InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Taal > Over geld gesproken; de taal van de klinkende munt

Over geld gesproken; de taal van de klinkende munt

Over geld gesproken; de taal van de klinkende munt Niet alleen de Bijbeltaal en de scheepvaart zijn van invloed geweest op onze taal, het geld speelt ook een rol. Nederland was immers een handelsnatie. In dit artikel komt taalvorming -spreekwoorden en zegswijzen- aan bod, vooral met betrekking tot de klinkende munt. De klinkende munt van onze oude, vertrouwde muntjes uit de "guldenperiode"; cent, duit, stuiver, dubbeltje, kwartje, gulden en daalder.

De taal van het geld

Wie geld heeft, heeft invloed. Wie rijk is, wordt naar de ogen gezien. De woorden van een miljonair leggen nu eenmaal meer gewicht in de schaal dan die van een arme sloeber, ook al zegt die nog zulke wijze dingen. Geld geeft ook zorgen: je moet maar zien dat je het houdt; vergeet vooral niet het gunstig te beleggen; het zal maar gestolen worden. Of, zoals nu: je bank zal maar failliet gaan. Geld maakt niet gelukkig, zegt het spreekwoord, maar je bent natuurlijk best blij als je het gemakkelijk kunt laten rollen.

Taal over het geld

Het is ook omkeerbaar: geld spreekt een taal, maar taal spreekt ook over geld. Als je een eenvoudig spreekwoordenboek openslaat bij het woord "geld", dan kom je al gauw tot over de twintig spreekwoorden en/of uitdrukkingen waarin van geld sprake is. Van "geld als water hebben" tot "het in het water gooien". En, laten we dat vooral niet vergeten: geld regeert de wereld.

We richten de schijnwwerper in dit artikel niet op het woord "geld", maar op het muntgeld. Met name de oude vertrouwde munten uit de tijd dat we nog in guldens dachten. De cent, de stuiver, het dubbeltje, het kwartje. Ze hebben hun functie gehad, ook in de taal.

De (halve) cent

Het halfje was ons kleinste muntje. Kort na de oorlog, in 1948, toen de nieuwe muntwet van kracht werd, ging hij uit de roulatie. We werden rijker in de jaren vijftig en met een halve cent betalen was er niet meer bij; afronden naar boven alstublieft. Over dit geldstukje is mij slechts één zegswijze bekend: "Ik vertrouw hem voor geen halve cent." Als je dat van iemand zegt, dan is je vertrouwen toch wel bijna tot het nulpunt gereduceerd.

De cent was aanvankelijk van koper, later van brons. De eerste (halve) centen kwamen in 1817 "op de markt". De koperen exemplaren werden in 1877 door bronzen vervangen. In dat jaar verschenen er ook munten van tweeëneenhalve cent. In 1942 kregen we de centen van zink. Die hielden het uit tot 1948. In de jaren `80 van de vorige eeuw verviel de cent als betaalmiddel. Alle bedragen werden toen tot op een stuiver afgerond. De cent was, zoals zijn naam al aangeeft, éénhonderdste deel van de gulden.

Een paar spreekwoorden:
  • Dat is een fluitje van een cent; hiermee geef je te kennen dat de klus wel heel eenvoudig is.
  • Hij heeft geen rooie cent; helemaal geen geld, of heel erg arm.
  • Een cent in tweeën bijten; heel gierig zijn. Hiervan komt ook de uitdrukking "een centenbijter zijn."
  • Niet twee liedjes zingen voor één cent; iets niet twee keer zeggen.
  • Een cent met een gat geeft altijd wat; in het verleden dacht men dat een cent met een gat erin geluk bracht.
  • Tot op de laatste cent betaald hebben; alle schuld voldaan.
  • De centen dansen in zijn zak; hij moet geld uitgeven.
  • Het kan me geen cent schelen; het interesseert me helemaal niets.

De duit

In het verdere verleden betaalde men ook met de duit, een koperen muntje met de waarde van één achtste van de stuiver. De duit werd in 1816 vervangen door de halve en de hele cent. In Nederlands-Indië zijn ze gangbaar gebleven tot 1854. Deze duit heeft in het taalgebruik ook een duit in het zakje gedaan, met andere woorden: hij mocht ook meepraten, ook al stelde het allemaal niet veel voor.

Nog een paar:
  • Hij is een duitendief; alles stelen wat je te pakken kunt krijgen, al is het nog zo weinig.
  • Geen duit hebben; helemaal niets hebben.
  • Dat heeft een hele duit (een bom duiten) gekost; iets wat heel duur is.

De stuiver

Aanvankelijk was de stuiver van zilver, later van nikkel en in zijn nadagen van brons. Oorspronkelijk had de stuiver de waarde van acht duiten. Nadat de duit vervangen werd door de cent en het decimale stelsel algemeen werd, kreeg de stuiver de waarde van één-twintigste van de gulden. Al in 1454 komen we de stuiver tegen in een officiële akte. In die tijd wordt hij ook wel vierlander genoemd, omdat hij in vier landen gebruikt werd: Holland, Brabant, Vlaanderen en Henegouwen.

Voor 1940 waren de stuivers van nikkel en vierkant van vorm, met afgeronde hoeken. In de oorlog werden ze van zink geslagen. In 1947 werden ze vervangen door het ronde exemplaar.

De stuiver heeft zijn naam meegegeven aan de volgende uitdrukkingen:
  • Men weet niet hoe een stuivertje rollen kan; hoe iemand nog terecht kan komen.
  • Hij bezit geen stuiver; hij heeft geen geld.
  • Stuivertje wisselen; met iemand van plaats (functie) wisselen.
  • Een stuiversroman; een goedkoop, slecht geschreven romannetje.
  • Iedere stuiver maakt gieriger; hoe meer geld men krijgt, hoe gieriger men wordt.
  • Stuivertje op stuivertje bouwt een huis; met zuinigheid kun je veel bereiken.

Het dubbeltje

Het dubbeltje of tweestuiverstuk werd sinds 1614 gebruikt. Bij de munthervorming van 1816 werd "dubbeltje" de benaming voor het tiencentstuk. Het was het kleinste nikkelen muntstukje.

Enkele spreekwoorden of zegswijzen met "dubbeltje":
  • Dat is een dubbeltje op zijn kant; je weet nooit hoe iets uit zal pakken, of: het gaat maar net goed.
  • Op de dubbeltjes passen; zuinig zijn.
  • 't Is om de dubbeltjes te doen; alles draait om geld.
  • Hij heeft de dubbeltjes; bij hem moet je zijn voor het geld.
  • Het is een dubbeltjeskwestie; het gaat om het geld.
  • Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje; je kunt je niet ontworstelen aan je afkomst. Die blijft altijd merkbaar.
  • Voor een dubbeltje op de eerste rij willen zitten; zoveel mogelijk krijgen voor zo min mogelijk geld.

Het kwartje

Een kwart van een gulden. Het muntstukje van vijfentwintig cent. Voor 1942 was het kwartje van zilver, na dat jaar van zink. In 1948 werd bepaald dat het kwartje voortaan van nikkel zou zijn.

Enkele spreekwoorden:
  • Hij wil voor een kwartje naar Amsterdam; met zo min mogelijk kosten zoveel mogelijk bereiken.
  • Het kwartje valt; eindelijk begrijpt hij het.

De daalder

Bij het woord "gulden" kon niet anders ontdekt worden dan dat het een muntstuk was van honderd cent. Iets dat niet nodig is apart te vermelden, omdat iedereen dat weet. Vandaar dat de volgende munt in waarde ter sprake komt, de daalder.

Het woord daalder komt van het Duitse Taler, een Boheemse munt. De daalder had de waarde van dertig stuivers. In 1538 werden de eerste Nederlandse daalders geslagen. Daarnaast bestonden er ook Zeeuwse, Brabantse en Vlaamse daalders. In de zeventiende eeuw werd de naam "daalder" aan meerdere muntstukken gegeven. De daalder bleef in gebruik als munt van honderdvijftig cent. In de jaren 1845-1849 zijn de daalders in Nederland ingetrokken. Opvallend is dat de naam en zelfs de waarde nog steeds bekend zijn in het taalgebruik.

De volgende zegswijzen met "daalder" zijn gevonden:
  • Op de markt is uw gulden een daalder waard; alles is op de markt goedkoper. Een reclameslogan die zo ingeburgerd is, dat hij een eigen plaats heeft veroverd in het Nederlandse taaleigen.
  • De eerste klap is een daalder waard; als je snel handelt, heb je het voordeel.

De rijksdaalder, riks of knaak

Hierbij zijn geen spreekwoorden of uitdrukkingen gevonden. Wel opvallend is dat één muntstuk in de volkstaal drie verschillende benamingen had.

Benamingen

Al onze "oude" muntjes hadden, naast de naam die de waarde aangaf, ook een andere naam. Een naam die ze óf meteen kregen, óf die in de loop der tijd door het volk bedacht werd. In taal zit groei. Dat is eenvoudig te constateren als we naar het spreekwoord kijken bij "kwartje": het kwartje valt. Dat is pas in gebruik gekomen nadat we iets "uit de muur" kunnen halen, een kroketje of een pakje sigaretten. Ook de "gulden die op de markt een daalder waard zou zijn", dateert van recentere datum. Gelukkig maar dat taal groeit. Misschien dat er dan een tijd komt dat we ook namen gaan geven aan onze nieuwe muntjes, die voorlopig nog -heel saai- alleen genoemd worden naar de waarde die ze vertegenwoordigen.

Het kwintje

Laten we gelijk beginnen. Een goed begin is het halve werk. Als we nu eens allemaal, vanaf vandaag, het simpele muntje van twintig eurocent, naar analogie van het kwartje, een kwintje gaan noemen. Nee, geen quintje, je schrijft ook niet quartje. Heel gewoon een kwintje, één vijfde deel van de hele euro. Even de gêne overwinnen als het de eerste keer moet worden uitgesproken. Alles went. En dan zijn we zó gewend aan het kwintje. Eindelijk weer een beetje beweging in de taal van het geld.
© 2008 - 2018 Bvell, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
De waarde van Nederlandse muntenDe waarde van Nederlandse muntenDoor de invoering van de euro raakte de Nederlandse munten buiten gebruik. Tot 2008 konden zij nog steeds bi de Nederlan…
Nederlandse zinken munten tijdens de Tweede WereldoorlogTijdens de Tweede Wereldoorlog besloot de Duitse bezetter in 1942 over te gaan tot een geldzuivering. Alle munten van he…
Ontwikkeling van het geldstelselOntwikkeling van het geldstelselGoederen hebben dienst gedaan als ruilmiddel om de handel te versoepelen voordat de ontwikkeling van het geldstelsel ont…
Verzamelen: kopen en verkopen van oude koloniale muntenVerzamelen: kopen en verkopen van oude koloniale muntenEr zijn veel mensen die oude koloniale munten verzamelen. Er is goed geld mee te verdienen. Nederland heeft een rijke ko…
De geschiedenis van muntgeld: de allerlaatste guldenDe geschiedenis van muntgeld: de allerlaatste guldenWe waren de donkere middeleeuwen doorgekomen met een groeiende geldeconomie maar met een enorme hoeveelheid verschillend…

Reageer op het artikel "Over geld gesproken; de taal van de klinkende munt"

Plaats een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Reacties

Theo Kuipers, 01-11-2017 10:37 #3
Ik ken de zegswijze 'een daalders plekje' een mooie of gunstige plek. Kan gaan over een zitplaats op een tribune maar ook een mooi visstekje.
Verder nog een vraag: Hoe zit het precies met de omschrijving in oude verkoopaktes waarin gesproken wordt over betaling in 'baren gelde en klinkende munte'. Moest er bij een koopsom van enkele duizenden (Carolus) guldens dan ook letterlijk veel geld worden aangevoerd, geteld en ook weer meegenomen worden? Hoe ging dat nu werkelijk? En hoe zat het precies met dat 'klinkende munte'? Er moest natuurlijk gelet worden op de waardevastheid van de munten en het is mij bekend dat men munten soms lieten vallen op een marmeren steen om aan de klank te horen of ze echt of onecht waren. Maar hoe ging dat in zijn werk bij dergelijke grote aantallen?
Ben benieuwd naar uw reactie.

Hugo Verbrugh, 19-03-2015 16:39 #2
Ik zocht, zoek de herkomst en andere kenmerken van de uitdrukking 'het kwartje valt'. Om verschillende redenen geef ik de voorkeur aan een nieuwe uitdrukking die ik nu hier introduceer: het 'goudstukmoment': een groots moment in de herinnering waarop iemand opeens iets begreep, echt zàg… Een kwartje is me iel voor zo een moment…

Victor Spuij, 06-10-2013 19:56 #1
Ik ken de uitdrukking "dat iets veel knaken kost"

Infoteur: Bvell
Laatste update: 28-11-2009
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Taal
Reacties: 3
Schrijf mee!