InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Geschiedenis > Modern Israël: Stichting Israël en Onafhankelijksheidsoorlog

Modern Israël: Stichting Israël en Onafhankelijksheidsoorlog

Modern Israël: Stichting Israël en Onafhankelijksheidsoorlog Op 29 november 1947 besloot de Algemene Vergadering van de VN om Palestina op te delen in een Joodse en Arabische staat binnen vastgestelde grenzen. De Joodse staat bestond uit drie segmenten (Jaffo zou een Arabische enclave worden en Jeruzalem een internationale zone). De Joden accepteerden de VN-resolutie maar de Arabieren niet. Ook verwierpen de Arabieren een Arabisch-Joodse Economische Unie. Zij vielen Joodse nederzettingen in heel Palestina aan. Al in de eerste twaalf dagen na het besluit van de VN werden 79 Joden gedood. De Britten deden niets. Soms werden zelfs Joodse milities ontwapend die dan vervolgens werden aangevallen door Arabieren. Bij tegenaanvallen van Joden werden 32 Arabieren gedood. De aanvallen over en weer gingen door tot en met het uitroepen van de staat Israël op 14 mei 1948. Op 15 mei 1948 vielen Arabische landen Israël binnen.

Stichting Israël – UNSCOP

Na de Tweede Wereldoorlog werd de VN al snel onderworpen aan zware testen. De eerste was de crisis die ontstaan was door de bezetting van de Sovjet Unie van het noorden van Iran in 1946. In 1947 moest de VN een beslissing nemen over de kwestie Palestina. Deze kwestie was nog veel complexer dan dat van Iran. Er moest een beslissing genomen worden die beide partijen (Joden en Arabieren) tevreden zou stellen. Op 15 mei 1947 werd de UNSCOP (United Nations Special Committee on Palestine) opgericht. Deze bestond uit elf landen die onderzoek moesten doen. Deze landen waren Australië, Canada, Tsjechoslowakije, Guatemala, India, Iran, Nederland, Peru, Zweden, Uruguay en Joegoslavië.

UNSCOP

Midden juni 1947 arriveerde de UNSCOP in Palestina. De aanhangers van de Moefti hielden anti-Zionistische demonstraties in de grotere Arabische steden. Jamil al-Hoesseini waarschuwde dat dit het begin zou zijn van een grote Arabische opstand tenzij de VN rechtvaardig zou handelen. Het Arabisch Hoger Comité besloot de hoorzittingen van de UNSCOP te boycotten. Dit was een tactische blunder omdat de Zionisten wel kwamen en hun verhaal deden. Alleen op 20 juli 1947 had de UNSCOP een ontmoeting met vertegenwoordigers van de Arabische Liga. Deze waarschuwden voor bloedvergieten als Palestina verdeeld zou worden. Het zou zelfs negatieve gevolgen kunnen hebben voor Joden in de rest van het Midden-Oosten, met name de Iraakse Joden. De Zionisten kwamen dus wel met gegevens die ze ook al eerder hadden overlegd voor het Anglo-American Committee.

De spanning nam ondertussen in de Jisjoev toe. Nadat vier leden van Etsel door de Britten waren opgehangen in de gevangenis van Akko ondernam de verzetsgroep enkele weken daarna een spectaculaire actie waarbij de gevangenismuren werden opgeblazen en 251 leden van Etsel werden bevrijd. Een paar gevangenen werden opnieuw opgepakt en alsnog opgehangen. Twee dagen daarna nam Etsel wraak door twee Britse sergeants op te hangen.

Exodus

De UNSCOP kwam tot het inzicht dat het Mandaat bestuur onmogelijk gehandhaafd kon blijven. Dit werd nog eens benadrukt door de tragedie met de Exodus, de boot die door de Britten werd tegengehouden. De hele wereld was hier getuige van. Joodse vluchtelingen werden teruggestuurd naar Duitsland.

De UNSCOP rapporteert

Op 31 augustus 1947 kwam de UNSCOP met een rapport uit waarin elf leidende principes stonden. De belangrijkste daarvan was het feit dat er een einde moest komen aan het Mandaat en dat zo spoedig mogelijk onafhankelijkheid bewerkstelligd moest worden. De structuur van de staat of staten moest democratisch zijn; de economische eenheid van Palestina moest gehandhaafd blijven; de beveiliging van de heilige plaatsen en de toegang daar naar toe moesten gewaarborgd blijven; de VN moest een oplossing zoeken voor het Joodse vluchtelingenprobleem.

De meerderheid van UNSCOP beval een deling van Palestina, een minderheid (India, Iran en Joegoslavië) zag liever een federatie. Wat de deling betreft zou die er als volgt uit moeten zien: de Arabieren in westelijk Galilea, het heuvellandschap van centraal Palestina (m.u.v. de enclave Jeruzalem) en de Kustvlakte van de lijn ten zuiden van Ashdod tot aan de Egyptische grens. De rest zou in handen komen van de Joden m.u.v. het Jeruzalem-Bethlehem voorgebergte. Er zou een twee jaar durend interim periode gelden vanaf september 1947 waarbij Groot-Brittannië het gebied bestuurt onder toezicht van de VN. De VS zou medeverantwoordelijkheid dragen. In de eerste twee jaren zouden 150.000 Joodse immigranten het land binnen mogen komen en daarna 60.000 per jaar.

India, Iran en Joegoslavië vonden dit beleid anti-Arabisch. Ze pleitten voor een federatie met Joodse en Arabische kantons en Jeruzalem als hoofdstad. Immigratie, buitenlandse zaken en defensie zouden geregeld moeten worden door een centrale regering. Vooral immigratie van Joodse vluchtelingen zou beperkt worden en Jaffo en het grootste deel van de Negev zou in handen van de Arabieren komen.

Hoewel deling ook niet zo gunstig was voor de Joden stemden ze er wel mee in omdat soevereiniteit gewaarborgd werd en de immigratiestroom ongehinderd kon plaatsvinden. De Arabieren verwierpen het voorstel. De Arabische Liga kwam met economische represailles en verschaften wapens aan de Palestijnse Arabieren.

De Joden probeerden nog een compromis met de Arabieren te bereiken maar dat mislukte. De toekomst van Palestina lag in handen van de leden van de VN, in het bijzonder de grootmachten. De Palestijnse kwestie werd overgedragen aan een ad hoc politiek comité van alle lidstaten. De Britten deden niet mee. Zij waren meer geïnteresseerd in het beschermen van hun oliebelangen in het Midden-Oosten. Toch accepteerden de Britten de aanbevelingen van de UNSCOP om het mandaat te beëindigen. Wel verwierpen ze het delingsplan van de UNSCOP. Ook waren ze tegen een geleidelijke overdracht van het bestuur aan een VN commissie.

Belangrijker was echter de ommezwaai van de Sovjet Unie. Deze was nu voor de vestiging van een democratisch homogene Arabisch-Joodse staat. En mocht dit niet lukken dan steunde ze zelfs een deling van Palestina. Deze ommezwaai was wel enigszins te begrijpen omdat de Sovjets af wilden van Britse invloed in het Midden-Oosten. Hoe het ook zij, voor de Zionisten was de ommezwaai gunstig omdat nu ook landen als Polen, Tsjecho-Slowakije, Bulgarije en Roemenië (misschien zelfs Joegoslavië) vóór een deling zouden stemmen.

Stichting Israël – VS doet belofte

Wat betreft de toekomst van Palestina hing alles af van de Verenigde Staten. De VS was een wereldmacht geworden en de economische en strategische belangen van de VS in het Midden-Oosten waren spectaculair gegroeid sinds de Tweede Wereldoorlog. De VS regelde luchttransport akkoorden voor Amerikaanse luchtvaartmaatschappijen. De VS ging bilaterale verdragen aan met Egypte, Libanon en Syrië. Maar in 1947 blokkeerde de Palestijnse kwestie een bilateraal contract tussen de VS en Irak. Nog belangrijker dan de luchtvaart rechten waren de belangen van de VS op de oliemarkt. Amerikaanse petroleummaatschappijen bezaten 42% van de voorraden in het Midden-Oosten (Saoedi Arabië, Koeweit, Bahrein en zelfs in Irak).

Oliebelangen meegewogen in Palestijnse kwestie

De legerleiding van de VS herinnerde president Truman eraan dat toegang tot Arabische olie van essentieel belang was en dat dit meegewogen moest worden in elke beslissing van de regering over de Palestijnse kwestie. Minister van defensie Forestal zei: “No group in this country (i.e., the zionists) should be permitted to influence our policy to the point where it could endanger our national security.” Ook anderen lieten zich negatief uit over de invloed van de Zionisten. Sommigen waren ronduit antisemitisch.

Het Joodse geluid

Maar er waren andere factoren die op hun beurt een duidelijk pro-Zionistische invloed op het Witte Huis en het Congres uitoefenden. Veel Amerikaanse politici hechtten belang aan de Joodse stem in New York, Illinois, Pennsylvania en andere staten met een grote Joodse bevolking. Door de Holocaust waren steeds meer Joden Zionist geworden. De Joodse gemeenschap in de VS telde toen vijf miljoen mensen.

Een andere factor was de oprichting van een Zionistische lobbyorganisatie in 1943 – American Zionist Eemergency Council (AZEC). Het werd al snel een machtige lobbygroep met een groot budget en veertien professionele afdelingen. AZEC was in staat veel handtekeningen te verzamelen of Washington te bestoken met ladingen brieven. AZEC werkte via synagogen en andere Joodse instituten, arbeidsleiders, de pers, kantoorlui, en organiseerde toespraken bij de Rotary Club, Kiwanis, en anderen. Er werden veel memoranda, boeken uitgebracht, en conferenties en campagnes georganiseerd.

Het beïnvloeden van Harry Truman

Bij de verkiezingsrace van Hary Truman als hernieuwde presidentskandidaat voelde deze de invloed van de Zionisten. Enerzijds irriteerde dit hem, anderzijds was hij er diep van onder de indruk. Achter de schermen oefenden verschillende mensen druk uit op Truman. Eén van de belangrijkste figuren was David K. Niles, Trumans speciale assistent voor minderheden zaken. Hij overtuigde Truman om State Department functionarissen George Wadsworth en Loy Henderson te laten vallen als adviseurs voor de Amerikaanse delegatie bij de Algemene Vergadering van de VN en deze te vervangen door majoor-generaal John H. Hilldring die de Joodse vluchtelingen in Duitsland sympathiek had behandeld en waarvan de Zionisten onder de indruk waren. Toch wees Truman Hannegans verzoek om een officiële verklaring over de deling af. Maar op 7 oktober 1947 instrueerde hij het State Department het delingsplan te steunen. Truman verklaarde later dat zijn beslissing was ingegeven “to help bring about the redemption of the pledge of the Balfour Declaration and the rescue of at least some of Nazisme. I was not commited to any particular formula of statehood in Palestine or to any particular timeschedule for its accomplishment....The simple fact is that our policy was an American policy rather than en Arab of Jewish policy.”

De Joden waren in eerste instantie tevreden en de Arabieren teleurgesteld. Maar op 24 november 1947 kwam de minderheid van de UNSCOP nog met voorstellen voor een federale staat. De Joden hoopten dat de VS tegen dit pro-Arabisch plan zouden stemmen, maar ze werden daarin teleurgesteld. Nu moesten andere landen overtuigd worden. Het lukt uiteindelijk om het federale plan met 29-12 stemmen te verwerpen. Op 25 november 1947 keurde het Palestina Comité een gewijzigd delingsplan met 25-13 stemmen goed.

Stichting Israël – deling van Palestina

Op 25 november 1947 keurde het Palestina Comité een gewijzigd delingsplan goed. Het werd voorgelegd aan de Algemene Vergadering van de VN. De wijzigingen in het delingsplan waren de havenstad Jaffo en twee delen van de Negev die werden toegewezen aan de Arabische staat. De Arabische staat zou 4500 km² groot zijn met 804.000 Arabieren en 10.000 Joden. De Joodse staat zou 5500 km² groot zijn met 538.000 Joden en 397.000 Arabieren. De twee staten zouden samen een economische unie vormen en een gemeenschappelijke valuta hebben. Ook spoorwegen, wegen, post, telefoon en telegrafische diensten zouden gedeeld worden. Overschot van belastinggelden zou gaan naar Jeruzalem in de internationale zone; de rest zou verdeeld worden. De Joodse staat zou de Arabische staat elk jaar 4 miljoen pond subsidie moeten betalen.

Hoe de resolutie in werking te laten treden

De Algemene Vergadering zou een internationale commissie benoemen om toe te zien op de deling onder jurisdictie van de Veiligheidsraad. Gewapende milities zouden wet en orde handhaven binnen elk van de twee staten waarbij de Veiligheidsraad verantwoordelijk is.

Stemming op 29 november 1947

Op 29 november 1947 vond de stemming over de deling van Palestina plaats. Tot het laatste moment waren Joden en Arabieren nog bezig om stemmen te winnen. De uitslag van de stemming was: 33-13 vóór de deling van Palestina in een Joodse en Arabische staat. Er was dus een twee derde meerderheid zodat de resolutie werd aangenomen. De landen die tegen stemden waren of moslim of Aziatisch m.u.v. Griekenland en Cuba. Achteraf bezien hebben drukmiddelen van zowel Joden als Arabieren weinig invloed gehad op de stemming. Wat meer indrukwekkend was was het feit dat de VS en Rusland samen akkoord gingen over een internationale kwestie.

Reacties op de deling van Palestina

Britten werken tegen

Het plan van economische samenwerking tussen de Arabische en Joodse staat klonk redelijk. De leden van de VN hoopten op zo min mogelijk moeilijkheden. De Britten zouden niet later dan 1 februari 1948 het land verlaten. Een Palestijnse Commissie zou aangesteld worden gedurende de transitie periode van het Britse vertrek. Maar deze hoop werd in de grond geslagen. Het plan werd niet geaccepteerd door de Arabieren en de Joden. Uiteindelijk besloten de Britten dat hun troepen pas op 1 augustus 1948 zouden vertrekken (later werd dit teruggedraaid naar 1 mei 1948). Ben Goerion bracht ondertussen een bezoek aan de Hoge Commissaris Cunningham in Jeruzalem om over de toekomst te praten, kopieën van land registratie te ontvangen, informatie over voedsel en brandstof te verkrijgen, en om toestemmen te krijgen een militie te vormen. Cunningham beloofde Ben Goerion dat te geven maar maakte zijn belofte nooit waar. De Britten stonden de VN-commissie niet toe Palestina te bezoeken vóór 1 mei 1948. Er waren verschillende redenen waarom de Britten niet meewerkten:
  • Ze wilden niet de Arabische wereld provoceren i.v.m. Britse oliebelangen in het MO.
  • Bitterheid bij Joden die ertoe leidden dat veel Britse soldaten in Palestina door hen gedood of verwond werden.
  • De Britten waren in verlegenheid gebracht door de Joodse vluchtelingen tragedie en sloegen zo een gek figuur in de rest van de wereld.
  • Premier Bevin geloofde dat Joden een wereldcomplot tegen de Britten en hemzelf gesmeed hadden – hij was ronduit antisemitisch.
  • De Britten dachten dat de Arabieren de Joden zouden verslaan wanneer zij uit Palestina zouden vertrekken.

In plaats van een oplossing te zoeken om Palestina rustig achter te laten, creëerden de Britten juist chaos om zo hun invloed in Palestina weer terug te winnen. Zo werd geen geld in Palestina achter gelaten voor hun opvolger. Daarnaast konden inwoners van Palestina geen gebruik meer maken van de infrastructuur tot de Britten het land verlieten. De Britten kozen partij voor de Arabieren door een embargo op Joodse immigratie en door het in beslag nemen van wapens van de Joden. De Joden mochten geen militie vormen. Hagana leden werden ontwapend. Ondertussen verkochten de Britten wel wapens aan Irak en Trans-Jordanië. Met 50.000 Britse soldaten hadden de Britten Arabische infiltratie in Palestina kunnen voorkomen maar ze deden dit niet. De Arabieren werden zelfs openlijk gesteund zoals door de verkoop van het grootste legerkamp in Palestina aan Arabieren.

Arabisch geweld tegen Joden

Ondertussen werden in Syrië (Aleppo) 300 huizen van Joden en 11 synagoges in brand gestoken, 4000 Joden vluchtten de stad uit. In Aden werden 76 Joden gedood. In Palestina staakten de Arabieren drie dagen. Joodse wijken in Jeruzalem, Haifa en Jaffo werden aangevallen. In heel Palestina werden door het Arabisch Hoger Comité Arabieren opgeroepen om te gaan vechten. Een deel van de fondsen en bewapening kwam uit naburige Arabische landen. Er werden voornamelijk geïsoleerde Joodse nederzettingen aangevallen met 'hit-and-run' acties. De Arabische milities werden georganiseerd rond de kernen van Futuwwa en Najjada gemeenschappen.

Gematigde Arabieren trachten in de weken na de deling nog bloedvergieten te voorkomen. Maar de Arabische Liga zond wapens en 3000 vrijwilligers naar Palestina om “Palestina te verdedigen.” De Iraakse generaal Ismail Safwat Pusha leidde het “Arabische Bevrijdingsleger.” Hij had zijn hoofdkwartier in de buitenwijken van Damascus. Fawzi al Qawukji was veldcommandant. Eind januari 1948 begonnen elementen van het Bevrijdingsleger in Palestina te infiltreren. Qawukji vestigde zijn hoofdkwartier in Tiberias. In maart waren al 7000 Arabische soldaten Palestina binnengekomen. Het Bevrijdingsleger was gedisciplineerder dan de ongeregelde troepen van de Moefti. Palestina werd door het Bevrijdingsleger in drieën opgedeeld: het noorden 7000 soldaten onder commando van Qawukji; het centrum 5000 soldaten waarvan de meesten afkomstig uit de ongeregelde troepen van het Arabisch Hoger Comité; het zuiden 2000 vrijwilligers van de Moslimbroederschap uit Egypte. De ongeorganiseerde troepen vielen Joodse wijken aan, vooral in Jeruzalem. Ook kibboetsiem in de heuvels van Hebron waren een doelwit. De Britten gaven hun politie forten aan de Arabische strijders. Zo slaagden deze erin de wegen tussen Tel Aviv en Jeruzalem, tussen Haifa en westelijk Galilea, tussen Tiberias en oostelijk Galilea, en tussen Afoela en de Beisan Vallei af te snijden. Op deze wijze raakten Joodse boeren kolonies in de Negev al snel geïsoleerd van de rest van Palestina. Vooral de Joden in Jeruzalem hadden het zwaar. De Britten stonden de Joden geen wapens toe. Joden in de stad zouden verslagen worden door de Arabieren of van de honger omkomen.

Joodse verdediging

De enige troepen die de Joden in 1947 hadden waren leden van de Palmach (3000 jongeren), slecht bewapende troepen van Etsel (5000 man), en wat Lechi strijders (800-1000 man). De reservisten van Hagana telden 21.000 man en waren slecht getraind en uitgerust. Ben Goerion ging naar New York om geld in te zamelen voor wapens. Deze werden in onderdelen in het geheim als 'textiel machinerie' naar Palestina gesmokkeld. Deze konden pas in elkaar worden gezet toen de Britten uit Palestina vertrokken waren. Verder werd er nog wat los materiaal in Europa gekocht.

De Hagana improviseerde twee strategieën:
  1. beveiliging van de Jisjoev tegen lokale Arabische troepen tijdens Britse terugtrekking;
  2. defensie tegen een massale Arabische inval van buitenaf na 15 mei 1948.

De eerste strategie was de lastigste omdat de Hagana dan haar troepen moest verspreiden over verschillende delen van Palestina in plaats van geconcentreerd op één plek. Daarnaast moesten troepen bevoorraad worden via de door Arabieren gecontroleerd gebied zoals Galilea en de Negev. Ook Ramle, Jaffo, Lydda, Haifa, Akko en Jeruzalem waren verdeeld. Daarom koos de Hagana er voor om geen aanvallen uit te voeren tegen Arabische bevolkingscentra.

Stichting Israël - Joden forceren deling

Vanwege de vijandelijkheden in Palestina kwam de deling in gevaar. In het geheim bekritiseerden functionarissen van het State Department het pro-Zionistische standpunt van de Amerikaanse regering. Zo werd een verzoek van de Jewish Agency voor een lening van 500 miljoen dollar om immigranten op te vangen afgewezen omdat men het zag als een niet succesvolle investering. Al eerder (begin december 1947) stelde Washington een vergunning voor wapentransport naar het MO uit. Er kwam ook Arabische druk op Washington en op de Amerikaanse oliemaatschappijen. Het State Department stelde een rapport op waarin stond dat de deling niet werkte en dat de VS moest trachten het stop te zetten of op z'n minst uit te stellen. De Zionisten probeerden dit te voorkomen.

Weizmann ontmoet president Truman

Het Zionistische leiderschap mobiliseerde haar supporters in de VS maar vergaten hun meest afhankelijke bondgenoot president Truman. Chaim Weizmann deed dit niet. Hij wilde een ontmoeting hebben met Truman. Dit lukte met moeite. Op 18 maart 1948 had hij in het Witte Huis een discussie met de president. Weizmanns belangrijkste zorg was rechtvaardigheid zonder bloedvergieten. Na de ontmoeting met Truman had Weizmann het gevoel dat zijn boodschap goed was overgekomen.

Warren Austin, VS ambassadeur bij de VN, stelt voor om deling van Palestina uit te stellen

Op 19 maart 1948 legde Warren Austin, de VS ambassadeur bij de VN, echter een bom onder de Veiligheidsraad. De deling moest volgens hem worden uitgesteld. Hij stelde voor dat de Algemene Vergadering in een speciale zitting zou samenkomen om een tijdelijk bestuur over Palestina in te stellen. De Zionisten gruwelden hiervan. Ze bestookten de VS met telegrammen en petities en organiseerden grote optochten met Amerikaans Joodse oorlogsveteranen. Chaim Weizmann bleef echter vertrouwen houden in president Truman. Hij ging er vanuit dat Truman niet wist wat zich bij de VN afspeelde. Dat klopte deels. Het State Department had Trumans zwijgen geïnterpreteerd als een goedkeuring voor een geleidelijke verschuiving van het beleid.

Andere landen zagen het Amerikaanse voorstel als een klap voor de autoriteit van de VN. Zelfs de Britse premier Bevin was tegen. Hij vreesde dat dit een verlenging van het Britse Mandaat zou betekenen. Zo'n verlenging was voor de Britten onmogelijk vanwege Joods geweld door Lechi tegen het Brits bestuur. Ook de VS was niet bereid om troepen te sturen naar Palestina. Uiteindelijk werd het hele plan van de VS door de Algemene Vergadering van de VN van tafel geveegd.

Joden forceren de deling van Palestina

Eind maart 1948 deden de Joden een wanhopige poging om hun belegerde gemeenschappen in Jeruzalem en Galilea van provisie te voorzien. De reddingsoperatie faalde omdat de Arabieren de konvooien aanvielen. Yigael Yadin, hoofd van de Hagana operaties, overlegde met Ben Goerion en zijn adviseurs dat de Hagana in het offensief moest gaan en controle moest zien te krijgen over het wegen netwerk in Palestina. Dit impliceerde de verovering van alle Arabische steden langs vitale verkeersknooppunten. Dit was een totaal nieuwe strategie voor de Hagana. Het Zionistische kabinet debatteerde drie uur over het voorstel en toen hakte David Ben Goerion de knoop door.

De belangrijkste prioriteit waren wapens. Deze kwamen uit Tsjecho-Slowakije. Op 1 april 1948 arriveerde het eerste Dakota transport op een verlaten Britse landingsbaan in Zuid-Palestina. De wapens werden verdeeld onder de landbouwnederzettingen. Twee dagen later kwam een schip met wapens binnen. Het ging om een paar honderd machinegeweren en duizenden geweren.

Arabische verdeeldheid

Ondertussen profiteerden de Joden van Arabische verdeeldheid. De Moefti Haj Amin en Fawzi al Qawukji lagen met elkaar overhoop. Dit werd erger in de lente van 1948. Qawukji wilde alle Palestijnse Arabieren uit zijn rangen. Volgens hem konden ze wel hier en daar een brug opblazen maar geen militaire operaties uitvoeren. Generaal Safwat Pasha, commandant van de Arabische strijdgroepen in Palestina, klaagde over het ongedisciplineerde gedrag van de strijders van de Moefti. Dit ondermijnde de militaire operaties tegen de Joden. Het Bevrijdingsleger was actief in het noorden, de Moefti en zijn strijders hielden zich bezig met Centraal Palestina, en Hassan Salamah, een andere Hoesseini partizaan, opereerde met zijn mannen in de Kuststreek. Ondanks dit bleef de coördinatie slecht.

Weg naar Jeruzalem veroverd door de Hagana – Joden in Jeruzalem weer bevoorraad

Er werden 1500 Hagana strijders ingezet om de weg naar Jeruzalem te veroveren. Fort Castel werd aangevallen. Deze lag vijf mijlen ten westen van Jeruzalem. Er werd zo voldoende weg in beslag genomen om snel drie konvooien van 250 voertuigen naar Jeruzalem te loodsen. Binnen een paar dagen kwamen de Arabieren met een wurggreep. Maar toen hadden de Joodse bewoners van Jeruzalem al voldoende voorraden om het een aantal weken uit te houden.

Britten trekken zich in versneld tempo terug – strijd tussen Joden en Arabieren verhevigt zich

Eind april 1948 begonnen de Britten haast te maken met hun vertrek uit Palestina. Zowel Joden als Arabieren namen verlaten politieposten en legerkampen van de Britten in. In Haifa maakten beide bevolkingsgroepen zich op voor de strijd. De Joden woonden op de heuvels van de stad terwijl de Arabieren in de lagere gedeelten woonden. Op 21 april 1948 namen strijders van de Hagana controle over belangrijke gebouwen en kruispunten. De Arabische bevolking vluchtte spoedig weg.

Joods offensief

De offensieve tactiek van de Joden bleek succesvol. Toch handhaafden de Arabieren zich in Boven Galilea. Na vertrek van de Britten werden 20 Joodse landbouwnederzettingen in het noorden omringd door Arabieren. Commandant Jigal Allon van de Hagana ontdeed alle Joodse nederzettingen van hun wapens en gaf die aan zijn troepen. Duizend jongeren van de Palmach namen de legerbasis bij Rosh Pina in. Toch bleef de situatie voor de Joden in Boven Galilea penibel. Op 9-10 mei 1948 lanceerden de troepen van Allon een offensief waarbij huis-aan-huis gevechten plaatsvonden. Hoewel de Arabieren in de meerderheid waren vluchtten ze massaal naar Libanon en Syrië. Vooral de val van Safed was catastrofaal voor de Arabieren. Joodse gemeenschappen konden voor het eerst sinds maanden weer contact met elkaar leggen. Noordelijk Palestina werd zo bevrijd en datzelfde gold voor de Kustvlakte. Uit Jaffo vluchtten 70.000 Arabieren. De Hagana hoefde nu niet meer de geïsoleerde Joodse enclaves te beschermen en kon zich concentreren op de verwachte invasie van Arabische buurlanden op 15 mei 1948. De Britse premier klaagde dat het Britse leger hem had laten vallen. Maar er was geen weg terug. De Joden hadden een nieuwe militaire realiteit geschapen in Palestina.

Joodse staat in opbouw - Palestijnse Arabieren gedesillusioneerd

Ook creëerden de Joden een nieuwe politiek realiteit. Er werd een provisorisch Zionistische Staatsraad o.l.v. Ben Goerion opgericht. De belastingen werden op dezelfde wijze geheven als voorheen en de Jewish Agency en Va'ad Le'umi functionarissen konden op hun post blijven waarbij ze ministeriële verantwoordelijkheid kregen. Tel Aviv werd de tijdelijke hoofdstad. Hagana en Etsel gingen volledig samenwerken.

De Joodse staat in opbouw stond in scherp contrast met de desillusie van de Palestijnse Arabieren. De Britten hadden misschien gedacht dat de chaos die ze achterlieten vooral de Joden zou treffen maar in werkelijkheid werden de Arabieren getroffen. De Arabieren weigerden destijds met het Britse Bestuur mee te werken. Iets wat de Joden wel hadden gedaan. De Opperste Moslim Raad en het Arabisch Hoger Comité functioneerden meer als organen voor propaganda en geweld. Bovendien waren het vooral Arabische leiders die het land ontvluchtten. De Hoesseini en Nashashibi clans waren vertrokken. En juist deze intellectuele en politieke elite hadden de Palestijnen juist nodig.

Stichting Israël – 14 mei 1948

Op 14 mei 1948 werd de Joodse Staat Israël opgericht. De VS probeerde nog te voorkomen dat de Joden de onafhankelijkheid zouden uitroepen (de Israëlische onafhankelijkheidsverklaring) – de VS wilde een uitstel ervan – omdat ze vreesde dat er een grote oorlog zou komen in het Midden-Oosten. Het Joodse kabinet in Palestina besloot, na een rapport van de Hagana over de militaire situatie in Palestina, om toch de onafhankelijkheid uit te roepen om 16.00 uur op 14 mei 1948. Slechts 2 uur later erkende de VS toch nog snel de Joodse staat.

VS probeert grote oorlog in het Midden-Oosten te voorkomen

De ontwikkelingen in Palestina tussen de Joden en de Arabieren bleven bij de Amerikanen niet onopgemerkt. De VS probeerde de Joden te overtuigen om het uitroepen van een onafhankelijke staat uit te stellen. Zo niet, dan zou de VS de Amerikaans Joodse fondsen naar de Joodse staat blokkeren. Dr. Nahum Goldmann, voorzitter van de Amerikaanse afdeling van de Jewish Agency, was onder de indruk van het dreigement en werkte samen met functionarissen van het State Department om het uitroepen van een Joods onafhankelijke staat uit te stellen. Maar David Ben Goerion en zijn collegae wilden hier niets van weten. Moshe Shertok ontmoette Marshall en Lovett. De Amerikanen maakten Shertok duidelijk dat de Joden geen hulp van de Amerikanen zouden krijgen tijdens een Arabische invasie in Palestina. Shertok antwoordde terug dat de Amerikanen verantwoordelijk zouden zijn voor het bloedvergieten omdat zij weigerden de deling van Palestina te steunen. Minister Marschall waarschuwde hem echter voor een lange oorlog. Shertok nam de waarschuwing serieus en vertelde het aan zijn collegae.

Situatie in Jeruzalem blijft kritiek

Ondertussen bracht Yigael Yadin, een jonge officier van de Hagana, op12 mei 1948 verslag uit over de strijd die gaande was tussen Joden en Arabieren aan de leden van de nationale administratie. Hagana had controle gekregen over de binnenlandse communicatie lijnen in Palestina. Maar de situatie in Jeruzalem bleef kritiek, waarbij de Arabieren de helft van de stad in bezit hadden en ook de verbindingswegen naar Jeruzalem toe. Het Arabische Legioen uit Trans-Jordanië (getraind door de Britten) trok richting Jeruzalem. Het Legioen veroverde ook het Etzion Blok (Goesh Etzion) met kibboetsiem tussen Jeruzalem en Hebron. Ook hadden de Joden een gebrek aan materiaal. Zelfs met voorraden uit Tsjecho-Slowakije was geen artillerie aangekomen. De Arabieren bezaten Britse geweren waarmee ze Jeruzalem beschoten. Zou de invasie van de Arabische landen gaan plaatsvinden, zo betoogde Yadin, dan zouden de Joden zowel in mankracht als wapens (kwalitatief en kwantitatief) de minderen zijn. Maar nu de Britten zich terugtrokken was een algehele Joodse mobilisatie wel mogelijk. Daarnaast bezaten Joden veel moraal, tactisch inzicht, en de planning en militaire ervaring die de Arabieren niet hadden. Mogelijk dat de Joden na 15 mei 1948 ook meer mankracht en wapens zouden krijgen.

Joodse kabinet besluit Joodse afhankelijkheid uit te roepen

Het Joodse kabinet verwierp het Amerikaanse voorstel met 6 tegen 4 stemmen en besloot het traject naar onafhankelijkheid voort te zetten. Op 14 mei 1948 in de morgen streken de Britten de Union Jack in Jeruzalem en rond het middaguur woedde er in heel Palestina gevechten tussen Joden en Arabieren. Om 16.00 uur las premier David Ben Goerion voor de radio de onafhankelijkheid van de Joodse staat Israël uit (Joodse inwoners in Jeruzalem konden de verklaring van Ben Goerioen overigens niet horen omdat ze van de buitenwereld waren afgesloten door de Arabieren). De nieuwe staat zou openstaan voor alle bewoners ongeacht religie, ras of geslacht en zou de vrijheid garanderen op het gebied van religie, geweten, educatie en cultuur. Tevens reikte Ben Goerion de hand uit naar de Arabische buurlanden om samen te werken en vooruitgang te boeken in het Midden-Oosten. Een paar dagen eerder had Chaim Weizmann op 12 mei 1948 aan president Truman gevraagd om Israël te erkennen. Na overleg met zijn adviseurs besloot de VS om 18.10 uur op 14 mei 1948 de Joodse staat Israël te erkennen. De Amerikaanse erkenning van Israël had verder geen gevolgen voor de Amerikaanse belangen in het Midden-Oosten. Pas in oktober 1973 tijdens de Jom Kippoeroorlog werd de VS getroffen door de oliecrisis in het Midden-Oosten als gevolg van Amerikaanse steun voor Israël.

Groot-Brittannië verklaarde dat Palestina geen deel meer uitmaakte van de Gemenebest. De Britten namen verder een neutrale positie in bij het conflict tussen Joden en Arabieren.

Bijlage - Ondertekenaars Israëlische Onafhankelijkheidsverklaring

David Ben-GurionEliyahu DobkinGolda MeïrDavid Remez
Daniel AusterMeir Wilner-KovnerNachum NirBerl Repetur
Mordekhai BentovZerach WahrhaftigZvi SegalMordekhai Shattner
Itzhak Ben-ZviHerzl VardiRabbi Yehuda Leib Hacohen FishmanBen Zion Sternberg
Eliyahu BerligneRachel CohenDavid Zvi PinkasBekhor Shitreet
Fritz BernsteinRabbi Kalman KahanaAharon ZislingMoshe Shapira
Rabbi Wolf GoldSaadia KobashiMoshe KolodnyMoshe Shertok
Meir GrabovskyRabbi Yitzchak Meir LevinEliezer Kaplan
Yitzchak GruenbaumMeir David LoewensteinAbraham Katznelson
Abraham GranovskyZvi LuriaFelix Rosenblueth

Oorlog 1948-1949 – Arabische invasie

Tot de laatste week voor het beëindigen van het Mandaat was niet zeker dat de invasie door Arabieren van Palestina zou gaan plaatsvinden. Voor het eerst werd op 9 juni 1946 gesproken over een mogelijke Arabische interventie. Syrië, Jordanië, Irak en de Moefti steunden het idee. Koning Abdoellah wilde zijn dynastie uitbreiden naar de Arabische sector van het Heilige Land en was bereid met de Joden een overeenkomst te sluiten over de rest van het land. De Syriërs wilden noordelijk Palestina inlijven. De Moefti wilde alle Joden uit Palestina verdrijven en over het hele land heersen. Andere landen waren tegen interventie.

Arabische strategie voor interventie

Pas na de verovering van Haifa en Tiberias door de Joden besloten de Arabische landen te interveniëren. De Arabische strategie zag er als volgt uit:
  • De Syrische en Libanese legers zouden noordelijk Palestina binnentrekken en Tiberias, Safed en Nazareth bezetten.
  • Daarna zouden het Iraakse leger en het Arabische Legioen naar het zuiden van het Meer van Galilea optrekken en van daaruit richting Haifa gaan.
  • Op 21 mei 1948 zou Haifa dan in handen vallen van vier Arabische legers.
  • De Egyptenaren moesten de Joden ten zuiden van Tel Aviv tegenhouden.

Dit schema werd echter niet uitgevoerd. Koning Abdoellah was tegen het verdelen van het land. Bovendien had de Hagana het Arabische Bevrijdingsleger van Qawukji verslagen. In de eerste week van mei bezaten de Joden heel west Galilea en waren de communicatielijnen naar Haifa goed beschermd. Safed werd door de Palmach troepen van Allon veroverd. Het Arabische blauwdruk voor de aanval veranderde in een slechte overeenkomst dat de Irakezen noord-centraal Palestina zouden aanvallen samen met het Arabische Legioen, de Syrische brigade het zuidoosten van Tiberias zouden binnentrekken, het zwakke Libanese leger zou in het noorden actief zijn en de Egyptenaren zouden de zuidelijk helft van Palestina onder handen nemen.

Logistiek gezien hadden de Arabieren grote problemen. De afstand tussen Bagdad en Haifa was zo'n 700 mijlen (1126 km). De Egyptenaren moesten 250 mijlen (402 km) door de woestijn trekken. En ook het Arabisch Legioen moest afstanden van zo'n 70-80 mijlen (112-128 km) overbruggen. Ook bezaten de Syrische en Iraakse leger geen militaire kaart van Palestina en moesten noodgedwongen gebruik maken van schoolkaarten en toeristische gidsen. Daarnaast was er geen gemeenschappelijk commandant van naam en bestond er geen coördinatie tussen de Arabische legers.

De Joden worden geconfronteerd met de Arabische invasie

Zouden de Arabieren op de hoogte zijn geweest van de feitelijke toestand van de Joodse strijdkrachten dan zouden ze minder aarzeling gehad hebben om Palestina binnen te trekken. De Hagana had nauwelijks meer dan 30.000 mannelijke en vrouwelijke strijders. Hoewel de Arabieren niet veel meer soldaten hadden, bezaten ze meer vuurkracht en beschikten ze over een luchtmacht. De Joden konden geen grond in de diepte verliezen aan hun vier fronten. De commandostructuur was bovendien belabberd. Maar het belangrijkste wapen van de Joden waren toewijding en militaire ervaring van hun troepen. Eén van die toegewijde militairen was Yigael Yadin, een archeologie student, die veel geheime operaties had uitgevoerd tegen Arabieren en Britse militaire installaties. Hij leidde het commando van de Joodse strijdkrachten toen hij 30 was. Op grond van informatie wisten de Joden dat er een Arabische invasie aanstaande was. Er werd snel een algemeen strijdplan opgesteld. Yadin verdeelde zijn negen brigades:
  • drie brigades in het noorden;
  • twee brigades in het centrum om Tel Aviv te verdedigen;
  • in het zuiden een brigade tussen Rechovot en Ashdod en één in de noordelijke Negev;
  • één brigade om Jeruzalem te verdedigen en één brigade voor de strijd om de grote weg in de Jeruzalem Corridor.

In totaal ging het om, zoals eerder gemeld, 30.000 Joodse strijders, hoewel er nog enkele duizenden rekruten bijkwamen. Er waren ook weinig wapens. De Britten weigerden tot het einde van het Mandaat om de wapenladingen uit Europa te lossen. Wel beschikten de Joden over het in het geheim gemaakte wapens die in kleine fabriekjes werden geproduceerd.

Op 14 mei 1948 nam de Hagana de stand van zaken op:
  • Het Arabisch Legioen van Trans-Jordanië was geconcentreerd rond Jeruzalem en de omliggende dorpen;
  • het Iraakse leger bevond zich in centraal Palestina;
  • de Syriërs en Libanezen trokken Galilea binnen;
  • Iraakse en Syrische eenheden werden ingezet tegen Joodse nederzettingen in de Jordaan Vallei;
  • de Egyptenaren trokken met twee brigades de Sinaï binnen.

Het Libanese leger (3000-3500 strijders) was de zwakste tegenstander. De officieren wilden liever niet actief vechten en de Libanese regering bestond uit rivaliserende christelijke en moslim fracties die verschillende standpunten innamen t.a.v. de Joodse staat. Het Libanese leger werd bij Malkiya in Palestina door de Hagana tegengehouden.

Kibboets Degania

Legenda
A. Kibboets Degania Aleph
B. Kibboets Degania Beth
C. Meer van Galilea
D. Bestandslijn 1949 (Syrië-Israël)
Het Syrische leger was sterker. Zij werd in 1945 getraind door een Britse militaire missie. Maar het 7000 man tellende leger toonde weinig slagkracht. Toch had het Syrische leger meer tanks en artillerie dan de Joden aan het begin van de oorlog. Toen de Syriërs richting het zuiden van het Meer van Galilea trokken met tanks en gepantserde voertuigen moesten de Joodse strijders snel twee houwitsers (uit 1870) vanuit Haifa naar het Meer van Galilea (kibboets Degania) brengen. De lokale Joodse commandant was overigens luitenant kolonel Moshe Dayan. Hij wist m.b.v. houwitsers succesvol een Syrische tank te raken en de Syriërs kozen daarop meteen het hazenpad. De Syrische regering koos voor een beperkte strategie en richtte zich op noordoost Galilea (de vinger van Galilea) wat ze sinds de Paris Peace Conference van 1919-1920 claimden vanwege de toegang tot extra waterbronnen. Dit gold ook voor de oostelijke zijde van het Meer van Galilea.

Het Iraakse leger was nauwelijks meer effectief dan het Syrische leger. Er lagen 8000 soldaten gelegerd in Trans-Jordanië waarvan 3500 aanvalstroepen. Op de dag dat het Mandaat eindigde probeerden ze tevergeefs de rivier de Jordaan bij Beisan over te steken. Daarna verspreidde het Iraakse leger zich in de Samaria 'driehoek'.

De ongeregelde troepen van Qawukji bevonden zich bij de Gilboa Berg en nabijgelegen Arabische dorpen als bescherming voor de Irakezen. Maar op 28 mei doorbraken de Joden deze bescherming. Toch ging het ook de Joden niet goed. Zo werd een frontale aanval op Jenin door de Irakezen afgeslagen. Maar deze gingen niet in de tegenaanval en zo werd voorkomen dat de nieuwe Joodse staat in tweeën werd gedeeld.

Oorlog 1948-1949 – strijd om Jeruzalem

De kritiekste gevechten tijdens de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog vonden plaats in het zuiden langs de Egyptische invasie lijn bij de kust en in de heuvels van Judea waar het Arabische Legioen Jeruzalem omsingeld had. Ironisch genoeg besloot het Egyptische leger tot 6 mei 1948 de gevechten over te laten aan vrijwilligers en de ongeregelde troepen van de Moslim Broeders. Toen het bevel kwam om met twee brigades naar Palestina te marcheren klaagde majoor generaal Ahmad Ali al-Muawi over de slechte conditie van het Egyptische leger. De Egyptische strijdmacht verzamelde ongeveer 10.000 strijders bij al-Arish alvorens Palestina binnen te trekken.

Egypte valt Palestina binnen

De twee brigades die bij al-Arish gelegerd waren, waren de Tweede en Vierde Brigade. Brigadier Muhammad Naguib, hoofd van de Tweede Brigade, leidde zijn troepen langs de kustweg richting Gaza en Tel Aviv. Luitenant Generaal Abd al-Azir, hoofd van de Vierde Brigade, trok richting de heuvels van Hebron. De Vierde Brigade nam Beer Sheva, Hebron en Bethlehem over van het Arabische Legioen. Daarna trok het op tegen kibboets Ramat Rachel dat Jeruzalem verdedigde. Ondertussen trokken 5000 strijders van de Tweede Brigade richting Tel Aviv. Om de dreiging te weerstaan trok Yadin 2000 man van zijn zuidelijke brigade weg van hun gevechtsposities op de Jeruzalem hoofdweg. Deze 2000 mannen hadden al zwaar geleden tijdens de gevechten met het Arabisch Legioen, maar daar was de Tweede Brigade van Egypte niet van op de hoogte. Deze trof zware weerstand van kibboets Yad Mordechai dat het vijf dagen volhield tegen de beschietingen van het Tweede Egyptische Brigade alvorens het de plek evacueerde. Ook kibboets Negba bood hevig verzet.

Tel Aviv bedreigd

Met een bevolking van een kwart miljoen inwoners was Tel Aviv één van de meest vooraanstaande steden in het Midden-Oosten geworden. Hier woonden de meeste Joden. De val van Tel Aviv zou het einde van Israël betekenen. Yadin riskeerde een tactisch offensief door op 29 mei 1948 de Tweede Brigade van Naguib van achteren aan te vallen. De Egyptische soldaten werden verrast. Op een persconferentie gaf Yadin aan dat er een enorme Israëlische overmacht was. Dit bericht bereikte Caïro en deze gaf bevel aan de Tweede Brigade zich terug te trekken. Het bleek het keerpunt te zijn van de Egyptische invasie. Toch lagen Tel Aviv en de buitenwijken van Jeruzalem binnen bereik van Egyptische artillerie toen op 11 juni 1948 het eerste VN-bestand in werking trad. Ook waren de Egyptenaren in bezit van alle belangrijke wegen in de Negev. De Joden hadden in het zuiden ongeveer 1200 doden en gewonden te betreuren. De nederzettingen in de Negev lagen geïsoleerd.

Situatie in Jeruzalem slecht

De situatie in de Jeruzalem regio was nog slechter. Jeruzalem werd belegerd door het Trans-Jordaanse Arabische Legioen. Het Hashemitische koninkrijk had belangstelling in de Arabische sectoren van Palestina. Na het vertrek van de Britten besloot de regering in Amman om het Arabische gedeelte van Palestina te bezetten. Koning Abdoella sprak ook met de Joden over het annexeren van de Arabische sector. Beiden wilden voorkomen dat de Moefti in handen kwam van de Arabische sector van Palestina. Koning Abdoella had geheime ontmoetingen met Golda Meyerson (later Meir) hierover. Daarnaast wilde Abdoella per se in het bezit komen van Jeruzalem. Hij zou daarvoor gaan strijden.

De strijd om Jeruzalem

Er woonden 85.000 Joden in Jeruzalem. Zij waren al verzwakt door de Arabische omsingeling en de begin weken van de Trans-Jordaanse aanval bleek bijna fataal te zijn. Op 19 mei 1948 zond Abdoella de eerste eenheden naar de Oude Stad. Tegelijkertijd gingen 2000 Legioen strijders, goed uitgerust met artillerie en geleid door Britse officiers, naar Jeruzalem vanuit het noorden. Na 10 dagen vechten slaagden de Joden erin om het Legioen terug te dringen tot de ultra-orthodoxe Joodse wijk Mea Sheariem. Vanaf nu concentreerden de Arabieren zich op het zuiden van Jeruzalem. Al eerder op 2 mei 1948 bestormden Egyptische infanteristen kibboets Ramat Rachel. Er werd hard gevochten maar na de laatste aanval hielden de Joden (voornamelijk strijders van Etsel) stand. De Joodse wijk van Jeruzalem hield echter geen stand. Op 28 mei 1948 gaf het zich gewonnen. De Joden waren in shocktoestand toen ze de Oude Stad van Jeruzalem verloren hadden. Ze konden niet meer bij de Westelijke Muur komen.

Na 3,5 week hevige strijd sinds 15 mei 1948 was Jeruzalem getroffen door meer dan 10.000 granaten, waren 2000 huizen en andere gebouwen vernield en waren er zo'n 1200 burgerslachtoffers te betreuren. Omdat de aanvoerlijn vanuit Tel Aviv geblokkeerd was hadden de Joden in de nieuwe stad van Jeruzalem nauwelijks munitie. Dankzij militair bestuurder Dov Joseph behield de meerderheid van de Joodse bevolking van de stad haar discipline. De mensen moesten in de rij staan voor drinkwater en er dreigde hongersnood. Ben Goerion drong erop aan om de weg naar Jeruzalem te openen. Yigal Allon kwam vanuit het noorden om een strategisch plan op te stellen om een aanval op Latrun uit te voeren. Maar het lukte niet om Latrun te veroveren. Er werd een alternatief gevonden om een pad te gebruiken ten zuiden van Latrun en Bab al-Wad zodat infanteristen per voet door de heuvel naar Jeruzalem konden. Het pad werd ook breder gemaakt om er voertuigen over te laten gaan. Er kwamen honderden arbeiders uit Tel Aviv om deze klus in de hitte te klaren. Op 9 juni 1948 was de primitieve weg gereed en konden vrachtwagens met voedsel en water Jeruzalem bereiken.

Oorlog 1948-1949 – 1ste VN bestand

De VN stelde Graaf Folke Bernadotte uit Zweden aan om te bemiddelen voor een bestand tussen Joden en Arabieren. De Arabieren stonden over het algemeen open voor een bestand, maar de Joden hadden moeite met de beperking op immigratie gedurende het staakt-het-vuren. Uiteindelijk werd een compromis bereikt: een verbod op nieuwe wapens en jonge mannelijke immigranten -die geschikt waren om soldaat te zijn- zouden in kampen worden ondergebracht onder toezicht van de VN (beide partijen hielden zich er niet aan). Alle gevechten zouden op 11 juni 1948 stoppen.

Arabische strijdkrachten proberen zich tevergeefs te verenigen

Strategisch gezien hadden de Arabieren een kleine voorsprong op de Joden bij het ingaan van het bestand. De Iraakse opperbevelhebber, generaal Salah Saïb al-Jaburi- waarschuwde dat de Joden na het aflopen van het bestand veel sterker zouden zijn en drongen er bij de Arabieren op aan zich te verenigen. Maar een poging hiertoe duurde slechts kort. Koning Abdoellah van Trans-Jordanië had geen zin meer in de oorlog. Trans-Jordanië had veel slachtoffers te betreuren en de territoriale winst in Palestina zou minimaal zijn. De andere Arabische leiders maakten wel effectief gebruik van het bestand en vergrootten hun manschappen van 32.000 tot 45.000. Toch werd er getwijfeld aan de voortzetting van de strijd.

Joden bereiden zich voor op hernieuwde strijd

Voor de Joden was voortzetting van de strijd noodzakelijk. Een derde van het land dat hen was toegewezen -de Negev- was in Arabische handen. Ook Galilea, de kust en Jeruzalem waren kwetsbaar. Maar de Joden hadden een tekort aan manschappen en wapens. Bijna elk front liep gevaar. Het bestand stond niet toe dat nieuwe troepen geleverd werden. Jeruzalem kreeg slechts voedsel en water voor één maand. Maar de kleine geheime wapenfabriekjes van de Joden produceerden volop kogels, granaten en mortiergranaten. In het geheim werden wapens aan de kust gebracht. Deze kwamen uit Tsjecho-Slowakije. Daar kregen de Joden ook een vliegveld tot hun beschikking. Zo konden wapens en vliegtuigen naar Palestina worden gebracht. Ook de Fransen verkochten wapens aan de Joden. Etsel regelde het schip Altalena dat verschillende malen tussen Frankrijk en Israël voer met manschappen en wapens aan boord. Maar het kwam tot een confrontatie tussen Etsel en de Hagana omdat Etsel 20% van de wapens wilde gebruiken door haar eigen eenheden. Het kwam tot een vuurgevecht tussen Hagana en Etsel. De Altalena vatte vlam en twaalf bemanningsleden kwamen om, waaronder Avraham Stavsky die in 1933 was veroordeeld voor de moord op Arlosoroff, en ook nog eens 70 rekruten. Een deel van de lading ging verloren. Het betekende het einde van alle wapentransporten uit Frankrijk. Het incident vergrootte de kloof tussen links en rechts in Israël die die volgende generatie nog zou naklinken in de politiek. Een aantal Etsel leden werden gearresteerd en Etsel eenheden werden uit het leger gezet.

Premier Ben Goerion legde nu eenheid op binnen het leger en stelde officieren aan van de Palestijnse eenheden van het Britse leger. Dit leidde bijna tot muiterij binnen het commando van de Hagana en de Palmach. Maar na intensieve gesprekken wist Ben Goerion zijn plannen toch uit te voeren. Er werden uniformen ingevoerd, nieuwe rekruten kregen intensieve training en de Joodse soldaten leerden omgaan met nieuwe wapens. De Joden hadden inmiddels 60.000 strijders en veel Europese en Amerikaanse wapens tot hun beschikking. Er was een moderne strijdmacht gevormd.

Territoriale en demografische veranderingen

Nog voor het bestand afliep viel Egypte op 8 juli 1948 kibboets Negba aan. Maar Negba had zich versterkt en wist de Egyptische aanval van zich af te slaan. De Joden begonnen een offensief en veroverden een aantal dorpen in het noordwesten van de Negev. In het noorden viel Syrië Mishmar HaYarden aan. In Beneden Galilea vielen Joden de Arabische stad Nazareth en omliggende dorpen aan. De belangrijkste strijd voerde Israël in het Lod-Ramle gebied. De dreiging voor Tel Aviv werd geëlimineerd en de route naar Jeruzalem geopend. De Joden waren in het offensief en de Arabieren in het defensief. Precies de omgekeerde situatie van vóór het bestand.

Koning Abdoella besloot om zijn Engelse commandant Glubb naar huis te sturen om te 'rusten'. De koning concentreerde zich op de verdediging van Jeruzalem en omgeving. Om die reden was het Arabische Legioen geen belangrijke factor meer in de oorlog. De Joden werden steeds sterker. Ze veroverden vliegveld Lod, bombardeerden de Libanese stad Tyrus vanaf zee en zelfs Caïro werd vanuit de lucht gebombardeerd. Israël bezat meer gebied dan hen was toegewezen door de VN.

Niet alleen vonden er veranderingen plaats op territoriaal gebied, ook demografisch vonden wijzigingen plaats. In de maanden na de VN-deling resolutie vertrokken ongeveer 30.000 Arabieren uit Palestina. Het ging voornamelijk om zakenlui en grote families uit steden. Het moraal onder de Arabieren was toen echter nog hoog dankzij oorlogssuccessen. Pas in april en mei 1948 begonnen Joden de bovenhand te krijgen in Palestina. Toen begon de exodus van Arabieren pas echt. Vooral uit Haifa vertrokken er velen. De Joden wilden dat ze bleven omdat ze de wereldopinie vreesden. Maar de Arabieren vertrokken toch uit Haifa. Ook uit andere delen van Palestina vertrokken ze. De belangrijkste reden was dat Arabische regeringen hen verzochten te vertrekken om ruim baan te maken voor de Arabische legers. Dit werd althans door Israël vaak naar de oorlog gezegd. Maar historicus Howard Morley Sachar meldt in zijn boek dat zo'n bevel voor evacuatie nimmer plaatsgevonden heeft. Uit de Arabische pers en radio uit die tijd bleek dat Arabieren juist opgeroepen werden om te blijven. Er werd zelfs gedreigd om eigendom van Arabieren te confisqueren die vertrokken. En de Libanese regering sloot de grens voor alle Arabieren, m.u.v. vrouwen, kinderen en ouden van dagen. De meest duidelijke reden voor het Arabische vertrek was de ineenstorting van Arabisch politieke instituten. Ook joegen Joden Arabieren weg en werden huizen vernietigd om te voorkomen dat Arabische strijders ze als uitvalsbasis zouden gebruiken. De meest bekende operatie betrof Deir Yassin op 9 april 1948. Hierbij doodden Etsel en Lechi meer dan 200 Arabische mannen, vrouwen en kinderen. Hoewel de Hagana Etsel officieren arresteerde had de massaslachting verstrekkende gevolgen waarbij Arabieren de slachting veel groter maakten dan die in werkelijkheid was. Veel Arabieren vluchtten in paniek weg.

Met de komst van de geregelde Arabische troepen na 15 mei 1948 nam de Arabische exodus wat af. Toch waren er tegen 11 juni 1948, toen het eerste VN bestand in werking trad, al meer dan 250.000 Arabieren gevlucht. Het Israëlische beleid wijzigde en men ging Arabieren 'aanmoedigen' te vertrekken. Zo werden bij Lod, Ramle en omliggende Arabische dorpen zo'n 100.000 Arabieren aangespoord te vertrekken. Tegen 9 juli 1948 waren al zo'n 300.000 Arabieren op de vlucht geslagen. Na de oorlog bleken ongeveer 720.000 Arabieren uit Palestina te zijn vertrokken. Dit was 70% van de totale Arabische bevolking in Palestina. Hiervan gingen 240.000 naar de oostelijke helft van Palestina (West Bank). Tussen de 55.000 en 60.000 Arabieren vertrokken naar Trans-Jordanië. Nog eens 180.000 kwamen in Gaza terecht. Bijna 100.000 Arabieren vluchtten naar Libanon en 70.000 belandden in Syrië. Kleinere groepen gingen naar Irak en Egypte en later naar de Golfstaten. In eerste instantie waren de Arabische vluchtelingen in het voordeel van de Joodse staat die verlost was van een vijfde colonne en Arabische staten opzadelde met arme Arabieren die een druk vormden voor hun economieën en daardoor geen militaire aanvallen meer op Israël konden uitvoeren. Later zouden deze vluchtelingen evenwel als politiek wapen tegen Israël gebruikt gaan worden.

Premier David Ben Goerion gaf al snel aan dat de Arabische vluchtelingen niet zouden kunnen terugkeren. Bovendien werd Israël tussen 1948 en 1957 geconfronteerd met zo'n 467.000 Joden die uit moslimlanden naar Israël moesten vluchten.

Oorlog 1948-1949 – Strijd om de Negev

De Israëlische regering trachtte om het VN-bestand om te zetten in een permanente vrede. Op 18 juli 1948 probeerde Graaf Folke Bernadotte een wapenstilstand op te leggen onder dreiging van ernstige economische sancties tegen degenen die weigerden. Er gold zelfs geen tijdlimiet. Er waren vele hulpmiddelen tot zijn beschikking om de wapenstilstand op te leggen. Bernadotte was een ervaren diplomaat die al eerder met de Nazi's had onderhandeld. Zelf zag hij dat als een succes maar de Joden niet omdat velen van hen in de concentratiekampen waren gestorven.

Bernadotte doet een voorstel

Bernadotte vond de VN deling van Palestina achteraf gezien een ongelukkige omdat deze deling een oorlog bevorderde. Hij deed op 27 juni 1948 een nieuw voorstel: twee onafhankelijke leden van een 'unie' waarbij de Arabische partner onderdeel zou worden van Trans-Jordanië. Verder mochten twee jaar lang Joden naar Palestina komen waarna de United Nations Social and Economic Council verder zou beslissen. Ook moesten Arabische vluchtelingen kunnen terugkeren. Tot slot wilde hij de Negev aan Trans-Jordanië geven terwijl de Joden westelijk Galilea zouden krijgen. Haifa en vliegveld Lod zouden vrije zones worden. Het plan werd door iedereen, behalve Trans-Jordanië, de grond in geboord. Bernadotte besloot om zich voor een paar weken terug te trekken. Op 16 september 1948 kwam hij met een sterk gewijzigd voorstel. Het plan van een politieke en economische unie liet hij varen. Jeruzalem zou een internationale stad onder VN-toezicht moeten worden. Wel wilde hij de Negev aan de Arabieren geven terwijl de Joden heel Galilea zouden krijgen. Een dag nadat het rapport werd ingediend werd Bernadotte doodgeschoten. Men vermoedde dat Lechi er achter zat maar de daders werden nooit gevonden. Wel werden 400 Lechi leden gearresteerd. De dood van Bernadotte leidde ertoe dat meer waarde werd toegekend aan het rapport. Zowel Groot-Brittannië als de VS schaarde zich er achter. Israël maakte zich er grote zorgen om.

Strijd om de Negev

De laatste dagen voor het tweede opgelegde bestand slaagden de Joden erin een aantal dorpen in het noordwesten van de Negev te veroveren. Toch bleven de meeste nederzettingen in de Negev onder de Egyptische blokkade. Yadin en zijn staf zagen Egypte als het grootste gevaar en daarom besloten ze tot een groot offensief in de Negev. Drie lange stroken waren voor de Egyptenaren kwetsbaar:
  • tussen Rafa en Gaza
  • tussen al-Huja en Bethlehem
  • tussen Majdal en Beit Gubrin

De Joodse strijdmacht was behoorlijk sterk geworden met 90.000 soldaten. Ook hadden de Joden veel wapens uit Tsjecho-Slowakije binnengehaald. Soldaten infiltreerden 's nachts in kibboetsiem in de Negev totdat zich een volledige brigade had gevormd achter de Egyptische linies. Ondertussen bracht Yigal Allon langzaam zijn noordelijke brigades richting het zuiden. Halverwege oktober waren 30.000 Joodse soldaten plus een kleine luchtmacht squadron in de Negev. Door eigen vrachtwagens op te blazen werd een voorwendsel gecreëerd om de aanval te openen. De Egyptenaren werden totaal verrast. Aan beide kanten vielen veel slachtoffers. In de week van 22 oktober 1948, toen de VN geleidelijk het bestand op de Negev oplegde, trokken de Egyptische soldaten zich terug met schepen waarvan een aantal door Israëliërs tot zinken werden gebracht. De bondgenoten van de Egyptenaren kwamen niet te hulp. Het Arabisch Legioen ging in plaats daarvan naar Bethlehem en Hebron om het district te redden voor Trans-Jordanië. Op 23 oktober 1948 kwamen de hoofden van Arabische dorpen bijeen in Amman. Glubb van het Arabisch Legioen stelde voor om Joodse posities in het Beit Gubrin gebied aan te vallen. Ondertussen zou de geïsoleerde Egyptische brigade bij Faluja haar zware materieel vernietigen en vluchten. Egypte verwierp het voorstel. Ondertussen ging Yigal Allon praten met Taha Bey, de Egyptische commandant maar dit leidde tot niets behalve vriendelijke contacten tussen majoor Cohen en majoor Nasser. Duidelijk was dat Arabische landen, in het bijzonder Egypte en Trans-Jordanië, elkaar wantrouwden m.b.t. Palestina. De Egyptenaren waren tegen Jordaanse annexatie van Palestijns land. Ze steunden de Palestijnen echter alleen met hun lippen. In Gaza werd een Palestijnse marionetten regering van Egypte ingesteld. Trans-Jordanië besloot ondertussen de West Bank te annexeren tijdens een conferentie in Jericho. Haj Amin al-Hoesseini werd door Sjeik Hassan Muhyi al-Din al-Jarallah vervangen als Moefti van Jeruzalem. Koning Farouk van Egypte waarschuwde dat de Jericho resolutie een bedreiging vormde voor de Arabische eenheid.

Oorlog 1948-1949 – Wapenstilstand

De Israëliërs maakten zich op om de Egyptenaren uit Israëlisch gebied te verdrijven en een levensvatbare staat te vestigen. Het leger nam de laatste elementen van Palmach en Etsel op en organiseerde mobilisatie schema's. Tegen december 1948 hadden de Joden ongeveer 100.000 soldaten en veel wapens. De Egyptenaren hadden twee strijdmachten in de Sinaï. De noordelijke strijdmacht bestond uit twee brigades bij Rafa en Gaza gesteund door het leger in al-Arish. De zuidelijke strijdmacht bestond ook uit twee brigades van al-Auja naar Bir Asluj. De vierde brigade lag ingesloten bij Faluja. Zou al-Auja vallen dan konden de Joden oprukken naar al-Arish en de Middellandse Zee.

Laatste campagne van de Onafhankelijkheidsoorlog 1948-1949

Al-Auja was lastig aan te vallen vanwege aanwezigheid van artillerie en tanks. De Joden kozen voor een alternatieve route naar al-Auja. Deze moest echter wel gereed gemaakt worden omdat het een oude Romeinse route was. Op 22 december 1948 begon het Joodse offensief. Een gepantserde colonne ging richting Gaza. Een brigade van infanteristen, gesteund vanuit de lucht, ging richting de hoofdweg tussen Bir Asluj en al-Auja. En een krachtige colonne bewoog zich langzaam over de Romeinse weg. Op 26 december 1948 waren de Joden binnen schiet afstand van al-Auja. Na een dag en nacht vechten gaven de Egyptenaren zich over. Vervolgens werd Abu Agheila aangevallen en van daaruit gingen de Israëliërs richting al-Arish.

Caïro probeerde militaire steun te vragen van andere Arabische landen. Maar de Syriërs en Irakezen waren uitgeput. Moshe Dayan had ondertussen in november 1948 al ontmoetingen gehad met de Trans-Jordaanse kolonel Abdoella al-Tel van het Legioen in Jeruzalem. Zij kwamen op 1 december 1948 een staakt-het-vuren overeen. Ook ondervond Koning Farouk in Egypte zelf allerlei tegenslagen omdat men daar op de hoogte was van de nederlaag. Er werden gewelddadige demonstraties gehouden door de Moslim Broeders tegen buitenlandse en Joodse bedrijven. Premier Nagrashi Pasha werd vermoord door een lid van de Moslim Broeders. Ondertussen greep Groot-Brittannië in en dwong de Israëliërs zich uit de Sinaï terug te trekken. Alleen bij Rafa bleven Israëlische troepen zodat Egyptische soldaten niet konden vluchten. De Britten gingen daarop met de Egyptische luchtmacht meevliegen. Op 7 januari 1949 schoten Israëlische Messerschmitts 4 Britse vliegtuigen neer. Op 12 januari 1949 stelden de Egyptenaren een ultimatum: er zou alleen een bestand komen indien Israël zich bij Rafa zou terug trekken. Uiteindelijk besloot premier Ben Goerion dat te doen. Twee weken daarna vertrok het overblijfsel van de Taha Bey brigade zich uit Faluja.

Onderhandelingen voor een bestand

Op 29 december 1948 riep de VN op tot een wapenstilstand in alle sectoren van Palestina. De Arabische landen wilden niet direct met Israël onderhandelen. Egypte en Israël overlegden op het eiland Rhodes in januari 1949 o.l.v. de VN. De Israëlische delegatie werd geleid door Walter Eytan. Dr. Ralph Bunche was bemiddelaar namens de VN. De openingsgesprekken werden apart gehouden. Na een paar dagen gingen de Egyptenaren en de Israëliërs direct onderhandelen. Beide partijen wilden vrede in Palestina. De Negev zou in handen blijven van Israël m.u.v. Gaza dat door Egyptische troepen was bezet. Al-Auja en omgeving zouden onder bestuur van de VN vallen. Het bestand zou in de toekomst een vredesverdrag moeten worden. Op 24 februari 1949 werd het akkoord ondertekend. Later volgden ook de andere Arabische landen. Op 23 maart 1949 sloot Israël een akkoord met Libanon. De oude internationale grens werd hersteld door terugtrekking van Israël uit 14 Libanese dorpen. Binnen 6 weken waren akkoorden gesloten met Egypte, Libanon en Jordanië. Met Syrië ging het veel moeizamer omdat dit land de geboorteplaats was van het Arabisch nationalisme. Er vonden ontmoetingen plaats tussen Israël en Syrië in niemandsland (bij de Tiberias-Damascus weg) aan het einde van de lente en in de zomer van 1949. Uiteindelijk trokken de Syriërs zich terug naar de oorspronkelijke grens maar eisten dat in de geëvacueerde gebieden geen Israëlische troepen mochten komen. Er werden diverse gedemilitariseerde zones gecreëerd. Alleen Irak weigerde een akkoord met Israël te tekenen en bleef vijandige taal richting de Joodse taal bezigen.

Israël vond de onderhandelingen met Trans-Jordanië het meest complex. Israël moest demonstratief een grootschalig offensief tegen de “IJzeren driehoek” voorbereiden om Jordanië bereid te krijgen akkoord te gaan met een gewijzigde grens bij de Chadera-Afula autoweg, de Lydda-Haifa spoorlijn, en ook een deel van het heuvelland. De Jordaniërs behielden wel dorpen maar stonden land af. Er kwam een gewijzigde, gedemilitariseerde grens tussen de Dode Zee en Akaba en tussen de Dode Zee en Beisan. In Jeruzalem bleef de status quo gehandhaafd: de Joden in de nieuwe stad en de Jordaniërs in de Oude Stad. Joden kregen wel toegang tot het Hadassah ziekenhuis en de Hebreeuwse Universiteit en de begraafplaatsen op de Olijfberg. Op 3 april 1949 werd het akkoord getekend.

De akkoorden leidden ertoe dat Israël 21% meer land had dan door de VN was toegewezen. Maar de grenzen waren kwetsbaar omdat er infiltranten waren die Israël bestookten.

De Onafhankelijkheidsoorlog kostte Israël uiteindelijk 6000 doden en 30.000 gewonden. Op een bevolking van minder dan 600.000 mensen was dat relatief veel. Veel in het land was bovendien vernietigd door de oorlog. De citrusteelt, lange tijd de basis van de Jisjoev economie, was geheel vernietigd. Toch was nu de Joodse staat een feit. Sinds de verkiezingen van januari 1949 had Israël een regering en een parlement. Israël werd ook lid van de VN.

Lees verder

© 2012 - 2019 Etsel, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Israël-steden en streken: cultuurlandschap geografieIsraël-steden en streken: cultuurlandschap geografieSinds de komst van de Joden naar Erets Jisraeel is het land enorm veranderd. Kleine nederzettingen veranderden in grote…
Boekrecensie: Vriend of vijand – David GrossmanrecensieBoekrecensie: Vriend of vijand – David GrossmanIn 1993 kwam de bekende Israëlische romanschrijver David Grossman met een non-fictie boek over Israëlische Arabieren. He…
Israëlische elite eenheden: verzet tegen Britten (1946-1948)Israëlische elite eenheden: verzet tegen Britten (1946-1948)Gedurende de jaren 1946-1948 strijden drie joodse verzetsgroepen tegen het Britse Mandaat en de Arabieren in Palestina.…
Israëlische elite eenheden: de Irgoen (1931-1948)De Irgoen heeft een slechte reputatie. Het wordt gezien als een joods terroristische organisatie die een harde strijd vo…
Israëlisch-Arabische oorlogen (1): Oorlog van 1948Israëlisch-Arabische oorlogen (1): Oorlog van 1948Op 29 november 1947 werd door de VN de verdeling van Palestina aangenomen in een Joodse en een Palestijns gedeelte. Jeru…
Bronnen en referenties
  • A history of Israel (From the rise of zionism to our time) - Howard Morley Sachar
  • Atlas of Israel - Martin Gilbert

Reageer op het artikel "Modern Israël: Stichting Israël en Onafhankelijksheidsoorlog"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Etsel
Laatste update: 09-07-2018
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Geschiedenis
Special: Geschiedenis Modern Israël
Bronnen en referenties: 2
Schrijf mee!