InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Geschiedenis > De Reformatie in de Nederlanden

De Reformatie in de Nederlanden

De Reformatie in de Nederlanden De reformatie mag gerust de belangrijkste historische ontwikkeling in de Nederlanden van de 16de eeuw worden genoemd. Het heeft geleid tot de Nederlandse opstand en de uiteindelijke scheuring van de Nederlanden in 1830. Vaak wordt de reformatie gezien als een louter Hollandse aangelegenheid, aangezien het protestantisme zich daar uiteindelijk heeft gevestigd. Met onderstaand overzicht wil ik een aanvulling aanbrengen in dit overheersende beeld.

De Reformatie in de Nederlanden

De reformatie in het Duitse Rijk

Het begin van de reformatie in Europa wordt meestal gemarkeerd met het jaartal 1517, het jaar waarin de augustijner monnik Martin Luther (º1483-†1546) zijn kritiek op de Rooms-Katholieke Kerk verwoordde in 95 stellingen, die hij aan de deur van de slotkerk in Wittenberg vastspijkerde. Wat volgde was een hevige discussie binnen de Kerk, die eindigde in een excommunicatie van Luther in 1520, als afschrikwekkend voorbeeld voor andere critici.

De excommunicatie van Luther betekende echter niet het einde van de kritiek op de Kerk, maar juist het begin van een nieuw kerkgenootschap in het Duitse Rijk op grond van Luthers geschrift ‘De libertate Christiana’ (Over de vrijheid van de Christen). Hierin pleitte hij voor een meer persoonlijke geloofsbeleving en om deze opvatting te verspreiden onder brede lagen van de bevolking vertaalde hij in de jaren 1521/1522 de bijbel in de volkstaal, het Duits.

De Lutherse bijbelvertaling had onvoorziene neveneffecten voor de taalkundige eenheid van de Noord-Duitse laagvlakte, die zich uitstrekte van het Oost-Pruisische Koningsbergen tot het Zuid-Vlaamse Duinkerke. De Hoogduitse bijbelvertaling verdrong namelijk de Laagduitse streekdialecten ten gunste van het ‘beschaafde’ Hoogduits. Hierdoor zal de Nederlandse taal zich voortaan afzonderlijk gaan ontwikkelen, omdat het lutheranisme hier geen invloed had.

De oproep van Luther om het geloof zelf te vinden in de bron, namelijk de bijbel, had echter tot gevolg dat er nog meer afsplitsingen kwamen, niet alleen van de Rooms-Katholieke Kerk, maar ook van zijn eigen ‘lutherse Kerk’. Terwijl in het Duitse Rijk het ‘protestantisme’ zich snel wist te verbreiden, werd het in de Nederlanden streng vervolgd. In 1523 werden te Antwerpen twee monniken zonder pardon verbrand vanwege de verspreiding van de ‘Lutherse leer’.

De wederdopers

De wederdoperse stadstaat

Ondanks het strenge vervolgingsklimaat ontwikkelden er zich toch kiemen van protestantisme onder bevolking. De eerste stroming, die vaste grond kreeg in de Nederlanden waren de zgn. ‘wederdopers’. Een Haarlemse bakker, genaamd Jan Matthijs (º1500-†1534), was de eerste predikant, die erin slaagde vanaf 1531 een paar kleine gemeenten te stichten in het graafschap Holland. Deze gemeenten hadden door de harde repressie een nogal clandestien bestaan.

In 1533 waren de Duitse wederdopers er echter in geslaagd de West-Faalse stad Munster in handen te krijgen, waardoor er een centrum ontstond van doperse macht. Jan Matthijs liet daarop een van zijn trouwste volgelingen, de Leidenaar Jan Beukelsz (º1509-†1536), naar Munster afreizen om poolshoogte te nemen. De rapporten van Beukelsz bewogen Matthijs ertoe in 1534 zelf ook naar het voor wederdopers veilige Munster te trekken. Eenmaal in Munster aanbeland nam Jan Matthijs al snel de leiding van de stad en veranderde het in een ware theocratie. Matthijs was een begenadigd spreker en kreeg de bevolking in zijn ban.

Die ban werd gebroken, toen hij tijdens Pasen 1534 de stad uitreed om de belegering van de stad door de verdreven bisschop eigenhandig te verbreken in de waan dat hij over profetische gaven beschikte. Hij werd echter op smadelijke wijze gedood. Na de dood van Matthijs nam Beukelsz het roer in handen en verstrakte het regime over de stad. Hij nam de verdediging van de stad professioneel ter hand, maar hij dreef de godsdienstwaan ten top en liet zich zelfs tot koning kronen. Toen Munster in 1535 door verraad viel, werden hij en zijn handlangers gruwelijk gestrafd door marteling tot de dood erop volgde. De levenloze lichamen werden in kooien aan de Sint Lambertuskerk opgehangen.

De doperse activiteit in de Nederlanden

Munster was in de jaren 1533/1534 niet alleen een toevluchtsoord van wederdopers uit alle windstreken, maar tevens het hoofdkwartier van vele acties van wederdopers om elders besturen over te nemen in navolging van de staatsgreep in Munster. In 1534 trachtten de wederdopers in Amsterdam bijvoorbeeld het gemeentebestuur over te nemen door het stadhuis bij verrassing te bezetten. Zij konden het echter slechts één dag bezet houden.

De wederdopers waren echter het sterkst in het Noorden van de Nederlanden, met name in Friesland, Groningen en het naburige Oost-Friesland. Reeds in 1530 werd er in de gerechtsboeken melding gemaakt van doperse activiteit in Friesland. In 1535 kwam Jan van Geel, afkomstig uit Deventer, vanuit Munster naar Friesland om het doperse verzet aan te voeren tegen de keiharde vervolging van de stadhouder Schenck van Toutenburg.

Tijdens Pasen 1535 werd er getracht enkele kloosters in Friesland en Groningen te bezetten. De kloosters waren niet alleen bases van de Rooms-Katholieke Kerk, maar de stenen gebouwen vormden ook ware vestingen. In Friesland gelukte het Jan van Geel om met een paar honderd volgelingen het klooster ‘Bloemkamp’ nabij Bolsward te bezetten. In Groningen mislukte een gelijktijdig geplande actie echter jammerlijk.

De bezetting van ‘Bloemkamp’ bracht heel Friesland in rep en roer, maar de stadhouder reageerde zeer snel en adequaat. Het klooster was weldra omsingeld door een contingent soldaten met kanonnen om uitbreiding van de oproer te voorkomen. Er werd zelfs een algehele mobilisatie in Friesland afgekondigd om het klooster te belegeren. Na het klooster in puin te hebben geschoten, werd het bestormd en alle wederdopers werden ter dood gebracht.

De Mennonieten en de Amish

De doperse beweging leidde een kwijnend bestaan na de val van Munster. De Bruggeling David Joris (º1501-†1556) zorgde onder zijn charismatisch leiderschap voor een tweede kleine opleving, maar hij zwoer daarbij het geweld resoluut af. Daarmee bewerkstelligde hij een historische breuk met het militante doperdom, dat in de begintijd de overhand had. Hij leefde van 1539 tot 1544 in Antwerpen, maar na die tijd toog hij definitief naar Basel.

In het kielzog van de Vlaamse Joris volgde de vreedzame Friese doper Menno Simonsz (º1496-†1561), die vooral in Friesland gemeenten had gesticht. Simonsz had het doperse geloof niet alleen tot een uiterst vreedzaam geloof gemaakt, maar zelfs ook een uitgesproken pacifistisch geloof. Zijn geloofsopvattingen raakten wijdverbreid in doperse kringen en zijn volgelingen noemen zich tot op de dag van vandaag ‘mennonieten’.

De invloed van Menno Simonsz was niet beperkt tot de Nederlanden, maar ook erg ver daarbuiten reikte zijn invloed. Hij reisde dan ook stad en land af om te preken in de kleine doperse gemeenschappen, die over de Noord-Duitse laagvlakte verspreid lagen van Groningen tot in Oost-Pruisen. Buiten de Nederlanden slaagde hij er vooral in om in het Rijnland, de Pfalz en de Elzas zijn stempel te drukken op de doperse gemeenten.

Onder leiding van Jacob Amman scheurde in 1693 in de Elzas een groep Mennonieten zich af, omdat ze de Dordtse Mennonietische belijdenis uit 1632 onderschreven. Eenmaal in Nederland kregen ze vanuit Noord-Amerika van de Engelse kolonist William Penn begin 18de eeuw de uitnodiging zich als landbouwers te vestigen in de door hem gestichte kolonie Pennsylvania. Hun huidige nakomelingen noemen zich thans ‘Amish’ naar Jacob Amman, die hen naar Amerika leidde.

De Mennonieten togen met enkele duizenden naar Amerika, maar heden ten dage vormen zij in Pennsylvania alleen al een gemeenschap met meer dan 150.000 zielen. Ze zijn aarts-conservatief en houden vast aan de technologie en de leefwijze van rond 1700. Ook blijven ze het aan het Nederlands verwante Nederduitse ‘Plautdietsch’ trouw, ook wel ‘Pennsylvania Dutch’ genoemd. Het is hun moedertaal en de taal waarin hun bijbel is opgetekend.

De gereformeerden

De tweede protestantse golf

In de tweede helft van de 16de eeuw laat een derde belangrijke protestantse stroming van zich horen, namelijk het Calvinisme, dat zich echter vanuit het zuiden over de Nederlanden verspreidde. Dat is niet verwonderlijk, als
De radicale reformator Johannes Calvijn uit het Noord-Franse Noyon, dat aan de zuidelijke grens van de Nederlanden lag. Hij heeft de grondslagen van een sterk predeterministisch protestantisme gelegd; het Calvinisme.

Calvijn bekende zich vanaf rond 1533/1534 tot de reformatie. In 1536 kwam hij tijdens zijn reis naar het voor protestanten veilige Straatsburg terecht in het Zwitserse Genève, alwaar de reformatie in datzelfde jaar was doorgevoerd. Hij werd dadelijk opgeslokt in het werk om de reformatie plaatselijk gestalte te geven met plaatselijke reformatoren. Er ontwikkelde zich onder de protestanten een jarenlange richtingenstrijd, die Calvijn uiteindelijk in 1555 won.

Calvijn stelde in zijn Geneefse jaren een groot aantal geschriften, waarin hij zijn ideeën over de ideale protestantse maatschappij uiteenzette. Hierbij streefde hij naar een integrale wetgeving, die zowel het religieuze leven als het sociale leven omvatte. Hij vestigde echter vooral veel waarde aan een strenge geloofbelijdenis, gebaseerd op de reformatorische opvattingen, die door de gehele burgerij van de stad zou moeten worden beleden.

De eerste Calvinistische predikant in de Nederlanden was Guido de Brès (º1522-†1567), die uit de Henegouwse hoofdstad Bergen (Mons) kwam. Hij wordt ook wel ‘de hervormer der Nederlanden’ genoemd. Na in de leer te zijn geweest bij Calvijn, begon hij in de Zuidelijke Nederlanden te prediken en werd hij in 1559 predikant in de protestantse gemeente in Doornik. Hij had zoveel gezag, dat hij zelfs door Willem van Oranje werd geraadpleegd.

In 1561 schreef De Brès zijn "Confession de foy" (Geloofsbelijdenis), die in 1562 alras in het Nederlands werd vertaald tot "De Nederlandse geloofsbelijdenis", dat een grote invloed had op de gereformeerde gemeenten in de Nederlanden. In 1561 gooide hij dit werk over de muur van het kasteel te Doornik als symbolisch aanbod aan Filips II. Het mocht niet baten, want hij werd in 1567 te Valencijn met andere protestanten wegens ketterij ter dood gebracht.

De vlam in de pan

De executie van De Brès vond plaats in de golf van repressie over de Nederlanden na de beeldenstorm in 1566. In dat jaar vernielden radicale protestanten in het Zuid-Vlaamse Steenvoorde de beelden en de schilderijen van de Rooms-Katholieke kerken. Deze protestantse geloofsijver bracht een kettingreactie van soortgelijke acties teweeg en vond navolging door de hele Nederlanden, van Vlaanderen tot diep in Groningen.

De daaropvolgende repressiegolf tegen protestanten dreef de radicale protestanten in ballingschap in Engeland en Oost-Friesland, alwaar zij zich verenigden in rebelse genootschappen, die zich Geuzen noemden. Het woord Geus (afgeleid van Gueux: bedelaar) werd in 1566 smalend gebruikt om het Eedverbond der Edelen aan te duiden, die de landvoogdes een smeekschrift aanboden ter verzachting van de repressie van protestanten.

Op 1 april 1572 slaagden de Geuzen ter zee, ook wel Watergeuzen genoemd, erin om tijdens een fouragetocht het vestingstadje Den Briel aan de monding van de Maas te bezetten. Dit bracht een kettingreactie teweeg onder de Hollandse en Zeeuwse steden, die zich vrijmaakten van het centrale gezag in Brussel en trouw zwoeren aan hun stadhouder, Prins Willem van Oranje (º1533-†1584). Het protestantisme kreeg hierdoor vaste voet in de Nederlanden.

De val van Den Briel luidde een ommekeer in van de strijd tegen de centralisatiepolitiek van de Spaanse vorst Filips II en de vervolging van de protestanten. De XVII Provinciën maakten zich grotendeels vrij van het feitelijke gezag van Filips II, maar dat schiep ook een machtsvacuüm. De Staten-Generaal kwamen daarom in 1576 te Gent bijeen om orde op zaken te stellen in het door wanorde en wetteloosheid geteisterde land, wat resulteerde in de ‘Pacificatie van Gent’.

De Pacificatie van Gent bracht echter niet de gewenste orde en rust, en al helemaal niet de godsdiensttolerantie, die Willem van Oranje zo vurig bepleitte. De protestanten zagen hun kans schoon om het protestantisme door te drijven en de Rooms-Katholieken te vervolgen. Zo ontstond er in Gent in de periode van 1578 tot 1584 een calvinistische stadsrepubliek met een heuse universiteit, geheel naar het voorbeeld van Calvijn in Genève.

Terugplooiing op Holland

Na de moord op Willem van Oranje in 1584 leek de opstand stuurloos ten onder te gaan aan de militaire capaciteiten van de Spaanse generaal Alexander Farnese hertog van Parma. Vooral de val van de grootste havenstad Antwerpen in 1585 was een grote klap. De burgemeester van Antwerpen was destijds de Brusselaar Filips Marnix van Sint Aldegonde, vertrouweling van Willem van Oranje en vrij waarschijnlijk de dichter van het Wilhelmus.

De hertog van Parma veroverde vrijwel alle gewesten van de Nederlanden met uitzondering van Holland, Zeeland en Friesland. Met het aantreden van Prins Maurits als stadhouder van de opstandige gewesten in 1588 leek het tij echter te keren. Toen werd de Spaanse Armada door de Engelsen met behulp van de Hollanders in het Kanaal verslagen en tien jaar later was de verovering van de oostelijke gewesten van de Nederlanden door Maurits afgerond.

Er tekende zich vanaf 1600 een tweedeling af in de Nederlanden. Ten noorden van de grote rivieren was het overwegend protestantse deel, dat later de Republiek der Verenigde Nederlanden (Belgium Foederatum) zou gaan heten, en ten zuiden daarvan het Rooms-Katholieke deel dat onder gezag van de koning bleef (Belgium Regium). Desalniettemin bleef men sindsdien verlangen naar een herstelde eenheid in de vorm van de Leo Belgicus.

Het twaalfjarig bestand

Het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) bracht een relatieve rust in de door oorlog geteisterde Nederlanden. Deze rust was relatief, omdat er in de Noordelijke Nederlanden al spoedig godsdiensttwisten uitbraken tussen verschillende protestantse stromingen in de Noordelijke Nederlanden. Deze twisten mondden uit in een tweestrijd aan de theologische faculteit van de kersverse Leidse universiteit, die in 1575 was gesticht door Willem van Oranje.

De godsdiensttwist spitste zich toe tussen twee hoogleraren aan de Leidse universiteit, namelijk Jacob Harmensz (º1559-†1609, Arminius) en Frans Gomaire (º1563-†1641, Gomarus). In 1603 werd Harmensz nog door Gomaire geschikt geacht voor een aanstelling aan de Leidse universiteit, maar al snel kwamen ze tegenover elkaar te staan als de voormannen van respectievelijk de ‘rekkelijken’ en ‘preciezen’.

Jacob Harmensz werd in 1559 in het Hollandse Oudewater geboren. Hij was één van de eerste studenten aan de Leidse universiteit in 1575. Na de afronding van zijn studie werd hij in 1587 predikant te Amsterdam. Hij kwam na zijn aanstelling als hoogleraar tegenover de Vlaamse hoogleraar Frans Gomaire te staan, die in 1563 te Brugge was geboren. Gomaire kwam voort uit een typisch orthodox en militant protestants milieu in Vlaanderen destijds.

Gomaire’s orthodoxie kwam waarschijnlijk ook voort vanuit zijn achtergrond als banneling. Hij vluchtte in 1578 met zijn ouders als gevolg van de vervolging naar de Pfalz en vervolgens naar Frankfurt am Main, waar een grote gemeente van Nederlandse protestantse ballingen was neergestreken. Na zijn studie aan verscheidene universiteiten in Europa, werd hij van 1587 tot 1593 predikant van de Nederlandse protestantse gemeente in Frankfurt.

De Synode van Dordrecht

De ruzie tussen Arminius en Gomarus nam tijdens het Twaalfjarig Bestand maatschappelijke proporties aan. In Leiden werd er zelfs door stadhouder Prins Maurits militair ingegrepen door het opwerpen van een schans om het stadhuis te beschermen tegen de strijdende facties. De godsdiensttwist dreigde de maatschappij van de prille Republiek te verscheuren en daarom werd besloten een landelijke kerkvergadering te houden.

In 1618 werd door de Staten-Generaal de zogenaamde ‘Synode van Dordt’ bijeen geroepen om zich te buigen over de godsdienstkwesties die in de voorgaande jaren waren gerezen. Gomarus had zich intussen teruggetrokken van het godsdienstige slagveld naar de luwte van Middelburg en uiteindelijk naar de Universiteit van Groningen. Daar bekleedde hij het hoogleraarschap Hebreeuws van 1618 tot zijn dood in 1641.

Intussen liet Gomarus wel zijn invloed na door zijn leerling Johann Bogermann (º1570-†1637). Bogermann werd in 1570 geboren in het Oostfriese Uplewert als zoon van de lokale predikant. Hij studeerde in 1591 aan de Friese universiteit in Franeker en vervolgens aan verscheidene Europese universiteiten. Hij werd vanaf 1599 achtereenvolgens predikant in de Friese steden Sneek, Enkhuizen en Leeuwarden. Hij werd in 1636 hoogleraar in Franeker.

De Statenbijbel en standaard Nederlands

De Synode van Dordt resulteerde in het besluit tot de eerste Nederlandstalige bijbelvertaling. Deze bijbelvertaling werd verzorgd door twee Friezen, drie Vlamingen en een Hollander. Er werd uit de toen heersende streektalen in de Nederlanden een spelling en grammatica afgeleid, die in 1628 werd vastgelegd in de zogenaamde 'Resolutiën'. Deze vertaling van de bijbel leidde dus tot de formulering van een Standaardnederlands, dat tot op heden zou doorwerken.

Niet alleen heeft de Statenbijbel haar stempel gedrukt op de Nederlandse taal, maar evenzeer op de Nederlandse schat aan spreuken. Vele uitdrukkingen en gezegden, die wij nu nog kennen komen rechtstreeks uit de Nederlandse vertaling van de bijbel, zoals ‘de steen des aanstoots’, ‘op twee gedachten hinken’ en ‘zich niet onbetuigd laten’. Ook heeft het gezorgd voor een invloed van de Zuid-Nederlandse woordenschat op dat van de Noordelingen.

De bijbelboeken werden vertaald door zowel Zuidelijke als Noordelijke Nederlanders. Het Oude Testament werd vertaald door twee Vlamingen en een Oost-Fries, terwijl het Nieuwe Testament in het Nederlands werden overgezet door een Vlaming, een Hollander en een Fries. Zij kwamen allen bijeen aan de Leidse Universiteit om van 1626 tot 1637 met behulp van de rijkgevulde Leidse universiteitsbibliotheek aan de vertaling te werken.

In 1637 werd de zogenaamde ‘Staten-Bijbel’ voltooid en daarmee werd niet alleen de religieuze grondslag gelegd voor de toenmalige Republiek, maar ook het hedendaagse Nederlands. Het was een mengeling van vrijwel alle Nederlandse streektalen uit die tijd, maar met veel invloed van het Nederlands uit de Zuidelijke Nederlanden, dat beschouwd werd als zeer plechtig en beschaafd. Bovenal was het dus een Heel-Nederlands project.

Conclusie

De reformatie kreeg eerst in Duitsland zijn beslag alvorens het overwaaide naar de Nederlanden. Het feit dat de Luther-bijbel haar beslag kreeg in Noord-Duitsland, maar niet in de Nederlanden heeft er op lange termijn voor gezorgd dat de eenheid van het Noord-Duitse taalgebied werd verbroken en dat de Nederlandse taal zich onafhankelijk zou gaan ontwikkelen.

De protestanten vestigden zich aanvankelijk vooral in de grensgebieden, zoals Oost-Friesland en het Munsterland, waar het gezag van de vorst zwak was. De wederdopers maakten daar dankbaar gebruik van door elkaar aan beide kanten van de grens te steunen. Nederlandse dopers gingen naar Munster en vanuit Munster ging er weer invloed uit naar Noord-Nederland.

De wederdopers werden streng vervolgd, waardoor deze eerste golf van protestantisme in de Nederlanden geen voet aan de grond kreeg. Toch oefenden Nederlandse wederdopers een grote invloed uit op doperse gemeenten in heel het Duitse Rijk. David Joris en Menno Simonsz maakten van het doperse geloof een vreedzaam geloof en vonden veel navolging.

Het Calvinisme kreeg als eerste in het Zuiden van de Nederlanden voet aan de grond. De geloofsbelijdenis van Guido de Brès en de beeldenstorm begonnen allemaal in uiterste Zuiden van de toenmalige Nederlanden. Pas tijdens de Nederlandse Opstand tegen Filips II verschoof het zwaartepunt van Vlaanderen naar Holland, met name door de val van Den Briel in 1572.

Ondanks de verdrijving van het Calvinisme in Vlaanderen bleven de Vlaamse Calvinisten toonaangevend in Nederland, waarvan de twist tussen Arminius en Gomarus aan de Leidse Universiteit getuigde. De meest blijvende culturele invloed hadden zij bij het samenstellen van de Statenbijbel, die de taalkundige grondsteen legde voor de grammatica van onze taal.
© 2007 - 2019 Bruijns, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Het ontstaan van de Statenbijbel in de NederlandenHet ontstaan van de Statenbijbel in de NederlandenIn 1637 kwam de eerste Statenbijbel uit. Het eerste exemplaar was in prachtig paars fluweel gebonden en werd aan de Stat…
Geschiedenis: de reformatie van de kerkGeschiedenis: de reformatie van de kerkDe reformatie in de kerk een paar honderd jaar geleden heeft erg veel invloed gehad. Door deze reformatie kennen we tege…
Nieuwnederlands in de zestiende eeuwNieuwnederlands in de zestiende eeuwDe verzameling dialecten in de middeleeuwen werd in de zestiende eeuw vervangen door een standaardtaal. De behoefte aan…
De tijd in vakkenDe tijd in vakkenIn de geschiedenis zijn diverse tijdvakken, jaartallen en gebeurtenissen aan te wijzen. Er zijn indelingen, die structuu…
Shipshewana en de amishShipshewana is een plaats midden in een amishgebied. Het ligt in de Amerikaanse staat Indiana en herbergt de vele doopsg…
Bronnen en referenties
  • Inleidingsfoto: Pouwel Weyts, Wikimedia Commons (Publiek domein)

Reageer op het artikel "De Reformatie in de Nederlanden"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Bruijns
Gepubliceerd: 23-03-2007
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Geschiedenis
Bronnen en referenties: 1
Schrijf mee!