Nederlandse soldaten in de Waffen-SS
In de Waffen-SS dienden in totaal rond de 22.000 Nederlandse vrijwilligers. Met dit aantal leverden de Nederlanders, samen met de Baltische vrijwilligers, naar verhouding het grootste aandeel soldaten van Europa. De mannen kregen een militaire opleiding, eerst in München, later in Sennheim. Daarna werden ze ingedeeld bij Standarte Westland of Germania. Tijdens de oorlog zijn vier tot zesduizend vrijwilligers gesneuveld, verongelukt of vermist geraakt.
Werving van vrijwilligers
Enkele weken nadat de Duitsers ons land bezet hadden, begonnen zij met herwerven van mannen voor de Waffen-SS, een paramilitaire organisatie en later een volwaardig deel van het Duitse leger. In de kranten verschenen artikelen over het belang van deelname en oproepen om zich te melden bij een van de wervingsbureaus. Het ging daarbij om raszuivere mannen – dat was heel belangrijk – van 17 tot 45 jaar die minstens 1,70 meter lang waren.
Jongens die nog examen moesten doen, konden zich ook melden. Zij kregen het diploma cadeau, als ze tenminste tot hun vertrek goede cijfers hadden gehaald. Voor geïnteresseerden uit de voorlaatste klassen van de middelbare school golden dezelfde regels. Om verlies van inkomsten hoefde niemand zich druk te maken. De overheid zorgde voor de achterblijvers.
Criminele vrijwilligers
Wie door de keuring kwam, vertrok naar de Freimannkazerne te München voor een zware militaire opleiding, die het aanvankelijke enthousiasme al snel deed bekoelen. Het gedrag van de Duitse officieren droeg daar ook aan bij, omdat zij de vrijwilligers behandelden als leden van een overwonnen volk. Voor de idealisten onder de vrijwilligers was het daarnaast ook een enorme tegenvaller dat een groot deel van de vrijwilligers alleen uit was op avontuur en er zelfs bajesklanten bij waren, mannen die hadden kunnen kiezen voor het uitzitten van een gevangenisstraf of het dienstnemen bij de vijand, en voor het laatste hadden gekozen.
De aanwezigheid van avonturiers, die vaak uit arme milieus kwamen, en criminelen, had een negatieve invloed op de sfeer. Diefstal kwam vaak voor, de mannen misdroegen zich aan tafel en echte saamhorigheid ontstond pas toen er gezamenlijk strijd geleverd moest worden. Dat was na het afronden van de opleiding, toen zij ingezet werden bij de strijd op de Balkan. De Nederlandse mannen waren ingedeeld bij de Standarten Westland en Germania, regimenten die uit 500 tot 1000 soldaten bestonden. Op 21 december 1940 voegden de Duitsers Stadarte Westland toe aan SS-divisie Wiking, een gemotoriseerde infanteriedivisie.
Vanaf juli 1941 deed Wiking mee aan Operatie Barbarossa, de Duitse aanval op de Sovjetunie. Zij vochten op de zuidelijke flank van het front en trokken op in de richting van de Zwarte Zee. In 1942 bereikten zij de Kaukasus. Het oprukkende leger werd gevolgd door Einsatztroepen die de Joodse bevolking in veroverde gebieden moest ombrengen. Soldaten van de Waffen-SS hielpen daarbij, en ook Nederlandse vrijwilligers.
Misdaden
Direct in de eerste oorlogsmaand was Wiking betrokken bij moordpartijen in en rond de stad Tarnopol in de Oekraïne. Zij traden daarbij uiterst wreed en sadistisch op en hadden er plezier in om Joden te martelen en te doden. Dat blijkt uit de dagboeken die verschillende Nederlandse vrijwilligers bijhielden. Een van hen beschreef hoe hij op 11 juli met zijn eenheid terugkeerde naar Tarnopol: ‘Vergeten heb ik nog te vertellen hoe mooi het was om in Tarnopol een opperrabijn aan de toren van zijn synagoge op te hangen en toen de synagoge in brand te steken’.
In de havenstad Mariopol waren Nederlandse Waffen-SS’ers betrokken bij de moord op 13.000 Joden. Een Nederlandse soldaat schreef daarna: ‘Mariopol viel in onze handen en de mooiste buit die wij ons hadden kunnen dromen was wel de 13.000 Joden die levend in onze vingers kwamen, maar er natuurlijk niet meer levend uit kwamen’. De dagboeken bewijzen dat Nederlandse vrijwilligers niet alleen vochten tegen de Russen, maar ook verantwoordelijk waren voor de daar gepleegde genocide.
Zorg voor de achterblijvers
Bij de invasie in Rusland kwamen veel Nederlanders om. Een bureau in ’s-Hertogenbosch onder leiding van Oberstürmführer Kerling zorgde voor het inlichten van de nabestaanden. Vanuit dit bureau werd ook de maandelijkse onderstand aan gezinnen geregeld, waarvan de kostwinner aan het front verbleef. Zij kregen financiële steun, extra voedsel en kolen en bij het overlijden van hun man of zoon geld en textielpunten om rouwkleding te kunnen kopen en de begrafenis te betalen.
Met het verstrijken van de tijd namen de verzoeken om steun toe. Familieleden vroegen niet alleen om extra levensmiddelen, maar ook om zaken als een bijdrage aan verhuiskosten of een extra uitkering na een inbraak. Veel brieven bevatten een verzoek om hulp in verband met echtscheiding, zowel van frontstrijders als van achtergebleven vrouwen. ‘De zedelijke opvatting van betrokkenen, in het bijzonder van de Nederlandse vrouwen, is dermate los dat men zich alleen maar kan verbazen’, schreef Kerling aan zijn superieuren in Berlijn.
De steun aan achterblijvers verdween bijna helemaal na Dolle Dinsdag. Het bureau in ’s-Hertogenbosch werd gesloten en de families zaten zonder geld. Dat leidde tot veel boze brieven aan de kostwinners aan het front, waarin moeders en echtgenotes zich beklaagden over de opgeschorte betaling en het niet nakomen van de belofte om extra kolen en voedsel te geven. Een vrouw uit Haarlem schreef verbitterd aan haar man dat hij wat haar betreft niet meer terug hoefde komen als de oorlog voorbij was: ‘Ik moet zien dat ik wat te eten krijg. Jij zorgt daar niet voor en dus kan ik het later ook wel’.
Verliezen
Het Duitse leger was in de winter van 1942-1943 begonnen met de terugtocht uit de Sovjet-Unie. Tijdens de strijd bij Charkov in de Oekraïne raakte Wiking betrokken bij hevige gevechten en stierven veel vrijwilligers. Een Nederlandse soldaat schreef aan zijn ouders dat nog maar tien procent van de mannen die aan de invasie was begonnen in leven was.
Door het grote aantal verliezen was aanvulling uit bezet gebied noodzakelijk. Nederlandse keuringsdiensten stelden de eisen naar beneden bij en keurden mannen goed die mank liepen of aan één oog blind waren. Zij wierven vrijwilligers in gevangenissen en onder voogdijkinderen en probeerden zelfs jongeren met ernstige psychische problemen over te halen dienst te nemen als vrijwilliger. Na hun opleiding traden deze mensen toe tot Wiking.
Wiking kreeg aan het einde van 1943 een aantal tanks en werd als SS-Panzer-Division opnieuw opgebouwd en overgebracht naar het front in Rusland. Begin 1944 moesten de soldaten zich terugtrekken. Zij vochten in de zomer nog bij Warschau en tijdens de eerste maanden van 1945 in Hongarije. Wat er nog aan soldaten over was gaf zich in mei over aan de Amerikanen.
Na de oorlog bleek dat vier tot zesduizend vrijwilligers gesneuveld of verongelukt waren. Vele honderden zijn vermist. Misschien zijn zij anoniem begraven op een kerkhof in Rusland, in de Oekraïne of elders in Oost-Europa. Mogelijk bevinden zij zich in de grond van de slagvelden van weleer. Naar de vermiste Nederlandse vrijwilligers wordt nog steeds onderzoek gedaan.