InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Geschiedenis > Modern Israël: Confrontatie Joden-Arabieren 1929/1936-'39

Modern Israël: Confrontatie Joden-Arabieren 1929/1936-'39

Modern Israël: Confrontatie Joden-Arabieren 1929/1936-'39 Op 23 augustus 1929 werden Joden in de Oude Stad van Jeruzalem aangevallen door Arabieren. Van hieruit verspreidde het geweld zich over heel het land. De Britten verboden Joden bewapende eenheden op te richten om de nederzettingen te beschermen. Op 26 augustus 1929 waren 133 Joden gedood en 339 gewond. Aan Arabische zijde waren 116 doden gevallen. Na het aan de macht komen van Adolf Hitler in Duitsland nam het aantal Joden in Palestina toe van 230.000 tot 400.000. Op 15 april 1936 begonnen de Arabieren met een algemene staking en werden er aanvallen op Joden en Joods eigendom uitgevoerd. Er volgden zes maanden van geweld. Op 12 oktober 1936 beëindigden de Arabieren hun staking. Er waren in totaal 80 Joden gedood. Maar het geweld bleef nog tot en met 1939 doorgaan. We beëindigen deze special met de White Paper uit 1939. Deze zorgde ervoor dat nog maar weinig Joden Palestina binnen konden komen terwijl Joden in Europa fel vervolgd werden.

Confrontatie –Joden en Arabieren vóór 1917

De Zionisten schonken aanvankelijk niet veel aandacht aan de Arabieren in Palestina. Ze zagen hen niet als een politiek probleem. Ze dachten zelfs dat de Arabieren hen met open armen zouden ontvangen vanwege de investeringen die Joden in Palestina deden. Zelfs Herzl schreef dat in Altneuland. Hij sprak verder weinig over hen. Ook was er aanvankelijk weinig geweld tussen Joden en Arabieren vóór 1900 m.u.v. stroperij maar dat was niet nationalistisch gemotiveerd.

Samenwerking tussen Joden en Arabieren

Hoewel de aankoop van Arabisch land door het Joods Nationaal Fonds tot verarming leidde, hebben Arabieren ook geprofiteerd van de Joodse immigratie. Joden vormden een nieuwe markt voor Arabisch voedsel en diensten. Ze leefden zij aan zij en werkten veel samen en kwamen zelfs bij elkaar op bezoek. Toch vormden de Zionisten een steen des aanstoots voor de Arabische mores, zoals de kibboetsiem, radicale socialistische politiek, alleen werk voor Joden, en gelijkheid tussen man en vrouw. Joden hadden weinig oog voor de Arabische traditie. Dr. Jitschak Epstein, een Zionistische intellectueel, pleitte er voor dat Joden verder keken dan hun eigen nationalisme. Hij wilde dat Joden en Arabieren een verbond zouden aangaan. Maar Epsteins visie werd verworpen, Smilansky, een leider van de Tweede Alija, verweet Epstein een Diaspora manier van denken: bezorgd om wat niet-Joden zeggen.

Opkomst Arabisch nationalisme

Vóór 1908 bestond het Arabisch nationalisme nauwelijks. Het ontwikkelde zich later dan andere volkeren onder Ottomaanse heerschappij (m.u.v. de Albanezen). In 1908 vond de Jong Turkse Revolutie plaats. Er kwam een oproep voor culturele en politieke autonomie. De oproep vond gehoor bij Egyptische en Syrische journalisten die in Caïro woonden. Zij maakten deel uit van de Ottomaanse 'Decentralisatie' partij. Ook waren er nog andere kleine oppositie elementen. Maar het stelde allemaal weinig voor. De enige die de aandacht trok bij de Joden was de christen Naguib Azouri die waarschuwde dat de Joden het oude Koninkrijk Israël wilde herstellen. Maar de Zionisten zagen Azouri meer als een christelijke antisemiet.

Jong Turkse Revolutie gaf problemen van Joods-Arabische relaties een nieuwe dimensie

Arabische moslim leden van het Ottomaanse parlement voerden voor het eerst een anti-Zionistische campagne. Ze waarschuwden dat de Joden een eigen land wilden. Dat werd overgenomen door Palestijnse Arabieren in kranten. In 1911 vormden 150 Palestijnse Arabieren een anti-Joodse associatie in Jaffa. Ze voerden demonstraties tegen Joden en protesteerden bij Constantinopel tegen Joodse aankoop van land. Joden zochten echter loyaliteit bij het Turkse regime en hoopten dat de Turkse regering hen zag als barrière tegen Arabische autonomie. Maar dit leidde nog tot meer Arabische wrok tegen de Zionisten.

In 1913 benaderden Arabische leiders de Zionistische vertegenwoordiger in Constantinopel, Victor Jacobson, om een mogelijk Arabisch-Joods front tegen de Turken te bespreken. Hochberg, de assistent van Jacobson, stelde aan de Arabische leiders voor het Arabisch nationalisme te steunen mits de Zionistische claims werden geaccepteerd, maar dit wilden de Arabieren niet 'om tactische redenen.' Wel zou Hochberg als bemiddelaar optreden tussen het Arabisch Congres en de leiders van de Jonge Turken in Constantinopel. Maar andere Zionisten waarschuwden dat zolang de Turken Palestina in handen hadden ze het gevaar liepen gezien te worden als collaborateurs van de Arabieren. Daarom wezen de Zionisten een ontmoeting met het Arabische leiderschap in mei 1914 af. De Arabier Khalidi waarschuwde de Zionist Sokolow dat regeringen komen en gaan maar dat een volk voor altijd blijft.

Arabische vijandschap

De Arabieren begonnen de Joden na de Eerste Wereldoorlog steeds meer als een bedreiging te zien. Maar de Joden namen het niet serieus. Weizmann bleef zijn hoop op Feisal van Syrië vestigen. Met de Arabieren in Palestina waren alleen goede economische relaties nodig. Feisal nodigde Chaim Kalvarisky uit op het Egyptisch Nationaal Congres in juli 1919. Daar legde Kalvarisky een concept blauwdruk neer van een toekomstige Palestijnse staat voor Joden, moslims en christenen. De Arabische leiders accepteerden dit maar de Nationale Vergadering van de Jisjoev wees het af als 'belachelijk en gevaarlijk.'

Confrontatie – Arabieren in Palestina

Aanvankelijk woonden er maar weinig Arabieren in Palestina. In 1882 bedroeg hun aantal 260.000.Tegen 1920 was dit al gegroeid naar 600.000 en in 1931 was dit 840.000 (81% van de bevolking). Hiervan waren 75.000 christelijke Arabieren die redelijk waren opgeleid. De moslim Arabieren waren vaak ongeletterde keuterboeren. De groei van de Arabische bevolking tussen 1922 en 1946 was mede te danken aan de toestroom van 100.000 Arabieren uit omliggende landen.

Veel Arabieren kwamen naar Palestina

Ondanks de beperkte condities waaronder de Arabieren in Palestina leefden waren de omstandigheden aanzienlijk beter dan in de rest van het Midden-Oosten. De Arabische bevolking groeide tussen 1922 en 1946 met 118% (bijna 5% per jaar). Maar het was niet allemaal natuurlijke groei. Er kwamen in deze periode ongeveer 100.000 Arabieren uit omringende landen naar Palestina toe. Dit kwam door het Britse Mandaat maar vooral door de economische mogelijkheden die door de Joden waren gecreëerd. Indirect profiteerde de Arabische sector van overheidsuitgaven die aanzienlijk waren door Joodse bijdragen; direct profiteerde de Arabische sector door nieuwe markten en werkgelegenheid. De Arabieren trokken naar de regio's waar Joden woonden (Haifa, Jaffa en Jeruzalem en Arabische steden bij Joodse agrarische nederzettingen). In de industrie nam de Arabische deelname met 25% toe. Ook waren de Arabieren zich bewust van de voordelen van Joodse kolonisatie.

Negatieve rol van de Britten

Een belangrijke oorzaak van de Arabische anti-Zionistische houding was de openlijke vijandigheid van het Britse militaire regime t.a.v. het Zionisme. In sommige gevallen torpedeerde de Britten veelbelovende gezamenlijke gesprekken tussen Joodse en Arabische leiders. Zo wilden Joden en Arabieren samenwerken om de Fransen uit Syrië te krijgen. Een ander voorstel was het verwerpen van de Balfour Verklaring door de Zionisten en omgaan met de Arabieren als natie tegenover natie. De Britten verzochten echter de Zionisten alle discussies uit te stellen tot het mandaat was bekrachtigd.

In april 1922 spraken Joden en Arabieren weer verder. Zij besloten tot samenwerking. Joden zouden hun Arabische buren economische en politieke hulp geven en de Arabieren zouden ophouden met anti-Zionistische propaganda en een gemengde christelijke-moslim-Joodse commissie instellen. De Joden zouden niet meer verwijzen naar de Balfour Verklaring terwijl de Arabieren zich niet meer in zouden laten met hun 1915-verdrag (Hoessein-McMahon correspondentie). Maar opnieuw verboden de Britten verdere discussies. Dus er zou geen akkoord komen tussen de Arabieren en Joden onafhankelijk van de Britten.

Palestijns Arabische politiek

Niet alleen het Britse beleid ondermijnde samenwerking tussen Arabieren en Joden. Ook de Palestijns Arabische politiek was bepalend. Het was een projectie van Syrisch nationalisme. De val van het Feisal regime en het verplaatsen van de hoofdkantoren van Damascus naar Jeruzalem speelden een cruciale rol in de ontwikkeling van authentiek Palestijns Arabisch nationalisme.

In december 1920 vormde de Moslim-christelijke Associaties zich om in een Palestijns Arabisch Congres. Er kwam een Arabisch Uitvoerend Orgaan dat zich verzette tegen het Britse Mandaat en het Joods Nationaal Tehuis. Het uitvoerend orgaan vreesde zowel de moderne Joodse invloeden op de fehallien (keuterboeren) als de politieke gevolgen van de Joodse immigratie. Het Palestijns Arabisch Congres kreeg steeds meer invloed bij de Arabische gemeenschap van Palestina. De afgevaardigden werden gekozen door de Moslim-christelijke Associaties. Maar de nationale beweging werd al snel het monopolie van de Hoesseini clan. Niet alleen op de politiek was haar invloed groot, ook op de religieuze zaken van de Islamitische gemeenschap. Zo was de Groot Moefti van Jeruzalem Haj Mohammed Amim al-Hoesseini (die met minder stemmen werd gekozen dan drie andere kandidaten).

Groot Moefti Haj Mohammed Amin al-Hoesseini

Amim al-Hoesseini werd in 1893 geboren. Hij groeide op in Jeruzalem en ging later in Caïro naar de universiteit. Hij diende daarna als Ottomaanse officier tijdens de oorlog en keerde naar Jeruzalem terug, toen de Britse bezetting een feit was, om politiek actief te worden. Hij was één van de aanstichters van de Nebi Musa rellen in 1920. Hij vluchtte naar Trans-Jordanië en werd in afwezigheid tot tien jaar cel veroordeeld. Maar hij kreeg spoedig amnestie en keerde in 1921 terug naar Jeruzalem waar hij Moefti werd. In 1922 werd hij als president gekozen van de Moslim Raad. Nu was hij religieus hoofd, nationaal leider en senior overheidsfunctionaris. In die hoedanigheid begon hij de islamitische bevolking voor zijn eigen persoonlijke en nationale ambities te mobiliseren. Dat was aanvankelijk niet zo effectief. Hij ondervond tegenstand van de Nashashibi clan. Ook de nieuwe Hoge Commissaris van Palestina Viscount Plumer duldde geen onrust. Bovendien nam de Joodse immigratie wat af vanwege een recessie in Palestina. In 1928 toonde het Zevende Palestijns Arabische Congres zich zelfs gematigd door parlementaire instituties op basis van democratische meerderheden te verlangen.

Confrontatie – Arabische rellen van 1929

Zowel de Britten als de Joden onderschatten aanvankelijk het gevaar van het Arabisch geweld. Weizmann concentreerde zich meer op Feisal en de leiders van Syrië en Egypte dan op de Arabieren in Palestina. Maar de gewelddadigheden van 1921 leidde ertoe dat een aantal Zionisten (o.a. George Landauer en Chaim Arlosoroff) wel in gingen zien dat de Arabieren een gevaar vormden. Toch was het Zionistische beleid gericht op immigratie als fait accompli.

Economische voordelen voor de Arabieren

De Arbeid Zionisten zagen de Joodse aanwezigheid in Palestina nog altijd als economische voordelen voor de Arabieren. Deze economische voordelen moesten het beslissende antwoord zijn op Arabisch nationalisme. Vooral Berl Katznelson veronderstelde dat de keuterboeren (fehallien), die uitgebuit werden door grote landheren, de voordelen van de Joodse economie zouden inzien. Ook Ben Goerion dacht dat de Arabische massa's zouden begrijpen dat Joodse kolonisatie welvaart zou brengen. De Joodse arbeidersklasse zou een verbond moeten aangaan met haar Arabische tegen partner. In 1927 richtte de Histadroet een Confederatie van Palestijnse Arbeid op voor alle arbeiders in Palestina. Maar desondanks bleef het ongeïnteresseerd in gezamenlijke Arabisch-Joodse vakbonden.

Landverkoop aan Joden door effendi wekt woede op bij Arabische boeren

Er waren een aantal zaken die kwaad bloed zetten bij de Arabieren. Ten eerste groeide weliswaar hun levensstandaard, maar de Joodse levensstandaard groeide sneller. Ten tweede waren de Arabieren boos over de verkoop van land aan de Joden waarbij het Joods Nationaal Fonds bepaalde dat eenmaal door Joden opgekocht land niet meer aan Arabieren verkocht mocht worden en dat de landerijen niet voor Arabische werkgelegenheid openstond. Dit waren niet de klachten van de effendis (landheren), die juist het land voor extreem hoge prijzen aan Joden verkochten. Ten derde nam in 1929 de Joodse immigratie naar Palestina weer toe. Al deze zaken leidden ertoe dat in 1929 geweld uitbrak en Joden werden aangevallen door Arabieren.

Geweld in Jeruzalem en de rest van Palestina in 1929

Geweld ontstond in de Oude Stad van Jeruzalem. De Arabieren bezaten het Tempelberg complex inclusief de Westelijke Muur (Klaagmuur). De Westelijke Muur was sinds de Middeleeuwen toegankelijk voor Joden om er te bidden. Kort voor Grote Verzoendag in 1928 plaatsten Joden een scheiding op het plein voor de Westelijke Muur tussen mannen en vrouwen. De Arabieren beweerden dat de status quo was aangetast. De Britten beaamden dit en haalden de scheiding weg. De Zionistische Organisatie diende een klacht in bij Londen en Genève. De Arabieren deden ondertussen een beroep op de moslimwereld met de leugen dat de Joden trachten controle te krijgen over de Al Aksa moskee. De Moefti's Hoge Moslim Raad riep Arabische arbeiders op te gaan werken bij de Westelijke Muur om zo de Joodse eredienst te verhinderen. Er werd ook een islamitische religieuze ceremonie gehouden om Joodse gebeden te verhinderen. Er volgende maanden van protesten en tegen protesten. Op 11 juni 1929 bepaalde de Hoge Commissaris dat Joden hun eredienst zonder verstoring mochten uitvoeren. Maar de moslims gingen door met bouwen.

Zowel Joden als moslims waren ontevreden. Een rechtse Joodse jeugdgroep ging een vreedzame mars houden bij de Westelijke Muur. De moslims kwamen daarop met een tegendemonstratie. Moslimleiders jutten de bevolking op en riepen hen op de Al Aksa te beschermen tegen Joodse aanvallen. Op 23 augustus 1929 stroomden gewapende Arabieren Jeruzalem binnen. Ze vielen de orthodoxe Joodse wijken aan en spoedig verspreidde het geweld zich over heel het land. In Hebron werden 60 Joden vermoord en 50 verwond. Ook in andere plaatsen vielen slachtoffers. In totaal vonden 133 Joden en 87 Arabieren de dood. Het Britse Mandaat nam maatregelen tegen de Arabieren. Maar de Moefti eiste dat er ook onderzoek gedaan zou worden naar Joods geweld.

Confrontatie – Na de rellen van 1929

Na de Arabische rellen van 1929 constateerden de Zionisten dat ze op weinig sympathie konden rekenen van de Britse regering. Het Baldwin kabinet was in 1929 gevallen en de Labourpartij -die niet pro-Zionistisch was- kwam in Engeland aan de macht. Lord Passfield, minister van koloniale zaken, zei tegen Weizmann dat hij tegen Joodse massa immigratie was. De politieke gevolgen van de Arabische rellen bedreigden de toekomst van het Joods Nationaal Tehuis.

Shaw Commission onderzoekt oorzaak Arabische rellen van 1929

Vijf weken lang hield de Shaw Commission hoorzittingen over de Arabische rellen van 1929. Op 31 maart 1930 kwam het eindrapport: de Arabieren waren verantwoordelijk voor het geweld. De Moefti en individuen van de Arabic Executive hadden een groot aandeel in de onrust. De oorzaak was dat de Arabieren teleurgesteld waren over hun politieke en nationale aspiraties en angst hadden over hun economische toekomst. Daarom gedroegen ze zich vijandig tegenover de Joden. Om die reden werd de Mandaat regering verzocht de Joodse immigratie te beperken en Arabische pachters te beschermen tegen Joodse landaankoop. Ook mocht de Jewish Agency geen deel uitmaken van de regering in Palestina.

Sir John Hope Simpson naar Palestina

Het Shaw Rapport zorgde voor consternatie bij de Zionisten en vreugde bij de Arabieren. De Britse regering ging akkoord met de aanbevelingen en nam nog extra maatregelen om Joodse immigratie tegen te gaan om de Arabische bevolking te beschermen. De regering zond Sir John Hope Simpson naar Palestina. Die reisde drie maanden rond en maakte een rapport op. Hij kwam tot de conclusie dat de Joodse immigratie en Joodse landaankopen beperkt moesten worden. Hij zei dat er niet meer dan 100.000 mensen bij konden waarvan niet meer dan de helft Joden. De Zionisten vonden de conclusies van Hope Simpson onterecht. De Joden waren niet verantwoordelijk voor de armoede van de Arabieren. Officiële statistieken lieten zien dat veel land in Joods bezit voorheen moeras was of niet bebouwd werd. De hele Jisjoev bezat maar 6,3% bebouwbaar land. Ook was de Arabische levensstandaard toegenomen dankzij de Joodse aanwezigheid in Palestina; veel Arabieren kwamen juist naar Palestina toe om te profiteren van de economische groei.

Passfield White Paper

Op 20 oktober 1929 kwam de Britse regering met de Passfield White Paper. Joodse immigratie moest uitgesteld worden totdat de werkloosheid in Palestina minder zou worden. Er zou geen land meer beschikbaar zijn voor agrarische kolonisatie door nieuwe immigranten. De Passfield White Paper ging verder dan de Churchill White Paper; het verwierp de Balfour Verklaring. Naast immigratiebeperking en het verbod op aankoop land werd ook in negatieve termen gesproken over de Zionistische bijdrage aan de ontwikkeling van Palestina. Uiteraard waren de Zionisten hier boos en bedroefd om en de Arabieren blij. Weizmann reageerde nog gematigd. Andere Joden protesteerden via brieven, petities en ontmoetingen bij publieke Britse figuren. De conservatieve Britten distantieerden zich van Passfield White paper. Ook kwam er een schisma binnen de Labourpartij.

Op 13 februari 1931 schreef premier Mac Donald een brief aan Weizmann waarin het Passfield White paper werd opnieuw geïnterpreteerd. De Joodse immigratie werd nu gezien als een plicht van het Mandaat dat uitgevoerd kon worden zonder dat de rechten van de Arabieren in gevaar zou komen. Ook de aankoop van land door Joden zou niet verboden worden. Het Jewish Agency zou Joods werk mogen verschaffen op Joodse ondernemingen. De brief werd aan de media openbaar gemaakt en werd een officieel document. De Arabieren zagen de brief echter niet als het laatste woord en vonden dat dit het beleid van samenwerking tussen Arabieren en Joden belemmerde.

Confrontatie – Polarisatie Joden-Arabieren

De Arabische bevolking van Palestina was in 1935 toegenomen tot 960.000 (stijging van 67% in twee decennia). De Arabische stedelijke bevolking droeg in 1936 zo'n 398.000. De Joodse investeringen in Palestina stimuleerde de Arabische economie (in mindere mate was de Mandaat regering hiervoor verantwoordelijk). Door toenemende alfabetisme, een groeiende middenklasse en grote aantallen Arabieren werkzaam in de witteboordensector nam het nationalisme toe.

Moefti en Palestina Arabische Partij

In 1935 werd de Palestina Arabische Partij opgericht door de neef van de Moefti, Jamil al-Hoesseini. De echte leiding was echter in handen van de Moefti. Verbonden met de Hoesseini's waren verschillende burgemeesters en leiders van de afdelingen van de Palestina Arabische Arbeiders Gemeenschap in Haifa en Jeruzalem. De politieke partij richtte ook een eigen paramilitaire groep op, de al-Futuwwa, die een militante houding aannam tegen de Balfour Verklaring en het Mandaat.

De Nashashibi familie

De Nashashibi familie verzette zich tegen het leiderschap van de Moefti. In 1935 kwam ze met de Nationale Defensie Partij en de Nashashibi clan kreeg steun van boeren uit Galilea en een aantal Arabische burgemeesters in de kuststeden. De familie had nauwe banden met Abdoellah van Trans-Jordanië. Niet alleen de Hoesseini's waren hun tegenstanders ook een aantal andere organisaties die zich in de beginjaren '30 hadden ontwikkeld. Het waren geen echte politieke groeperingen maar meer belangengroepen van ambitieuze individuele families. Ze werkten niet echt samen en konden zo geen vuist maken tegen de Zionisten en de Britten. De groepen bestreden elkaar zelfs. Zo blokkeerde de Nashashibi familie de verkiezing van Jamil al-Hoesseini als nieuwe president van de Arabische Uitvoerende Raad in 1934. Ze beschuldigden elkaar van het verkopen van land aan de Joden of het ontbreken van Arabisch patriottisme.

Zionisten zagen geen noodzaak eigen intenties in Palestina te definiëren

Het gebrek aan Arabische eenheid zorgde ervoor dat de Zionisten geen noodzaak zagen om eigen intenties in Palestina te definiëren. Zelfs de rellen van 1929 brachten hier geen verandering in. Er werd door de Zionisten geen officieel standpunt ingenomen inzake de relatie met de Arabieren.

Brit Shalom – Martin Buber, Gershom Scholem – binationale Joods-Arabische staat

Op individueel niveau waren een aantal Joodse denkers die wel met het probleem worstelden. Eén van hen was Juda Magnes (een reform Rabbijn) die zich zorgde maakten over de exclusieve gevolgen van het Joods Nationaal Tehuis. Zijn ideeën werden gedeeld door Brit Shalom, een organisatie van Joodse intellectuelen die pleitte voor een binationaal Arabisch-Joodse staat in Palestina. Bekende namen bij deze organisatie waren Gershom Scholem en Martin Buber. Het was echter vooral een ideologische en geen politieke beweging. Ze had nauwelijks invloed op de leiders van de Jisjoev. Ook kreeg het geen respons van de Arabieren. De radicale HaShomer HaZair pleitte nog wel voor een binationale regering in een gewijzigde vorm. Het streefde naar klasse en politieke solidariteit tussen Joodse en Arabische arbeiders. Toch deden de leiders van het Zionisme weinig om toenadering te zoeken tot de Arabieren. Vooral de Arbeiders Zionisten streefden naar een zelfstandige economie en gemeenschap in Palestina. Chaim Weizmann wilde echter een gematigd beleid voeren om Britse goodwill en begrip te kweken. Weizmann was zelfs tegen een Joodse meerderheid in Palestina. Het garandeerde volgens hem geen veiligheid en was niet nodig om Joodse beschaving en cultuur te ontwikkelen. Hij vreesde dat het streven naar een Joodse meerderheid in Palestina door de wereld gezien zou worden als een proces om Arabieren te verdrijven. Tijdens het Zeventiende Zionistische Congres trad Weizmann af als voorzitter vanwege onenigheid met de andere Zionisten. Toch namen de Zionisten even later een gematigde definitie aan waarbij geformuleerd werd dat geen van beide volken zal domineren of gedomineerd zal worden ongeacht de numerieke meerderheid. Ben Goerion gaf lippendienst aan dit gematigd standpunt maar verklaarde later dat zwakte de zonde was van de Joden. David Ben Goerion wilde de Joodse zelfverdediging in Palestina versterken, de Jisjoev opbouwen en het Mandaat aanmoedigen haar verplichtingen jegens het Joods Nationaal Tehuis na te komen. Hij zei dit ook eerlijk tijdens ontmoetingen met Arabische leiders. De Joden hadden volgens Ben Goerion maar één plek om te gaan: Palestina; de Arabieren konden naar veel gebieden in de Arabische wereld gaan.

In 1936 werd Chaim Weizmann opnieuw president van de Zionistische Organisatie. Hij sprak over gelijke rechten voor Joden en Arabieren in Palestina onafhankelijk van hun bevolkingsaantallen. Moshe Sertok bevestigde dit standpunt namens de Jewish Agency.

Confrontatie – Revisionistisch Zionisme

Voor Joden uit Polen, Roemenië en Hongarije die leden onder het antisemitisme was er geen tijd om een gematigd standpunt in te nemen. Zij zagen het Joods Nationaal Tehuis als enige optie om de pogroms in Europa te ontvluchten. Vladimir Jabotinsky werd de woordvoerder van de maximalistische benadering. Hij beschouwde het Zionisme als instrument voor Joden om trots en militant te zijn. Hij werd na Herzl de meest charismatische figuur van het Zionisme.

Vladimir Jabotinsky: symbool van militant Zionisme

Vladimir Jabotinsky had eerder het Joods Legioen opgezet. Daarna begaf hij zich in de politiek en pleitte voor grootschalige Joodse immigratie en een officiële erkenning van een Joodse gewapende macht in Palestina. Jabotinsky richtte de Haganah op en werd haar eerste commandant. Hij leidde de weerstand tegen de Nebi Musa rellen in april 1920. Hij werd daarbij door de Britten gearresteerd en kreeg een lange gevangenisstraf hoewel hij snel amnestie kreeg. Onder de Joodse jeugd werd hij het symbool van het militant Zionisme. Hij verzette zich tegen de gematigde stellingname van Chaim Weizmann tijdens zijn lidmaatschap van de Zionist Executive. Later verhuisde hij naar Berlijn en nam zitting in het bestuur van Rassviet. Hiermee viel hij het Zionistische leiderschap aan.

Revisionistische beweging

Na de dood van Nordau en Oskar Marmorek besloot Jabotinsky een alternatieve politieke beweging op te zetten. In Letland en Litouwen ontmoette hij militante jongeren die dezelfde ideeën hadden als hij en die zich georganiseerd hadden in de Beitar (Betar). In 1924 verhuisde Jabotinsky Rassviet naar Parijs en richtte in 1925 de Revisionistische beweging op. Het Revisionisme eiste een systematische en actieve deelname van het Mandaat in de vestiging van een Joodse gemenebest. Massa kolonisatie vereiste actieve staatshulp. Dus Jabotinsky wilde Groot Brittannië als partner bij de opbouw van een Nationaal Tehuis terwijl Weizmann dat zag als taak van het Joodse volk.

Binnen een paar jaar pleitte de Revisionistische beweging om Palestina (inclusief Trans-Jordanië) om te vormen in een zelfbesturend gemenebest o.l.v. een Joodse meerderheid. Er zouden elk jaar 40.000 Joden naar Palestina moeten komen in 25 opeenvolgende jaren. Met de Arabieren was geen compromis mogelijk. In 1925 had de Revisionistische beweging slechts 4 afgevaardigden bij het Zionistisch Congres maar Jabotinsky had al wel tienduizenden volgelingen. In 1931 had de beweging 52 afgevaardigden bij het Congres.

Spanning tussen de Revisionistische beweging en het Zionistisch leiderschap

Er waren verschillende oorzaken voor een crisis tussen Jabotinsky en het Zionistische leiderschap:
  • De Jewish Agency werd vergroot met niet-Zionisten.
  • De Britten waren bereid van het Joods Nationaal tehuis af te zien onder Arabische druk.
  • De Zionistische Organisatie vaardigde een minder duidelijke verklaring uit van de Joodse intenties in Palestina.

Jabotinsky besloot met de Revisionistische beweging de Zionistische Organisatie te verlaten. Dit werd bespoedigd door het Achttiende Zionistische Congres en de moord op Arlosoroff. In de zomer van 1935 werd de Nieuwe Zionistische Organisatie opgericht. Het Eerste Congres vond in Wenen plaats. De afgevaardigden werden door 713.000 Revisionisten gekozen.

Radicalisering van de Revisionistische beweging

In samenwerking met de Smigly-Ridz regering in Polen werd een 'tienjaren plan' opgesteld voor Joodse massa emigratie naar Palestina. Ook regelden de Revisionisten illegale immigratie. Tegen 1939 werden er 15.000 Joden naar Palestina gebracht. De Nieuwe Zionistische Organisatie had een netwerk van studentengroepen, veteranengroepen, vrouwengroepen, een middelbare school, en sportclubs. In Palestina werd de Irgoen Zvai Leoemi opgericht die vergeldingsacties tegen Arabieren uitvoerde. Eind jaren '30 radicaliseerde de Revisionistische beweging o.l.v. de Beitar jeugdbeweging met 78.000 leden in 26 landen in 1938. Beitar hield zich bezig met het voorbereiden van haar leden op het leven in Palestina, onderhield opleidingsboerderijen en leidde Hebreeuwse klassen. Daarnaast was er aandacht voor paramilitair onderwijs en discipline, gymnastiek, en uniformen. Beitar leden waren rechtser dan Jabotinsky die ze wel als hun leider zagen. Maar Jabotinsky voelde zich ongemakkelijk omdat Beitar aanleunde tegen het fascisme. Toch streden Jabotinsky en Beitar samen tegen het nazisme.

Middenklasse

Hoewel Jabotinsky oorspronkelijk een bewonderaar was van de kibboets en moshav was hij negatief over het socialisme vanwege de slechte ervaring tijdens de Bolsjewistische Revolutie op zijn familie en het Russisch Zionisme. Hij richtte zich daarom op de Joodse middenklasse in Palestina. In 1932 richtte hij de Nationale Arbeid Federatie op die onafhankelijk van de Histadroet (de socialistische vakbond) opereerde.

Moord op Chaim Arlosoroff

Het dieptepunt in de relatie met de Arbeiders Zionisten was de moord op Chaim Arlosoroff door de Revisionist Avrham Stavsky. Deze werd later veroordeeld en opgehangen. Na de Tweede Wereldoorlog kwam men er achter dat Stavsky misschien onschuldig was. Maar de toon was reeds gezet en Ben Goerion betitelde Jabotinsky als fascist en noemde hem vaak 'Vladimir Hitler'.

Confrontatie – Vijfde Alija/groei Zionisme

De groei van de kapitalistische onderneming in Palestina in de jaren '20 en '30 was indrukwekkend. Ze was vooral actief in de citrusteelt. De export steeg van 2,5 miljoen in 1931 naar 5,9 miljoen in 1936. Het aantal Joodse arbeiders op de citrusplantages nam toe van 8.000 tot 16.000. De thuismarkt was groot en er werd geëxporteerd naar Egypte en Zuid-Afrika. Terwijl in de wereld een depressie was, kende Palestina een opbloei die mede veroorzaakt werd door de Vijfde Alija.

De Vijfde Alija

Deel van het succes was te danken aan de Bijbelgetrouwe nieuwe Hoge Commissaris Sir Arthur Wauchope die de Joodse kolonisatie een warm hart toedroeg. Maar de belangrijkste reden voor de economische groei was de sterke toename van Joodse immigratie: van 12.500 in 1932 naar 66.000 in 1935. De bevolking groeide in die periode van 185.000 naar 375.000. De meerderheid van de Joden kwam uit Oost-Europa. Maar er kwamen nu ook veel Joden uit Centraal-Europa die vluchtten voor het nazisme. Deze Joden bezaten veel vaardigheden, kapitaal en cultuur. Zij vormden de Vijfde Alija.

Duitssprekende Joden

De Duitssprekende Joden waren een economisch succes voor de Jisjoev. Zij waren Zionistisch, goed onderwezen en tamelijk welvarend. Zij integreerden binnen enkele jaren in Palestina. Ongeveer een kwart van hen vestigden zich in dorpen. Veel jongeren werden lid van de kibboets. Zij maakten deel uit van de Jeugd Alija. Het aantal inwoners van agrarische nederzettingen steeg van 45.000 in 1931 naar 105.000 tegen 1939. Dit was 27% van de Jisjoev. Dankzij de onderzoekstations van de Jewish Agency en de moderne irrigatietechnieken nam de landbouw in kwaliteit toe. Tegen 1938 werd er winst gemaakt in de landbouw.

De meeste immigranten van de Vijfde Alija gingen echter in de steden wonen, vooral de grotere steden. Tel Aviv en haar voorsteden namen veel immigranten op. Het metropolitane gebied van Tel Aviv-Jaffo groeide van 46.000 in 1931 naar 135.000 in 1935. De bevolking van Jeruzalem groeide van 53.000 in 1931 naar 70.000 tegen 1935. In Haifa werd een moderne Britse haven geopend en werd in 1934 de oliepijplijn terminal uit Mosul (Irak) gereed.

Duitse Joden kregen van de Nazi's toestemming om kapitaal naar Palestina over te brengen. Er werd ongeveer 63 miljoen Pond aan kapitaal geïmporteerd. De economie groeide snel: metaal, textiel en chemicaliën. Het aantal bedrijven groeide van 6.000 in 1930 tot 14.000 in 1937. Het aantal arbeiders steeg in dezelfde periode van 19.000 tot 55.000. Het gebruik van elektriciteit door de industrie steeg met het zevenvoudige. In de jaren '30 nam ook de handels-, zee- en luchtroutes naar Europa en Azië toe.

De groei van het Zionisme

Na de moord op Arlosoroff nam de invloed van de Revisionistische beweging af. De socialisten verstevigden hun greep op de Jisjoev. Voor seculier niet-socialisten was het Algemeen Zionisme een alternatief voor het Revisionisme. De rol van de Jewish Agency in de quasi-regering van de Jisjoev was groter dan die van de Nationale Vergadering. Het Algemeen Zionisme was evenwel niet echt een partij in de verschillende Zionistische Congressen. Het vertegenwoordigde meer de Zionisten die zich niet thuis voelden bij Mizrachi (religieuze Zionisten), Poalei Zion (socialistische Zionisten) of de Revisionisten. Er zaten wel grote namen bij zoals Weizmann, Sokolow, Brandeis en anderen. Het vormde de middenklasse en de hoofdstroom. In 1921 was het nog groot met 73% van de afgevaardigden op het Twaalfde Zionistische Congres, maar in 1931 was dat nog maar 36%. Er was ook geen machtsbasis in de Jisjoev van de Algemeen Zionisten. In 1935 ontstonden er twee kampen binnen het Algemeen Zionisme: de conservatieven en de liberalen (de Confederatie van Algemeen Zionisten). De conservatieven waren de kampioen van de privé onderneming. De groep was kleiner dan de liberalen.

Het religieus Zionisme (Mizrachi), groeide in de 20ste eeuw. Rabbijnen vochten voor de Tora van binnenuit het Zionisme. Traditionele immigranten werden aanhangers van Rabbijn Avraham Kook, de leider van de Mizrachi. Kook zelf stond gematigd tegenover seculiere Joden, maar zijn volgelingen niet. Daardoor bleef de Mizrachi klein.

Agoedat Jisraeel, de beweging van de ultra-orthodoxe Joden, was tegen het Zionisme. In 1927 kreeg het erkenning van de Britten om een aparte status te houden buiten de georganiseerde Knesset Israël.

De versplintering van het Zionisme werd niet alleen veroorzaakt door ideologie maar ook door procedures en praktijken binnen de Zionistische Organisatie zelf. Ook bepaalde de Jewish Agency welke immigranten het land binnenkwamen. Zo streed iedere partij om zoveel mogelijk eigen immigranten binnen te halen om zo haar positie binnen de Zionistische Organisatie te versterken. De partijen bepaalden zelfs het gemeenschapsleven (nederzettingen, banken, scholen, etc.).

Binnen de Diaspora bleef het Zionisme een minderheid. Er werd weinig geld opgehaald. Toch groeiden de Zionistische jeugdbewegingen in Europa en de Verenigde Staten. De leden moedigden emigratie naar Palestina aan. In Polen en de Baltische staten werd een netwerk van scholen opgericht. Het Zionisme werd door de Joden ook steeds meer gezien als vrijheid, fysieke en spirituele ontwaking, waardigheid en zelfverzekerdheid.

Britse weerstand – Arabische opstand 1936

Ondanks de militaire overmacht van Groot-Brittannië streefde het naar Arabische onafhankelijkheid in het Midden-Oosten: Irak, Trans-Jordanië, Egypte, Libanon, Syrië. Er waren inmiddels 400.000 Joden in Palestina in 1936. De Arabieren wilden een einde maken aan het Britse Mandaat. Zij wilden onafhankelijk worden zoals inmiddels ook met andere landen was gebeurd. De Arabieren in Palestina werden hierbij op gejut door Italiaanse en Duitse propaganda.

Nazi propaganda in het Midden-Oosten

Hoewel Hitler erkende dat Italië in het bezit was van delen in het Midden-Oosten was het zijn bedoeling om de positie van de Britten en de Fransen in het Midden-Oosten te ondermijnen. Tegen 1935 begon Duitsland Nazi propaganda in het MO te verspreiden d.m.v. radio uitzendingen, cursussen, 'educatieve' activiteiten, etc. Er werd een verband gelegd tussen Nazi-Pan-Germanisme en Pan-Arabisch nationalisme. Er werd een harde anti-Joodse campagne gevoerd. Toen de raciale wetten van Nuremberg in 1935 werden ingesteld kreeg Duitsland lof uit alle delen van de Arabische wereld. In de hele Arabische wereld ontstonden ultra rechtse politieke groeperingen en partijen die het Nazisme en het fascisme imiteerden.

De kiemen van de Arabische Opstand van 1936-1939

Ondanks de Arabische steun aan het Nazisme hielp de opkomst van het Nazisme bij de groei van het Zionisme. Vele Joden trokken vanuit Europa richting Palestina. De Nazi's hielpen zelfs Joden om naar Palestina te vertrekken door hen toe te staan kapitaal uit Duitsland mee te nemen. Ook kregen de Zionisten toestemming van Adolf Eichmann om trainingskampen op te zetten voor toekomstige Joodse emigranten naar Palestina. Tegen 1939 vluchtten 275.000 Joden uit het Grote Duitse Rijk. Ongeveer hetzelfde aantal vluchtte uit Polen, Hongarije en Roemenië. Maar immigratie naar Palestina werd beperkt en niet meer dan een derde van van de gevluchte Joden kwam in Palestina aan. Desondanks wakkerde de komst van de Joden de onrust bij de Arabieren aan. Er waren inmiddels 400.000 Joden in Palestina in 1936. De Arabieren wilden een einde maken aan het Britse Mandaat. Zij wilden onafhankelijk worden zoals inmiddels ook met Irak, Libanon, Syrië, Trans-Jordanië en Egypte was gebeurd.

De onlustgevoelens onder de Arabieren in Palestina werden geuit door een jonge groep Arabische schrijvers. Een aantal van hen kwam uit Nabloes. Ze pleitten voor een heilige Arabische oorlog voor Palestina. Deze gevoelens werden aangewakkerd door de komst van veel Joodse immigranten tijdens de Vijfde Alija en de standpunten van militanten Zionisten die tegen de Arabieren waren. Ook zagen de Arabieren dat de Joodse landaankopen toenamen, dat Arabische fehallin wegtrokken naar de steden en dat de Joodse agrarische sector het goed deed. Tevens zagen ze de Joodse levensstijl als bedreigend voor hun traditionele manier van leven.

De spanning in Palestina werd versterkt door de Duitse en Italiaanse propaganda en de religieuze haat van de Moefti en zijn aanhangers. Een poging van de Hoge Commissaris, Sir Arthur Wauchope, in 1935 om een wetgevende raad bestaande uit Arabieren en Joden op te richten stuitte op grote weerstand van zowel Arabieren als Joden.

Het begin van de Arabische Opstand van 1936-1939

In april 1936 begon het Arabisch geweld tegen Joden. Een bus werd tot stoppen gedwongen en twee Joodse inzittenden werden gedood. De volgende nacht werden twee Arabieren door Joden vermoord uit wraak. Daarop begonnen aanhangers van Sheik Farhan al-Sa'ada met het vernietigen van Joods eigendom, gewassen en het doden van Joodse burgers. Het Britse bestuur legde een uitgaansverbod op voor de grote steden. De Moefte greep echter zijn kans en richtte een Arabisch Hoger Comité op die eerst opriep geen belasting te betalen en later kwam met een nationale staking van Arabieren. Moefti Haj Amim riep op tot geweld en een massale staking tegen het immigratiebeleid van de Britten die zeven maanden zouden gaan duren. Ironisch genoeg leidde de Arabische staking tot een opbloei van de Joodse economie: grote aantallen Joodse arbeiders namen de plaats in van goede Arabische arbeiders op de citrusplantages. Ook werden nu Joodse producten verkocht in plaats van Arabische.

In de zomer van 1936 begonnen ongeregelde Arabische troepen met gevechten rond de heuvels van Jeruzalem, Galilea en Samaria. Ze werden hierbij geholpen door Syrische en Irakese vrijwilligers o.l.v. Fawzi al Qawukji uit Syrië. Zij voerden 's nachts aanvallen uit op Joodse boerderijen. Maar de Arabische staking begon zich tegen de Arabieren zelf te keren. Op 11 oktober 1936 besloot het Arabisch Hoger Comité de staking te beëindigen uit angst voor een Britse militaire campagne (er waren al 20.000 Britse soldaten in Palestina en 10.000 waren reeds onderweg naar het Heilige Land). De buitenlandse Arabische strijders konden rustig Palestina verlaten en het georganiseerde geweld nam langzaam af. De opstand had tot nu toe aan 197 Arabieren, 80 Joden en 28 Britten het leven gekost. De belastingbetaler moest 6 miljoen Pond opbrengen voor de kosten van de onlusten. De Commissie Peel zou een onderzoek starten naar de Arabische opstand maar het geweld zou tot en met 1939 aanhouden.

Britse weerstand – De Peel Commissie

Op 11 november 1936 arriveerde de Peel Commissie in Palestina die onderzoek moest doen naar de oorzaak van de rellen van 1936 en die aanbevelingen moest doen voor de toekomst. Hoewel de Zionisten liever een andere commissie zagen verleenden ze medewerking aan het onderzoek. Het Arabisch Hoger Comité weigerde aanvankelijk medewerking. De Commissie hield dertig openbare en veertig privé hoorzittingen. Weizmann wees op de Joodse band met Palestina en de Balfour verklaring.

Het Zionistisch betoog

Naast Chaim Weizmann gaf ook David Ben Goerion zijn visie voor de Peel Commissie. Volgens hem wilden de Zionisten Palestina niet omvormen tot een Joodse staat of de Arabische gemeenschap domineren. Maar er moesten wel onbeperkt Joden toegelaten worden tot Palestina en Joden moesten land kunnen kopen. De Zionisten legden de nadruk op economische ontwikkeling om Arabische en Joodse belangen te verzoenen.

Arabische vrees en haat

Opnieuw onderschatten de Zionisten de vrees en haat van de Arabieren. Zij zagen het Britse Mandaat en de Joodse economische ontwikkeling als gevaarlijk voor de Arabieren. De Arabieren wilden een onafhankelijk Palestina. De Moefti verscheen op 13 januari 1937 voor de Peel Commissie en betoogde over de Arabische onafhankelijkheidsbeweging en de beloften van de Britten. Hij beweerde ook dat Palestina de 400.000 Joden niet kon opnemen.

Deling van Palestina

Op 8 januari 1937 tijdens de getuigenis van Chaim Weizmann kwam voor het eerst de deling van Palestina ter sprake. Professor Coupland van de Peel Commissie zei:

”If there were no other way out to peace, might it not be a final and peaceful settlement to terminate the Mandate by agreement and split Palestine into two halves, the plain being Independent Jewish State...and the rest of Palestine plus Trans-Jordania, being an Independent Arab State....“

Weizmann vroeg tijd om het plan in overweging te nemen. Maar buiten de onderhandelingskamer gaf hij meteen te kennen dat dit een succes was en dat er voor het eerst zicht was op een onafhankelijke Joodse staat.

In februari spraken Weizmann en Coupland privé in moshav Nahalal. Na de ontmoeting zei Weizmann tegen de wachtende boeren: “Kameraden, we hebben de basis gelegd voor de Joodse staat.”

Het Peel Rapport – Plan voor de verdeling van Palestina 1937

In juli 1937 kwam het Peel Rapport uit. De Joodse landaankopen werden aan banden gelegd en de Joodse immigratie voor de komende 5 jaar tot 12.000 Joden per jaar beperkt. Daarnaast werd besloten Palestina in twee delen te verdelen. Dit bood niet alles maar wel vrijheid en veiligheid. Er zouden drie regio's komen:
  1. Joods gebied: Kustvlakte en Galilea
  2. Arabisch gebied: rest van Palestina en Trans-Jordanië
  3. Britse enclave: Jeruzalem- Bethlehem, een corridor naar zee en bases bij het Meer van Galilea en de Golf van Akaba.

Bij deze verdeling zou een Arabische minderheid binnen Joods gebied vallen. Niet iedereen was enthousiast. De Arabieren waren aanvankelijk gunstig gestemd hoewel ze het later verwierpen. De Joden wilden er verder over praten (de Revisionisten waren overigens tegen het plan). Weizmann zag de tekortkomingen maar het was beter dan om als Joodse minderheid in een Arabische staat te wonen. Het gebied dat de Joden kregen toegewezen was volgens Weizmann groot genoeg om gedurende 20 jaar jaarlijks 100.000 Joden in op te nemen. David Ben Goerion zei echter dat de voorgestelde Joodse staat niet het Zionistische doel is omdat het niet het Joodse probleem kan oplossen. Door de economische en militaire positie te verbeteren kunnen de grenzen gewijzigd worden.

Britse weerstand – Arabische opstand 1937

David Ben Goerion had nooit een gebrek aan vertrouwen om een akkoord te bereiken met de Arabieren. Hij had ook contact met ze maar er werd niet veel resultaat geboekt. Ook de Iraakse en Syrische regeringen waren vijandig tegenover de deling van Palestina. Er kwam weer een nieuwe Arabische opstand in 1937.

Arabisch verzet tegen het Peel Report

In de Arabische wereld nam het verzet tegen het Peel Report toe. Syrië protesteerde bij de Franse hoge commissaris. In Egypte hielden de Moslim Broeders geldinzameling acties voor de Palestijnse Arabieren. Er waren massa demonstraties in Bagdad, een eendaagse staking in Mekka en Medina, protest van Moslim jeugd in Tunis, en talloze Moslim demonstraties in India. Er waren wel verschillende visies op Palestina. Zo beschouwde Syrië Palestina en Jordanië als haar provincies. Egypte zag Palestina als buffer om de Sinaï te beschermen. Voor Irak was Palestina een economische basis voor de olie. Ibn Saud wilde echter een onafhankelijk Palestina.

De hernieuwde Arabische opstand

Nazi-Duitsland

De As-mogendheden (Nazi-Duitsland en Italië) zonden meer Arabische uitzendingen uit om tegen het Franse en Britse imperialisme te strijden. Het Zionisme werd voorgesteld als instrument van de Britten. De anti-Joodse propaganda van de Duitsers kwam voort uit eigen binnelandse politiek en was in eerste instantie niet bedoeld om Arabische onrust in het Midden-Oosten aan te wakkeren. Maar met het uitkomen van het Peel Report werd de Duits interesse voor de kwestie Palestina aangewakkerd. Duitsland zag een Joods politieke structuur onder Brits Mandaat niet in het belang van Duitsland. De Duitsers zagen een Joodse staat als macht voor het Jodendom zoals de katholieken het Vaticaan hadden. De Duitsers zochten contact met Arabische nationalisten en verzekerden hen tegen het Peel plan te zijn. De Moefti verklaarde aan de Duitse consul-generaal zijn bewondering voor Nazi-Duitsland. Syrische nationalisten vroegen aan de Duitsers om wapens voor Arabische strijders in Palestina. Duitsland leverde via Irak en Saoedi-Arabië wapens aan de Arabieren in Palestina.

Nazi propaganda

Ondertussen groeide het Nazi propaganda apparaat in Palestina snel en werd uitgevoerd door Duitse agenten, handelsreizigers, zakenlui, diplomaten en inwoners (de Duitse Tempeliers). De helft van de Tempeliers werd lid van de Nazi partij. De Arabische pers in Palestina nam de nazi en antisemitische propaganda over. Op de geboortedag van de profeet Mohammed in mei 1937 werden posters van Hitler en Mussolini opgehangen.

Hernieuwd Arabisch geweld

Op 26 september 1937 begon het Arabisch geweld toen bij een kerk in Nazareth een Britse commissaris en politiemannen werden beschoten door een groep Arabieren. Het Britse Mandaat bestuur nam strenge maatregelen. Hoesseini (de Moefti) werd afgezet als president van de Opperste Moslimraad. En even later werden vijf van de zes leden van het Hoger Comité gearresteerd en naar de Seychelle eilanden verbannen. Het zesde lid wist te ontsnappen naar Syrië. De Moefti vluchtte vermomd als bedelaar naar Libanon. Van daaruit regelde hij een buiten de wet staande Hoger Comité in Damascus.

Vanaf midden oktober vielen Arabieren Joden aan. Er waren aanvallen op nederzettingen en bussen. Ook werden Britse patrouilles onder vuur genomen. Het nieuwe vliegveld in Lydda werd in brand gestoken, treinen met troepen werden ontspoord, de oliepijplijn tussen Mosul en Haifa werd beschadig. De Britten traden keihard op en in 1938 werden 45 Arabieren geëxecuteerd. Velen werden tot levenslang veroordeeld. De opstand was het ergst in de periode juli-november 1938. Er waren 16.000 opstandelingen bij betrokken die het openbare leven buiten de grote steden en de Joodse nederzettingen verlamde. Half oktober namen de opstandelingen de Oude Stad van Jeruzalem in bezit.

Britse versterkingen

In juli 1938 brachten de Britten twee nieuwe infanterie bataljons naar Palestina. Ook kwamen er twee RAF squadrons en een gepantserde auto en cavalerie eenheid. Er werden op belangrijke plekken wegversperringen opgericht (deze methode paste Israël later ook toe). In totaal waren 20.000 Britse soldaten bij de campagne betrokken. Maar ze konden nauwelijks rust brengen in het noorden en centrum van het land. In Jeruzalem en het zuiden kwamen getrainde eenheden.

Onderling Arabisch geweld

Bij het Arabisch geweld vielen enkele duizenden doden en was er voor tientallen miljoenen pond aan schade. Ondertussen zorgde Moefti Haj Amim vanuit ballingschap ervoor dat honderden Arabische leiders werden vermoord of gedwongen werden het land te verlaten. De anti-Hoesseini beweging o.l.v. Fakhri Bey al-Nashashibi slaagde er niet in een tegen campagne te voeren. Eind 1939 waren er meer dan 3000 doden en waren 18.000 Arabieren het land ontvlucht. Op 9 november 1941 werd Fakhri Bey zelf ook vermoord in Bagdad.

Britse weerstand – Joodse zelfverdediging

Joodse zelfverdediging gaat terug tot begin 1900 met HaShomer. Na de Eerste Wereldoorlog verboden de Britten HaShomer om wapens bij zich te dragen. De poging van Jabotinksy in de jaren 1920 een gevechtseenheid op te richten werden getorpedeerd door de Britten. Kort daarna richtte de Achdoet HaAvoda de Hagana op. Deze zou de hele Jisjoev beschermen. De Histadroet nam de verantwoordelijkheid voor de Hagana. De Brit Orde Wingate speelde een belangrijke rol bij de Special Night Squads.

Arabische rellen van 1929 en het Joodse defensie programma

De Arabische rellen waren het begin van de oprichting van een Joods defensie programma. Jongeren die in staat waren om te vechten namen deel aan het programma. Er moesten nieuwe en betere wapens komen. Daarvoor was geld nodig. Aanvankelijk weigerde het Zionistisch Congres dit te geven omdat men vreesde voor een socialistische overheersing van de verdediging van de Jisjoev. De Hagana stond onder supervisie van de Histadroet (de socialistische vakbond). In 1936 kreeg het meer fondsen van de Jewish Agency. Meer over Israëls eerste elite-eenheden, klik hier.

Aanvankelijk een terughoudende opstelling

Aanvankelijk hanteerde het Joodse militaire leiderschap een terughoudend beleid t.a.v. Arabisch geweld: alleen verdediging van Joodse nederzettingen; geen wraakacties op Arabische dorpen. De Joden wilden de Britten te vriend houden. Jitschak Sade, de veldcommandant van de Hagana, gaf er zijn eigen interpretatie aan. Hij leerde zijn jonge officieren, zoals Jigal Allon en Moshe Dayan, om aanvallen te plannen, mobiele patrouilles te organiseren en om de eerste slag te slaan tegen de Arabieren. Er werden dus preventieve aanvallen uitgevoerd. De Jewish Agency deelde in 1936 lichte wapens uit aan 3000 'ghaffiers', geüniformeerde Joodse hulpbewakers. Ze werden geleid door de Britse kapitein Orde Wingate die dezelfde ideeën uitdroeg als Jitschak Sade. Overigens organiseerde de Hagana trainingscursussen voor officieren en er werden wapens uit Europa binnengesmokkeld. Later kwamen er geheime fabriekjes om zelf wapens te produceren. Deze fabriekjes vormden het begin wat later de Israel Defence Industry zou gaan heten (Israël heeft tegenwoordig een grote wapenindustrie die zeer succesvol is).

Orde Wingate – Special Night Squads

Orde Wingate kwam in 1936 als inlichtingenofficier in de de Vijfde Divisie in Palestina aan. Hij sprak vloeiend Arabisch en kon goed met de Arabische gemeenschap communiceren. Maar de Britten wisten niet dat Wingate diep geworteld was in het protestantse millennialisme. Zijn Bijbelse mystiek trok hem aan tot de Zionistische doeleinden. Hij wilde de Joden helpen. Aanvankelijk wantrouwde de Zionisten hem maar dat veranderde snel. Hij bestudeerde de Arabische gevechtstechnieken en legde de nadruk op nachtelijke operaties. Hij organiseerde de ghaffiers in de 'Special Night Squads'. Deze opereerden agressiever dan de Hagana eenheden van Sade. Dit wekte bewondering van zijn Joodse troepen. Hetzelfde gold voor zijn nachtelijke aanvallen en verrassingsaanvallen. Er werd zelfs niet geschuwd om in Libanon en Syrië guerilla dorpen aan te vallen. De rebellen van de Moefti leden zware nederlagen. Toch kregen de Special Night Squads een minder grote rol vanaf 1939. Orde Wingate werd door de Britse Mandaat regering naar Engeland teruggestuurd. De regering vond dat Wingate de Joden te veel steunde in plaats van de Britten. De Joden bleven echter de tactiek van Wingate toepassen. Het gaf de Hagana zelfvertrouwen.

Tower and Stockade settlements – Toren en Palissade nederzettingen

Tijdens de Arabische opstand van 1936-1939 werden in allerijl zo'n 55 Joodse nederzettingen opgericht. De meesten waren kibboetsiem opgericht door HaShomer HaZair en HaKibbutz Ha Me'uchad. Ook nieuwe immigranten richtten kibboetsiem op. Na het uitkomen van het Peel Report moesten de grenzen veilig gesteld worden door Joodse aanwezigheid in gebieden. Er werd land gekocht aan de grenzen van Palestina, vooral westelijk Galilea. Om de nederzettingen te beschermen werden Toren en Palissade nederzettingen opgericht. De nadruk lag op prefabricatie. Overdag stond er nog niets en 's nachts werd in allerijl een nederzetting neergezet. Economische leefbaarheid speelde toen nog geen rol. De bedoeling was om voet aan de grond te krijgen met een kleine kern van pioniers. Andere bewoners zouden later wel komen.

Britse weerstand – Rondetafelconferentie

Het hernieuwde Arabische geweld leidde tot een nieuwe commissie (Woodhead) die moest kijken hoe de verdeling van Palestina geregeld kon worden. In februari 1939 begon in Londen de Rondetafelconferentie. In die tijd werden de Joodse immigratie en land aankopen al ernstig beperkt. Dit was des te schrijnend omdat in Europa de Joden het steeds moeilijker kregen met de opkomst van het Nazisme. De Joden zaten als ratten in de val.

Woodhead commissie

Een commissie o.l.v. Sir John Woodhead ging kijken hoe de verdeling van Palestina geregeld kon worden naar aanleiding van het Arabisch geweld. Maar nog meer dan bij de Peel Commissie boycotten de Arabieren de hoorzittingen. Alleen Britse en Joodse getuigen konden gehoord worden. Toch vertegenwoordigden de functionarissen van het Mandaat min of meer het Arabisch Hoger Comité. Zij stonden vijandig tegenover het Zionisme.

De hoorzittingen vonden plaats toen Joden steeds meer vervolgd werden in Nazi-Duitsland. Vrije immigratie naar Palestina was een kwestie van leven op dood. Tevens boden andere land m.u.v. de Dominicaanse Republiek weinig ruimte voor nieuwe immigranten zo bleek tijdens een internationale conferentie in juli 1938 in Evian (Frankrijk). Het geweld in Palestina ging tijdens de hoorzittingen gewoon door. Alleen door Britse versterkingen werd de orde hersteld in de grote steden. Ondertussen chanteerden de Arabische regeringen Londen. Groot Brittannië gaf al toe aan Hitler en Mussolini ten koste van kleinere landen en Weizmann vreesde dat dit ook met de Jisjoev in Palestina zou gaan gebeuren.

Op 9 november 1938 kwam het Woodhead Rapport uit. In het kort was de conclusie van het rapport dat het Peel Plan onuitvoerbaar was omdat er een grote Arabische minderheid binnen het Joodse gebied was en omdat er beperkt land beschikbaar was voor tienduizenden nieuwe Joodse immigranten. Een Joodse staat zou economisch leefbaar zijn, maar een Palestijnse staat niet beroofd van een Joods achterland. De oplossing zou moeten zijn een opgelegde economische unie, hoewel er rekening mee werd gehouden dat dit niet geaccepteerd zou worden.

De Zionisten waren woedend omdat het voorstel erop neer zou komen dat de Joodse staat slechts een twintigste van westelijk Palestina zou bevatten en een honderdste van het hele Mandaatgebied. De meeste Joodse nederzettingen zouden buiten de grenzen vallen. De Arabieren verwierpen het plan ook omdat ze tegen Joodse soevereiniteit waren.

Het was het laatste Britse voorstel voor een verdeling. Twee dagen later kwam een nieuwe White Paper uit waarin geen sprake was van een verdeling. Er zou een conferentie in London komen om een akkoord te bewerkstelligen. Mocht dit niet lukken dan zou Groot Brittannië zelf het beleid opleggen. De Arabieren zagen dat hun geweld succesvol was geweest.

De Londense Rondetafelconferentie

Weken voor de conferentie in februari 1939 beperkten de Britten al de Joodse immigratie en land aankopen. Zelfs 10.000 Joodse kinderen uit Centraal Europa mochten Palestina niet in. De Britten gingen tevens in op de eis van de Moefti om de leden van het Arabisch Hoger Comité vrij te laten. Deze gingen mee met de Arabische delegatie naar Londen.

Op 7 februari 1939 begon de conferentie. De Arabieren weigerden met de Joden in één kamer te zitten. Joden en Arabieren gingen door twee verschillende ingangen het Paleis binnen. De Joden werden vertegenwoordigd door Weizmann, Ben Goerion en Ben Zvi. De eerste vroeg aan de Britten niet de immigratie te beperken nu de Joden zo bedreigd werden in Europa. De Arabische zaak werd vertegenwoordigd door Jamil al-Hoesseini die een einde wilde aan het Britse Mandaat en ook een einde aan de Joodse immigratie.

De Britten kozen meer de kant van de Arabieren omdat ze de Arabische landen als bondgenoten wilden houden in hun strijd tegen de Duitsers en haar bondgenoten. De Britten wilden een beperking van de Joodse immigratie anders zou ze zich uit Palestina terugtrekken en de Joden overlaten aan de superieure Arabische overmacht. De Joodse immigratie moest beperkt worden tot 75.000 de komende vijf jaar. Ook de land aankopen werden aan banden gelegd. Druk van de Amerikaanse Joden op Groot Brittannië haalde niets uit. De Britse veiligheidsbelangen werden alleen beschermd door Arabische goodwill. In augustus 1939 kwam er een einde aan het Arabische geweld. Er waren 6.768 doden gevallen: 2.394 Joden, 610 Britten en 3.764 Arabieren.

Britse weerstand – White Paper 1939

De White Paper van 1939 was één van de grootste klappen voor het Zionisme en het Joodse volk. Hierin werd de immigratie van Joden naar Palestina aan banden gelegd in een tijd dat de zwartste bladzijde uit de geschiedenis van het Joodse volk zou plaatsvinden: de Holocaust. In de White Paper stond verder dat de auteurs van de Balfour Verklaring niet de bedoeling hadden Palestina om te vormen in een Joodse staat ten koste van de Arabische bevolking.

White Paper van 1939

Chaim Weizmann was reeds eerder op de hoogte van de White Paper van 1939. Hij haalde tijdens een ontmoeting met Mac Donald keihard naar hem uit. Op 17 mei 1939 werd de White Paper officieel bekend. Hierin stond dat de auteurs van de Balfour Verklaring niet de bedoeling hadden om Palestina in een Joodse staat te veranderen ten koste van de Arabische bevolking. Groot Brittannië kon het mandaat in Palestina niet blijven handhaven. De bedoeling was om Palestina binnen 10 jaar onafhankelijk te maken en om binnen 5 jaar orde en vrede te herstellen; de bevolking van Palestina moest een toenemende rol krijgen binnen de regering van hun land, onder advies van Britse functionarissen; er moest bescherming komen voor de Arabische en Joodse gemeenschappen, de heilige plaatsen en Britse strategische belangen. Meer Joden toelaten zou betekenen dat Britse overheersing sterker zou worden. Dit zou tegen de geest van de Volkenbond ingaan. Daarom mochten er de komende 5 jaar slechts 10.000 Joden per jaar toegelaten worden tot maximaal 75.000. Daarna zou alleen Joodse immigratie toegestaan worden met toestemming van de Arabieren. De verkoop van land zou onmiddellijk gestopt worden.

Reacties van Arabieren, Joden en Britten

Het Britse beleid beperkte de groei van het Joods Nationaal Tehuis. Joden uit Europa zouden niet meer naar Palestina kunnen gaan. Om technische redenen uitten ook de Arabieren hun ongenoegen door te stellen dat de White Paper gunstig was voor de Joden. Slechts een minderheid van de Arabische leiders was tevreden.

De Joden gingen de volgende dag in heel het land demonstreren. Er waren geïsoleerde rellen waarbij 1 politieman werd gedood. David Ben Goerion schreef dat de Joden moesten gaan vechten. Joodse notabelen leverden hun Britse decoraties in. De Irgoen blies een aantal overheidsgebouwen in Jeruzalem en Tel Aviv op, ook werden spoorwegen gesaboteerd.

In Groot Brittannië zelf was ook kritiek op de White Paper. Er werd gevreesd voor Joods verzet. De Britse Arbeiderspartij was tegen maar het kabinet won met een kleine meerderheid (269 voor, 179 tegen en 110 onthoudingen). Er was echter niet alleen toestemming nodig van het parlement maar ook van de League Permanent Mandates Commission. Er werden drie sessies gehouden over de Palestina crisis. Mac Donald betoogde voor de commissie dat het Joods Nationaal Tehuis al leefbaar genoeg was om zichzelf in stand te houden en dat extra Joodse immigratie niet nodig was. De commissie ging niet akkoord met het argument.

Op 16 augustus 1939 werd het 21ste Zionistische Congres gehouden. David Ben Goerion nam een militant standpunt in. “De White Paper had een vacuüm gecreëerd dat door de Joden zelf opgevuld moest worden.” De Joden moesten doorgaan totdat er een Joodse staat was. De Jewish Agency gaf openlijk toestemming voor clandestiene immigratie. De toestroom van illegale vluchtelingen nam toe. De Britten traden hard op door de wapens terug te eisen van de ghaffiers en leden van de Hagana te arresteren. De Hagana richtte speciale eenheden op om anti-Britse operaties uit te voeren. Weizmann wees op het gevaar de Britten aan te vallen en tegelijkertijd steun van hen te verlangen voor de Jisjoev en de strijd tegen Nazi-Duitsland. De Britten wilden met de White Paper rust creëren in Palestina om in Europa te kunnen vechten. Bovendien hadden de Arabieren niet de complete overwinning omdat er 75.000 Joden de komende 5 jaar toegelaten zouden worden. Toch hield de White Paper de Arabieren min of meer rustig. Het Britse beleid was gegrond op eigenbelang. Op lange ter mijn zou het de samenwerking tussen Joden en Arabieren vernietigen.

Maar voor de Joden betekende de White paper het doodvonnis voor Joden in Europa. Bij het 21ste Zionistische Congres nam Chaim Weizmann afscheid van zijn collega's. Velen van hen zouden de oorlog niet overleven.

Lees verder

© 2011 - 2019 Etsel, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Palestijnen/Arabieren & Britten medeschuldig aan Holocaustmijn kijk opPalestijnen/Arabieren & Britten medeschuldig aan HolocaustVeel mensen beweren dat de Palestijnen de prijs moesten betalen van de Holocaust. Zou er in Europa geen Joden zijn vervo…
Israëlisch-Arabisch conflict 7: Rol voor elke JoodIsraëlisch-Arabisch conflict 7: Rol voor elke JoodOf de Joden het willen of niet, maar iedere Jood is betrokken bij het Land Israël. Elke Jood is met elkaar verbonden. Al…
Boekrecensie: Vriend of vijand – David GrossmanrecensieBoekrecensie: Vriend of vijand – David GrossmanIn 1993 kwam de bekende Israëlische romanschrijver David Grossman met een non-fictie boek over Israëlische Arabieren. He…
Oorsprong van modern islamitische JodenhaatOorsprong van modern islamitische JodenhaatDe onbeschrijflijke haat van Iran, Hamas, Islamitische Jihad en Hezbollah tegen Joden en Israël kent zijn oorsprong in h…
Israëlische elite eenheden: de eerste eenheden (1936-1940)Al vóór de oprichting van de Staat israël in 1948 zijn joodse elite eenheden actief in de strijd tegen Arabieren. De eer…
Bronnen en referenties
  • A history of Israel (From the rise of zionism to our time) - Howard Morley Sachar
  • Atlas of Israel - Martin Gilbert

Reageer op het artikel "Modern Israël: Confrontatie Joden-Arabieren 1929/1936-'39"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Etsel
Laatste update: 09-07-2018
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Geschiedenis
Special: Geschiedenis Modern Israël
Bronnen en referenties: 2
Schrijf mee!