Indonesië: Naar de eenheidsstaat 'Republik Indonesia'
Tijdens het proces van dekolonisatie van Indonesië, is er naar gestreefd van het voormalige Nederlands-Indië een federatieve staat te maken. Dat zou ruimte voor meer zelfstandigheid hebben gegeven aan delen van de archipel (de Zuid- Molukken, de Minahassa, Oost-Timor, Nieuw-Guinea ) die niet wensten op te gaan in een eenheidsstaat o.l.v. Soekarno en de zijnen, de nationalisten. Na veel strijd kwam er in 1949 een Ronde-tafelconferentie gevolgd door soevereiniteitsoverdracht aan ... de Verenigde Staten van Indonesië - een federatieve staat dus. Maar in werkelijkheid accepteerden de nationalisten die oplossing niet. De federatie was dan ook geen lang leven beschoren. En zo werd Indonesië toch een eenheidsstaat: de Republik Indonesia.Met twee militaire acties probeerde Nederland het tij te keren. Maar het mocht niet baten: de eenheidsstaat kwam er. In de praktijk bleek dat voor de genoemde buitengewesten in plaats van vrijheid een nieuwe vorm van overheersingen, namelijk door de Republiek (met name Java, Moera en Sumatra).
Plan Beel
In februari 1949 kwam L.J. M. Beel, de “Hoge vertegenwoordiger van de Kroon” in de kwestie Indonesië in die tijd, met een plan dat ondermeer een vervroegde soevereiniteitsoverdracht inhield; een overdracht zonder overgangsperiode waarvan in de Renville-overeenkomsten sprake was. Beels voorganger, Van Mook, had altijd aan een overgangsperiode vastgehouden om een federale opzet van Indonesië met meer zekerheid te kunnen verwezenlijken. Soekarno en zijn nationalisten (De Republiek) daarentegen hadden helemaal geen behoefte aan zo’n garantie voor de federale staat: De Republiek beschouwde zichzelf als erfgename van het Nederlandse centrale gezag in Indonesië en wenste dan ook slechts de eenheidstaat (onder haar leiding) gerealiseerd te zien – de loop der geschiedenis na de soevereiniteitsoverdracht toont dat duidelijk.
Van Roijen-Roem-overeenkomst
Het plan Beel, dat door de Nederlandse regering was aanvaard, hield ook de bijeenroeping in van een Ronde-tafelconferentie (R.T.C.). Ter voorbereiding kwamen spoedig besprekingen op gang tussen Nederland, de Republiek, de federalisten en de U.N.C.I. (de United Nations Commission for Indonesia, een door de Veiligheidsraad in het leven geroepen commissie). Gedurende die preliminaire besprekingen oefende Amerika sterke druk uit op Nederland: gedreigd werd met het intrekken van de Marshall-hulp. En Stikker kreeg - zie zijn Memoires - in verband met de oprichting van de NAVO te horen dat Nederland niet op militaire steun hoefde te rekenen als de koloniale moeilijkheden niet waren opgelost.De preliminaire besprekingen, met de Nederlandse diplomaat Van Roijen en de minister van Buitenlandse Zaken van de Republiek Roem als de belangrijkste gesprekspartners, leidden tenslotte tot de Van Roijen-Roem-overeenkomst (7 mei 1949).
De Republiek beloofde: beëindiging der guerrillastrijd, medewerking aan herstel en handhaving van de vrede, deelname aan de R.TC. te Den Haag.
Nederland beloofde: terugkeer van de Republikeinse regering naar Djocja, bestuursuitoefening door Republikeinse ambtenaren in die gebieden waar het Nederlandse leger geen gezag uitoefende, staking der militaire activiteiten en vrijlating der politieke gevangenen, geen nieuwe deelstaten meer vormen in de gebieden die vóór de tweede militaire actie onder gezag van de Republiek stonden.
Ook werd de vorming overeengekomen van een voorlopig vertegenwoordigend lichaam voor geheel Indonesië, waarin de Republiek voor een derde zou zijn vertegemwoordigd. Beel had grote bezwaren, vooral omdat er nu geen deelstaten meer op Java en Sumatra zouden worden gevormd. Het kabinet aanvaardde echter de overeenkomst en Beel nam ontslag. De diplomaat A.H.J. Lovink volgde hem op. Ook de federalisten, georganiseerd in de B.F.O. (Bijeenkomst Federaal Overleg) stemden in met de plannen.
Ronde-tafelconferentie / Soevereiniteitsoverdracht
Verenigde Staten van Indonesië (V.S.I.)
Op 23 augustus 1949 begon de R.T.C. die tot november ’49 duurde (zie inleidingsfoto). Op de conferentie werden de voorwaarden van de soevereiniteitsoverdracht vastgesteld:De eenheidsstaat
Soekarno en Hatta maakten nu deel uit van de regering der V.S.I., samen met onder andere Ide Anak Agung (toen minister van de deelstaat Oost-Indonesië) en sultan Hamid van Pontianak – de federale leiders. In Djocja namen anderen de leiding van ‘de Republiek’(nu de Republiek Djocja genoemd) over. De Republiek wilde volbrengen wat men zich in 1945 had voorgesteld: de Republik Indonesia als eenheidstaat voor geheel Indonesië. De V.S.I. werd door hen beschouwde als een Nederlands product. Ze voelden zich daarom pas echt onafhankelijk als de V.S.I. was geliquideerd.Al dan niet vrijwillig – C. Smit spreekt in zijn publicaties over de dekolonisatie van geweld en bedreiging - sloten de deelstaten zich in snel tempo bij de Republiek Djocja aan. Op 17 augustus 1950 werd de eenheidsstaat geproclameerd onder de naam Republik Indonesia.
Zuid-Molukken
Op de Zuid-Molukken – waar de onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken op 25 april 1950 was uitgeroepen, met Soumokil als president – werd daarna nog een hevige strijd gevoerd tegen de Republiek. Na de val van Ambon (november ’50) voerden Zuid-Molukkers op Ceram een guerrillastrijd die pas eindigde toen Soumokil in 1963 werd gevangengenomen, ter dood veroordeeld en in 1966 geëxecuteerd.
Conclusie
De Nederlandse regering zat bij haar standpuntbepaling inzake de Indonesische kwestie klem tussen de realiteit van de nieuw-gegroeide verhoudingen na de Tweede Wereldoorlog. Enerzijds maakten die nieuwe verhoudingen dekolonisatie onvermijdelijk, anderzijds wilde de overheersende conservatief-koloniale opinie van het Nederlandse volk Indonesië voor Nederland behouden.Dat Nederland zich wel móest neerleggen bij een overheersende rol van de Republiek in het onafhankelijke Indonesië was niet in de laatste plaats het gevolg van de Amerikaanse politiek. Die politiek steunde, mede uit angst voor het communisme, tenslotte eenzijdig de Republiek. Zo kon de Republiek (Djocja) na de soevereiniteitsoverdracht ongehinderd de eenheidsstaat aan Indonesië opleggen. Alleen al het gegeven dat die eenheidstaat reeds in 1950 een feit werd, toont dat de Republiek nooit van plan is geweest een V.S.I. te accepteren.
Het verdere verloop van de geschiedenis laat zien dat er binnen de eenheidstaat Republik Indonesia nooit ruimte is geweest voor enige zelfbeschikking van de verschillende deelgebieden. Het resultaat was onvrijheid en onderdrukking van gebieden als de Zuid-Molukken, Oost-Timor en Nederlands Nieuw-Guinea (Irian Jaya)