InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Geschiedenis > Handelsposten van VOC op Formosa (Taiwan)

Handelsposten van VOC op Formosa (Taiwan)

Handelsposten van VOC op Formosa (Taiwan) Het eiland dat door de VOC in de zeventiende eeuw Formosa werd genoemd, staat vandaag de dag bekend als Taiwan. Het eiland Taiwan behoort officieel tot de Republiek China, een republiek die zowel door de Volksrepubliek China als door de overige landen niet wordt erkend. Taiwan is gelegen ten oosten van het Chinese vasteland en ten zuidwesten van de de eilandenstaat Japan en was mede dankzij haar ligging in de zeventiende eeuw van groot belang voor de handel tussen de Chinezen en Japanners. Omdat de VOC in China zelf geen voet aan de grond kreeg besloot ze delen van het eiland Formosa toe te eigen om zo als nog te kunnen handelen met de Chinezen die het eiland (illegaal) bezochten.

Inhoud


Overzicht van de handelsposten op Formosa

Nadat de VOC - zonder toestemming van de Chinezen - een fort hadden gebouwd op het grootste eiland van de Pescadores, Penghu genoemd (door de VOC Pehou genoemd), werd ze enkele jaren later gedwongen om de eilandenstaat te verlaten en zich te vestigen op het eiland Formosa. Gedurende de jaren dat ze op Formosa actief was wist de VOC een deel van Formosa's westkust in handen te krijgen en opende in totaal vier handelsposten die ook allemaal dienst deden als fort.

Fort Pehou, Pescadores

Fort Pehou was gelegen op het grootste eiland van de Pescadores, namelijk eiland Penghu. Het fort was niet tot nauwelijks belangrijk bij de handel en de VOC had haar dan ook voornamelijk gebouwd in de hoop een gunstige handelspositie bij de Chinezen te kunnen afdwingen. In het jaar 1624 werd de VOC gedwongen om haar fort op Penghu te ontruimen en te verhuizen naar het eiland Formosa.

Fort Zeelandia, Tayouan

Na de verhuizing naar Formosa opende de VOC nog hetzelfde jaar de deuren van Fort Zeelandia, gelegen in de stad Tayouan (vandaag de dag Taoyuan genoemd), maar de handel kwam maar moeizaam op gang. Met name in de eerste jaren na opening werd Fort Zeelandia meerdere keren aangevallen en het Fort heeft dan ook een woelige geschiedenis achter de rug. In het jaar 1662 werd de VOC gedwongen om Fort Zeelandia over te dragen aan de Chinees Koxinga.

Comptoir Tamsuy

Comptoir Tamsuy was gelegen in het gelijknamige dorp Tamsuy (vandaag de dag Tamsui genoemd). De handelspost opende in het jaar 1642 haar deuren, tegelijkertijd met comptoir Kelang, maar werd in het jaar 1661 gesloten omdat de plaatselijke handel volledig was stil gevallen.

Comptoir Kelang

In tegenstelling tot Fort Zeelandia en comptoir Tamsuy was comptoir Kelang niet gelegen in het westen van Formosa, maar in het noorden. De VOC had het Fort in de stad weten te veroveren op de Spanjaarden in het jaar 1642, maar werd in het jaar 1668 gedwongen om het Fort af te staan aan de Chinees Koxinga en zijn troepen.

Fort Provintia, Saccam

Het Nederlandse Fort Provintia werd in het jaar 1653 door de VOC gebouwd en was volgens haar gegevens gelegen in een dorpje genaamd Saccam. Helaas is tot op de dag van vandaag niet duidelijk welke hedendaagse stad Saccam was in het verleden en de ligging van het voormalige fort is dan ook niet bekend.

Handelsposten Formosa (Taiwan)

Legenda
A. Fort Pehou
B. Fort Zeelandia, Tayouan
C. Comptoir Tamsuy
D. Comptoir Kelang

Voorgeschiedenis

Voor we gaan kijken hoe de VOC haar kolonie op Formosa flink wist uit te breiden, is het belangrijk om eerst even te kijken naar een aantal gebeurtenissen die hier aan vooraf gingen. De VOC koos er namelijk niet zelf voor om zich op Formosa te vestigen, maar werd door de Chinezen gedwongen nadat ze haar boekje (meerdere keren) te buiten was gegaan. Aangezien de VOC streefde naar het verkrijgen van een wereldwijd handelsmonopolie was het haar een doorn in het oog dat de Portugezen het Chinese handelsmonopolie in handen hadden. In het jaar 1601 deed Jacob Corneliszoon van Neck (1564-1638) een poging om de Portugezen uit de Chinese stad Macao te verjagen en in het jaar 1605 was het de beurt aan Wybrand van Warwijck (1566 of 1570-1615), maar beide heren slaagden er niet in om hun missie te volbrengen. In april van het jaar 1622 besloot de Nederlandse Gouverneur-Generaal, Jan Pieterszoon Coen (1587-1629), om een nieuwe poging te doen om de Portugezen uit Macao te verjagen, maar toen ook deze aanval weer moeiteloos door de Portugezen werd afgeslagen, besloot de VOC het op een andere manier aan te gaan pakken.

De Pescadores-archipel

In de hoop de handel met de Chinezen af te kunnen dwingen besloot de VOC in het jaar 1622 om een fort te bouwen aan de Baai van Makung op het eiland Penghu in de Chinese Pescadores. Ondanks dat de VOC de Chinezen geen toestemming had gevraagd, besloten zij de VOC voorzichtig te benaderen, mede omdat ze toch wel onder de indruk waren van de zelfverzekerdheid van de Nederlandse Compagnie. De Chinezen deden de VOC het voorstel om haar fort op Penghu te ontruimen en in plaats daarvan een nieuwe handelspost te openen op het eiland Formosa en de VOC stemde in het jaar 1623 met het voorstel in. De VOC organiseerde vervolgens in allerijl een expeditie naar Formosa en stelde de Zwitserse VOC-kapitein, Élie Ropin (geboorte- en overlijdensdatum onbekend), aan als leider van het geheel. Na een betrekkelijk korte reis arriveerden kapitein Ropin en zijn mannen in de stad Tayouan (Taoyuan) en besloten hier het eerste Nederlandse Fort van Formosa te vestigen.

De 'ontdekking' van Formosa

Kapitein Ropin en zijn mannen hadden voor de bouw van het fort een enorme hoeveelheid hout nodig en omdat dit niet in Tayouan te verkrijgen was, ging Ropin op onderzoek uit in de omliggende dorpen. De inwoners van het dorp Baccluan (vermoedelijk vandaag de dag Anding genoemd) waren bereid hout te ruilen tegen Indiaas textiel en in de zes dagen die volgden waren Ropin en zijn mannen dagelijks hout aan het kappen in Baccluan. Alle dagen waren inwoners uit het naastgelegen dorp Mattau (vandaag de dag Madou genoemd) naar de VOC-dienaren komen kijken, maar voor zover Ropin kon inschatten hadden zij geen kwaad in de zin. Op de zevende dag bleek echter dat Ropin ongelijk had want de Mattauers vielen de VOC-dienaren met pijlen, bogen en speren aan. Ropin gaf direct opdracht om zich terug te trekken, maar drie van zijn mannen konden de sloep waarmee ze gekomen waren niet meer op tijd bereiken en werden op brute wijze door de Mattauers vermoord.

Gedwongen verhuizing

Toen de VOC bij het bereiken van het jaar 1624 nog geen aanstalten maakte om haar handelspost op Penghu te ontruimen, besloten de Chinezen om de zaak te bespoedigen. De Chinese gouverneur van Formosa kreeg de opdracht om de VOC - desnoods met geweld - duidelijk te maken dat het tijd werd om te vertrekken en op 25 augustus 1624 gaf de VOC toe. In recordtempo werd de handelspost in Penghu leeggehaald en afgebroken en enkele weken later arriveerden de VOC-dienaren in de stad Tayouan. Ze voltooiden de bouw van het fort waar kapitein Ripon en zijn mannen een jaar eerder mee waren begonnen en doopten het fort vervolgens tot Fort Zeelandia. Met name de inwoners van Mattau waren fel tegen de komst van de VOC en ze wisten de inwoners van Baccluan mee te slepen in hun strijd. Enkele maanden na de aanval op Ripon en zijn mannen werd Fort Zeelandia door de dorpelingen van Baccluan en Mattau onverwachts aangevallen en de VOC werd gedwongen om zich te verdedigen. Helaas waren de inlanders geen partij voor de twee kanonnen van de VOC en er vielen aan hun zijde dan ook vele doden te betreuren. Het hardhandige optreden van de VOC had veel kwaad bloed gezet bij de inwoners van de omliggende dorpen en met name de Mattauers werden gezworen vijanden van de VOC.

Ongevraagde bemoeienis

In de twee jaar die volgden had de VOC het regelmatig met de bewoners van verschillende dorpen aan de stok, maar in het jaar 1626 was er eindelijk een dorp dat de VOC vriendelijk gezind was. De inwoners van Sinkan (vandaag de dag Hsinshih genoemd) besloten de VOC (ongevraagd) te helpen door de dorpen Mattau en Baccluan aan te vallen. Als ruil voor hun hulp verwachtten de bewoners van Sinkan dat de VOC haar zou beschermen, maar deze besloot eerst een poging te doen om tussen de drie dorpen te bemiddelen. Helaas bleek geen van de drie partijen bereid om water bij de wijn te doen en de VOC werd hierdoor, in de jaren die volgden, meerdere keren gedwongen om militair op te treden en/of tussen beide te komen. Tussen de jaren 1626 en 1629 gebeurde er weinig noemenswaardig op regelmatige aanvallen van de dorpelingen na en de VOC concentreerde zich in deze jaren dan ook vooral op de handel met de Chinese regio Fujian, die sinds het jaar 1625 op gang was gekomen.

Dorpelingen VS de VOC

In de zomer van het jaar 1629 werd de Nederlandse gouverneur op Formosa, Pieter Nuyts Senior (1598-1655), opgeschrikt door een beestachtige moord op 63 van zijn soldaten. De inwoners van Mattau hadden besloten weer eens van zich te laten horen en hadden het gerucht verspreid dat er Chinese piraten actief waren voor de kust van hun dorp. Gouverneur Nuyts durfde het risico niet te lopen om eventueel door de piraten te worden aangevallen en stuurde 63 soldaten naar Mattau om poolshoogte te nemen. Toen de soldaten na een dag zoeken tot de conclusie kwamen dat er geen piraten waren besloten ze de uitnodiging van de inwoners, om de avondmaaltijd met hen te gebruiken, aan te nemen. Toen de (stomdronken) soldaten na de overvloedige maaltijd terug naar Fort Zeelandia wilden vroegen ze hun gastheren om hen over de rivier te dragen. De Mattauers stemden toe, mits de soldaten hun wapens afdeden in verband met het te dragen gewicht. In het midden van de rivier werden de soldaten vervolgens op gruwelijke wijze afgeslacht en gouverneur Nuyts besefte dat hij met open ogen in de val van de Mattauers was getrapt.

Putmans slaat terug

Het verlies van de 63 soldaten werd gouverneur Nuyts zwaar aangerekend en hij werd direct vervangen door gouverneur Hans Putmans (geboorte- en overlijdensdatum onbekend). Putmans wilde direct een nieuwe frisse wind op Formosa laten waaien, maar de dorpelingen lieten al snel weten hoe ze over de nieuwe Nederlandse gouverneur dachten. De inwoners van Mattau hadden dit keer de inwoners van het dorp Soulang mee weten te krijgen en gezamenlijk vielen ze het kleine Nederlandse gehucht Provintia, gelegen aan de voet van Fort Zeelandia, aan. In het jaar 1629 was gouverneur Putmans' geduld met de opstandige dorpelingen op en omdat Mattau te sterk werd geacht, besloot Putmans haar bondgenoot Baccluan aan te vallen. In één dag tijd wist de VOC het dorp volledig met de grond gelijk te maken en vele inwoners werden vermoord. Baccluans dorpsraad stond met haar rug tegen de muur en besloot vrede te sluiten. Ook in Mattau begon men zich achter de oren te krabben en zij besloten om een onderhandelaar naar Fort Zeelandia te sturen. In maart van het jaar 1630 werden Mattau en de VOC het met elkaar eens en er brak een periode van betrekkelijke rust aan.

Sinkan op oorlogspad

Rond het jaar 1634 werd de rust verstoord toen de dorpen Soulang en Sinkan het weer aan de stok kregen met Mattau, maar Mattau durfde op haar beurt niet al te hevig van zich af te bijten omdat ze bang was dat de VOC haar bondgenoot, Sinkan, te hulp zou schieten. Toen de geruchten over een op handen zijnde aanval van de VOC steeds sterker werden sloeg een groot deel van de Mattauers op de vlucht en de dorpsraad besloot per direct een einde aan de strijd te maken. Soulang en Sinkan sloten vrede met Mattau en in Soulang en Mattau keerde de rust weer terug. Sinkan vroeg de VOC echter om hulp bij het aanvallen van het dorp Taccariang, aangezien de Sinkaners nog een oude vete met hen hadden uit te vechten. Gezien de hulp die Sinkan in het verleden aan de VOC had gegeven, kon de VOC hun verzoek niet weigeren en op 5 november 1634 kwam het tot een treffen tussen de drie partijen. De inwoners van Taccariang waren geen partij voor de VOC en haar geweren en de strijd werd dan ook al snel beslist in het voordeel van de VOC en Sinkaners.

Rust op Formosa

Gouverneur Putmans had meerdere keren een verzoek naar Batavia gestuurd om hulptroepen naar Formosa te sturen zodat hij korte metten kon maken met de opstandige dorpelingen, maar pas in november van het jaar 1635 werd er aan Putmans' verzoek gehoor gegeven. Samen met de hulptroepen en de inwoners van Sinkan richtte Putmans een enorm leger op en viel het dorp Mattau aan. In één dag tijd moordde de VOC vrijwel de gehele mannelijke bevolking van Mattau uit om het dorp vervolgens in brand te steken. Na Mattau wilde de VOC koers zetten naar Soulang om de moordenaars aldaar aan te pakken, maar werd in december van dat jaar gedwongen om eerst in te grijpen in Taccariang, omdat de inwoners daar ook weer in opstand waren gekomen. Toen de situatie in Taccariang weer onder controle was reisde het VOC/Sinkan-leger verder naar Soulang en nam daar diverse mannen gevangen en stak hun huizen in brand. Bij het naderen van het jaar 1636 begonnen Mattau en de andere omliggende dorpen te beseffen dat ze de strijd tegen de VOC niet konden winnen en de dorpen besloten, één voor één, om vrede te sluiten met de VOC.

Chinese landarbeiders en - pachters

Vanaf het jaar 1636 werd het betrekkelijk rustig op Formosa en gouverneur Putmans kreeg eindelijk de tijd om zich bezig te houden met het opbouwen en uitbreiden van de Nederlandse kolonie op het eiland. Om dit voor elkaar te krijgen verpachtte Putmans grote stukken land aan Chinese landarbeiders en zij richtten zich vervolgens op de visserij, jacht en landbouw. De Chinese (land)arbeiders introduceerden een tweetal nieuwe gewassen op Formosa, namelijk suiker en rijst, en wisten van de gebieden rondom Fort Zeelandia al snel een levendige omgeving te maken. Helaas was het Chinezen niet toegestaan om langer dan drie jaar uit China weg te blijven en als de periode van drie jaar erop zat, keerde de arbeider - met zijn verdiende kapitaal - terug naar huis en de VOC liep hierdoor veel inkomsten mis. Gouverneur Putmans besloot hierop een tweetal belastingen in te voeren, namelijk hoofdgeld op de opbrengsten van de jacht en visserij en de betaling van een zogenaamde tiende over alle landbouwgewassen, behalve suiker. Deze belastingen vormden al snel 40% van de totale winst van de VOC op Formosa. De andere 60% werd verdiend door handel te drijven met de Chinezen.

Verovering van de westkust

In de jaren 1641 en 1642 wist de VOC een groot deel van de westkust van Formosa in handen te krijgen en ze opende in het jaar 1642 een nieuwe handelspost in de westelijke stad Tamsuy (vandaag de dag Tamsui genoemd). Vanuit het westen trok de VOC verder in noordelijke richting en deed nog hetzelfde jaar een poging om Fort Kelang, gelegen in de gelijknamige stad Kelang (vandaag de dag Keelung genoemd), op de Spanjaarden te veroveren. De circa 350 Spaanse soldaten waren geen partij voor de elf schepen en circa 1.000 soldaten die de VOC op de been wist te brengen en in september 1642 droegen de Spanjaarden Fort Kelang over aan de VOC. Bij het bereiken van het midden van de zeventiende eeuw was Formosa (eindelijk) uitgegroeid tot een bloeiende en welvarende Nederlandse kolonie en de VOC wilde hier maximaal van profiteren. In het jaar 1651 verdubbelde de toenmalige gouverneur van Formosa, Nicolaes Verburch (geboorte- en overlijdensdatum onbekend), de belastingen, maar deze verhoging was tegen het zere been van de vele Chinese (land)arbeiders.

Onrust in China

Terwijl de VOC op Formosa hard werkte om haar kolonie tot bloei te brengen, had men in China geheel andere problemen. De Ming-dynastie, die lange tijd aan het hoofd van China had gestaan, werd langzaam maar zeker verdreven door de Mantsjoe (later Qing-dynastie genoemd), wat de nodige onrust in het land met zich mee bracht. Naast onrust kwam ook de handel tussen China en de omliggende landen zo goed als stil te liggen en de handel van de VOC op Formosa had hier dan ook flink onder te leiden. Naast de leden van de Ming- en Qing-dynastie was ook de Chinese piraat Zheng Chenggong (1624 - 1662) een belangrijk persoon in China aangezien hij vrijwel de hele Chinese kuststrook in handen had en daarnaast een aanhanger was van de (verdreven) Ming-dynastie. Zheng Chenggong had van de laatste Ming-keizer de eervolle titel 'GuoXingye' ('hij die de keizerlijke achternaam mag dragen') ontvangen voor zijn inzet tegen de Qing en omdat dit woord door Chinezen werd uitgesproken als 'Koh-Sjieng-Aa' noemde de VOC de piraat Koxinga.

De Boerenopstand

Op 8 september 1652 brak er op Formosa een Boerenopstand uit toen de Chinese landarbeiders geen reactie kregen op hun klachten met betrekking tot de belastingverhoging. De Chinezen vielen het kleine Nederlandse gehucht Provintia - gelegen aan de voet van Fort Zeelandia - aan en staken de gewassen in brand. Diverse pakhuizen met daarin suiker en rijst gingen in vlammen op en nadat de brand was gedoofd stonden er enkel nog een aantal stenen huizen overeind. Op 12 september besloot de VOC in te grijpen en ze sloeg de opstand op hardhandige wijze neer. Aan Chinese zijde vielen daarbij rond de 4.000 doden te betreuren, aan Nederlandse zijde waren alleen enkele soldaten (licht) gewond geraakt. Toen de rust was teruggekeerd startte de VOC met de bouw van Fort Provintia, gelegen in het (onbekende) dorp Saccam zodat ze in de toekomst beter in staat zou zijn de Chinezen in de gaten te houden.

Koxinga's handelsverbod

In het jaar 1655 werd de VOC voor het eerst met Koxinga geconfronteerd toen hij besloot een handelsverbod in te stellen tussen de Chinese regio Fujian en het eiland Formosa. De handel van de VOC kwam hierdoor volledig stil te liggen en toenmalig gouverneur, Frederick Coyett (1615 of 1620-1687) besloot met Koxinga in onderhandeling te treden. Het duurde ruim twee jaar voor gouverneur Coyett en Koxinga het eens werden maar in het jaar 1657 werd het handelsverbod tussen Fujian en Formosa weer opgeheven. Ondanks het feit dat de handel al snel weer opbloeide waren de winsten lang niet zo hoog als voor het uitbreken van de Chinese oorlog. De reden hiervoor was gelegen in het feit dat Formosa haar centrale rol in de Chinese zijdehandel was kwijtgeraakt omdat deze al (te) lang stil lag. Net als de overige landen kocht ook de VOC haar zijde in deze periode in, in Tonkin (vandaag de dag Hanoi genoemd) in Vietnam of op de Bengalen en steeds minder handelaren vereerden Formosa met een bezoek tijdens hun reis.

Angst voor Koxinga

In de jaren 1658 en 1659 werd Formosa overspoeld met vluchtende Chinezen want de Qing-dynastie had inmiddels de oorlog verklaard aan Koxinga. Aangezien vele Chinezen hun leven in Fujian niet langer meer zeker waren besloten ze een veilig heenkomen te zoeken op Formosa omdat de Chinezen daar niet langer aan de macht waren. In korte tijd groeide het aantal Chinezen dat in de omgeving van Fort Zeelandia woonde aan tot een aantal van circa 25.000 en de VOC begon zich steeds meer door hen bedreigd te voelen. Bij het bereiken van het jaar 1660 nam de spanning op Formosa in hoog tempo toe, want onder de Chinezen werd gefluisterd dat Koxinga de oversteek naar Formosa zou gaan maken om zich het eiland toe te eigenen. Ook gouverneur Coyett besloot voorbereidingen te treffen en legde - onder andere - een grote voorraad voedsel aan, verbood alle scheepvaart van en naar China en stuurde in maart van dat jaar een schip naar Batavia met een verzoek om hulp gezien de dreiging van een mogelijke aanval.

In opperste staat van paraatheid

In Batavia twijfelde men geen moment toen ze het bericht van gouverneur Coyett ontvingen en enkele dagen later zeilden twaalf schepen, met aan boord 900 matrozen en 600 soldaten, richting Formosa. Na aankomst in mei van het jaar 1660 was er echter geen spoor van Koxinga en zijn troepen te zien en de VOC kon niets anders doen dan afwachten. Toen er in februari van het jaar 1661 echter nog steeds geen spoor van Koxinga was te zien besloten de hulptroepen terug te keren naar Batavia, waar men gouverneur Coyett zijn inschattingsfout flink kwalijk nam. De Hoge Regering van Batavia besloot gouverneur Coyett te vervangen door Herman Klenke (geboorte- en overlijdensdatum onbekend) en op 21 juni 1661 verliet gouverneur Klenke de haven van Batavia en zette koers naar Formosa. Tot ieder grote schrik arriveerde er op 23 juni 1661 het jacht Maria in de haven van Batavia met slecht nieuws. Op 30 april was Koxinga met een vloot bestaande uit ruim 400 jonken (Chinese zeilschepen) voor de westkust van Formosa verschenen.

Chaos

Op Formosa heerste er op dat moment chaos. Koxinga had namelijk - buiten het schootsveld van Fort Zeelandia - een troepenmacht bestaande uit 25.000 soldaten aan land gezet die te voet richting de stad Tayouan trokken. De overige jonken waren doorgevaren naar de haven van Tayouan en namen vanaf zee Fort Zeelandia onder vuur. Op het moment van de aanval waren er op de rede van Fort Zeelandia een drietal Nederlandse schepen gelegen en deze werden gesommeerd om direct in actie te komen. Het eerste schip, de Hector, vloog in brand toen deze door een kanonskogel werd getroffen in haar kruitkamer en de andere twee schepen, het jacht Maria en het jacht 's-Gravenlande, besloten hierop naar open zee te varen. De Maria zeilde dwars door de vijandelijke linies van de Koxinga heen om het nieuws te gaan vertellen in Batavia. Terwijl de Maria onderweg was naar Batavia leed de VOC flinke verliezen en stond Fort Provintia op 4 mei 1661 af aan Koxinga op voorwaarde dat de VOC-dienaren een vrije aftocht kregen.

Het gevecht om Formosa

Op 30 juli 1661 kreeg de nieuwe gouverneur van Formosa, Herman Klenke, de schrik van zijn leven toen hij Fort Zeelandia naderde en zag dat het volledig was omsingeld door de Chinese troepen van Koxinga. Uit angst om gevangen te worden genomen besloot gouverneur Klenke op afstand te blijven en stuurde via een bode een brief aan gouverneur Coyett, in het omsingelde Fort Zeelandia, om hem te laten weten dat hij was ontslagen. Toen er berichten over een naderende storm binnen kwamen had gouverneur Klenke een goed excuus om niet langer op het antwoord van gouverneur Coyett te wachten en maakte meteen rechtsomkeert naar de veilige haven van Batavia. Ondertussen was er vanuit Batavia een vloot onderweg, bestaande uit elf schepen, die onder leiding stonden van de (onervaren) kapitein Jacob Crauw (geboorte- en overlijdensdatum onbekend) en deze wisten de westkust van Formosa op 12 augustus van het jaar 1661 te bereiken.

Tegenslag

Voordat Cauw en zijn mannen de aanval op Koxinga en zijn troepen konden openen werden ze opgeschrikt door de voortekenen van een naderende cycloon. En nadat één van de Nederlandse schepen het strand was opgeblazen gaf Cauw de overige tien schepen de opdracht om een veilig heenkomen te zoeken op open zee. Pas op 8 september was het weer gunstig genoeg om weer terug te varen naar de kust van Formosa, maar dit keer waren Koxinga en zijn troepen voorbereid op de komst van de Nederlandse vloot. Kapitein Cauw besloot twee schepen met weinig diepgang - de Koudekerke en de Kortenhoef - vooruit te sturen om poolshoogte te te nemen, maar moest de aanval af breken toen de Kortenhoef op 16 september vast liep aan de grond en volledig aan flarden werd geschoten. De (niet zo dappere) Cauw besloot hierna dat Koxinga te sterk was voor de VOC alleen en besloot hulp te gaan zoeken bij de Qing-dynastie in China. Samen met enkele andere schepen zette hij koers naar Peking, maar gebruikte zijn lekkende schip en het slechte weer als excuus om terug te keren naar de veilige haven van Batavia. Twee andere schepen wisten China wel te bereiken, maar keerden na zes dagen lang - tevergeefs - gewacht te hebben op kapitein Cauw maar weer terug naar Formosa.

Overgave

Toen de VOC-dienaren in Fort Zeelandia Cauw en zijn mannen zagen vertrekken, daalde het moraal in hoog tempo. Enkele dienaren besloten het vege lijf te redden door over te lopen naar de troepen van Koxinga en wezen hen vervolgens op het strategische belang van de redoute Utrecht. In januari 1662 viel Koxinga redoute Utrecht aan en omdat de VOC-soldaten geen partij waren voor de troepen van Koxinga bliezen zij de redoute eigenhandig op. Gouverneur Coyett besefte dat hij nu geen kant meer op kon en besloot op 27 januari 1662 met Koxinga te gaan onderhandelen, waarna beide heren het begin februari eens werden. Gouverneur Coyett en zijn mannen kregen het recht op een vrije aftocht en mochten hun schepen en de boekhouding van Fort Zeelandia meenemen. Alle munitie, handelsgoederen en geld moesten in het fort worden achtergelaten en werden eigendom van Koxinga. Op 15 februari verlieten de laatste Nederlandse schepen de haven van Tayouan waarmee het Nederlandse avontuur op Formosa er definitief op zat. Naast het veroorzaken van een hoop onrust in het begin, had de VOC in de loop der jaren ook diverse verbeteringen op Formosa doorgevoerd. Zo werden er, in samenwerking met de Chinese landarbeiders, nieuwe gewassen als rijst en suiker geïntroduceerd, nieuwe wegen aangelegd en nieuwe steden gevormd en vele waterwerken zoals polders en bruggen gebouwd.
© 2018 Marjolijnr, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Studeren in TaiwanTaiwan is een prachtig land dat in Azië ligt. Er studeren niet veel Nederlanders in Taiwan, veel Nederlanders weten name…
Geschiedenis van de Chinese YuanGeschiedenis van de Chinese YuanDe Chinese Yuan is de munteenheid van China. Zij wordt ook wel de renminbi genoemd. Zij is het wettig betaalmiddel in he…
Goedkoop vliegen naar China met China AirlinesGoedkoop vliegen naar China met China AirlinesBen je nog op zoek naar een vliegticket en zoek je wat informatie over bestemmingen en achtergrond van een maatschappij…
Het communisme van Mao: de Volksrepubliek ChinaChina is nu een communistisch land. Maar dat is niet altijd zo geweest. Mao maakte van China een heel ander land, dan da…
Goedkoop vliegen naar Azië met EVA AirGoedkoop vliegen naar Azië met EVA AirGoedkoop vliegen naar Azië doe je met EVA Air. Deze maatschappij biedt uitstekend waar voor je geld. De prijzen van de t…
Bronnen en referenties
  • Inleidingsfoto: Himasaram, Wikimedia Commons (Publiek domein)
  • https://www.vocsite.nl/geschiedenis/handelsposten/formosa.html
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Nederlands-Formosa
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Taiwan
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Pescadores
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Jacob_Cornelisz_van_Neck
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Wybrand_van_Warwijck
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Pieterszoon_Coen
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Xiamen
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Pieter_Nuyts_(senior)
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Hans_Putmans
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Joan_Maetsuycker
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Frederick_Coyett
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Fort_Zeelandia_(Formosa)

Reageer op het artikel "Handelsposten van VOC op Formosa (Taiwan)"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Marjolijnr
Gepubliceerd: 29-01-2018
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Geschiedenis
Bronnen en referenties: 14
Schrijf mee!