council uitgevaardigd. Zo kon de Hoge Commissaris een adviesraad in plaats van een wetgevende raad oprichten. Het nieuwe orgaan bestond naast Herbert Samuel uit 10 officiële leden, als ook 8 moslims, 2 Joden en 2 christen Arabieren. Maar ook hier zorgden de Arabische leiders ervoor dat de Arabische kandidaten zich terugtrokken. De Arabieren wilden een meerderheidsregeling.

Arab Agency niet van de grond

Samuel verzocht de Arabieren een Arab Agency te vormen als tegenhanger van de Jewish Agency. De Arab Agency zou kunnen samenwerken met de regering in kwesties die betrekking hadden op Arabische belangen. Ook dit werd door de Arabieren verworpen omdat de Arabieren de Jewish Agency nooit erkend hadden en er dus geen tegenhanger nodig was.

Macht in handen van de Hoge Commissaris

Hierop besloot Samuel dat zowel de wetgevende als de uitvoerende macht exclusief in handen kwam van de Hoge Commissaris en zijn officieren.

Herstructurering van de administratie

De meeste verordeningen van de regering betroffen de herstructurering van de administratie. Palestina kende 3 districten: noord, zuid en Jeruzalem. Ze werden bestuurd door Britse commissarissen en andere Britse officieren waren verantwoordelijk voor de subdistricten. In 1926 werden weliswaar gemeenteraadsverkiezingen gehouden maar de burgemeesters werden aangesteld door de Hoge Commissaris.

Uitgaven

De regering bepaalde ook alle uitgaven. De meeste gingen naar de politie en openbare werken. De regering kwam via handel, accijnzen en invoerrechten aan geld. Tevens waren er grondbelastingen, eigendomsbelastingen, veebelasting, aanslagen op agrarische producten, vergunningen, etc. Ook kwam er geld binnen via openbare communicatie.

Pas na de rellen van 1929 moest er geld uit Groot-Brittannië komen voor grote militaire en politie machten.

Brits Mandaat – uitvoering

Joden en Arabieren moesten dus belasting betalen aan de Mandaat regering. Maar wat kregen ze daar voor terug? Palestina stond aan de afgrond met chaos en honger. De Turken hadden de gegevens van landeigendommen met zich meegenomen. De Britten moesten dus in eerste instantie de orde herstellen. Ze deden dit eerst met de Palestine Gendarmerie en later de Palestine Police Force. Daarnaast kwam er wetgeving, werd landbouw bevorderd, en de infrastructuur verbeterd.

Wetgeving invoeren

Naast orde zorgden de Britten voor wetgeving. Er kwam een eerlijk en efficiënt rechtssysteem. Er werden 22 rechtbanken opgericht. Een aantal van de magistraten waren Arabisch en Joods. Het Hooggerechtshof bestond uit 6 rechters: 2 Engelsen, 2 moslims, 1 christen en 1 Jood. Het rechtssysteem was zo eerlijk dat zelfs vrij regelmatig de Mandaat regering in het beklaagdenbankje zat en zich moest verantwoorden.

Er kwam moderne wetgeving en de English Common Law and Equity werd ingevoerd. Uitzonderingen werden gemaakt voor de Ottomaanse wet die handelde over landkwesties en civiele wet zoals gecodificeerd in de oude Turkse Mejelleh. Persoonlijke kwesties werden geregeld door religieuze rechtbanken van de verschillende religieuze gemeenschappen. Dit juridisch systeem werd later door Israël in 1948-1949 overgenomen.

Bevordering van de landbouw

Er werd veel aandacht besteed aan het bevorderen van de landbouw dat de Turken hadden laten verwaarlozen. Er werden onderzoeksinstellingen opgericht die de veeplagen en andere ziekten aanpakten. Ook de bosbouw kreeg een impuls (de regering plantte 1 miljoen bomen en de zionisten nog vele miljoenen bomen meer). De verbouw van tabak werd eveneens gestimuleerd. En er kwam een efficiënte procedure voor landregistratie. De belastingtarieven voor industriële goederen werden verlaagd én verhoogd om agrarische producten te beschermen. Vooral de citrusexport nam toe.

Infrastructurele verbeteringen

Ook de infrastructuur werd stevig onder handen genomen: spoorweg, wegen, bruggen, telefonie en luchtverkeer met Europa en de rest van het Midden-Oosten. Lydda was de nationale luchthaven. De haven van Haifa werd ook uitgebreid. Naast de infrastructuur werd het onderwijssysteem verbeterd met in elke dorp een school.

Tekortkomingen

Er waren helaas ook een aantal tekortkomingen. Het Joods Nationaal Tehuis ondervond nauwelijks economische groei. Het Joodse aandeel aan bijdragen bedroeg 45%, maar de Arabische sector profiteerde het meest van de regeringsuitgaven. Dit betrof landbouw, gezondheidszorg, educatie en openbare werken. De Britten zeiden dat de Arabieren ongeletterd en armoedig waren en dus meer steun nodig hadden; de Joden hadden hun eigen sociale diensten. De Joden brachten echter in verweer dat de grote investeringen niet door de regering maar door Joods kapitaal werd opgebracht.

Slot

In ieder geval was er toch sprake van grote vooruitgang in Palestina. De Joodse bevolking was tussen 1917 en 1925 gegroeid van 55.000 tot 103.000. Dit was voornamelijk aan de Zionistische beweging te danken, hoewel de Joden ook geprofiteerd hadden van vrede, orde, recht en administratieve integriteit door de Britten tot stand gebracht.

Ondertussen werd in 1925 Herbert Samuel als Hoge Commissaris opgevolgd door Viscount Plumer.

Brits Mandaat – wortels zelfbestuur

Hoewel de Britten veel hebben bereikt in Palestina hebben de Zionisten voornamelijk vooruitgang geboekt door eigen inspanning. Winston Churchill erkende dit in zijn White Paper van 1922. De Joden hebben hun gemeenschap nieuw leven in geblazen: eigen politieke organen, een gekozen vergadering voor huishoudelijke zaken, gekozen raden in steden, controle van haar scholen. Er was een Opperrabbinaat, er werd Hebreeuws gesproken, etc. Allemaal kenmerken van een 'nationale' staat.

Religieuze autonomie voor de Joden

De Ottomanen hadden het zogeheten millet systeem ingevoerd. Hierbij werden religieuze gemeenschappen toegestaan om zelf hun religieuze kwesties te regelen. Dit gold voor christenen, moslims en Joden. Het personeel voor de instituties werden aangewezen door de Ottomaanse regering. De Britten zetten dit systeem voort, alhoewel de aanstellingen bij de moslim instituties nu geregeld werden door een Opper Moslim Raad onder voorzitterschap van de Moefti van Jeruzalem.

Ook de Joden genoten religieuze autonomie. Onder de Turken was de Sefardische opperrabbijn Chacham Bashi de gemeenschapsleider. Hij wees de Joodse leden aan. De Britten handhaafden dit systeem maar vergrootten en systematiseerden het. In 1921 stonden zij de verkiezing van een Rabbinale Raad toe door geselecteerde groepen rabbijnen en orthodoxe Joodse leken. De Raad bestond uit twee opperrabbijnen, een Ashkenazische en een Sefardische. Deze kregen hulp van andere rabbijnen en raadgevers. De Rabbinale Raad wees de leden van de rabbinale rechtbanken aan.

'Constitutie' voor het Nationaal Tehuis

Op 18 december 1918 maakte de vergadering van Palestijnse Joden een 'constitutie' voor het Nationaal Tehuis. Deze had een belangrijke invloed op toekomstige Joodse regeringsontwikkeling. Er werd bijvoorbeeld bepaald dat verkiezingen direct, in het geheim, op basis van gelijkheid en proportioneel gehouden moesten worden. Zo vond in april de verkiezing van een Nationale Vergadering plaats. Hieraan deden zo'n 20.000 personen mee. De 314 leden waren verdeeld over 20 partijen. Zij kozen weer de Va'ad Le'oemi, bestaande uit 36 mannen en vrouwen.

De Britten besloten ook om de Nationale Vergadering macht te geven over Joodse religieuze, culturele en sociale welzijn activiteiten. Deze Joodse 'regering' kwam eens per jaar bijeen en hielden elke 3 tot 6 jaar nieuwe verkiezingen. Toch kreeg het lang geen officiële erkenning omdat de orthodoxe Joden er oppositie tegen voerden (vanwege de gelijkheid voor vrouwen) en ook omdat de Britten geen belasting bevoegdheden aan de Nationale Vergadering wilden overdragen.

Toch werd in juli 1929 een enkele Joodse gemeenschap, de Knesset Israël, door het Mandaat Bestuur erkend. De Knesset kende haar eigen religieuze en seculiere organen. Het religieuze orgaan was de Rabbinale Raad en het seculiere orgaan de Nationale Vergadering en Va'ad Le'oemi. De Nationale Vergadering kreeg zelfs het recht om belasting te heffen voor onderwijs, armoedebestrijding, ziekenzorg en het financiële onderhoud van de Rabbinale Raad en de Nationale Vergadering zelf.

Municipal Franchise Ordinance – 1926

Joden en Arabieren kregen via de Municipal Franchise Ordinance meer jurisdictie om hun eigen interne zaken te regelen. In de grote steden en dorpen kregen de Arabieren de meerderheid in de lokale raad. De Joden kregen daar een minderheids vertegenwoordiging (m.u.v. Tel Aviv waar alleen Joden woonden) en werden beschermd op het gebied van religie en cultuur (onderwijs).

Slot

De Britten hadden dus veel bereikt. Maar de moeilijkste kwestie, en wat later ook de meest hopeloze zou blijken te zijn, was de verzoening tussen het Zionistische plan voor een eigen land en de nationale aspiraties van de Palestijnse Arabische meerderheid.

Joods Tehuis – opleving Zionisme

Het Britse Mandaat in Palestina bood de Zionistische beweging een partner met Groot Brittannië in de vorming van een Joods Nationaal Tehuis. Toch zou de taak voornamelijk weggelegd zijn voor de Zionistische beweging zelf omdat de bijdrage van de Britten aan de Palestijnse economie bescheiden zou blijven.

Palestine Zionist Executive

Door de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) was de Zionistische beweging minder politiek actief geworden. De centrale kantoren stonden in Duitsland, de meeste leden woonden in Rusland, een 'neutraal' bureau stond in Kopenhagen en een uitvoerend comité was in New York actief. Door Chaim Weizmanns betrokkenheid bij de Balfour Verklaring kwamen de politieke hoofdkantoren van het Zionisme in Londen. Hier werd in februari 1919 de eerste ontmoeting gehouden en later een speciale conferentie van Zionistische leiders (juli 1920). Tijdens deze conferentie werd Chaim Weizmann tot voorzitter van de Zionistische Organisatie gekozen. Een elf man strek presidium wees zes van haar leden voor Palestina aan (het Palestine Zionist Executive). Dit orgaan vertegenwoordigde het Zionisme bij alle zaken die geregeld moesten worden met Groot Brittannië. In de loop der jaren overtrof het de Va'ad Leumi (orgaan van de Nationale Vergadering) als quasi-regering van de Joodse gemeenschap. Er kwamen departementen voor politieke zaken, immigratie, arbeid, kolonisatie, educatie en gezondheid. Sommige Zionisten, zoals Nordau, wilden dat Groot Brittannië massa immigratie van Joden toeliet zodat er een Joodse meerderheid kwam en een Joodse staat kon worden opgericht. Weizmann beschouwde dit als fantasie omdat de Zionisten nauwelijks politieke concessie konden eisen. Er waren eerst meer Joden en een goed economische basis in Palestina nodig.

Louis Brandeis

Weizmann en zijn collega's richtten de Kern HaYesod op om geld in te zamelen bij Joden in de diaspora. Ze raakten hiermee in conflict met Louis Brandeis. Hij raakte betrokken bij het Zionisme via discussie met Jacob de Haas. Zionisme deelde volgens hem de ethische en democratische idealen die hij het uithangbord vond van het Amerikanisme. Hij had zijn eigen idee hoe het Joods Nationaal Tehuis gerealiseerd moest worden. Nu de Balfour Verklaring er was hield volgens Louis Brandeis het Politiek Zionisme op te bestaan. Het werk van Theodor Herzl zat erop. De Zionistische Organisatie moest a-politiek worden. De politieke belangen zouden verdedigd kunnen worden door de Va'ad Leumi in Palestina via onderhandelingen met de Britse Hoge Commissaris.

Weizmann en andere veteranen van de Zionistische Beweging waren hierop tegen. Zij vonden dat het politieke werk nog niet was afgerond en dat de Zionistische Organisatie als apart orgaan moest blijven bestaan. Brandeis wilde Keren HaYesod niet gebruiken om geld in te zamelen voor openbare werken, industrie en agrarische ondernemingen. Dit behoorde volgens hem meer tot privé investeringen. Keren HaYesod kon wel geld inzamelen voor immigratie, openbare gezondheid of educatie. Weizmann en de zijnen zagen de fondsen als instrument bij de Britten aan te tonen dat de Zionistische Beweging serieus genomen moest worden.

Weizmann ging in de lente van 1921 naar New York om daar de Keren HaYesod op te richten. Hij werd met gejuich ontvangen. Weizmann besefte dat dit een immigranten gemeenschap was die zich geheel identificeerde met de Zionisten van de Jisjoev en Europa. Dit werd bevestigd tijdens de conventie in Cleveland. Eind december 1921 was er 2 miljoen dollar voor de Keren HaYesod bijeen vergaard.

Nadruk op landbouw in de Jisjoev

De Zionisten bleven de nadruk leggen op landbouw in de Jisjoev. Zonder voet op vaste bodem zouden de Joden nooit hun claims op Palestina kunnen verdedigen. Tegen 1917 had het Joods Nationaal Fonds (JNF) 160.000 dunams in handen. Men wilde dit verdrievoudigen of zelfs verviervoudigen. Maar de Britten werkten niet mee. Van de 960.000 dunams staatsland kwam 397.000 dunams in handen van de Arabieren en slechts 83.000 dunams werd verhuurd aan de Joden (het Beisan land Akkoord 1921). De Zionisten moesten 92% van hun land kopen van Arabische eigenaren tegen enorme bedragen.

Er was ook nog een ideologische beperking waaronder het Joods Nationaal Fonds opereerde: land mocht alleen bewerkt worden door Joden. Dit werd het officiële Zionistische beleid in Palestina. In de Jisraeel Vallei werden na aankoop van Arabisch land, twintig nieuwe collectieve en coöperatieve nederzettingen opgericht. Zij veranderden het malaria moerasgebied in vruchtbaar land.

Ondertussen moest er geld ingezameld worden om de nieuwkomers op te vangen met voedsel en onderdak. Met de Keren HaYesod hoopte Weizmann 150 miljoen dollars in te zamelen, maar het werden er slechts 20 miljoen in 8 jaar tijd.

Joods Tehuis – HeChalutz (de Pionier)

Tijdens de Derde Alija (1919-1923) kwamen 37.000 Joden naar Palestina. Zij vluchtten voor de Russische Revolutie, pogroms en burgeroorlogen. Het Zionisme profiteerde hiervan want het aantal leden nam toe tot 300.000 en er waren 1200 lokale organisaties. Maar de Bolsjewistische Revolutie van november 1917 beperkte de Zionistische activiteiten. Eerst konden nog vele Joden vertrekken naar Palestina maar de Joodse afdeling van de Communistische Partij werkte dit tegen.

Communisme tegenover Zionisme

Niet alleen de Joodse afdeling van de Communistische Partij werkte het Zionisme tegen, ook de Communistische Partij zelf beschouwde het Zionisme als antirevolutionair. Zionistische kantoren werden in februari 1919 gesloten. Zionisme zou de oplossing van het Joodse probleem op Russische grond tegenwerken en de Joodse loyaliteit aan de Communistische Partij bedreigen. Tegen 1923 waren alle Zionistische activiteiten in Rusland uitgebannen.

HeChalutz – Joseph Trumpeldor

Nog vóór 1923 kwam er een Zionistische emigratie organisatie van de grond: HeChalutz (de Pionier). Deze organiseerde de Derde Alija. Drijvende kracht hier achter was Joseph Trumpeldor. Deze wilde eerst een Joods legioen oprichten voor de bevrijding van Palestina. Maar de Bolsjewistische Revolutie dwarsboomde dit plan. Daarom riep hij zijn volgelingen op om pioniers te worden. Trumpeldor waarschuwde zijn publiek wel dat het zeer zwaar zou zijn. Uiteindelijk faalden de immigranten van de Tweede Alija ook massaal. Daarom moesten de jongeren zich al in Rusland voorbereiden om te trainen. Trumpeldor richtte HeChalutz groep op en vestigde trainingscentra in Misnk en Simferopol. Tienduizenden jonge mannen en vrouwen namen deel aan de organisatie in de zomer en herfst van 1918. Ze studeerden landbouw en kochten of huurden stukken land. Dit werd door de Bolsjewisten geaccepteerd omdat het Joods Amerikaanse fondsen aantrok. Er kwam dus geld binnen!

Er kwamen in verschillende landen HeChalutz groepen: Litouwen, Roemenië, Tsjecho-Slowakije, Oostenrijk en Duitsland. In 1921 werd in Carlsbad een Wereld HeChalutz Organisatie gesticht en in Berlijn kwam een hoofdkantoor dat later verplaatst werd naar Warschau. In 1925 waren er 33.000 leden en in 1933 al 83.000.

Massale migratie naar Palestina

In 1919 kwamen de eerste HeChalutz leden in Palestina aan. Trumpeldor zelf kwam ook in Palestina aan en werd in 1920 bij een Arabische aanval bij Tel Chai gedood. Dit leidde tot een massale Joodse emigratie naar Palestina. De Zionistische Organisatie was hier niet op voorbereid. Ook de Britse Mandaatsregering niet en deze stelde een quotum voor van maximaal 16.500 Joodse immigranten per jaar. Sir Herbert Samuel stopte zelfs de immigratie korte tijd vanwege Arabische rellen in mei 1921. In 1922 kwam de Churchill White Paper dat bepaalde dat de immigratie niet boven het absorptie capaciteit mocht uitgaan. Er werd een systeem van categorieën uitgevaardigd op basis waarvan immigranten werden toegelaten: arbeiders, boeren, kapitalisten, etc.

Omdat de Zionisten zelf controle mochten uitvoeren ontstond er een politieke strijd onder de verschillende fracties. Zo kregen de Arbeid Zionisten de prioriteit. Hoewel de HeChalutz leden voornamelijk apolitiek waren werden ze wel beïnvloed door de doctrines van het Arbeid Zionisme. De meeste immigranten behoorden tot de Poalei Zion en een kleinere groep behoorde tot de Zeirei Zion (een verzameling jeugdgroepen die sociaal georiënteerd waren maar niet socialistisch). Na de oorlog splitste de Zeirei Zion op in twee fracties. De linker tak ging samen met de Poalei Zion op in de Achdoet HaAvoda. HaPoel HaZair bleef apart. Een andere groep was HaShomer HaZair bestaande uit leden van de Poolse en Litouwse middenklasse. Zij werd gedeeltelijk beïnvloed door de Duitse Trekvogel jeugdbeweging. HaShomer HaZair was erg socialistisch ingesteld en erg op de kibboets gericht als sociale eenheid. Het werd echter geen politieke macht in de Jisjoev.

Eigenlijk waren de meeste fracties niet politiek georiënteerd. Er waren verschillende jeugdgroepen zoals Gordania, Dror, HeChalutz, HaZair, etc. die zich toewijdden op een rechtvaardige maatschappij.

Joods Tehuis –kvoetsa, kibboets en moshav

De nieuwkomers van de Derde Alija zochten werk. De Britse Mandaatsregering hielp een beetje. Maar de Joden zochten liever werk via Achdoet HaAvoda en Hapoel HaZair. Sommigen brachten een plan mee: Gedud Ha Avodah gebaseerd op het voorstel van Trumpeldor om goed voorbereid naar Palestina te gaan. Een groep HeChalutz arbeiders uit de Krim volgde het voorstel op. Overal probeerden Joden zich in te specialiseren. Er moest een gemeenschap van Joodse arbeiders komen.

Kvoetsa

In de Jisraeel Vallei werd een kvoetsa opgericht: Ein Charod. Deze werd ontwikkeld tot een model van collectieve landbouw. Anderen zagen het als tussenstation voor een 'landelijke commune'. Er ontstond ruzie en de Gedud HaAvoda viel uiteen. Sommigen keerden terug naar de Sovjet Unie waar ze door Stalin en zijn aanhangers gedood werden. Anderen bleven in Palestina en behoorden later tot de politieke elite (van de Mapai partij en de Histadroet vakbond).

Er werd nog een handjevol kvoetsot opgericht maar het aantal leden was in totaal niet meer dan 660. De grootste kvoetsa was Kinneret met 58 leden. Arthur Ruppin, directeur van het Zionistische Uitvoerend Nederzettingen Departement, was drijvende kracht achter de kvoetsa. De kvoetsa had alleen wat startkapitaal nodig. Het was flexibel op kleine stukken marginaal land en was in staat zichzelf te verdedigen in geïsoleerde en kwetsbare regio's in Palestina. De kvoetsa was volgens Ruppin de enige manier om landbouw te bedrijven voor de nieuwe socialistische immigranten van de Derde Alija.

Kibboets

Naast de kvoetsa werd in Tel Yosef een grotere collectieve nederzetting opgericht: de kibboets. De grotere kibboets ging een vitale rol spelen bij de agrarische groei van de Jisjoev. In 1927 werd de HaKibbutz HaMe'uchad opgericht die de exclusiviteit van de kvoetsa verwierp. De Chever Hakvutzot die in 1925 werd opgericht werd een tak van de kibboetsbeweging. Niet alle kibboetsiem waren succesvol. Degenia, Kinneret, Geva en Ginegar stagneerden. In veel opzichten waren de jaren '20 van de 20ste eeuw een crisisperiode in de ontwikkeling van de kibboetsiem. Ze groeiden niet hard en de economische positie bleef precair. Maar met een nieuwe golf immigranten in de jaren '30 kwam er weer nieuwe hoop. De bevolking van de kibboetsiem groeide tijdens de Vijfde Alija tot 25.000 in 117 nederzettingen (5,2% van de Jisjoev).

Hoe zag het leven in de kibboets eruit?

Het leven was er hard. Het collectivisme gebeurde niet alleen vanwege ideologische motieven. Het was een manier van overleven, zowel economisch als fysiek. Andere voordelen waren minder zorg voor de kinderen die gemeenschappelijk werden opgevoed. Taken werden verdeeld zodat er meer tijd over was voor culturele activiteiten, discussies, debatten, lezingen, etc. De kibboetsnik was geen achterlijke boer. Hij was goed ontwikkeld en de leden van de kibboets waren invloedrijk in de Arbeiderspartijen, de Histadroet vakbond, de Va'ad Leumi en de defensie. Later kregen ze een grote vinger in de pap bij de overheid in de staat Israël. Nadeel was het gebrek aan privéleven in de kibboets. Daarom richtten anderen de moshav ovdiem op.

De moshav

De moshav ovdiem (arbeiders coöperatie) was een meer privé gerichte nederzetting. De dorpsdiensten waren coöperatief maar de gezinnen woonden apart en iedereen verdiende een eigen inkomen. De eerste moshav was Nahalal in de Jisraeel Vallei waar uiteindelijk 90 gezinnen woonden. Later kwamen er meer moshaviem in de Jisraeel Vallei, de Chefer Vallei en de Sharon Vlakte.

De moshav was een redelijk succesnummer. De boeren hadden al ervaring opgedaan in de kibboets. Nadeel was dat de moshav niet goed ongetrainde immigranten kon absorberen. Daardoor groeide de moshav minder hard dan de kibboets.

De moshava

Hoe ging het met de moshava (het kapitalistische dorp)? De moshavot groeiden ook snel. Tegen 1927 woonden er 1800 inwoners in Rishon LeZion, 1200 in Rechovot en 6000 in Petach Tikva. Er kwamen ook nieuwe dorpen bij: Ra'anana, Magdiel, Bnei Brak, Herzlia, etc. De dorpen leefden van de citrusteelt en wijngaarden. Ze brachten meer omzet op dan de moshaviem en kibboetsiem. Ze hadden echter politiek gezien veel minder macht dan in de beginjaren. Die invloed lag nu bij de moshaviem en kibboetsiem.

Joods Tehuis – Histadroet, Jewish Agency

Tijdens de Derde Alija traden dichters op de voorgrond die over het land schreven. Zij vormden de stem van de chaloetziot. Dichters waren o.a. Shlonsky, Lamdan, Hameiri, Greenberg en Karni. Ze schreven over de kale woestenij, het fanatisme van de arbeiders en de eerste kvoetsot. Het was angst vermengd met cynische hoop op een nieuwe samenleving. Deze laatste werd vooral door de stad gevormd met de komst van Poolse Joden. Ook aandacht voor de Histadroet en Jewish Agency.

De groei van de stedelijke nederzettingen

Lang niet iedere immigrant was een socialistische pionier. In de jaren 1922-1929 begon de middenklasse toe te nemen door vooral een instroom van Poolse Joden. Zij werden in Polen gediscrimineerd. In de jaren '20 besloot de Poolse minister van financiën, Wladyslaw Grabski, de takken van industrie en handel waar veel Joden in werkzaam waren te nationaliseren. Veel Joodse kooplui raakten zo bankroet. Hun enige hoop was emigratie. Tussen 1924 en 1928 emigreerden 70.000 Poolse Joden naar Palestina. In totaal steeg tijdens de Vierde Alija de Joodse bevolking van 84.000 in 1922 naar 154.000 in 1929. Zij vestigden zich vooral in de steden. Zij legden de basis van de stedelijke economie van de Jisjoev. Zij droegen bij aan het feit dat Tel Aviv zich ontwikkelde tot een stad van 46.000 inwoners in 1929 (daarbij waren ook Joden die Jaffa waren ontvlucht vanwege Arabische rellen) en al 160.000 inwoners in 1939. Het was duidelijk dat veel Joden zich in steden vestigden, meer dan op het platteland waar het percentage overigens ook nog groeide van 14 naar 23% in 1931 en zelfs 29% in 1939.

Industrie

In de jaren '20 van de vorige eeuw kwamen ook de eerste Joodse industrieën van de grond. In 1921 werd een steenfabriek geopend in Tel Aviv. Pinchas Rutenberg bouwde in datzelfde jaar een elektriciteit krachtcentrale in Tel Aviv die snel navolging kreeg in Haifa en Tiberias. Meer fabrieken verschenen zoals zoutverwerking (regio Haifa), korenmolen (regio Haifa), olie- en zeepfabriek (regio Haifa), Nesher cementfabriek (regio Haifa) en verschillende textielfabrieken. Toch waren de meeste industriële ondernemingen maar klein en werkten er weinig mensen. Er werkten echter wel veel mensen in de bouw (in Tel Aviv zelfs 45%).

Vakbonden – Histadroet

De leiders van de Arbeiders Zionisten volgden de ontwikkelingen op de voet. Zij wilden de Palestijnse Joodse economie vorm geven. Hapoel HaZair en Poalei Zion functioneerden als een soort vakbonden en verschaften zelfs basiszorg. Tijdens de oorlog leidden voedsel tekorten tot een consumenten coöperatie (HaMashbier HaMerkazi). Al deze organisaties waren min of meer de voorlopers van de Histadroet (de Vakbond; de Joodse Arbeiders Federatie van Palestina). Maar de werkelijke vorming van de Histadroet werd gedaan door twee politieke fracties: Achdoet HaAvoda en Hapoel HaZair. In december 1920 werd de Histadroet in Haifa opgericht. De Histadroet leden kwamen voornamelijk uit kibboetsiem en moshaviem en legden de nadruk op werkgelegenheid voor Joden op het platteland. De Histadroet organiseerde stakingen om meer Joden op te nemen in de citrusplantages waar veel goedkope Arabieren werkten. Soms werden Arabieren hardhandig naar huis gestuurd met de gedachte dat de Arabische economie voor zichzelf kon zorgen en dat voor de Joodse nieuwkomers werk een kwestie van leven en dood was.

Ook werden Joden in de steden door Joodse kapitalisten uitgebuit. Histadroet begon daarom haar aandacht naar de steden te verschuiven. Niet alleen handarbeiders werden ondersteund maar ook klerken, technici, dokters en advocaten. Er kwamen werkmogelijkheden voor Joden in de bouw, bij de Britse spoorwegen, op postkantoren en andere sleutel sectoren van de stedelijke economie.

Het ging de Histadroet niet alleen om het onderhandelen namens de arbeiders maar ook om het land op te bouwen met het doel een Joodse arbeidersmaatschappij in Palestina op te richten. Deze doelen werden bereikt door de oprichting van een centrale economische coöperatie, de Chevrat Ovdiem. Zo was HaMashbier HaMerkazi een coöperatieve groothandelsmaatschappij die de producten van de kibboetsiem en moshaviem opkocht. Andere maatschappijen die door Chevrat Ovdiem werden opgericht waren Tnuva (zuivelproducten), Bank HaPoaliem (Arbeiders Bank), Shikoen (goedkope huurwoningen), Kupat Choliem (ziekenfonds), Va'ad Leumi (netwerk van scholen), Davar (krant), Ohel (toneelgezelschap), Solel Boneh (bouwmaatschappij).

Politieke samensmelting Achdot HaAvoda en HaPoel HaZair in Mapai

Op het politieke front gingen de Achdot HaAvoda en HaPoel HaZair samen op in de Mapai (Mifleget Poalei Erets Jisraeel) – de Arbeiderspartij van het Land Israël. Spirituele gids van de partij was Berl Katznelson. Hij had o.a. de krant Davar opgericht. Mapai controleerde niet alleen de Histadroet maar ook de Nationale Vergadering en het politieke departement van de Jewish Agency. De Mapai werd vooral gedragen door leiders uit de Tweede Alija: Katznelson, Ben Goerion, Ben-Zvi, Springzak, Remez en Tabenkin. Zij kneedden de ideologie en de instituties van de Jisjoev en later de staat Israël.

De Jewish Agency

Naast de vorming van eenheid in Palestina door Joodse arbeid, had het wereld Jodendom op een andere beperkte manier invloed op de groei van de Jisjoev. De Volkenbond had de Zionistische Organisatie als de Jewish Agency geautoriseerd om samen te werken met Groot Brittannië in het ontwikkelen van het Joods Nationaal Tehuis.

De Keren HaYesod verschafte het voertuig om de Jisjoev te financieren zonder zich aan politiek te wijden. Maar het Britse Mandaat verlangde een agentschap dat Keren HaYesod niet was. Weizmann was degene die met het plan van een vergrote agentschap kwam. Hij kreeg hierbij steun van de Arbeid Zionisten die de grootste groep vormden binnen de Zionistische Organisatie. Op het Dertiende Congres in 1923 werd de vergrote Jewish Agency gesanctioneerd, zij het met moeite omdat er tegenstand was van de niet-Zionisten. In 1925 werden de doeleinden van een Jewish Agency opgesteld:
  • continue groei van de omvang van de Joodse immigratie;
  • afkoop van het land als Joods openbaar eigendom;
  • agrarische kolonisatie gebaseerd op Joodse arbeid;
  • herleving van de Hebreeuwse taal en cultuur.

In de Raad van de Jewish Agency zaten evenveel vertegenwoordigers van de Zionistische Organisatie als van Joodse gemeenschappen in verschillende delen van de wereld. In 1929 werd de vergroting van de Jewish Agency goedgekeurd door het Zionistisch Congres. In augustus 1929 hield de Vergadering van de Jewish Agency een vierdaags congres in Zürich. Weizmann werd gekozen als president en Louis Marshall als voorzitter.

In Palestina zag de Joodse gemeenschap er na 10 jaar Brits Mandaat als volgt uit:

  • meer dan 162.000 Joden (17% van de totale bevolking van Palestina);
  • 37.000 Joden woonden op het platteland in 111 agrarische nederzettingen op 700.000 dunams;
  • 13 agrarische scholen en experimentele stations waren actief;
  • citrusgewassen namen kwantitatief en kwalitatief toe;
  • 1500 fabriekjes en werkplaatsen die zich bezig hielden met textiel, kleding, metalen goederen, chemicaliën, stenen en cement, houtbewerking – een totaal kapitaal van 1 miljoen pond;
  • levenskwaliteit nam toe met verbeterde gezondheidszorg uitgevoerd door Hadassa (vrouwenorganisatie), WIZO (Women's International Zionist Organisation) en Kupat Choliem (ziekenfonds); het sterftecijfer en zuigelingensterfte nam af.

Lees verder

© 2011 - 2019 Etsel, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Palestijnen/Arabieren & Britten medeschuldig aan Holocaustmijn kijk opPalestijnen/Arabieren & Britten medeschuldig aan HolocaustVeel mensen beweren dat de Palestijnen de prijs moesten betalen van de Holocaust. Zou er in Europa geen Joden zijn vervo…
Historische geografie Israël: het Brits Mandaat in PalestinaNa de Eerste Wereldoorlog viel het Ottomaanse Rijk uiteen. De Arabische gebieden werden verdeeld onder Frankrijk en Groo…
Grenzen van Israël: Vanaf de Romeinen tot modern IsraëlVanaf de Romeinen tot aan de moderne staat Israël zijn er verschillende grenzen en districten geweest van het Land Israë…
David Ben-GurionDavid Ben-GurionInmiddels heeft Israël al vele premiers gehad. Toch was ooit een premier de eerste, David Ben-Gurion. Een man die een ni…
Geografie Israël: stedelijke planning vóór 1948Geografie Israël: stedelijke planning vóór 1948In deze geografische studie willen we kijken naar de stedelijke planning in het Land Israël c.q. Palestina vóór 1948. Ge…
Bronnen en referenties
  • A history of Israel (From the rise of zionism to our time) - Howard Morley Sachar
  • Atlas of Israel - Martin Gilbert

Reageer op het artikel "Modern Israël: Brits Mandaat/Joods Nationaal Tehuis"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Etsel
Laatste update: 09-07-2018
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Geschiedenis
Special: Geschiedenis Modern Israël
Bronnen en referenties: 2
Schrijf mee!