Geschiedenis en Oude Egypte

Het tempelpersoneel in het Oude Egypte

Het tempelpersoneel in het Oude Egypte

Egyptische tempels in het Oude Egypte speelden zowel plaatselijk als nationaal een cruciale rol in spirituele en wereldse aangelegenheden. De Egyptische tempel is ofwel gewijd aan plaatselijke of landelijke godheden, ofwel bedoeld voor de dodencultus van de farao. De tempels hadden verschillende doeleinden. Uiteraard was er tempelpersoneel nodig om de tempels te onderhouden. Het personeel had een vaste hiërarchie waarin priesters een belangrijke rol vervullen.


Priester

Zoals vele religies had ook het Oude Egypte zogenaamd tempelpersoneel, waaronder priesters. Een priester is een tussenpersoon tussen God (goden) en de mensen. De priesters voorzagen in de rituele behoeften van het cultusbeeld door de festivals te organiseren en de dagelijkse offergaven aan te bieden, maar ze zorgden ook voor de administratie van de tempeleigendommen. Men stelde dienstschema’s op voor priesters, die in groepen, zogeheten ‘Phyles’, waren ingedeeld, waarbij elke groep ongeveer twee maanden per jaar een bepaalde taak vervulde. Veel van wat bekend is over het beheer van dodentempels, is afkomstig uit documenten die zijn ontdekt is Aboesir, een deel van de necropolis in Memphis. Ook zijn er documenten gevonden over de dagelijkse rituelen, die werden uitgevoerd door de priesters die aan de cultus van de dode farao waren verbonden. Deze rituelen werden misschien generaties lang na de dood van de farao gehandhaafd. Elke dag liep een processie van priesters rond de koninklijke piramide. Het cultusbeeld in de nabije dodentempel werd met geurige oliën gezalfd, beschilderd, gekleed en ‘gevoed’ (dat wil zeggen, er werden voedseloffers klaargelegd). Nadat het beeld geacht werd te hebben ‘gegeten’, werden de offergaven weggehaald en verdeeld onder degenen die zich aan de cultus wijdden.

De laagste priesterlijke titel (‘wab’, lezer) behelsde een deeltijdfunctie. Deze priesters dienden gewoonlijk een maand per jaar in een Egyptische tempel. Nadat zij hun taak hadden vervuld, namen ze hun gewone werk weer op zich, misschien als juniorambtenaar of ambachtsman. Deze priesters staan vaak afgebeeld in grafceremoniën, waarbij ze offergaven naar het graf dragen of gebeden voor de dode uitspreken. Dit laatste zou betekenen dat tenminste een aantal van hen kon lezen.

De hogepriester van de tempel kreeg de titel 'hemnetjer-tepy', ‘eerste dienaar van god’. Vaak droeg hij ook speciale titels die verband hielden met zijn eigen cultus. Vaak werden hogepriesters aangesteld door de farao, maar het hoogste priesterambt ging steeds vaker over van vader op zoon.

In veel reliëfs in Egyptische tempels is de kleding van deze laagstgeplaatste priesters – de gewone Egyptische lendendoek tot kniehoogte – niet te onderscheiden van de kleding van niet-priesters. De lezerpriester onderscheidde zich echter door een brede sjerp over zijn borst. De priesters in volledige dienst, zoals de ‘profeten’ van een bepaalde god, droegen daarentegen opvallende mantels echte of nagemaakte pantervellen.

De priesters kleedden zich weliswaar anders dan het gewone volk, maar meestal leefden ze net als degenen die geen priester waren. Op enkele uitzonderingen na waren de priesters en priesteressen getrouwd. Ze woonden in dorpen of steden naast buren die geen priester waren en niet zozeer in een geestelijke gemeenschap.

Vanouds varieerde het aantal in de tempel werkzame mensen, afhankelijk van de locatie en het belang van de cultus. Ook bestonden er al vroeg verschillende soorten priesters. Zo kenden veel tempels ‘uurpriesters’, die in vaste ploegen dienden tijdens vaste dienstperioden, die doorgaans één van de vier maanden duurden. Het aantal permanente priesters was kleiner.
Terwijl parttime priesters in hun eigen huizen woonden, op enige afstand van de tempel, woonden de fulltime dienaren vaak dichtbij of zelfs op het tempelterrein. Alle priesters werden betaald met een stuk land en wat voedsel.

Inwijding priester

Tot de inwijding van de meeste priesterklassen behoorden rituele zuiveringen en zalvingen en zeer waarschijnlijk ook een eed aan zuiverheid en gehoorzaamheid, en zelfs een eed om de voorrechten van het priesterlijke ambt niet te misbruiken.
Voor priesters in dienst golden strikte normen van zuiverheid. Deze varieerden per cultus, maar tegen het Nieuwe Rijk en later schreven ze priesters meestal voor hun hoofd en lichaam te scheren, hun nagels te knippen, zich dagelijks enkele malen te wassen en ritueel te reinigen, te kauwen op natron (een soort zout) voor innerlijke zuiverheid, zich te laten besnijden, linnen kleding te dragen (andere materialen zoals wol en leer waren verboden). Hoewel priesters geen celibatair leven leidden, waren ze onrein door gemeenschap, tot ze zich weer gereinigd hadden. Ritueel verboden voedsel werd tijdens de actieve dienst vermeden, evenals enig ander gedrag dat taboe kon zijn in de dienst van een specifieke god.

Overige functie's in de tempel

Naast priesters waren nog talloze andere personeelsleden actief voor de tempel. ‘Lijfeigenen’ bewerkten de tempelgronden en herders hoedden de dieren die eigendom van de tempel waren. Vissers, vogelaars en imkers waren allemaal werkzaam op het domein van de tempel. Timmermannen en metselaars waren nodig voor uitbreiding en onderhoud. Bakkers, brouwers, slagers, wevers en andere arbeiders werkten op het tempelcomplex naast schrijvers van allerlei soorten. Tekenaars, beeldhouwers, metaalsmeden en andere ambachtslieden vervaardigden de kleinere voorwerpen van de tempelinrichting en niet-vergankelijke voorwerpen die aan de goden werden geofferd. Groepen muzikanten, zangers en dansers assisteerden de priesters bij de uitvoering van de tempelrituelen. Al deze personeelsleden werkten in hun eigen omgeving, in ruil voor een deel van de oogst of jachtopbrengst, of voor een deel van de tempelinkomsten uit offers. Het totale aantal benodigde priesters en ander tempelpersoneel vormde dus vaak een aanzienlijk percentage van de bevolking van een gebied.

Mannen en vrouwen die niet tot priester benoemd waren, namen actief deel aan de rituelen bij het aanbieden van offers in huiselijke heiligdommen en het bijwonen van processies. Het cultusbeeld was dan wel verborgen in het binnenste heiligdom en slechts bereikbaar voor de hooggeplaatste priesters, andere heiligdommen van de god waren vaak goed toegankelijk voor het publiek bij de voorste poort of de achtermuur van de tempel. Hier kwam het gewone volk om bij de god of godin van de tempel een goddelijke tussenkomst of een zegening af te smeken.

De titels en functies van vrouwen in de tempeldienst waren iets anders dan die van de mannen. In het Oude Rijk voerden veel vrouwen van rijke families de titel 'hemet-netjer', ‘gods vrouwelijke dienaar’ of ‘priesteres’. Over het algemeen waren vrouwen in die periode dienaressen van godinnen. Vrouwen hadden waarschijnlijk grotendeels dezelfde taken als hun mannelijk collega’s.

Bezoek ook mijn special over het tempels in het Oude Egypte: Tempels in het Oude Egypte.
© 2008 - 2010 Melod, gepubliceerd in Geschiedenis (Kunst en Cultuur) op 08-03-2008, laatst gewijzigd op 03-02-2010. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Melod is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Gerelateerde link

Meer informatie?.

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Het tempelpersoneel in het Oude Egypte"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.