InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Taal > Getwist over de Nederlandse schrijfwijze

Getwist over de Nederlandse schrijfwijze

Getwist over de Nederlandse schrijfwijze In 2006 verscheen het Witte Boekje uit ontevredenheid over de officiële spelling. Het is een tegenhanger van het Groene Boekje. Dit is niet de eerste keer dat er onenigheid was over de spelling. Getwist wordt er al eeuwen over de Nederlandse schrijfwijze. Je zou het bijna een traditie kunnen noemen. Wat begon als het willen verheffen van de Nederlandse volkstaal, eindigde zelfs niet met een spelling waar iedereen tevreden mee zou kunnen zijn.

Egard voor de volkstaal

Eind vijftiende eeuw stopten de middeleeuwen en begon de Nieuwe Tijd. Aan het eind van de middeleeuwen gebruikten ambtenaren en schrijvers het Nederlands, terwijl de kerk en de wetenschap nog vasthielden aan het Latijn. Dankzij vier gebeurtenissen steeg de volkstaal in aanzien in de zestiende eeuw:
  • uitvinding van de drukpers, al voor het jaar 1500 begon, waren in Europa ongeveer 35.000 boeken gedrukt, de meesten nog in het Latijn, maar dat zou gauw veranderen
  • de reformatie; Luther en Calvijn gebruikten de drukpers als wapen tegen de Kerk, ze lieten bijbels en pamfletten drukken in de taal van het volk
  • geleerden en kunstenaars herontdekten de cultuur van Romeinen en Grieken, ze wilden de volkstaal even rijk en regelmatig maken als de klassieke talen, dat resulteerde onder meer in de eerste woordenboeken en grammatica's
  • Zuid-Nederlandse vluchtelingen vonden na de opstand tegen de Spaanse koning een veilige plaats in het noorden, in Holland ontstond toen de Nederlandse standaardtaal

De eerste ijveraars voor de Nederlandse volkstaal

Het Latijn was begin zestiende eeuw nog steeds de voertaal in Europa, de taal van de wetenschap en de beschaving. Diets, zoals Middelnederlands ook wel werd genoemd, was nog een volkstaal. In heel Europa inmiddels begon men te eisen dat de taal van het volk voortaan in álle domeinen zou worden gebruikt. Voor de Nederlandse volkstaal was Jan Gymnich uit Antwerpen de eerste belangrijke pleiter. In 1541 wenste hij dat 'ons moederlike sprake ( ... ) voortane meer en meer gheoefent ende gheacht mach werden'. Gymnich was humanist, vertaler van Livius, drukker en daarmee een van de belangrijke personen uit de zestiende eeuw die zorgden voor de doorbraak van de volkstaal.

Andere drukkers waren ook voorstanders van de volkstaal, niet alleen wegens de cultuur, maar ook om meer geld te kunnen verdienen. De Gent Joos Lambrecht was zo'n drukker. In het midden van de eeuw bekritiseerde hij in zijn publicatie 'Naembouck' de bastaardwoorden. Hij maakte en lijst van natuurlijke en 'ongeschuumde', dus niet-vervuilde Vlaamse woorden. Antwerpse Jurist en schepen Jan van den Werve steunde hem, want hij ergerde zich aan het verfranste jargon van zijn collega's. De strijd tegen Franse woorden zou de rest van de eeuw en nog lang daarna blijven doorgaan.

Intussen vond musicus en drukker Thielman Susato, ook uit Antwerpen, de populariteit van liederen in het Frans, Latijn en Italiaans niet kunnen. Hij wilde dat die ook in de volkstaal werden gezongen. Niet iedereen was een tegenstander van het gebruik van Franse woorden. Het hof in Brussel was Franstalig, daarnaast was de poëzie van de rederijkers ook een reden dat bastaardwoorden werden gebruikt. Matthijs de Castelein verdedigde het gebruik van vreemde woorden in zijn dichtershandboek uit 1555, de 'Const van Rhetoriken'.

De grootste taalvernieuwer van de zestiende eeuw

Artsen, plantkundigen en mathematici gebruikten steeds vaker het Nederlands in plaats van het Latijn. Ze vernederlandsten hun vaktermen. De grootste taalvernieuwer uit die tijd was Simon Stevin uit Brugge. Hij was onder meer musicoloog, wiskundige, zeilwagenbouwer, vestingarchitect en astronoom. De meesten van zijn wetenschappelijke werken schreef hij in het Nederlands. Hij was ook de eerste die aan de Leidse universiteit in zijn moedertaal lesgaf. Enkelen van de woorden die we aan hem danken zijn: driehoek, hoogtelijn, rechthoek, zwaartelijn, evenaar en wiskunde. Gelukkig voor ons, kwamen niet al zijn woorden in het Algemeen Nederlands terecht, anders zeiden we 'water-of scheepvolkoverste' in plaats van 'admiraal' en geen bibliotheek maar 'bouckcasse'. Ook dankzij Bijbelvertalingen kregen we nieuwe woorden. Zo gaf Menno Simons ons het voornaamwoord 'zich', zoals in 'hij wast zich' in plaats van 'hij wast hem'. Steeds meer gebieden van de Lage Landen begonnen nu deel uit te maken van het Nederlandse taallandschap.

De eerste spellingsregelaars

Onenigheid over de spelling ontstond al in de zestiende eeuw. De eerste spellingsregelaars namen hun eigen dialect als norm. Drukker Joos Lambrecht (1491-1557) koos bewust voor het Gents in zijn 'Nederlandsche Spellijnghe' uit 1550. Mechelse advocaat Antonius Sexagius (†1585) gebruikte in 1576 het Brabantse dialect van Mechelen in 'De orthographia linguae belgicae'. Weer anderen probeerden de spelling los te maken van plaatselijke gewoonten. Sommigen waren ontstaan onder Franse invloed zoals 'ou' in 'bouck' voor de oe-klank van 'boek'.

Pontus de Heuiter (1535-1602) was de belangrijkste spellingdeskundige die wel voor een algemeen Nederlands standpunt koos in zijn 'Nederduitse Orthographie' van 1581. Geboren in Delft, geschoold in Leiden en Mechelen, bereisd door Frankrijk en kanunnik in Gorkum en Deventer, wilde de Heuiter de platste klanken uit de dialecten weren en uit het fraaiste Brabants, Vlaams, Hollands, Gelders en Cleefs een beschaafde volkstaal smeden. Hij wilde de spelling vereenvoudigen en uniformeren. Helaas had hij weinig invloed, want zijn ideaal lag buiten een gesproken dialect.

De eerste Nederlandse grammatica

In 1568 kwam de eerste Nederlandse grammatica uit, 'Voorreden vanden noodich ende nutticheit der Nederduytscher taalkunste'. Johan Radermacher (1538-1617), een koopman uit Antwerpen, schreef het in ballingschap in Londen. In zijn boek behandelde hij spelling, klankleer, woordvorming en zinsbouw. Bastaardwoorden vond hij geen probleem. Waar zijn tijdgenoten het Nederlands wilden verheffen door er een imitatie van het Latijn van te maken, zag Radermacher het unieke van de Nederlandse grammatica. De belangrijkste grammatica kwam echter in 1584, 'Twe-spraack vande Nederduitsche Letterkunst'. Maar voordat het Nederlands zich verder kon ontwikkelen, kwam er een oorlog waarvan de nasleep een grote invloed zou uitoefenen op onze taal.

Vluchtelingen uit het zuiden

De Tachtigjarige Oorlog resulteerde niet alleen in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, het verjoeg na de verovering van Antwerpen door de Spaanse landvoogd Farnese, Zuid-Nederlanders naar Engeland, Duitsland en Holland. Sinds het midden van de eeuw is 10% van de zuidelijke bevolking geëmigreerd, zo'n 150.000 Zuid-Nederlanders kwamen naar het noorden. Reden was niet alleen om in vrijheid hun geloof te kunnen belijden, maar er waren ook economische vluchtelingen. Deze massale migratie bracht vooraanstaande predikanten, geleerden en kunstenaars. Namen zoals Lieven de Key, Heinsius, Stevin, van St. Aldegonde en van den Vondel. Verder waren er theologen, professoren, schrijvers en drukkers. Zij verrijkten de taal, cultuur en handel in de noordelijke gewesten. Er waren relatief meer zuiderlingen die konden lezen en schrijven dan noorderlingen.

Brabantse invloed

Holland bepaalde de norm voor de taal, maar nu kwamen er door de migratie van zuiderlingen veel Vlaamse en Brabantse kenmerken. Welke gevolgen deze contacten precies hadden voor de spreektaal, is niet gemakkelijk na te gaan. In het Hollands veranderden de klinkers 'uu' (huus) en 'ij' (wijs, uitgesproken als een 'ie', dus 'wies') in de tweeklanken 'ui' en 'ij'. 'Huis' en 'wijs' werd nu de beschaafde uitspraak. Ook het omgekeerde gebeurde, de zuiderlingen pasten zich aan aan het Hollands. Wat vooral werd beïnvloed door het Vlaams, was de schrijftaal. Die was niet alleen gebaseerd op het Hollands, maar ook op het zuidelijke Nederlands. De schrijftaal begon zich daardoor in het noorden vooral in woordkeus, verbuiging van zelfstandige naamwoorden en vervoeging van werkwoorden af te wijken van de spreektaal. Veel van oorsprong Brabantse woorden, klinken voor noorderlingen deftig. In de streek van herkomst, zijn het normale woorden, maar niet in het noorden en worden daarom alleen in schrijftaal of in vormelijke spreektaal gebruikt. Enkele voorbeelden zijn:
  • wenen - huilen
  • werpen - gooien
  • zenden - sturen
  • schoon - mooi
  • gelijk - zoals
  • reeds - al
  • nu - nou
  • heffen - (op)tillen
  • gij -jij
  • gelijk - zoals
  • heden -vandaag
  • spoedig - gauw

Nederlands op z'n Latijns

Ook op de grammatica hadden de zuiderlingen invloed. De belangrijkste grammatica van de zestiende eeuw, 'Twe-spraack vande Nederduitsche Letterkunst, ófte vant spellen ende eygenscap des Nederduitschen taals' uit 1584 werd uitgegeven door de Antwerpse boekdrukkerij Plantijn. De auteur is zeer waarschijnlijk Amsterdamse magistraat Hendrik Laurensz Spiegel (1549-1612) in samenwerking met leden van de Amsterdamse rederijkerskamer 'De Eglantier'. Omdat er nog geen standaard was voor de spreektaal, beperkte Spiegel zich in zijn beschrijving van klanken tot het Amsterdams van de ontwikkelden. Zijn werk gaf voor het eerst de regels aan van het Nederlands. Spiegel vond het treurig dat het Nederlands niet overal werd gebruikt. Hij spoorde het bestuur van de Leidse universiteit aan om alle colleges in het Nederlands te geven.

Spiegel en het Nederlands volgens Latijnse grammatica

Spiegel wilde het Nederlands verbeteren met het Latijn als voorbeeld voor de woordvorming en de zinsbouw. Hij vond dat een taal pas echt rijk was, als de woorden op veel manieren konden veranderen, dus naamvallen en geslacht van woorden speelden een rol. Het Latijn had zes naamvallen en Spiegel probeerde die alle zes in het Nederlands terug te vinden, zelfs in dialecten. Dat was lastig, want in het Nederlands waren naamvallen aan het verdwijnen. Spiegel besloot het verschil tussen 'de' en 'den' een grammaticale functie te geven: 'de' bij een onderwerp, 'den' bij een voorwerp, als de woorden mannelijk waren. Veel voorstellen van Spiegel werden in de volgende eeuwen voorschrift. Vooral in de eerste decennia van de zeventiende eeuw had zijn werk veel invloed. Het was het begin van de Nederlandse taalkunde.

Het Nederlands in de zeventiende eeuw

In de zeventiende eeuw droegen schrijvers als Bredero, Huygens, Hooft, Cats en Vondel bij aan de groei van een algemene schrijftaal. Er verschenen meer boeken over grammatica en spelling. De belangrijkste is 'Nederduytsche spraec-konst ofte tael-beschrijvinghe' uit 1633 van de Leidse grammaticus Christiaan van Heule († ±1655), tevens een wiskundige en vachtenploter (iemand die schapevellen van wol ontdoet). Hij merkte op dat het Nederlands nog nauwelijks was beschreven. Een duidelijke norm voor verzorgd Nederlands ontbrak. De klassieke grammatici beschouwden het taalgebruik van grote schrijvers als norm. Daar was van Heule het mee eens. Hij baseerde de norm op:
  • het bestaande taalgebruik
  • de rede
  • het systeem van geslachten en naamvallen

Van Heule is ook de schepper van het verschil tussen 'hun' als meewerkend voorwerp en 'hen' als lijdend voorwerp en na een voorzetsel. Alle grammatici in de zeventiende en achttiende eeuw vielen van Heule bij in het gebruik van een rijk systeem van naamvallen en geslachten.

De Statenbijbel uit 1637 beïnvloedde het Nederlands ook diepgaand. Het was uitgegeven op last van de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden. Vertalers die voor het eerst de bijbel in de taal van het volk overbrachten, kenden het Nederlands eigenlijk nog niet, want het was er nog niet helemaal. Al vertalend schiepen zij een algemeen, in alle gewesten verstaanbaar Nederlands.

Tegen het einde van de zeventiende eeuw gingen velen verlangen naar een algemene gesproken taal die gebaseerd was op de algemene geschreven taal. Er werden nu, onder invloed van Franse taalkundigen die logica en rechtlijnigheid belangrijk vonden, andere eisen gesteld aan het taalgebruik. Eenvoud en regelmaat werden vooral belangrijk. De oorsprong van de hedendaagse grammatica ligt in deze tijd.

Begin van historisch-vergelijkende taalkunde

De hele achttiende eeuw was het reglementeren van de Nederlandse taal het belangrijkste doel van taalkundigen. Men vond nu dat men de regels nooit naar eigen goeddunken kan verzinnen, maar in het taalgebruik hoort te vinden. Belangrijke taalkundige Lambert ten Kate (1674-1731) had het in 1723 over taalwetten in zijn grote werk 'Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake'. Niet alle taalwetten kon hij echter vinden in de algemene taal, dus zocht hij ze in het verleden van de taal en in het verleden van verwante talen als het Engels, Duits en uitgestorven talen als het Gotisch. Het zoeken in het verleden naar taalwetten voor hedendaags gebruik was het begin van de historisch-vergelijkende taalkunde, met ten Kate als grondlegger.

De 'taaldespoot' uit de Pruikentijd

In 1730 kwam van Balthazar Huydecoper (1695-1778), ook wel 'taaldespoot uit de Pruikentijd' genoemd, 'Proeve van Taal- en Dichtkunde' uit. Het was zijn taalcommentaar op de Ovidiusvertaling van Vondel. Huydecoper vond dat men zich wat taalregels betreft niet moet richten op het gesprokene, maar op wat gebruikelijker is in geschreven taal. Gesproken taal had immers geen wetten. Sommige hedendaagse regels voor geschreven taal zijn nog van Huydecoper. Aan het einde van zijn boek stonden deze dichtregels:

Het Oordeel en de Spraak zijn twee verheven giften
Des Scheppers, die den Mensch van 't snood gedierte schiften.
Het Oordeel kan bestaan, ook daarmen [terwijl men] niet en Spreekt;
Maar 't Spreeken is onnut, als 't Oordeel ons gebreekt.
Wien dan 't beschaven van de taal verwekt tot tooren,
Die toont, al weet hy 't niet, ons zelf zyn Midasooren.


De overheid bemoeit zich ermee

Nog steeds bekommerde men zich in de negentiende eeuw om een uniforme schrijftaal in de Republiek. De norm daarvoor bleef het Hollands. De regering en de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen vonden dat het onderwijs voor de verspreiding van de geschreven standaardtaal moest zorgen. Voor het eerst werden hoogleraren Nederlands benoemd. De Agent voor Nationale Opvoeding (dus minister van Onderwijs) Johannes van der Palm (1763-1840) vroeg aan predikant Matthijs Siegenbeek (1774-1854) om een nieuwe spellingregeling. Die werd in 1804 officieel ingevoerd. De overheid zorgde ook voor een officiële grammatica, de 'Nederduitsche spraakkunst' uit 1805, geschreven door Petrus Weiland (1754-1842), ook een predikant. Predikanten hadden door hun werk meer belangstelling voor taalgebruik. Siegenbeek was tevens hoogleraar vaderlandse taal en welsprekendheid aan de Leidse universiteit, daarmee de eerste hoogleraar Nederlands ooit.

De spelling volgens Siegenbeek

Het spellingsysteem van Siegenbeek bedacht geen nieuwe regels, maar maakte een keuze uit bestaande varianten. Siegenbeek werkte met de volgende uitgangspunten:
  • niet te ver afwijken van wat nu modieus is
  • spelling van Amsterdamse geschiedschrijver Jan Wagenaar (1709-1773) blijft belangrijk
  • het werk van oudere spellingdeskundigen ook (vooral van Adriaan Kluit (1735-1807), taalkundige, geschiedkundige, rechtsgeleerde, staathuishoudkundige)
  • algemene principes van Duitse taalgeleerde Johan Christoph Adelung (1732-1806) die voor taalvereenvoudiging was; 'schrijf zoals je spreekt en spreek zoals geschreven'

Dankzij steun van de overheid en van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde werd dit systeem overal gebruikt. Niet iedereen was daar blij mee. Velen vonden dat ze gedwongen werden tot gelijkheid en daarbij eigen taal en cultuur moesten opgeven. Historisch inzicht in taal ontbrak aan deze spelling, vond men. Dichter-, geschied- en taalkundige Willem Bilderdijk (1756-1831) was een van de tegenstanders van Siegenbeek, maar een beter plan had hij zelf niet. Eens een goede vriend van Siegenbeek werd hij door deze kwestie zelfs zijn vijand.

De Nederduitsche spraakkunst van Weiland

Weiland werkte volgens de Siegenbeekspelling. Hij besteedde vooral veel aandacht aan de verbuiging; de geslachten en de naamvallen. Hij vond dat de regels in de taal zelf gevonden moesten worden. Het Nederlands had, naar Latijns voorbeeld, zes naamvallen. Weiland wilde er vier van maken, maar begreep wel dat de taal veranderde en als er helemaal geen naamvallen meer zouden zijn, was het ook goed. Hij schreef:

'De taalleraar dringt der natie geene voorschriften op, maar verzamelt slechts de door haar zelve van tijd tot tijd gemaakte en in de oorkonden bewaarde wetten.'

De buigings- en geslachtsregels maakten de schrijftaal voor een groot deel in de negentiende eeuw stijf. Dat kwam ook omdat in de literaire proza al een tijdje de klassieke stijl uit de achttiende eeuw overheerste. Toch begonnen al meer schrijvers toenadering te zoeken tot de spreektaal, zoals Hildebrand in zijn werk 'Camera Obscura'. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw werd de groep groter met normen voor uitspraak, woordenschat, woordvormen en zinsbouw. Wie leerde lezen en schrijven, leerde de algemene verzorgde taal. Tegen de eeuwwisseling was het analfabetisme in Nederland vrijwel verdwenen. De schrijftaal zelf veranderde ook van karakter. Het geschreven Nederlands ging zich meer naar het gesproken Nederlands richten. Tegen het einde van de eeuw vonden onderwijsvernieuwers dat de geschreven taal haar normen zelfs hoorde te ontlenen aan de gesproken taal, en niet andersom.

Een nieuwe moderne grammatica

In de loop van de negentiende eeuw begreep men dat het Nederlands niet een soort Latijn is. De grammatica moest niet langer worden bepaald door de woordsoortenleer. Er werd gezocht naar een 'redekundige' ontleding, een geheel van begrippen dat gegrond was op logische onderscheidingen. De schoolgrammatica kreeg een definitieve vorm dankzij twee docenten aan een normaalschool, dat later kweekschool zou worden genoemd en door een hoogleraar. In 1872 verscheen 'Nederlandsche spraakkunst' van D. de Groot, een schoolopziener in 't arrondissement Utrecht. In 1878 kwam een andere uitgave van Tijs Terwey (1845-1893), 'Nederlandsche spraakkunst. Ten behoeve van inrichtingen van middelbaar onderwijs en tot opleiding van onderwijzers'. Een ander werk werd beroemder: 'Nederlandsche spraakkunst. Handleiding ten dienste van aanstaande (taal)onderwijzers' van Cornelis Herman den Hertog (1846-1902), een docent. Het werd uitgegeven van 1892 tot 1896. Alle latere grammatica's zijn gebaseerd op het werk van Den Hertog. Ook die van de twintigste eeuw.

Onze lastige spelling

In 1863 kwam 'De grondbeginselen der Nederlandsche spelling. Ontwerp der spelling, voor het aanstaande Nederlandsch woordenboek' uit van Matthias de Vries (1820-1892) en Lamert Allart te Winkel (1806-1886). De Vries was hoogleraar in Groningen en later Leiden, waaronder in Nederlandse taalkunde. Hij was een romanticus in die zin dat hij interesse had in het glorieuze verleden van Nederland waar zijn historische taalstudie uit voortkwam. De veranderingen in de levende hedendaagse taal vond hij echter ook fascinerend. Hij vergeleek Nederlanders met sommige oosterse volken met twee verschillende talen, een voor deftig en een voor dagelijks gebruik. De Vries wilde graag een toenadering tussen deze taalvormen. Te Winkel was gymnasiumleraar in Leiden. Samen zaten zij in de redactie van het WNT, 'Woordenboek der Nederlandsche Taal'. Dit grootste woordenboek Nederlands was een initiatief van De Vries. Hij wilde historische woorden vanaf vijftienhonderd beschrijven. Het eerste deel werd uitgegeven in 1864. Vijf generaties lang is eraan gewerkt. In 1998 kwam het laatste deel pas uit. Voor het WNT maakten De Vries en Te Winkel speciaal een nieuw spellingsysteem.

Zij hadden een spelling ontworpen met een wetenschappelijk fundament, in tegenstelling tot de spelling-Siegenbeek al weken ze niet helemaal af van het systeem van Siegenbeek. Deze grondbeginselen gebruiken we nog steeds, zij het met een paar veranderingen. In 1864 voerde België deze spelling officieel in. Nederland volgde in 1882, maar pas in 1947 werd deze spelling, na wat aanpassingen, officieel vastgelegd in de wet.

Vereniging tot vereenvoudiging van onze spelling

Ook op de spelling-De Vries en Te Winkel kwam kritiek, vooral van onderwijzers en taalgeleerden. Onenigheid over de spelling van bastaardwoorden bijvoorbeeld zorgde voor gekibbel, het is er nog steeds in onze tijd. In 1891 publiceerde leraar en taalkundige Roeland Anthonie Kollewijn (1857-1942) 'Onze lastige spelling. Een voorstel tot vereenvoudiging'. Vooral in spelling en verbuiging had hij interesse. Hij wilde bv de '-ch' in 'mensch' afschaffen en de naamvallen niet langer houden. Ook wilde hij de schrijftaal stroomlijnen door eenvoudige zinnen in plaats van omslachtige te gebruiken. Je moest Nederlands foutloos kunnen schrijven zonder steeds woordenlijsten te moeten opzoeken. Bovendien ging op scholen veel tijd verloren door de extra aandacht aan de ingewikkelde spelling. Een nieuw systeem hoefde van hem niet te komen; enkele veranderingen waren genoeg:
  • geen onderscheidingen invoeren in de schrijftaal die in de spreektaal niet bestaan
  • geen onderscheidingen handhaven die in beschaafde spreektaal verloren zijn gegaan (waardoor problemen ontstaan bij de toepassing ervan)

In 1892 richtte hij de 'Vereniging tot vereenvoudiging van onze schrijftaal' op, later heette het de 'Vereniging tot vereenvoudiging van onze spelling'. Er volgde een jarenlange polemiek tussen Kollewijn en tegenstanders van vereenvoudiging van de taal. Zij vonden dat de taal hierdoor juist lelijk zou worden en onduidelijker. Kollewijn wees erop dat de spelling de taal slechts afbeeldt en spellingverandering zou het niet mooier of lelijker kunnen maken. En bij het spreken komen dankzij de context weinig misverstanden voor over wat iemand bedoelt. Waarom zou dat dan in het schrift wel ineens vaker gebeuren? In 1930 bepaalde minister van Onderwijs Terpstra dat scholen de meeste naamvallen niet meer hoefden te onderwijzen.

Felle twist om de spelling

Minister van Onderwijs Hendrik Pieter Marchant (1869-1956) voerde in 1936 de meeste voorstellen van Kollewijn in. Ook daar kwam kritiek op. Marchant zei dat hij wijzigingen invoerde voor het onderwijs, maar ze niet voorschreef aan de maatschappij. Felle tegenstanders voelden zich benadeeld door het verlies van 'e's, o's, ch's' tijdens de vereenvoudiging van de spelling. Vooral het 'Comité voor eenheid in de schrijfwijze van het Nederlandsch' was boos. Hervormers werd gebrek aan eerbied verweten voor het Nederlandse culturele erfgoed en men zei dat de nieuwe spelling oudere literatuur ontoegankelijk zou maken en het opnieuw gedrukt zou moeten worden. Orthodoxe protestanten en nationaal-socialisten behoorden tot de felste tegenstanders van spellingvereenvoudiging. De spelling-Marchant werd gewoon in 1947 bij wet ingevoerd, maar wel alleen in het onderwijs. Ambtenaren schreven gewoon als voorheen. Heftige debatten hierover bleven voortduren, zowel in het parlement als in de maatschappij. Toen aan minister Marchant werd gevraagd waarom bijvoorbeeld het woord 'zee' wel gewoon met dubbel 'e' werd geschreven, antwoordde hij dat hij graag onderscheid wilde maken tussen 'zeesluizen' en 'zes luizen'.

Vereniging voor wetensgappelike spelling

In Breda werd in een café de 'Vereniging voor wetensgappelike spelling', VWS, opgericht in 1963. VWS wilde radicale veranderingen, waaronder een vernederlandsing van bastaardwoorden en eenvoudige regels voor de tussen '-n' (bv pannekoeken of pannenkoeken). Dit hervormingsgenootschap bestaat nog steeds, het heet nu 'Vereniging voor Wetenschappelijke Spelling'. Hun kritiek was vooral op regels van de Etymologie en Analogie, bv 'spietsj' en 'pluusj' in plaats van 'speech' en 'pluche', 'hij lade' in plaats van 'hij laadde'.

De regering nam het verzet serieus en stelde de commissie-Pée/Wesselings in. Zes jaar later publiceerde die 'Eindvoorstellen'. Dat lokte een storm van protest uit van taalkundigen, schrijvers en anderen die zich bij de spelling betrokken voelden. De spellingkwestie groeide uit tot een maatschappelijk debat. De commissie-Pée/Wesselings wilde onder meer 'hij vindt' in 'hij vind' veranderen en bastaardwoorden rigoureus vernederlandsen, dus 'kurioziteit', 'likwideren', 'klavesimbel'.

Aksiegroep spellingvereenvaudiging

Dan was er de 'Aksiegroep spellingvereenvaudiging' uit 1972. De VWS en onderwijsorganisaties bundelden daarin hun krachten. Aksiegroep wilde een 't' aan het einde van het woord waar je die hoort: 'hij wort gezont'. Verder de 'ei' vervangen door 'ij' en 'ou' door 'au' met zinnen als 'hij hat het kaut' of 'er ligt een ij in de wij'. Deze plannen maakten de spellingoorlog die inmiddels los was gebarsten in de media alleen maar erger. Sommigen vergeleken het zelfs met de sanering van oude stadswijken en de onleefbare doelmatigheid van de Bijlmermeer, want het ahistorische vonden ze erg. De spelling van De Vries en Te Winkel laat vaak zien waar veel woorden vandaan komen. Aan 'eau de cologne' kun je zien dat het Frans is, maar aan 'odeklonje' kun je geen herkomst meer zien. Harry Mulisch vond zelfs dat zo'n wijziging de 'geschiedenis in de vuilnisbak stopt'. In zijn werk 'Soep lepelen met een vork' uit 1972 hekelde hij de voorstellen tot spellinghervorming.

De Nederlandse Taalunie

Van de voorstellen van de commissie-Pée/Wesselings kwam uiteindelijk niets meer terecht. Niet alleen door het heftige protest, maar ook door kabinetscrises en het gestarte wetenschappelijk onderzoek naar de wenselijkheid en gevolgen van spellingveranderingen die een tegenadvies gaf en vroeg om een Nederlandse Taalunie op te richten. Dat gebeurde in 1980. Nu moest de Taalunie voortaan de spellingproblematiek oplossen en de houding onderzoeken van taalgebruikers tegenover spellingveranderingen. In 1988 verscheen hun 'Rapport van de Werkgroep ad hoc Spelling'. Er stonden alternatieve spellingvoorstellen van de werkwoordsvormen in. Ook deze publicatie wekte weerstand op. Niemand wilde ingrijpende veranderingen. In 1990 zorgde de Taalunie voor duidelijke regels voor de tussen '-n' en een duidelijke oplossing voor bijzondere tekens.

Helemaal voorbij is de spellingtwist nooit. Auteur W.F. Hermans vroeg zich tijdens spellingongeregeldheden rond 1970, de 'odeklonje-oorlog', af: 'Wordt het niet tijd te erkennen dat we geen klein taalgebied meer zijn en dat we ons het gedrag van lilliputters die het circus aan het lachen maken, niet meer kunnen veroorloven?'

Lees verder

© 2015 - 2019 Sadya, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Het grootste woordenboek ter wereldHet grootste woordenboek ter wereld is een Nederlands woordenboek. Er werd ongeveer 150 jaar aan gewerkt. Momenteel besl…
'Seks' of 'sex'?'Seks' of 'sex'?Door de opkomst van internet en mobiele telefonie is een nieuw soort ‘schrijftaal’ ontstaan, welke gebruikt wordt in voo…
Spelling van de Nederlandse taal, zo moeilijkSpelling van de Nederlandse taal, zo moeilijkDe juiste spelling van de Nederlandse taal is zeer belangrijk. In sollicitatieprocedures kan het een selectiecriterium z…
Waar vind je gegevens over stijl en spelling?Heb je vragen over Nederlandse stijl of spelling? Taaladvies kun je gratis online vinden. Praktisch advies over de Neder…
Open Taal en het Keurmerk SpellingOpen Taal en het Keurmerk SpellingAl sinds vrijdag 8 juni 2007 is de eerste versie van de open source woordenlijst van Open Taal door de Nederlandse Taalu…
Bronnen en referenties
  • Inleidingsfoto: Infoteur
  • 'Het verhaal van een Taal', Jan W. de Vries, Roland Willemyns, Peter Burger
  • 'Geschiedenis van het Nederlands', Marijke van der Wal i.s.m. Cor van Bree
  • http://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_de_Nederlandse_spelling
  • http://nl.wikipedia.org/wiki/Witte_spelling

Reageer op het artikel "Getwist over de Nederlandse schrijfwijze"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Sadya
Laatste update: 30-05-2019
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Taal
Special: Schrift en taal
Bronnen en referenties: 5
Schrijf mee!