InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Geschiedenis > Het ontstaan van satire (2): Lucilius

Het ontstaan van satire (2): Lucilius

Lucilius werd geboren in Suessa Aurunca rond 180 v.C. en overleed omstreeks 102 v.C. Volgens sommige bronnen - Corpet b.v. - werd hij maar 46 jaar oud, anderen situeren zijn geboorte omstreeks 268 v.C.

Persoonlijke aanvallen

Het oude Rome heeft altijd naar de tirannie geneigd. Vandaar dat de wet persoonlijke aanvallen door dichters ten strengste verbood op straffe des doods of zoals Cicero het in zijn ‘Over de republiek’, boek IV, verwoordde: “Die wet die slechts zelden in de doodstraf voorzag, aarzelde nochtans niet om ze uit te spreken tegen elkeen die beledigende of lasterlijke verzen schreef of ze in het openbaar reciteerde.” (De Oratorio, II, 6)

Dan nog schroomde de dichter Lucilius zich niet om het toch te doen. Een hele tijd na Ennius (1) nam hij de satirische draad weer op en ging zelfs een stapje verder. Ook hij stoorde zich aan het zedenbederf om zich heen en aan een reeks ondeugden die zijn tijdgenoten, vooral uit de adellijke klasse, tentoonspreidden. Maar anders dan Ennius plakte hij wél namen op de personen die hij als voorbeeld aanhaalde. Hij spaarde niemand, welke functie de betrokkene ook bekleedde.

Mede doordat hij ook collega-schrijvers niet ontzag (Ennius zelf, Accius, Pacuvius, Terentius…) was hij in talrijke milieus allesbehalve populair. Of dit hem deerde? Helemaal niet: hij stond immers recht in zijn schoenen en werd algemeen beschouwd als een eerlijk man bezield met nobele idealen. Hij stelde zich nooit superieur op en zou het nooit aangedurfd hebben iemand valselijk te betichten.

Nooit in moeilijkheden

Niettegenstaande de wrevel die hij verwekte, kwam de dichter nooit in moeilijkheden. Immers, als lid van een voorname familie, leefde hij van kindsbeen tussen diegenen die hij later bekritiseerde. Daarnaast was hij de beschermeling van Scipio Aemilianus, Africanus de jongere genoemd, tot wiens ‘vriendenleger’ hij behoorde tezamen met enkele andere dichters, komedieschrijvers (Terentius b.v.), filosofen en geleerden. Zo nam hij deel aan de veldtocht in Spanje. Precies dit deel uitmaken van de klasse die hij aanviel was zijn levensverzekering. In het toenmalige Rome gold de vrijheid van meningsuiting slechts voor enkelen. Vergeten we niet dat in de derde eeuw voor Christus Nevius in de gevangenis gestorven was nadat hij enkele sarcastische opmerkingen over consul Metellus en de grote Scipio in een theaterstuk had verwerkt.

De moraal van de dichter

Lucilius’ satirische geschriften bevatten ook moralistische verzen. Geen toeval: satirenschrijvers voelen zich vaak geneigd om een betweterig toontje aan te slaan: dat was reeds zo bij Ennius, dat zal bij latere satirici ook het geval zijn. Raadgevingen over tal van zaken die met het leven in al zijn facetten te maken hebben, alsook schoolmeesterachtige praatjes voor de collega-schrijvers zijn de stokpaardjes die hij graag berijdt. Ze worden vaak gekoppeld aan voorbeelden van hoe het niet moet teneinde de gesprekspartner de ogen te openen.

Daarnaast bevatten zijn ‘Saturae’ ook levensherinneringen, een beschrijving van een reis naar Sicilië (het voorbeeld voor Horatius’ reisverslag naar Brundisium), uiteenzettingen over literatuur en grammatica, enzomeer.?Lucilius gebruikte in hoofdzaak de hexameter om zijn ideeën te verwoorden. Deze vorm zou door zijn navolgers verder gebruikt worden en uitgroeien tot dé specifieke uitdrukkingsvorm van het genre.

Het scherpe mes van de spot

Niettegenstaande Lucilius’ satires slechts fragmentarisch zijn bewaard gebleven, beschikken we toch nog over voldoende materiaal om ons ‘het scherpe mes van de spot’ (Juvenalis, Satire I, vz. 165-167) voor de geest te halen.

Wat Lucilius van Ennius vooral onderscheidde en hem tot grondlegger van de satire, in de betekenis die we er vandaag aan hechten, heeft gemaakt, was de kritiek op de begoede klasse, “die rijke parvenu’s die hun haren parfumeren” (Sat.XXVI,6, Corpet) en de edelen “die zich verbeelden straffeloos het slechte te kunnen doen omdat hun rang hen beschermt tegen om het even welke aanklacht” (Sat.XI,2, Nonius), niet zelden via aanvallen op welbepaalde personen.

Lucius Cotta, volkstribuun, noemt hij een oude schurk, “een slechte betaler, maar een meester in het verzinnen van uitvluchten, nooit gehaast om zijn schulden te vereffenen” (Sat.XI,3, Corpet) en dit ondanks zijn rijkdom. De ondeugden en misdaden van Lupus, mogelijk een rechter of een senator, en Tubulus, een provinciaal quaestor, zet hij op een rijtje, zodat ze, als men er ook de notities van andere Latijnse auteurs op naslaat, het prototype van de goddeloze, corrupte geldafpersers worden. Een zekere Opimius, zoon van een consul, zou omgekocht zijn met het goud van Jugurtha voor de verdeling van veroverd gebied in Afrika; Tuditianus, oud-quaestor in Spanje en vooraanstaand ambtenaar, noemt hij een onbetrouwbaar sujet en een lafaard en Trebellius overstelpt hij met een reeks van ‘koosnaampjes’ als “koorts, schimmel, braaksel, rottigheid”. (Sat.XV,13, Nonius)

Hij beschrijft maaltijden en feestelijkheden zowel in de stad als op het platteland, waarbij hij de veelvraat met de vinger wijst. Op groteske wijze vertelt hij wat er gegeten wordt, hoe er gegeten wordt, en hoe de gesprekken over het uitgelezen karakter van de rijkelijke schotels voortkabbelen. Redenaars en filosofen zijn evenmin veilig voor zijn spot. Deze kan verfijndere vormen aannemen: de ironische lofbetuiging is er een van.?Zo legt hij volgende woorden in de mond van Muncius Scaevolo, de Pontifex Maximus, ’vertegenwoordiger van de goden’, aan het adres van zijn schoonzoon Crassus, een zeer elegant en geleerd redenaar, die hij een te slaafse navolging van de regels van de rhetorica verwijt:
  • “Crassus is mijn schoonzoon. Probeer je in mijn bijzijn niet welsprekender dan hem voor te doen.” (niet gerangschikt fragment)

Zo spreekt hij Titus Albucius toe, die volgens hem zijn zinnen overdreven kunstmatig fabriceert:
  • “Welk een kunst zoals jij je woorden uitkiest. Men zou zeggen het samenstellen van een ingelegd werk, de stukken van een mozaïek!” (niet gerangschikt fragment)

Hij trekt ten strijde tegen het zedenbederf, de ongebreidelde luxe-uitingen, de pracht en de praal die contrasteren met de armoede van de bevolking, de overdaad, de gierigheid, het overspel. In volgend fragment zet hij zich af tegen de praktijken op het Forum:
  • “Maar heden ten dage, van ‘s morgens tot ‘s avonds, dat het feest is of niet, kortom, de ganse dag en alle dagen, haasten het volk en de senatoren zich naar het Forum dat ze niet verlaten. Allen wijden ze zich aan een en dezelfde studie, aan dezelfde kunst, die erin bestaat mensen te bedriegen zonder zich te compromitteren, te wedijveren in schelmenstreken, te rivaliseren in vleierij, zich als fatsoenlijke mensen voor te doen, valstrikken te spannen, alsof iedereen iedereens vijand is.” (niet gerangschikt fragment)

En wat te denken van dit fragment dat verwijst naar de Griekse imiteerzucht die toentertijd heerste, en mannen als Albucius ertoe bracht zich als Griek voor te doen niettegenstaande hij Romein was?
  • “Je Griek te laten noemen, Albucius, eerder dan Romein en Sabijn te blijven, landgenoot van Pontius, van Tritanus, van die centurions, van die hooggeachte burgers, de meest vooraanstaanden van allen en onze vaandeldragers, ziedaar waaraan je de voorkeur hebt gegeven. Vermits je er de voorkeur aan hebt gegeven, zal ik, als pretor van Rome en Athene, je in het Grieks begroeten als je naar mij toekomt: zeg ik, o Titus! En de lictore en de stoet en de ganse massa herhalen: "Titus!" (niet gerangschikt fragment)

De bitterste kritiek uit hij op een luchtige, humoristische wijze. De vrek, niet zelden iemand die alles oppotte om zich daarna aan de extravagantste uitspattingen te kunnen bezondigen, typeert hij op de volgende manier:
  • “Hij heeft geen paard, geen slaaf, geen partner; zijn beurs en al wat hij aan geld bezit, draagt hij op zich; met zijn beurs eet hij, slaapt hij, baadt hij. Al de verwachtingen van de mens zitten in zijn beurs; aan haar heeft hij zijn leven verpand.” (Sat.VI,a, Corpet)

Zo ook lacht hij met de veelvraat en drijft de spot met de afgoderij die welig tiert. Vandaar de eerste satire, waarin hij een godenvergadering beschrijft waarop over het lot van Rome wordt beslist.?Lucilius heeft het niet hoog op met bezitterig en naar luxe verlangende vrouwen, hetgeen hem zuur doet oprispen:
  • “Mannen zoeken vrijwillig pijn en smart: ze nemen een vrouw, zorgen voor kinderen en lopen aldus in het ongeluk.” (Sat.XXV,1, Corpet)

In de twintigste satire beschrijft hij hoe een oudere vrouw poogt een man te versieren (wat trouwens mislukt):
  • “Wat wordt er van de man als een lamia, als een python met lange, puntige tanden als die afgeleefde, twistzieke, domme veelvraten verschijnen?” (Sat.XXX,1, Corpet)

Waarna hij de listen, de gebreken en ondeugden van de vrouw door de mond van het mannelijk personage op een rijtje zet.?Na Lucilius zal de satire steeds haar scherpe kantjes blijven behouden.

De moralist en de edelman

Er zijn ook enkele adviezen van de moralist Lucilius. Enkele voorbeelden:
  • “Laat ons ons gul en dienstvaardig betonen voor onze vrienden.” (Sat.XXVI,51, Nonius)
  • “Men moet van in zijn jeugd de ouderdom voorzien.” (Sat.XXVIII,38, Nonius)
  • “De wijze versmaadt het overige, hij rekent globaal slechts op een kort vruchtgebruik, omdat hij weet dat niemand op aarde iets van zichzelf bezit.” (Sat.XVII,5, Nonius)

Het edele gedachtengoed dat Lucilius bezielde om zijn kritieken te schrijven vinden we verwoord in zijn definitie van de deugd:
  • “De deugd, Albinus, dat is de dingen die ons omringen en waartussen we leven, op hun werkelijke waarde kunnen schatten; de deugd voor de mens, dat is weten wat elk ding op zich betekent; de deugd voor de mens, dat is weten wat rechtvaardig, nuttig en eerlijk is, wat het goede en ook wat het kwade is; wat nutteloos, schandelijk, oneerlijk is; de deugd, dat is onze behoefte om te bezitten kunnen beperken, kunnen afmeten; de deugd, dat is de kostbaarheden hun waarde kunnen toekennen: de deugd, dat is diegenen eer bewijzen die het werkelijk verdienen, zich openlijk en persoonlijk opstellen tegen valse en slechte praktijken en daarentegen voor goede gewoonten en rechtvaardige mensen opkomen, hen op handen dragen, hun alle goeds toewensen, leven zoals zij, ten slotte het belang van het vaderland op de eerste plaats stellen, van de ouders op de tweede, en het onze op de derde en laatste.” (niet gerangschikt fragment).

Ook volgende woorden, bij het overlijden van zijn trouwste slaaf, zeggen veel over zijn edele ingesteldheid:
  • “Een slaaf die nooit zijn meester ontrouw was en niemand ooit kwaad deed, de steun van Lucilius, Metrophanes, rust hier.” (Sat.XXII,2, Corpet)

Het overgeleverd werk

Aangezien er slechts een 1300-tal verzen van Lucilius de tand des tijds hebben doorstaan, was het bijzonder moeilijk om de inhoud van zijn 30 Saturae (elk boek bevat tussen de 40 en de 120 verzen) te reconstrueren. Enkele geleerden hebben deze karwei desalniettemin geklaard: de hier geciteerde fragmenten konden dankzij hen geduid worden, maar men kan best begrijpen dat het hier, ondanks alle goede wil, studieijver, belezenheid en precisie, slechts om (weliswaar nauwkeurige en wetenschappelijk gefundeerde) gissingen gaat, te meer daar van sommige boeken slechts enkele (in twee gevallen zelfs geen) zeer korte, vaak tot enkele woorden en/of verzen beperkte fragmenten zijn overgeleverd. Lucilius zou ook hymnen, komedies, epoden en een biografie over Scipio geschreven hebben, oorspronkelijk wellicht deel uitmakend van zijn satiren. Deze zijn onherroepelijk in de tijd verloren gegaan.
© 2009 - 2019 Vosje, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Het ontstaan van satire (3): HoratiusHet ontstaan van satire (3): HoratiusQuintus Horatius Flacus werd geboren in Venusia in 65 voor Christus en stierf in 8 voor Christus te Rome.
Het ontstaan van satireAls genre werd de satire door de oude Romeinen ontwikkeld, vormgegeven en benoemd. Lucilius, Horatius en Juvenalis baken…
Het ontstaan van satire (4): Marcus Terentius VarroDeze Romeinse geleerde en schrijver werd geboren te Reate op 116 v.C. en overleed op 27 v.C. HIj werd Reatinus genoemd o…
De Aeneis van VergiliusDe Aeneis is een dichtend boekwerk in het Latijn, geschreven door Vergilius. De Aeneis beschrijft de (fictieve) oorspron…
Spot in de Nederlandse taalSpot in de Nederlandse taalIn de Nederlandse taal wordt regelmatig gebruik gemaakt van verschillende vormen van spot. De meest gebruikte spot is in…
Bronnen en referenties
  • (1) http://kunst-en-cultuur.infonu.nl/taal/34128-het-ontstaan-van-satire.html

Reageer op het artikel "Het ontstaan van satire (2): Lucilius"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Vosje
Gepubliceerd: 02-04-2009
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Geschiedenis
Bronnen en referenties: 1
Schrijf mee!