InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Diversen > Dik Trom, een bijzonder kind: dorpsleven in de jeugdcinema

Dik Trom, een bijzonder kind: dorpsleven in de jeugdcinema

De verhalen van Dik Trom stammen uit het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw. Vele generaties kinderen zijn opgegroeid met de streken en avonturen van Dik Trom, de dikke kwajongen met een onmiskenbaar hart van goud. Er zullen dan ook maar weinig mensen zijn die nog nooit van Dik Trom gehoord hebben. Zo ben ook ik met de boeken van C. Joh. Kieviet opgegroeid. Het zijn echte volksboeken, waar vele lagen van de bevolking zich ook nu nog steeds in zullen herkennen. De sfeer van rust, gemoedelijkheid en onbezorgdheid die de boeken uitademen, hebben mij altijd weten te boeien.

Vandaar dan ook de keuze van Dik Trom als onderwerp voor dit artikel. Vanaf het einde van de jaren ’50 zijn de verhalen van Dik Trom verfilmd. De avonturen van de kwajongen in deze films zijn een illustratie van het Nederlandse plattelandsleven aan het begin van de 20e eeuw. De films zijn weliswaar geen letterlijke boekverfilmingen, maar geven desondanks een goed beeld van het leven van Dik Trom, zoals beschreven in die boeken. Het gaat om de films NIEUWE AVONTUREN VAN DIK TROM (1958), DIK TROM EN HET CIRCUS (1960), DIK TROM EN ZIJN DORPSGENOTEN (1973), DIK TROM KNAPT HET OP (1974) en DIK TROM WEET RAAD (1976). Na de films te hebben bekeken, heb ik besloten om voor dit artikel een analyse te maken van de laatste film uit de reeks, DIK TROM WEET RAAD (1976).

Cornelis Johannes Kieviet

Maar allereerst een korte inleiding over de bedenker en uiteindelijke schrijver van de verhalen van Dik Trom. Cornelis Johannes Kieviet werd in 1858 geboren in de Haarlemmermeerpolder. Zijn vader verdiende daar zijn geld als timmerman-aannemer. Omdat het gezin bestond uit maar liefst elf kinderen, hield zijn moeder, om het gezin te onderhouden, nog een aantal kostgangers, waaronder enkele onderwijzers. Zeer waarschijnlijk is de invloed van die onderwijzers binnen het gezin de reden voor Kieviet geweest om later voor een betrekking in het onderwijs te kiezen.

Vanaf 1890 ging Kieviet zich in zijn vrije tijd vooral bezig houden met het schrijven van kinderboeken. Hij zocht in zijn boeken naar een vernieuwende stijl die de jeugd zou aanspreken. En als onderwijzer kon hij zich natuurlijk perfect inleven in de belevingswereld van kinderen. Zodoende schreef hij in 1891 UIT HET LEVEN VAN DIK TROM. Vanwege de thema’s die het boek bevatte kon Kieviet in eerste instantie geen uitgever vinden voor zijn werk. Later wist een vriend uitgever Kluitman uiteindelijk te overtuigen van de kracht van het werk, maar de verkoop van het boek was allesbehalve indrukwekkend. Het duurde maar liefst acht jaar voor die eerste druk verkocht was. Na de tweede druk ging de verkoop een stuk beter. Een belangrijke reden hiervoor moet gezocht worden in de geleidelijk veranderende opvattingen in de pedagogie en het onderwijs ten aanzien van kinderliteratuur. De aandacht ging steeds meer uit naar de wereld van het kind. Zowel onderwijzers als ouders werden toleranter ten aanzien van jeugdliteratuur. En een andere, niet minder belangrijke reden voor het succes van de tweede druk waren de toegevoegde illustraties van tekenaar Johan Braakensiek (1858-1940), die beroemd geworden was om zijn spotprenten.

Vanwege dat uiteindelijke succes besloot Kieviet nog een aantal boeken over Dik Trom te schrijven, te weten DE ZOON VAN DIK TROM (1907), TOEN DIK TROM EEN JONGEN WAS (1912), DIK TROM EN ZIJN DORPSGENOTEN (1920), HET TWEEDE BOEK VAN DIK TROM EN ZIJN DORPSGENOTEN (1923) en AVONTUREN VAN DIK TROM (1931). Deze boeken werden allen goed verkocht, maar konden het succes van het eerste boek niet meer evenaren. Maar één ding was zeker; Dik Trom was een onuitputtelijke persoonlijkheid gebleken. Ondanks zijn succes als schrijver bleef Kieviet werkzaam in het onderwijs. Vanwege suikerziekte ging hij op 59-jarige leeftijd vervroegd met pensioen en vestigde zich in Wassenaar, waar hij tot aan zijn dood in 1931 nog tal van kinderboeken schreef, waaronder FULCO DE MINSTREEL (1892) en EEN DOZIJN HOLLANDISCHEN JONGENS (1919). Maar Kieviet heeft met zijn creatie Dik Trom een figuur tot leven gebracht die inmiddels een nationale bekendheid is geworden.

Kinderfilms

Het is niet eenvoudig om een exacte omschrijving van het begrip kinderfilm te geven. Verschillende experts hebben verschillende definities gegeven. Zo wordt een kinderfilm door het Centre International du Film pour la Jeunesse beschouwd als geschikt voor de jeugd als hij is aangepast aan het niveau van het jeugdige publiek en als hij wegens zijn kwaliteiten kan bijdragen tot de vorming van en het respect voor de menselijke persoonlijkheid.

In de begintijd van de cinema werden er geen geschikte films voor kinderen gemaakt. Films zouden een slechte invloed hebben op kinderen. Filmmaker Dick Laan begon in 1918 aan zijn eerste padvinderfilms, maar de negatieve houding ten opzichte van de film bleef. Daarom werd in 1928 de Centrale Commissie voor de Film Keuring opgericht, waarna iedere film gekeurd diende te worden. In de jaren ’30 en ’40 werd langzaam maar zeker ook de educatieve waarde van films onderkend. Er werden ook films gemaakt die bij het onderwijs gebruikt zouden kunnen worden. In 1946 maakte filmmaker Ernst Winar de Dik Trom-film DIK TROM EN ZIJN DORPSGENOTEN. Door de concurrentie van de televisie in de jaren ’60 werd de productie van films ernstig bemoeilijkt. Door de enorme financiële risico’s durfden veel producenten niet meer in films te investeren. Vooral kinderfilmmakers leden hier onder, omdat hun films natuurlijk specifiek bedoeld waren voor een beperkte doelgroep. Bovendien werd het werken met kinderen scherp gecontroleerd door de arbeidsinspectie. Slechts enkele filmmakers, waaronder Henk van der Linden, konden desondanks toch hun films maken.

Henk van der Linden

De Limburgse filmmaker Henk van der Linden, die ook wel de Nestor van de Nederlandse jeugdfilm genoemd, heeft in zijn lange carrière maar liefst zeventig films gemaakt, waaronder ook de, in de inleiding genoemde, films van Dik Trom. Van die zeventig films staan er maar liefst tien van bij de top 100 van Nederlandse films die de meeste bezoekers hebben getrokken.
Henk van der Linden was van jongs af aan direct al betrokken bij het filmvak, omdat zijn vader een bioscoopexploitant was. Daarnaast had hij ook een filmverhuurkantoor. Van der Linden constateerde dat er een behoefte was aan goede jeugdfilms en maakte zodoende op 18-jarige leeftijd zijn eerste film. Een succes was zijn film DRIE JONGENS EN EEN HOND uit 1953.

Later besloot hij films te gaan maken over personages uit de jeugdliteratuur, waarvan Dik Trom natuurlijk een goed voorbeeld is. Maar ook maakte Van der Linden films over andere nationale bekendheden als Pietje Bell, Billie Turf en Sjors en Sjimmie. Zijn films zijn vaak spannende avonturenverhalen met een humoristische inslag. Minstens één van de personages verricht in zijn films een goede daad, naar de waarden en normen uit de betreffende tijd. Voor Van der Linden was het belangrijk dat kinderen genoten van zijn films. Negatief commentaar vanuit pedagogische of kunstzinnige kringen interesseerde hem dan ook niet.

Tussen 1954 en 1985 maakte Henk van der Linden vrijwel ieder jaar wel een film. Dit gebeurde vaak in de zomervakantie, aangezien de kinderen, die hij in zijn films liet acteren, dan vakantie hadden. Professionals werden zelden ingehuurd. In de films is dit dan ook goed zichtbaar. Amateuristisch, zou je kunnen zeggen, maar dit heeft toch ook wel zijn charmes. Vanwege het grote aantal films dat Van der Linden in de loop der jaren gemaakt heeft, lijkt het dan ook onwaarschijnlijk dat kinderen, die in deze periode zijn opgegroeid, nog nooit een film van Van der Linden gezien hebben. De film DE NIEUWE AVONTUREN VAN DIK TROM heeft zelfs meer dan 28 jaar onafgebroken in de Nederlandse bioscopen gedraaid en is daarmee de enige Nederlandse film die in het Guiness Book of Records staat.

De films maakte Van der Linden vaak in samenwerking met zijn vrouw. Hij was een veelzijdig man. Hij verzorgde niet alleen de regie, maar schreef ook de scripts, bouwde de decors, deed de productie, was cameraman, deed de montage en acteerde zelf ook nog geregeld in zijn films. Dit gebeurde natuurlijk om de kosten te drukken. Zijn productiebedrijf Rex Film leek daarom meer op een eenmanszaak.

Dik Trom

Bij de naam Dik Trom moet vrijwel iedereen denken aan die dikke jongen, die vol met streken zit, maar die ondanks alles toch een hart van goud heeft. Al van jongs af aan beleefde Dik Trom, samen met zijn vrienden Jan Vos en Piet van Dril, het ene avontuur na het andere. Dik Trom kreeg brede nationale erkenning toen hij door beeldhouwer Nico Onkenhout achterstevoren op zijn ezel in brons vereeuwigd werd en in Hoofddorp zelfs een eigen museum kreeg.

Het zijn vooral drie belangrijke eigenschappen die van Dik Trom het interessante personage maken dat hij inmiddels geworden is. Allereerst is Dik, ondanks zijn ondeugende karakter, een goede, eerlijke en ook uiterst zorgzame jongen die het altijd opneemt voor de zwakkeren binnen zijn sociale omgeving. Een goed voorbeeld is de manier waarop Dik de ‘Heks van de Achterweg’ en haar man te hulp schiet. Deze oude vrouw moest het bij de dorpsbewoners voortdurend ontgelden, want zij zou een heks zijn.

Daarnaast is de persoon van Dik Trom een levensecht kind waar kinderen zich zonder al teveel moeite in kunnen en ook zullen herkennen. Maar bovenal worden er in de boeken de meest humoristische situaties beschreven die voor kinderen zeer herkenbaar zijn. Natuurlijk zullen sommige zaken gedateerd overkomen, maar de meeste grappen zullen ook nu nog steeds gewaardeerd worden; ieder kind vind het leuk om zo nu en dan kattenkwaad uit te halen. Het zit immers in ieder kind.

Eerder stelde ik al dat men in het begin vanuit pedagogische kringen nogal wat terughoudend oordeelde over Diks avonturen. Men vond dat Kieviet bij zijn beschrijvingen zo nu en dan te ver ging. Bedoeld werd hier natuurlijk het verzet tegen het gezag (in de vorm van veldwachter Flipsen) en de kwajongensstreken. Rond 1930 wilde men de boeken van Dik Trom zelfs uit de bibliotheken verwijderen, maar de verkoop bleef gewoon doorgaan. In 1968 was er binnen de gemeenteraad van Hoofddorp nogal wat protest toen men de naam DIK TROM voor het nieuwe schoolgebouw voorstelde. En in 1988 stond Dik Trom nog altijd op de vierde plaats van de Jeugdboeken top honderd aller tijden.

Maar de mensen die kritisch waren vonden ook dat de boeken de jeugd attent maakte op de schijnheiligheid die er in de samenleving bestond. Het was dan ook opvallend te noemen dat de verhalen van Kieviet zich nu eens niet situeerden in het gegoede burgerlijk milieu, zoals dat destijds zovaak gebeurde. Kieviet wilde een levensechte jongen scheppen en zich hiermee afzetten tegen de onechte brave kinderen die in die tijd als voorbeeld voor de samenleving werden gezien. Kieviet vond dat zaken als kattenkwaad uithalen en ondeugend zijn hoorden bij het opgroeien van kinderen en daarom niet verzwegen mochten worden in de jeugdliteratuur, omdat deze jeugdliteratuur anders niet goed aan zou sluiten bij de leefwereld van kinderen.

De films over Dik Trom

Allereerst moet gezegd worden dat de films geen directe boekverfilmingen zijn. De titels van de films komen ook niet overeen met de titels van de boeken. De avonturen van Dik Trom in de films zijn allen op zich staande avonturen en hebben over het algemeen weinig te maken met de avonturen die Dik in de boeken beleeft.

DIK TROM WEET RAAD (1976)

DIK TROM WEET RAAD is een film die door Henk van der Linden in 1976 is gemaakt. De film is de vijfde en tevens ook de laatste in de Dik Trom-reeks. Het verhaal is eenvoudig en is, zoals gezegd, ook nu niet gebaseerd op Kieviets literaire werk. In de film schiet Dik zijn verlamde vriend Harry te hulp. Later gaat de nieuwsgierige Dik een groot leegstaand huis binnen, waar zich ook een roversbende schuilhoudt. Dik Trom besluit de misdadigers te bestrijden en krijgt daarbij hulp van zijn vrienden, waaronder zijn vriend Harry. Aangezien dit, zoals gezegd, de vijfde film over Dik Trom is, gaat Henk van der Linden er bij het vertellen van zijn verhaal van uit dat de personages bij de kijker bekend zijn. Er is dus geen sprake van introducties van personages. Het verhaal gaat dan ook direct van start.

Natuurlijk is een eerste uitgangspunt voor Van der Linden de omgeving. Vanuit de boeken weten we immers dat alle verhalen zich in een landelijke omgeving afspelen. Ondanks dat nergens in de boeken gesproken wordt over Hoofddorp en de Haarlemmermeerpolder kunnen we er toch vanuit gaan dat Kieviet deze specifieke locaties heeft bedoeld. Het is immers, zoals gezegd, ook de geboorteplaats van de schrijver. In DIK TROM WEET RAAD zien we die landelijke omgeving dan ook veelvuldig terug. We zien beelden van het platteland, van weilanden met koeien, boomgaarden en korenvelden. Op de achtergrond is voortdurend vogelgezang te horen. Door deze landelijke elementen als decor voor het uiteindelijke verhaal te gebruiken weet Van der Linden een rustige en ongecompliceerde dorpssfeer te creëren. Het chaotische karakter van een stedelijke omgeving is hier dan ook totaal niet van toepassing. De film ademt dan ook een sfeer van intimiteit en gemoedelijkheid uit. Zeer duidelijk wordt dit wanneer we Dik op zijn gemak in het gras langs het kanaal zien rusten. Zonder enige zorgen. Zijn vriendin Nelly vraagt hem dan ook of hij moe is, waarop Dik antwoord; “Nee, ik zorg alleen dat ik het niet word”.

Tijdsperiode

In de boeken van Dik Trom komen bepaalde locaties steeds weer terug waardoor uitgezocht kan worden in welke periode de verhalen zich afspeelden; de markt met de boom was de plek waar Dik Trom zijn vrienden vaak ontmoette. Het raadhuis in Hoofddorp werd in 1867 in gebruik genomen. De markt verloor in 1912 zijn functie, omdat het polderhuis op die plek kwam. En nergens in de boeken van Dik Trom wordt gesproken over dat polderhuis. Globaal kan dus gesteld worden dat de verhalen van Dik Trom zich tussen 1867 en 1912 hebben afgespeeld. Henk van der Linden moest dus zorgen dat zijn films tot op zekere hoogte representaties waren van die tijdsperiode. Voor het optimale belevingsgevoel moest de kijker duidelijk het idee krijgen dat het verhaal zich zo rond die periode situeerde. Op die manier zou hij in de film dezelfde sfeer kunnen benaderen als die van de boeken. Hij heeft om dit te bereiken natuurlijk tal van mogelijkheden, waarvan ik er hier een aantal zal bespreken.

Allereerst is de relatie tussen man en vrouw opvallend te noemen. In DIK TROM WEET RAAD is de vrouw erg zorgzaam voor het gezin; zij is de hele dag thuis en zorgt voor het huishouden. Zij leeft dan ook eigenlijk puur en alleen voor het gezin. De man is de gehele dag druk aan het werk en bemoeit zich verder weinig met het huishouden. Bovendien is het zeer duidelijk dat de vrouw hier ondergeschikt is aan de man. Als de man vermoeid terug komt van zijn werk, zal de vrouw zich in dienst van haar man moeten stellen. Zij zal voor het eten moeten zorgen, zij zal hem moeten voorzien van comfort (pantoffels, warme chocolademelk en de krant) en zij zal aandachtig moeten luisteren naar wat de man te vertellen heeft. De aandacht van de vrouw is vanaf dat moment dus volledig op de man gericht. Ook de manier van aanspreken is noemenswaardig; de man wordt door zijn vrouw aangesproken met ‘vader’ en de man zal zijn vrouw aanspreken met ‘vrouw’. Verder worden de ouders door de kinderen aangesproken met ‘vader’ en ‘moeder’, dus een dergelijk onderscheid, zoals bij man en vrouw merkbaar is, is bij de relatie tussen ouders en kinderen niet van toepassing. Allemaal zaken die horen bij die tijd, maar die wij absoluut niet meer gewend zijn.

Maar ook de inrichting van de interieurs zal de kijkers het gevoel moeten geven dat het verhaal zich zo’n 100 jaar geleden afspeelt. Vanuit de boeken is het uiteraard goed mogelijk om een bepaalde voorstelling te maken, maar film biedt natuurlijk een audiovisuele ervaring, waardoor de lezers van de boeken zich nu zeer letterlijk een beeld kunnen vormen van de settings. Van der Linden heeft dus gekozen voor een betrekkelijk eenvoudige inrichting, niet alleen omdat dat destijds toch wel gebruikelijk was, maar temeer omdat hij bij het produceren van zijn films gebonden was aan een minimaal budget. De inrichting van de huiskamers bestaat dus vooral uit eenvoudige en nagenoeg steeds weer dezelfde elementen; een volledig houten inrichting versierd met boeken, borden aan de muur, schilderijen, een tikkende koekoeksklok en behang, duidelijk voorwerpen die wij met die tijd associëren.

Verder is de klederdracht in een film natuurlijk erg belangrijk. Kleding kan het authentieke karakter van een film grotendeels bepalen. Vanuit de boeken van Kieviet weten we dat de kleding van Dik Trom bestaat uit een knickerbocker met veel te wijde pijpen, een vestje dat daarentegen weer veel te klein was en een kenmerkende pet, die hij altijd achterstevoren droeg. En natuurlijk een paar klompen. In de film is deze kleding natuurlijk direct overgenomen. Zo kennen we Dik Trom natuurlijk, maar de kleding is ook kenmerkend voor de plattelandscultuur van rond 1900. Vrouwen, waaronder ook de moeder van Dik, droegen gewoonlijk grote wijde rokken met een blouse eroverheen. En als hoofddeksel typische witte kanten mutsjes. Hoofddeksels waren dan ook gebruikelijk in die tijd. Rijkere heren, waaronder de chirurg, die in DIK TROM WEET RAAD Diks verlamde vriend Harry opereerde, droegen deftige kleding; een kostuum met een hoge hoed, een horlogeketting en een wandelstok. Kleding zorgt er voor dat je als kijker een bepaalde verwachting hebt. Het kan veel zeggen over een personage; een chirurg zal vanwege zijn status dan ook goed en deftig gekleed zijn.

Beeldelementen

Het is duidelijk dat Henk van der Linden een beperkt budget had voor zijn films. Hij kon het zich daardoor niet permitteren om ingewikkelde cinematografische middelen te gebruiken. Dit zien we ook duidelijk terug in DIK TROM WEET RAAD.

Voor de meeste shots heeft Van der Linden gekozen voor medium shots. Hierbij worden de personages in beeld gebracht vanaf het kruis of de dijen. Zo nu en dan wordt dit afgewisseld met medium close-ups; ongeveer vanaf het middel. Dit zijn vrij neutrale en ook eenvoudige uitgangsposities, aangezien hierbij vrij weinig camerabeweging nodig is. De kans dat een shot mislukt wordt hierdoor dan ook aanzienlijk verkleind. Kostenbesparing dus. Van ingewikkelde close-ups is dan ook vrijwel geen sprake. De film is vrijwel geheel opgebouwd uit shots die vanuit een neutraal perspectief gefilmd zijn, dus op ooghoogte. Van der Linden kiest er ook duidelijk voor zo weinig mogelijk camerabewegingen toe te passen. Dit wordt vooral duidelijk gedurende de achtervolgingsscène in het oude verlaten huis. Dik en zijn vriend Piet worden in dat huis door de rovers achterna gezeten. De camera staat dan op één bepaald punt gepositioneerd waarlangs alle actie zich afspeelt. Het gevolg van deze simpele opstelling is een slapstickachtige situatie, hetgeen natuurlijk de amusementswaarde van de scène vergroot.

Ook de manier van belichten is eenvoudig. Er is sprake van slechts twee lichtbronnen. Eentje van boven en eentje vanachter de camera. Hierdoor krijg je harde schaduwen op de grond en achtergrond. Vooral bij de interieurshots is dit goed merkbaar. Met een groter budget zou Van der Linden natuurlijk extra belichting kunnen toepassen om deze harde schaduwen weg te werken. Hij zou dan het zogenaamde ‘fill light’ kunnen toepassen, waardoor donkere gedeelten binnen het kader extra worden belicht.

Wat opvalt aan de films is dat het verteltempo erg traag is. Van der Linden heeft hier zelf over gezegd dat de situatie, tijdens het maken van de films, totaal anders was dan tegenwoordig. Het huidige publiek is veel meer gewend geraakt aan bewegende beelden. Maar toen was het nodig om van een bepaalde gebeurtenis alle handelingen te tonen, omdat er anders gaten in het verhaal zouden komen te zitten en dat zou voor veel kijkers onbegrijpelijk zijn.

Bijzonder is dat DIK TROM WEET RAAD en de overige films van Dik Trom allen zijn nagesynchroniseerd. De reden hiervoor was dat Henk van der Linden zijn films voornamelijk in Limburg opnam en daardoor dus vrijwel alleen kon beschikken over acteurs met een Limburgs accent. En omdat de gebeurtenissen zich afspelen in de Haarlemmermeerpolder, zou een dergelijk accent natuurlijk nooit passen. Wat ook opvalt is dat de dialogen soms erg expliciet zijn, maar dat was nodig aangezien de films destijds in drukke en erg rumoerige zalen werden vertoond. Tegenwoordig zijn die expliciete dialogen niet meer nodig, vanwege het enorme aanbod aan Engelstalige kinderprogramma’s, waardoor kinderen steeds beter in staat zijn om films te begrijpen zonder de tekst te verstaan. Ook van ingewikkelde geluidseffecten is geen sprake. De aanwezige effecten zijn eenvoudig en dienen hier strikt om het verhaal te ondersteunen. Buiten horen we het gefluit van vogels en binnen horen we de koekoeksklok tikken. Op sommige momenten worden de geluidseffecten ook gebruikt om de tijdsperiode te verduidelijken. Een voorbeeld is het offscreen geluid van een paard en wagen, destijds natuurlijk een zeer gebruikelijk vervoersmiddel. Muziek wordt sporadisch gebruikt en dient hier om de spanning aan te geven. Het is voornamelijk vrolijke marsmuziek.

Conclusie

Natuurlijk zijn de streken van Dik Trom vandaag de dag enigszins gedateerd, maar nog steeds kunnen kinderen het waarderen. Het succes van de boeken van Cornelis Johannes Kieviet bleef in eerste instantie uit, vooral vanwege de terughoudende reacties vanuit pedagogische kringen. Het succes kwam uiteindelijk door de geleidelijk veranderende opvattingen in de pedagogie en het onderwijs (de jeugd werd attent gemaakt op de schijnheiligheid binnen de samenleving) en door de toegevoegde illustraties van Johan Braakensiek.

Dik Trom is een onuitputtelijke persoonlijkheid gebleken. Het zijn vooral drie zaken die Dik Trom zo interessant maken; hij heeft een hart van goud, hij is een levensecht kind en hij raakt verzeild in de meest humoristische situaties. De boeken van Kieviet ademen een sfeer van rust, gemoedelijkheid en onbezorgdheid uit en het was voor Henk van der Linden dan ook een hele verantwoordelijkheid om niet door de mand te vallen met zijn films. Hij moest ervoor zorgen dat diezelfde sfeer terug kwam in zijn films.

Zoals uit de analyse van DIK TROM WEET RAAD (1976) blijkt is dat filmmaker Henk van der Linden, vooral vanuit een kostenbesparend motief, met de meest eenvoudige middelen zijn verhaal heeft weten te vertellen. Hij houdt hierbij vooral de beeldelementen en de mise-en-scène eenvoudig. Er was geen ruimte voor ingewikkelde cinematografische technieken. Opvallend is echter het trage verteltempo, de nasynchronisatie en de eenvoudige geluidseffecten die enkel ter ondersteuning van het verhaal dienen. Van der Linden moest de illusie creëren dat kijkers het idee hadden dat het verhaal zich inderdaad rond 1900 afspeelde. Hij heeft hierbij bijzonder veel aandacht besteed aan de relatie tussen man en vrouw, de interieurs en de kleding. Ook de in beeld gebrachte landschappen zijn belangrijk. Daarmee heeft hij op doeltreffende wijze dezelfde sfeer weten te creëren die karakteristiek is voor de boeken van Kieviet. Die boeken kenmerken zich natuurlijk vooral door de rustige en ongecompliceerde dorpssfeer.

Kieviet, maar ook Van der Linden hebben eraan bijgedragen dat de dikke dorpsjongen met een hart van goud ook nu nog bij generaties kinderen tot de verbeelding spreekt, want zoals Diks vader altijd al zei: “het is een bijzonder kind en dat is-ie”.
© 2007 - 2019 Johndavis, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Hoofddorp en Dik TromHet dorp waar Dik Trom woonde, aan de Hoofdvaart, lag in het midden van een grote polder. Veel kinderen moesten ver lope…
Cinema 4D, wat kun je ermee doen?Cinema 4D, wat kun je ermee doen?Cinema 4D is een softwareprogramma van het Duitste bedrijf Maxon. Met de softwarepakketten van Cinema 4D kunnen ontwerpe…
Tamboers met belangrijke functie bij de schutterijTamboers met belangrijke functie bij de schutterijSchutterijen en tamboers horen al eeuwen bij elkaar. Bij feesten van de schutterijen hadden de tamboers een belangrijke…
Herta Müller, Nobelprijs WinnaresIn 2009 won Herta Müller de Nobelprijs voor Literatuur. Ze is afkomstig uit de Duits-sprekende streek van Roemenië en he…
André Bazin: the ontology of the photographic imageIn zijn artikel The Ontology of the Photographic Image beschrijft André Bazin de ontwikkeling van de fotografie en de ci…
Bronnen en referenties
  • Bordwell, David, Thompson, Kristin. Film art: an introduction. New York: McGraw-Hill, 1993. Bruin, Hans de, Kolenberg, Kathinka. Ik zie…ik zie…wat jij kan lezen; het Nederlandse jeugdboek verfilmd. Amsterdam: Hogeschool Holland, 1987. Eyk, Jaap van. De doe-het-zelf-regisseur. HP/De Tijd, 27 september 1996. Kempen, Johan van. Geschreven op het scherm. Een methode voor filmanalyse. Nederlands Instituut voor Kunsteducatie: Utrecht, 1995. Kwestro, Joke. De Nederlandse jeugdfilm. Een onderzoek naar de geschiedenis van de Nederlandse jeugdfilm. Utrecht: Stichting Nederlandse Film Festival, 1997. Linders-Nouwens, Joke. Het ABC van de jeugdliteratuur: in 250 schrijversportretten van Abkoude naar Zonderland. Groningen: Nijhof, 1995. Prickaerts, Astrid. Een relatie onder druk: een onderzoek naar de rol van het Instituut voor Kunsteducatie in de situatie van de kinder- en jeugdfilm in Nederland vanaf 1983 tot op heden. Doctoraalscriptie Theater- Film- en Televisiewetenschap: Universiteit van Utrecht, 1994. Riemens-Reurslag, Johanna. Het jeugdboek in de loop der eeuwen. ’s-Gravenhage: Van Stockum, 1949. Wagemaker, N.J. C. Joh. Kieviet. Nieuwe Niedorp: Ventje Vijfhaar, 1997.

Reageer op het artikel "Dik Trom, een bijzonder kind: dorpsleven in de jeugdcinema"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Johndavis
Gepubliceerd: 19-11-2007
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Diversen
Bronnen en referenties: 1
Schrijf mee!