InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Geschiedenis > Mentaal-culturele voorwaarden van Industrialisatie

Mentaal-culturele voorwaarden van Industrialisatie

Mentaal-culturele voorwaarden van Industrialisatie Dit artikel draait om de analyse van de volgende historische tekst: 'Prometheïsche geesten, puriteinen en plattelanders' van Harry Jansen. Ten eerste zal aandacht besteed worden aan het doel en de inrichting van de tekst. Vervolgens zal een blik geworpen worden op het, door Jansen, gebruikte analysemodel. Als derde onderdeel wordt gekeken naar Jansens gebruik van verklaringmodellen. Als laatste punt wordt beschreven wat de voordelen en tegenwerpingen zijn van het vergelijkende verklaringsmodel.

Inleiding

Sinds mensenheugenis is het verklaren en begrijpen van een tekst -hetzij historisch, demografisch of literair- van groot belang. Dankzij die instrumenten weten wij dieper tot de tekst door te dringen en daarmee weten we de tekst eigen te maken. De importantie daarvan is evident. Zonder begrip, geen kennis. Om die reden wordt al vanaf de basisschool onderwezen in het begripvol lezen.

Dit artikel draait om de analyse van de volgende historische tekst: Prometheïsche geesten, puriteinen en plattelanders van Harry Jansen. Ten eerste zal aandacht besteed worden aan het doel en de inrichting van deze tekst. Vervolgens zal een blik geworpen worden op het, door Jansen gebruikte analysemodel. Dit kan zowel een diachroon- of een buis-analysemodel zijn. Als derde onderdeel wordt gekeken naar Jansens gebruik van verklaringmodellen. Zijn deze causaal, narratief of meer van intentionele aard? Als laatste, en vierde, punt wordt beschreven wat de voordelen en tegenwerpingen zijn van het vergelijkende verklaringsmodel. Hier wordt voornamelijk aandacht geschonken aan Chris Lorenzs visie, zoals beschreven staat in zijn proefschrift de constructie van het verleden.

I. Doel en inrichting van de tekst

De tekst van Harry Jansen is onderdeel van een bundel die handelt over allerlei facetten van de Industriële Revolutie. Deze Industriële Revolutie ving aan in Groot-Brittannië, specifieker in het gebied Lancashire rond 1760-1780.Het doel dat Jansen zichzelf stelt is, behalve het burgerlijk-kapitalistische denken verklaren, het zoeken naar een beschrijving voor het calculerende, bezitsindividualistische en utiliteits-denkende gedrag van de pré-industriële mens. Kort gezegd: de mentaal-culturele voorwaarden, of condities, voor de industrialisatie bepalen en verklaren. Volgens Jansen is er dankzij vernieuwende stromingen zoals de Renaissance, de Verlichting en het het Calvinisme een kentering gemaakt van een op autarkie gerichte arbeid, naar een marktvoorzienende mentaliteit. Daarnaast werd werk lang-zamerhand meer en meer gezien als mogelijkheid, in plaats van beperking en verplichting. Het idee dat de mens, door Gods straf, moest ploeteren in de aarde voor een schrale beloning werd 180 graden omgedraaid. Jansen wil deze mentaal-culturele verandering bepalen en verklaren aan de hand van rurale en urbane bronnen, rechtssystemen en vormen van het Calvinisme.

Waar, aldus Lorenz, het wetmatige verklaringsmodel geen adequate reconstructie biedt van oorzakelijke verklaringen in de geschiedenis maakt Jansen gebruik van een vergelijkende oorzakelijke verklaringsmodel. De wetenschapsfilosofische positie van dit model bevindt zich naast het positivisme en hermeneutiek. Er wordt naar causale wetten gezocht en gekeken naar de intentie van historische actoren, in casu: voorwaarden van industrialisering en respectievelijk Engeland en Frankrijk. De causale interpretaties en wetten blijven weliswaar multi-interpretatief, maar er wordt de rationele kernen van de hermeneutiek en het positivisme gecombineerd. Waardoor de stelligheid van deze causale interpretaties goed doordacht is. Desondanks blijven interpretaties feilbaar en voor verbetering vatbaar.

Bij de inrichting van een tekst moet als eerste gekeken worden naar de verschillende actoren. In deze tekst zijn dat achtereenvolgens Engeland als snelste industrialisator. Vervolgens Frankrijk, als snelle industrialisator, dat ietwat achterblijft op Engeland. Zij vertegenwoordigen het snel ontwikkelende Noordwest-Europa. Als laatste actor treedt Oost-Europa op als achtergebleven gebied. Oost-Europa heeft in Jansens tekst een belangrijke functie om Noordwest-Europa's af-wijkende cultuurpatroon en zijn economische en technische voorsprong te verklaren en definiëren. De verschillen in de mentaal-culturele traditie is vooral een sociaaleconomische constellatie.

Het gezamenlijk vertrekpunt is de 17e- en 18e eeuw. De periode waarin West-Europa zich wist te ontwortelen van het mercantilisme en de autarkische voorzienigheid. De vroeg-moderne mens richtte zich op en probeerde productiviteit en winst na te streven. Dit werd dankzij een progressieve secularisering meer geaccepteerd. De kerk en landheer als evidente heerser werd losgelaten en de mens werd individualistischer. Het is goed om te kijken naar de drie routes die Jansen heeft uitgestippeld. De eerste route is Engeland, de tweede beschrijft Frankrijk en de laatste route geeft de weg van Oost-Europa weer. Engeland en Frankrijk beschikken al vroeg over het burgerlijk-kapitalistische denken, terwijl Oost-Europa vast zit in collectivistische en feodale opvattingen.

Vervolgens worden verschillende verklaringen gezocht voor het burgerlijk-kapitalistische denken en de mentaal-culturele traditie. Jansen begint met de ontwikkeling van het platteland en de stad. Hij laat tegenstellingen zien tussen Oost- en Noordwest-Europa. Waar de boeren in Oost-Europa vast zitten in feodale structuren is er geen conditie voor profilering en ontwikkeling. Terwijl in Engeland een sterke ontwikkeling plaatsvindt. De Engelse boer en handwerker is inventief, adequaat en gericht op winst. Op het Franse platteland is eveneens een ontwikkeling zichtbaar, maar staat op gepaste afstand van Engeland. Daarnaast is de stedelijke ontwikkeling in het Noordwesten van Europa sterker dan elders. In Rusland was rond 1780 ongeveer 90-97% van de bevolking landelijk in tegenstelling tot Noordwest-Europa waar Londen en Parijs de grootste steden waren met 1.000.000 en 500.000 inwoners.

De huwelijksleeftijd lag op het Franse en Engelse platteland hoog en de gezinssamenstelling was klein. Zo laat de demarcatielijn van Hajnals ons zien. Dit komt omdat in het Westen de bezits-rechten bij het gezin liggen. Terwijl in Oost-Europa er sprake is van een groot collectief bezit, waar-door er geen noodzaak was om laat te huwen. Dit hangt samen met het rechtssysteem. Zo heeft Engeland allodiale rechtsverhoudingen, hier zijn de heerlijke rechten beperkt tot de jurisdictie. Frankrijk dominiale of seigneuriale rechtsverhoudingen, waarbij de gronden zijn onderworpen aan heerlijke heffingen. In Oost-Europa zijn er feodale rechtsverhoudingen, daar heersen grootgrond-bezitters over de lijfeigenen. Samengevat, bij feodale verhoudingen zijn de boeren onvrij en in de seigneuriale en allodiale verhoudingen zijn de boeren vrij.

Uiteindelijk leidden al deze aspecten tot een kritische gebeurtenis. In Engeland is dat het Puritanisme, aangewakkerd door het Calvinistische gedachtegoed. In Frankrijk zijn dat de Fysiocraten die zich afzetten tegen het absolutisme en mercantilisme. En zoals te verwachten is er in Oost-Europa geen sprake van een kritische gebeurtenis die aanzet tot vroege industrialisatie. In de tabel hieronder is het hierboven besprokene schematisch weergegeven.

route:Route 1Route 2Route 3
landen:Engeland (NW Europa)Frankrijk (NW Europa)Oost-Europa
Gezamenlijk vertrekpunt 17e- en 18e eeuwburgerlijk-kapitalistisch denkenburgerlijk-kapitalistisch denkencollectivistisch denken
Rurale ontwikkeling:SterkMatigGering
Urbane ontwikkeling:SterkSterkGering
Huwelijksleeftiijd:HoogHoogLaag
RechtssysteemAllodiaalSeigneuriaal/dominiaalFeodaal
Industriële mentaliteit:SterkSterkZwak
Doorwerking antieke denken: Verlichting en RenaissanceSterkSterkZwak
Uiteindelijk resultaat:Vroege en snelle industrialisatieVolgde Engeland op afstand. Wel snellere industrialisatie dan andere landenGeen vroege industrialisatie

II. Sprake van gevallen of variabelen?

In de tekst van Jansen wordt, zoals eerder gezegd, gebruik gemaakt van het vergelijkende oor-zakelijke verklaringsmodel. Volgens de socioloog Charles Ragin zijn er twee typen vergelijkende oorzakelijke verklaringsmodellen te onderscheiden. Dit onderscheid is te bepalen door te kijken of er sprake is van bepaalde variabelen of dat complete gevallen centraal staan.

Voor de bepaling van deze variabelen en gevallen volgen we Lorenz. Hij stelt dat 'de variabelen-benadering doorgaans kwantitatief van karakter is en bedoeld om de relatie tussen variabelen op basis van een aantal gevallen vast te stellen. Deze relatie wordt meestal in de vorm van een generalisatie gegoten'. Bij de geval-benadering ligt dat anders. Deze is doorgaans kwa-litatief van karakter en bedoeld om gevallen als geheel te vergelijken in termen van historische oorsprongen en uitkomsten. De meeste historici plegen te kiezen voor de geval-benadering. Zo ook Jansen. Hij kiest een probleemstelling en verdeeld deze in drie uitgewerkte problemen. De pro-bleemstelling wil verklaren welke mentaal-culturele voorwaarden voor de industrialisatie geleden. De drie problemen die hij hier uithaalt zijn [1] de bronnen van het burgerlijk-kapitalistische denken, [2] het West-Europese karakter en [3] welke mentaal-culturele verklaringen er voor de snellere industrialisatie van Engeland aan te voeren.

III. Synchroon casu quo Diachroon

Er zijn verschillende modellen om een tekst op te stellen. Dit hangt af van de eigenlijke bedoeling die de schrijver met een tekst heeft. Zo kan hij een gezichtsbepalende snapshots van een periode omschrijven of juist een ontwikkeling door de tijd beschrijven. Beide analysemodellen gaan uit van een inus-patroon.

De verschillende modellen die het inus-patroon kan herbergen noemen we een diachrone analysemodel (buismodel) of een synchrone analysemodel (nestanalyse). De eerste heeft een enkel-voudige causale samenhang, waar de tweede uitgaat van een abnormalistische verbijzondering. Een buismodel is te herkennen aan het gebruik van analogieën, generalisaties en de isolering van causale elementen. Daarnaast gaat het buismodel uit van een ontwikkeling door de tijd.

Bij het synchrone analysemodel wordt gebruikt gemaakt van een nestmodel. Deze laat geen ontwikkeling door de tijd zien, zoals gezegd wordt de tijd stilgezet. Het nestmodel begint met een theoretisch lading, deze theorie leidt vaak tot een model. Vervolgens geven de theorie en model bepaalde variabelen. Die variabelen en de daaruit komende hypothesen geven bepaalde verschijnselen.

Bij de tekst van Jansen is er sprake van een diachroonmodel. Er is immers een ontwikkeling zichtbaar en verschillende buizen. Deze buizen vertolken de drie routes van Engeland, Frankrijk en Oost-Europa. Daarnaast hanteert Jansen specifieke patronen en hij geeft zijn personages een identiteit. Vervolgens gaat Jansen op zoek naar de noodzakelijke voorwaarde voor industrialisatie, dat blijkt het Puritanisme en Fysiocratisme te zijn, onder aanvoering van calvinistische ideologieën. Deze groeperingen wilde economische vooruitgang. Wat uitmondt in een finalistische uitkomst: industrialisatie. Het eindpunt waar Jansen naartoe werkt.

IV. Narratieve, causale en intentionele verklaringen

Er zijn verschillende mogelijkheden om de lezer te overtuigen. Zo hanteren de positivisten het causale verklaringsmodel, waarin sprake is van wetmatigheden in de verklaring. Wanneer X op moment A plaatsvindt, gebeurt met grote waarschijnlijkheid Y. Vervolgens worden deze wetmatig-heden door theorieën verklaard. Als eerste wordt een algemene wet ontworpen, deze wet wordt getest op oorzaken en daaruit vloeiende gevolgen. Een andere mogelijkheid is het intentionele verklaringsmodel, deze door hermeneutisch geïnspireerde historici gebruikt model gaat uit van een intentie of bedoeling van een historische actor. Dit kan zowel een land, stad of persoon zijn. Als laatste is er het narrativistische verklaringsmodel. Dit model hanteert verhalende aspecten. Hierin worden feiten getransformeerd naar een verhaal. Dit gebeurt niet door causaliteit of oor-zakelijkheid, maar door verhalende verbanden. Er wordt daarin gebruik gemaakt van intriges of metaforen. Vervolgens krijgen quasi-personages een identiteit. Bij Jansen is er sprake van intriges, zoals duidelijk gemaakt wordt.

Bij Jansens tekst is sprake van causale, intentionele en narratieve verklaringen. Afzonderlijk en onafhankelijk van elkaar gebruikt, bepaald door Jansens doel met een bepaald tekstgedeelte. Als volgt gebruikt Jansen een causale verklaring, 'Door de spontane en snelle industrialisering van Engeland met de afgeleide en tragere Franse ontwikkeling te vergelijken, wordt deze concentrische behandeling versterkt'. Een intentionele variant hierop is 'de zakenman moest gaan plannen. De tijd moest onder invloed van de nieuwe arbeidsopvatting niet meer gedood, maar gecalculeerd worden'. Als laatste voorbeeld volgt de narratieve verklaring, 'hoewel ze Oost-Europa niet volledig onberoerd lieten (...) zijn beide cultuurstromingen van Westeuropese origine en de invloed ervan is in West-Europa zowel in de breedte als in de diepte het sterkst'. Hier is sprake van een intrige: Oost-Europa is namelijk in beroering.

V. Voor- en nadelen van het vergelijkende verklaringsmodel

Elk model heeft zijn voor en zijn tegens. Bij het vergelijkende verklaringsmodel is dat niet anders. In de constructie van het verleden worden vijf bezwaren opgesomd. Deze worden direct op de tekst van Jansen toegepast. Het eerste bezwaar dat uit de kast wordt gehaald is de vergelijkbaarheid. Kan men het 17e- en 18e eeuwse Engeland wel straffeloos met Frankrijk of Oost-Europa vergelijken?

Volgens Lorenz, 'kan in principe alles met alles vergelijken worden omdat vergelijkingen altijd betrekking hebben op bepaalde aspecten van de vergeleken gevallen en nooit op de gevallen in hun geheel'. Zo wordt bij Jansen alleen verklaringen gezocht voor de snelle industrialisatie en hij gebruikt daarbij bepaalde aspecten van de Engelse, Franse en Oosteuropese samenleving, zoals de aanwezigheid van mentaal-culturele voorwaarden.

Een tweede bezwaar is dat de empirische basis van de fragmentarische oorzakelijke generalisaties nogal smal is. Deze smalte is in eerste instantie gezichtsbedrog. Er bestaat immers niet een magazijn vol met snelle industrialiserende landen met een burgerlijk-kapitalistisch denken. De causale conclusies blijven op macro-niveau met grote onzekerheid omgeven dan de conclusies op micro-niveau. Er is immers wat te zeggen voor de conclusies die Jansen verbindt aan de huwelijksleeftijd en gezinssamenstelling. De conclusies op macro-niveau zijn bij Jansen weerlegbaar, de burgerlijk-kapitalistische mentaliteit was immers ook aanwezig in veertiende eeuws Zuid-Europa. Toch heeft daar geen versnelde industrialisatie plaatsgevonden. Dat ligt echter aan de mechanische mogelijkheden en kennis. Op het eind van de achttiende eeuw was deze mogelijkheid er wel, toch bleef een versnelde industrialisatie daar uit. Mede door het gemis van calvinistische ideologieën.

Een ander probleem is de wijze waarop variabelen of gevallen gemeten worden. Om in een oorzaak-gevolgrelatie te kunnen staan moeten variabelen (of gevallen) echter onafhankelijk van elkaar vastgesteld kunnen worden. Lorenz is het hier in principe mee eens. Je kunt bijvoorbeeld racisme niet oorzakelijk door vreemdelingenhaat verklaren, want racisme is een vorm van vreem-delingenhaat. Op diezelfde wijze gebruikt Jansen het burgerlijk-kapitalistisch denken als oorzaak van de snelle industrialisatie in Engeland en Frankrijk, terwijl burgerlijk-kapitalistisch denken een onderdeel is van industrialisatie en kapitalisme.

Als vierde bezwaar geldt de anachronistische lading die de methode met zich meebrengt. Er wordt, ook door Jansen, niet gekeken naar de bedoeling of intentie. Maar er wordt vanuit het eindpunt -finalisme- beoordeelt en geanalyseerd. Volgens Lorenz veronderstelt deze kritiek dat de intentionalistische verklaringswijze de enige legitieme historische benaderingswijze. Dat is in strijd met de feitelijke diversiteit aan verklaringswijzen.

Het laatste bezwaar dat wordt aangekaart is de reikwijdte van de generalisaties. Concreet gesteld gaat het hierom in hoeverre de snelle industrialisatie van Engeland en Frankrijk ook voor Vlaanderen en Duitsland geldt. Of omgekeerd, in hoeverre gelden de oorzaken voor de late industrialisatie van Oost-Europa voor de landen als China of India? Lorenz vindt dat dit bezwaar terecht is, maar niet fataal. Alle oorzaken, voorwaarden en verklaringen zijn gebonden aan hun specifieke context.

Conclusie

Het was Jansens doel om te zoeken naar het calculerende, bezitsindividualistische en utiliteitsdenkende gedrag van de pré-industriële mens en de rol die het vertolkte in de snelle industrialisatie van Engeland.
Jansen ging uit van een diachroonmodel. Hij geeft duidelijk een ontwikkeling weer in de tijd. Daarnaast geeft hij drie afzonderlijke routes die naast elkaar beschreven worden, namelijk Engeland, Frankrijk en Oost-Europa. Dit probeert hij aan de hand van intentionele, causale en narratieve verklaringsmodellen uit te leggen.
De tekst van Jansen is duidelijk gevormd door het vergelijkende verklaringsmodel, daar hebben verschillende sociologen en historici bezwaren tegen. Zij hebben vragen bij de vergelijkbaarheid, de empirische basis, de wijze waarop variabelen of gevallen gemeten worden, de anachronistische lading en de reikwijdte van de generalisaties. Deze kunnen stuk voor stuk bevestigd of weerlegt worden.
© 2008 - 2019 Btdejong, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
De Industriële RevolutieDe industrialisatie veranderde de wereld radicaal. Massa's nieuwe uitvinden werden ontdekt, krachtbronnen leidden tot me…
Europa, algemene informatieEuropa, algemene informatieEuropa is een relatief klein werelddeel, voor het grote aantal inwoners, wat maarliefst 46 landen telt. De hoofdstad van…
De rivieren van EuropaEuropa is geen groot werelddeel, daarom zijn de rivieren van Europa helemaal niet zo lang. Zelfs de beroemdste rivier "W…
EK voetbal 1996In 1996 is het een feestje voor de UEFA, het EK wordt dit jaar voor de 10e keer gehouden, Engeland is gastland. Er zijn…
Bronnen en referenties
  • Ankersmit, F.R., De navel van de geschiedenis. Over interpretatie, representatie en historische realiteit. (Groningen 1990). Hobsbawm, E.J., De tijd van de revolutie. 1789-1848. (Amsterdam 1980). Jansen, H., Prometheïsche geesten, puriteinen en plattelanders. Righart, H.(red.), De trage revolutie. (Meppel 1991). Lorenz, Chris, De constructie van het verleden. Een inleiding in de theorie van de geschiedenis. (Amsterdam-Meppel 2002).

Reageer op het artikel "Mentaal-culturele voorwaarden van Industrialisatie"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Btdejong
Laatste update: 21-07-2008
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Geschiedenis
Bronnen en referenties: 1
Schrijf mee!