InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Geschiedenis > De slavernij in Suriname

De slavernij in Suriname

De slavernij in Suriname Suriname was bijna 300 jaar een kolonie onder Nederlands bestuur. In die tijd stond het, samen met andere Nederlandse kolonies, ook wel bekend onder de verzamelnaam Nederlands-Guyana. Slavernij was vanaf het begin aanwezig en werd pas afgeschaft in 1863. Het einde van de slavernij was dat echter nog niet: slaven waren verplicht om nog tien jaar op hun plantage te blijven werken. Goedkope arbeid was de belangrijkste drijfveer om de plantages economisch gezond te houden, maar waar moest die vandaan komen als slavernij geen mogelijkheid meer was? In buurlanden was de slavernij al langer afgeschaft en werd gewerkt met contractarbeiders. Maar wat hield dat in en was dit ook de oplossing die de plantagehouders in Suriname zo nodig hadden?

Inhoud


De kolonie Suriname

Suriname kwam in 1667 in Nederlandse handen en behoorde tot de kolonie Nederlands-Guyana. Hoewel de andere gebieden uit deze kolonie in 1815 in Engelse handen vielen, bleef Suriname nog tot 1954 onder Nederlands bestuur. In dat jaar werd het een zelfstandig land binnen het koninkrijk der Nederlanden. In 1975 werd het de onafhankelijke Republiek Suriname.

De kolonie Suriname kwam in Nederlandse handen na de Tweede Engels-Nederlandse oorlog. Deze oorlog duurde van 1665 tot 1667 en speelde zich, net zoals de Eerste Engels-Nederlandse oorlog, vrijwel geheel af op zee. De sterkte van de vloot bleek hierbij doorslaggevend te zijn. Op 31 juli 1967 werd de oorlog besloten met de Vrede van Breda. Hier werden verschillende afspraken gemaakt, waarvan wellicht de belangrijkste van toepassing was op Suriname en het huidige New York. Suriname was tot dan toe onderdeel geweest van Engeland, maar was in Nederlandse handen gevallen. New York, dat destijds Nieuw-Amsterdam heette, was in Engelse handen gevallen. Besloten werd om de gebieden te ruilen, omdat Suriname financieel gezien interessanter was voor Nederland dan Nieuw-Amsterdam. De ruil betekende echter niet het einde van de oorlogen tussen Engeland en Nederland: er zouden er nog twee volgen.

Sociëteit van Suriname

De sociëteit van Suriname werd op 21 mei 1683 opgericht en was tot 1795 verantwoordelijk voor het bestuur en de verdediging van Suriname. Het was een particuliere onderneming, die in handen was van drie partijen: de West-Indische Compagnie (WIC), de stad Amsterdam, en de familie Aerssen van Sommelsdijck. Kosten en baten van de onderneming werden gelijkmatig verdeeld, en leden mochten hun aandeel alleen met onderlinge toestemming aan andere partijen overdragen.

De sociëteit had als doel om winst te maken uit de kolonie en maakte dit onder meer mogelijk door de aanvoer van slaven, het aantrekken van kolonisten en planters, en het regelen van bestuur en verdediging. Handel op Suriname was echter vrij voor iedere inwoner van de Bataafse Republiek, en de inspraak die planters hadden in het koloniale bestuur was uniek.

In 1795 werd de Sociëteit door de Bataafse Republiek genationaliseerd, en gingen de inkomsten naar de staat.

Slavernij in Suriname

Ten tijde van de koloniale periode bestond Suriname voornamelijk uit plantages, waar onder andere koffie, suiker, katoen en indigo geproduceerd werd. Het werk, dat vaak zwaar was, werd gedaan door slaven die vanuit Afrika werden ingevoerd door de WIC. Daarnaast werden sommige slaven ingezet in het huishouden van de plantagehouders. Gedurende 250 jaar was slavernij de normaalste zaak in Suriname. Slaven hadden geen rechten en werden slecht behandeld door hun eigenaren. Van alle landen die aan slavernij deden, werden de slaven in Suriname het slechtst behandeld. Als gevolg hiervan hadden deze plantages de meeste weglopers, waardoor de plantagehouders grote schade opliepen. Om te voorkomen dat slaven wegliepen, werden om de kleinste dingen zware straffen uitgedeeld. Bovendien waren er toezichthouders die in de gaten hielden of de slaven hun werk wel goed en snel genoeg deden. Op de plantages waren de mogelijkheden om weg te lopen dan ook erg klein. Toch waren er mogelijkheden om weg te lopen. Veel slaven deden ’s nachts een vluchtpoging door zich in de bossen achter de plantages te verstoppen. Spullen die ze nodig hadden, stalen ze van de plantages. Deze slaven werden de marrons genoemd; ze behielden de taal en cultuur die ze uit West-Afrika hadden meegenomen. Nadat ze ver genoeg in de bossen waren doorgedrongen, pakten ze hun oude leven zo goed als mogelijk weer op. Hoewel de blanken tochten organiseerden om weggelopen slaven weer te vangen, slaagden ze hier maar zelden in: in de bossen waren de marrons hen te slim af. Bovendien waren de blanken niet gewend aan het tropische klimaat en de ziektes die daarbij hoorden.

Afschaffing van slavernij

De afschaffing van slavernij was een lang proces dat veel voeten in de aarde had. De eerste stap was het afschaffen van de slavenhandel in 1814, dat werd vastgelegd in de grondwet. Het sterftecijfer van slaven lag al jarenlang hoger dan het geboortecijfer. Om te voorkomen dat de slavenbevolking uit zou sterven, was het noodzakelijk om de levensomstandigheden te verbeteren. Dit leidde ertoe dat in 1828 werd bepaald tot verbetering van onder andere werktijd, voeding en kleding van slaven.

Afschaffing van de slavernij door de Britten

In 1833 ontstond er echter paniek onder de blanken in Suriname. In dat jaar schafte Engeland, dat veel koloniën in omringende landen had, de slavernij af. Iedereen die belang had bij de slavernij, vreesde massale vluchtpogingen van Surinaamse slaven naar Brits-Guyana. In 1837 leidde een grote slavenopstand tot het verzoek om de slavernij ook in Suriname af te schaffen. De Nederlandse minister van Koloniën wilde hier echter niets van weten, omdat hij vanuit Brits-Guyana verhalen hoorde over vrije slaven die niet meer wilden werken. Voor plantagehouders viel de schade echter wel mee, omdat er werd overgestapt op contractarbeiders uit Brits-Indië: mensen die voor geld kwamen werken. Het idee om de slavernij af te schaffen verdween echter toen de ongeregeldheden onder Surinaamse slaven bleken mee te vallen.

Brits-Guyana, Suriname en Frans-Guyana



Afschaffing van de slavernij door de Fransen

In 1848 stond de slavernij-gezinde Nederlanders opnieuw een schok te wachten. Dit was namelijk het jaar dat de Fransen de slavernij afschaften en was het gevolg van de februarirevolutie. In Suriname had dit opnieuw vluchtpogingen als gevolg, ditmaal naar Frans-Guyana. Het Surinaamse bestuur was niet in staat om een einde te maken aan deze pogingen, ook niet met de hulp die ze uit Nederland kregen. De Nederlandse minister van Koloniën was hierdoor gedwongen om ook na te denken over het afschaffen van de slavernij. Plantage-eigenaren waren hiertoe bereid, met als enige voorwaarde dat ze een schadevergoeding kregen voor het verlies van de goedkope arbeidskrachten.

Bron: gutenberg.org, Wikimedia Commons (Publiek domein)Bron: gutenberg.org, Wikimedia Commons (Publiek domein)
De negerhut van oom Tom
Afschaffing van slavernij was een onderwerp dat niet erg leefde onder de Nederlandse bevolking. Dit veranderde pas bij het verschijnen van de Nederlandse vertaling van het boek ‘De negerhut van oom Tom’ in 1852. Net als in de Engelstalige landen, werd het ook in Nederland een groot succes. Het verhaal gaat over de gelovige slaaf Tom, die gescheiden van zijn gezin verkocht wordt. Hij komt terecht bij Simon Legree, een wrede slaveneigenaar. Hij laat Tom doodmartelen wanneer die niet vertelt waar twee gevluchte slaven naartoe zijn gegaan.

Het gekozen perspectief in het verhaal, dat van de religieuze held Tom, maakte hem aantrekkelijk bij het blanke lezerspubliek. Hoewel de mensen in Europa wisten dat slavernij gepaard ging met wrede praktijken, was het ook iets dat ver van hun bed gebeurde. Door dit boek kreeg de slaaf een gezicht en kreeg het Nederlandse volk een ander beeld van slavernij. Als gevolg kwamen er steeds meer abolitionisten (mensen die tegen de slavernij zijn) bij. Omdat Nederland in 1848 een democratie was geworden, was het volk in staat om druk uit te oefenen op de besluitvoering van de volksvertegenwoordiging. In de jaren die volgden had dit als gevolg dat de voorzieningen en omstandigheden van slaven verbeterden, onder meer door de minder zware straffen die uitgedeeld mochten worden door plantagehouders. Het leidde echter nog niet direct tot de afschaffing van de slavernij. Er waren namelijk twee problemen waar de regering rekening mee moest houden:
  1. Bij afschaffing van de slavernij zal de overheid de slavenhouders een vergoeding moeten betalen voor het verlies van slaven;
  2. Het werk van slaven verdwijnt niet bij de afschaffing van slavernij; wie gaat hun werk overnemen en wie is verantwoordelijk voor het leveren van nieuwe arbeiders, overheid of plantagehouders?

Afschaffing van de slavernij door Nederland

Nederland schafte de slavernij af op 1 juli 1863 en was daarmee één van de laatste Europese landen. Het besluit hiertoe werd genomen in 1862 door de overheid. De plantagehouders wisten zich hiermee geen raad, ondanks de vergoeding van de overheid van 300 gulden per vrijgelaten slaaf. Bovendien werd er één miljoen gulden beschikbaar gesteld voor het aantrekken van vrije arbeiders. Zowel de planters als de regering waren bang dat de slaven meteen weg zouden trekken en dat de plantages zonder arbeiders zouden achterblijven. De regering stelde daarom een staatstoezicht in op de vrijgelaten slaven. In de praktijk betekende dit dat de slaven verplicht waren om nog tien jaar loonarbeid te verrichten op een plantage naar keuze. Dit gaf de overheid en de plantagehouders de mogelijkheid om nog tien jaar naar een passende oplossing te zoeken.

In Suriname waren een kleine 33.000 slaven werkzaam ten tijde van de afschaffing van slavernij. Drie dagen lang werd er gefeest met optochten, feesten en kerkelijke plechtigheden. Tegenwoordig is 1 juli een nationale feestdag in Suriname.

De nu vrije slaven werden naar de steden gelokt, waar ze loonafhankelijk werden. Dit leidde echter tot een stedelijke armoede waarvan de gevolgen nog steeds merkbaar zijn.

Contractarbeiders als vervangende oplossing

Nu de slavernij was afgeschaft, werd er gezocht naar een andere oplossing. In de voormalige Engelse en Franse kolonies werd gebruik gemaakt van contractarbeiders. Dit waren betaalde arbeiders die het werk van slaven met succes hadden overgenomen en zorgde in Brits-Guyana voor een enorme bloei in de Engelse plantage-economie. In 1853, na het verschijnen van ‘De negerhut van oom Tom’, werden de eerste Chinese contractarbeiders naar Suriname gehaald.

In Brits-Guyana werd succesvol gebruik gemaakt van Hindoestaanse contractarbeiders uit Brits-Indië. Dit leidde ertoe dat de Nederlandse regering de Britten om toestemming vroeg om ook contractarbeiders te werven in Brits-Indië. Vanwege de armoede in die kolonie gaven de Britten hier toestemming voor.

Hoewel deze mensen uit vrije wil naar Suriname kwamen, verliep de werving, tewerkstelling en behandeling op zo’n manier dat dit systeem zowel toen als nu vergeleken werd met de slavernij.

Hindoestanen als contractarbeiders

Voor de contractarbeiders uit Brits-Indië werden door Groot-Brittannië een aantal voorwaarden gesteld:
  • Hindoestaanse immigranten moesten Britse onderdanen blijven;
  • Ze moesten goed behandeld worden;
  • Er moest sprake zijn van een goede gezondheidszorg;
  • De overtocht naar Suriname moest aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen

Om erop toe te zien dat deze afspraken werden nageleefd, kwam er een Britse toezichthouder in Paramaribo, de Surinaamse hoofdstad. Wanneer hij niet tevreden was over één van bovengenoemde eisen, kon hij de invoer van Hindoestaanse contractarbeiders tijdelijk stopzetten. Door deze regeling hadden de meeste Hindoestanen in Suriname een beter bestaan dan in Brits-Indië.

De Nederlanders stelden ook een aantal voorwaarden voor de komst van de contractarbeiders. De arbeiders werden voor een periode van vijf jaar naar Suriname gehaald, waar ze betaalde arbeid verrichtten op de plantages. Na die vijf jaar hadden contractarbeiders drie keuzes:
  1. Nogmaals een contractperiode van vijf jaar;
  2. Een stukje eigen landbouwgrond in Suriname en 100 gulden;
  3. Een gratis reis naar het land van herkomst.

Contractarbeiders die kozen voor de eerste optie, kregen na die periode van vijf jaar de keuze uit de laatste twee opties.

Contractarbeiders uit Brits-Indië

Om de werving van Hindoestaanse contractarbeiders in goede banen te laten verlopen, werd er in het Brits-Indische Calcutta een emigratieagent aangesteld. Hij had de leiding over het werven en verschepen van contractarbeiders van Calcutta naar Paramaribo. In verschillende plaatsen in Brits-Indië had de emigratieagent lokale mensen in dienst als subagenten, die kleinere verzamelplaatsen runden. De belangrijkste redenen voor emigratie waren het ontvluchten van de armoede en het kastensysteem. In Suriname leidden ze een beter leven, maar in 1916 kwam een eind aan de migratie onder druk van Brits-Indische nationalisten. Tussen 1873 en 1916 hebben vierenzestig schepen de overtocht gemaakt van Calcutta naar Paramaribo en zijn ruim 34.000 Hindoestanen in Suriname aangekomen, onder wie ook kinderen. De meesten van hen maakten geen gebruik van de mogelijkheid om terug te keren naar Brits-Indië en Hindoestanen die vanaf 1927 in Suriname geboren werden, werden Nederlandse onderdanen.

Contractarbeiders uit Java

Zo’n twintig jaar na de komst van de eerste contractarbeiders kwamen er ook Javaanse arbeiders naar Suriname. De Britten hadden een grote invloed in Suriname vanwege de Britse toezichthouder op de arbeiders uit Brits-Indië. Voor de Nederlanders was het op het gebied van contractarbeiders belangrijk om niet volledig afhankelijk te zijn van de Britten, en Java was als Nederlandse kolonie een geschikte plaats voor het werven van contractarbeiders in eigen beheer.

De Nederlandse stelde eisen aan de werving van arbeiders, maar de emigratiekantoren hielden zich hier niet aan. Zij namen Javaanse wervers in dienst, die per verworven contractarbeider tachtig gulden ontvingen. Een hoop wervers maakten misbruik van deze beloning door de Javanen, die veelal analfabeet waren, verkeerde inlichtingen te geven. Omdat ook in Java armoede een probleem was, waren veel inwoners bereid om de oversteek te wagen en in Suriname een beter leven op te bouwen. Javaanse contractarbeiders hadden het echter zwaarder dan hun Hindoestaanse collega’s, omdat de Britse immigratie-eisen voor hen niet golden.

In een periode van bijna vijftig jaar, van 1890 tot en met 1939, zijn er bijna 33.000 Javaanse contractarbeiders in Suriname aangekomen. Zo’n 25 procent van hen maakte gebruik van de gratis terugreis naar Java.

Contractarbeiders in Suriname

Contractarbeiders die aankwamen in Suriname, werden zo snel mogelijk naar hun nieuwe werkgevers gebracht. De dag daarna werden ze al aan het werk gezet. De eerste jaren werden ze te werk gesteld op plantages waar even daarvoor nog slaven het werk deden. In latere jaren werden ze ook aangenomen door de overheid en werkten ze bijvoorbeeld aan afwateringskanalen. Werktijden en salarissen waren vastgelegd in de contracten die de arbeiders voor vertrek ondertekenden. De mannen werkten zes dagen per week en per dag zeven uur op het land of tien uur in een fabriek. Volwassen mannen verdienden zestig cent per dag, vrouwen en jongens verdienden veertig cent per dag. Woonruimte en medische zorg voor arbeiders (en eventueel hun gezin) waren echter gratis. Bovendien hoefden ze geen belasting te betalen. Ze hadden recht op maximaal 32 vrije dagen per jaar.

Contractarbeiders die na hun periode van vijf jaar hun eigen land gingen bewerken, hadden het beter dan de mensen die in de stad woonden. Ze waren in staat om een onafhankelijk bestaan op te bouwen en werden economisch sterker, omdat ze voor een groot deel in hun eigen behoeften konden voorzien.

Eind van een tijdperk

De periode van contractarbeiders in Suriname eindigde in 1916 en in juni 1928 werden ze officieel Nederlandse burgers. Dit laatste was het gevolg van de ‘Wet op het Nederlands Onderdaanschap van 1910’. De Surinaamse Hindoestanen ontwikkelden zich tot een middenklasse en waren in vele beroepssectoren terug te vinden. Bovendien werd hun sociaal-economische positie versterkt door de toenemende productie in de landbouwsector, waar Hindoestanen inmiddels een monopoliepositie hadden. Nadat Suriname in 1975 onafhankelijk werd, was er opnieuw een grote groep Hindoestanen die hun geboortegrond verliet voor een betere toekomst in een ander land en een ander werelddeel. Hoewel sommigen al voor de Tweede Wereldoorlog naar Nederland kwamen, maakte veruit de grootste groep tussen 1975 en 1980 de overtocht naar Europa. Tegenwoordig wonen zo’n 350.000 Surinamers in Nederland, tegenover zo’n 570.000 in Suriname. Hoewel veel Surinamers dus in Nederland wonen, voelen zij zich nog steeds betrokken bij Suriname.

Erfenis van de slavernij en contractarbeiders

De tijd van slavernij en contractarbeiders heeft veel sporen achtergelaten in Suriname. Dit is bijvoorbeeld te zien aan de bevolkingssamenstelling, maar ook in de taal en de cultuur. De Surinaamse bevolking bestaat uit een mengsel van verschillende etnische groepen, waarvan de Hindoestanen de grootste en rijkste bevolkingsgroep zijn. De aanwezige etnische groepen zijn:
  • Brazilianen
  • Chinezen
  • Creolen
  • Europeanen
  • Indianen
  • Javanen
  • Joden
  • Hindoestanen
  • Libanezen
  • Marrons (nakomelingen van gevluchte slaven)

De belangrijkste religies zijn het christendom, het hindoeïsme en de islam. Bij een klein deel van de bevolking (ca. 6 procent) is sprake van traditionele of andere religies. De nationale feestdag is op 1 juli waarbij de afschaffing van de slavernij in 1863 gevierd wordt. Het staat ook wel bekend als Keti-koti, wat ‘ketenen gebroken’ betekent in het Sranantongo. De officiële naam van het feest is echter ‘Dag der Vrijheden’. Ook in Nederland wordt deze dag gevierd. Sinds 2009 gebeurt dit grootschalig in het Oosterpark in Amsterdam, waar ook een nationaal monument staat.

Talen

In Suriname worden twintig talen gesproken en als gevolg hiervan zijn de meeste Surinamers meertalig. Wanneer er gekeken wordt naar de talen met de meeste sprekers, dan zijn er vijf talen die opvallen:
  1. Nederlands (70%)
  2. Surinaams (46%)
  3. Surinaams-Hindoestaans (22%)
  4. Javaans (11%)
  5. Marron-talen (met name Aukaans en Saramaccaans) (17%)

Het Nederlands is de officiële taal van Suriname en wordt in het kustgebied door bijna iedereen beheerst. Het wordt gebruikt door de overheid, in het onderwijs en in de media. In het binnenland daarentegen worden overwegend andere talen gesproken. Vergeleken met het Nederlands dat in Nederland gesproken worden, zijn er verschillen in uitspraak. Deze zijn te vergelijken met de verschillen met het Vlaams.

Economie

De economie is nog steeds erg afhankelijk van het buitenland. Ten tijde van de plantagelandbouw, waarbij veel slaven en contractarbeiders betrokken waren, dreef de economie op de export van suiker, koffie, katoen en cacao. Tegenwoordig wordt de economie gedomineerd door de mijnbouw: de uitvoer van aluminium, goud en olie is goed voor zo’n 85 procent van de export en 25 procent van de overheidsinkomsten. Als gevolg hiervan is de economie echter zeer kwetsbaar: prijsschommelingen hebben namelijk een grote invloed.

De landbouw is inmiddels nog maar een klein deel van de economie. Nog maar acht procent van de bevolking is werkzaam in de landbouw, bosbouw en visserij. Veeteelt is echter van weinig betekenis. De landbouwbedrijven zijn beperkt tot het kustgebied, waar slechts een klein deel van het land geschikt is voor de landbouw. De overheid heeft een aantal bananenplantages in bezit; de kleinere landbouwbedrijven worden in de meeste gevallen gerund door Hindoestanen en Javanen. Ondanks de grote aanwezigheid van bossen (85 procent van het grondgebied) zijn de bosbouw en de houtverwerking maar van kleine betekenis; commerciële mogelijkheden zijn niet toereikend. De visserij daarentegen is daarentegen steeds belangrijker geworden. Zowel de rivieren als de kustwateren worden hiervoor gebruikt, waarbij garnalen de belangrijkste vangst zijn.

De industrie is iets belangrijker voor de economie. In 2013 was deze sector goed voor veertien procent van de banen en droeg voor bijna 37 procent bij aan het BNP. De industrie draait vooral om kleding-, schoen-, en voedselverwerkende bedrijven die voorzien in de binnenlandse vraag.

Emigratie, met name naar Nederland, is een sterk beperkende factor voor de economische groei van Suriname. Het zijn vooral de hoger opgeleiden die in grote getale naar Nederland komen.

Politiek

Suriname is een democratische republiek en wordt geleid door een president en een parlement. De huidige grondwet werd op 30 september 1987 in gebruik genomen. Het parlement (bestaande uit één kamer) staat ook wel bekend als de Nationale Assemblée (DNA). Het telt 51 zetels en wordt gekozen voor een periode van vijf jaar. Bij verkiezingen wordt het land opgedeeld in kieskringen, waarbij elke kieskring een vast aantal zetels te verdelen heeft. Deze aantallen zijn echter nog gebaseerd op de bevolkingssamenstelling van 1954, waardoor dunbevolkte gebieden oververtegenwoordigd zijn en dichtbevolkte gebieden als Paramaribo naar verhouding juist te weinig invloed hebben.

De regering bestaat uit de president, de vicepresident en de ministers. De president en vicepresident moeten met een meerderheid van minimaal 66 procent gekozen worden. Als dit na twee stemmingen niet lukt, wordt de Verenigde Volksvergadering bijeen geroepen. Deze bestaat uit alle 919 leden van de volksvertegenwoordigingen in Suriname en kiest met een gewone meerderheid de president. Het kabinet van ministers wordt samengesteld door de president. Zowel de ministers als de vicepresident moeten zich verantwoorden bij de president.
© 2016 - 2019 Tamina, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
De WIC: slavenhandel en machtIn de Gouden Eeuw was Nederland een rijk en machtig land. Er was veel welvaart en rijkdom. Deze rijkdom had echter ook e…
Abolitionisme; afschaffing van de slavernijHaïti was het eerste land dat officieel de slavernij afschafte, Groot-Brittanië het tweede en Nederland één van de laats…
Keti-Koti, einde van de slavernijKeti-Koti is een Feestdag, dat gevierd wordt door voornamelijk Creoolse Surinamers, maar ook Antillianen. Op deze dag wo…
Suriname: de geschiedenis van Suriname en de slavernijEr zijn weinig landen waar zoveel etnische groepen wonen en samenleven als in Suriname. Dat heeft met de oudheid te make…
De Surinaamse Marroncultuur is nog steeds springlevendDe Surinaamse Marroncultuur is nog steeds springlevendDe Marrons uit Suriname bestaan nog steeds in een wereld die steeds groter wordt en waarbij rassenvermenging een feit is…
Bronnen en referenties
  • Inleidingsfoto: WikiImages, Pixabay
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Suriname_(kolonie), 11-3-2016
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Surinamers, 23 maart 2016
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Suriname, 24 maart 2016
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Keti-koti, 24 maart 2016
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Tweede_Engels-Nederlandse_Oorlog, 16 maart 2016
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Soci%C3%ABteit_van_Suriname, 16 maart 2016
  • http://www.scholieren.com/scriptie/22256, 11-3-2016
  • http://www.slavernijenjij.nl/de-afschaffing/, 16 maart 2016
  • http://www.slavernijenjij.nl/de-afschaffing/nederlands-protest-tegen-slavernij/ , 21 maart 2016
  • http://www.surinamewebquest.nl/afschaffing_slavernij.html, 16 maart 2016
  • http://www.ohmnet.nl/artikelen/van-indiase-immigrant-tot-hollandse-hindoe/, 22 maart 2016
  • http://www.landenweb.nl/suriname/economie/, 24 maart 2016
  • Afbeelding bron 1: gutenberg.org, Wikimedia Commons (Publiek domein)

Reageer op het artikel "De slavernij in Suriname"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Tamina
Laatste update: 09-11-2017
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Geschiedenis
Bronnen en referenties: 14
Schrijf mee!