De Karolingische tijd; Middeleeuwse schilderkunst
In de tijd van Karel de Grote (768-814) kunnen wij nog niet spreken van schilderkunst op de manier waarop we dat gewend zijn: afbeeldingen op paneel of doek. In deze tijd hebben we voornamelijk te maken met wandschilderingen (fresco's) en boekverluchtingen. (miniaturen e.d.) Deze Karolingische periode in de schilderkunst duurde vanaf het begin van de regeringsperiode van Karel de Grote tot de ineenstorting van zijn rijk, rond het jaar 887.Karolingische Renaissance
Het bijvoeglijk naamwoord Karolingisch is afgeleid van de koningsdynastie die naar Karel Martel genoemd is. Ook Karel de Grote en zijn opvolgers maakten hier deel van uit. De Karolingische tijd liep van ongeveer het midden van de achtste eeuw tot het begin van de tiende eeuw. De toen ontstane kunstvorm kan gezien worden als een samensmelting van oud-inheemse, geïmporteerde oud-christelijke en Oosters-Byzantijnse elementen. We spreken derhalve van de Karolingische Renaissance, met de stad Aken als cultureel centrum. In de schilderkunst zijn de afgebeelde figuren en stuaties soms levendig, dramatisch en bovenal naïef te noemen.Bloei van het culturele leven
In de periode dat Karel de Grote zijn rijk bestuurt, heerst er een betrekkelijke rust; absolute voorwaarde voor de ontwikkeling van de kunst.In de jaren 774 en 781 reist Karel de Grote naar Italië. Hij komt daar tot de ontdekking dat het zuiden in cultureel opzicht zijn rijk ver vooruit is. Dit ziet hij als en voorbeeld dat navolging waard is. Als Karel in Aken de uitspraken van het Concilie van Nicea (325!) te horen krijgt, is hij enigermate ontstemd over de besluiten die toen genomen waren over de beelden in de kerken. De theologische uitspraken over de opvattingen van Arius neemt hij voor lief, die over de heiligenbeelden laat hij beoordelen en becommentariëren door zijn hofgeleerde Alcuinus.
In de "Libri Carolini", opgesteld door Alcuinus, klinkt het commentaar dat het gebruik van beelden moet sanctioneren. Alcuinus gaat een bepaalde rangorde aanbrengen. Relikwieën van heiligen, het teken va het kruis, liturgisch gereedschap en evangelieboeken zijn van oneindig meer betekenis dan beelden van heiligen. Adaratio, aanbidding, is niet toegestaan; versiering, geheugensteun en de didactische betekenis (boeken der leken) van beelden worden goedgekeurd.
De rangorde die in de "Libri Carolini" wordt aangegeven is bepalend geweest voor de ontwikkeling van de beeldende kunst in de middeleeuwen.
Fresco's en mozaïeken
De schilders uit de Karolingische tijd waren nog bekend met de oude fresco-technieken, het maken van muurschildeingen in de nog natte kalk. Eveneens waren zij bekend met het vervaardigen van glasmozaIeken en de glasschilderkunst.In de omgeving van Aken en Ingelheim werd door kunstenaars druk aan de verlevendiging van kerkruimten gewerkt. In het jaar 807 stuurt Karel de Grote controleurs op pad om de "toestand van de kerken, hun beeldhouwwerken en schilderijen" te onderzoeken en daarover te rapporteren.
Van een belangrijk mozaïekwerk uit de Paltskapel te Aken rest ons slechts een kopergravure uit 1690. Hierop is te zien dat de ouderlingen uit Openbaring met hun gouden kronen naar Christus schrijden, die geplaatst is tegen een achtergond van blauw en goud. Sinds 1881 bezit de kapel een imitatie hiervan.
In Germigny-des-Près zijn sterk gerestaureerde mozaïeken uit de Karolingische tijd aanwezig. Onder andere een afbeelding van de ark des Verbonds met kleine gouden engelen op het deksel. Het geheel staat voor een met gouden sterren bezaaide, diepblauwe achtergrond.
De evangelist Mattheüs. Weense Schatzkammerevangeliar
Handschriften
Ook verluchte handschriften kwamen van over de Alpen naar Aken. De nieuwe manier van werken deed Paulus Diaconus uit Aken verzuchten: "Het lijkt wel of een stormwind onze rust verstoort". De "Schola palatina" ontstaat, onder de bezielende leiding van Alcuinus; de artistieke bedrijvigheid rond de pronkhandschriften. Het fraaiste voorbeeld hiervan is het Weense Schatzkammerevangeliar. De tekst hiervan is met goud geschreven op purper geverfd perkamentblad.Heel bekend is ook het Evangelarium van aartsbisschop Ebo van Reims, te bezichtigen in de stadsbibliotheek van Epernay. Hierin wordt de evangelist Marcus afgebeeld, zijn ogen wijd opengesperd, de blik naar boven, als hij de Geest de woorden hoort spreken die hij schrijven moet.
Met zijn rechterhand doopt hij de veer in de inktpot, in de linkerhand draagt hij een geopend boek. De afgebeelde figuur is levendig, dramatisch, maar bovenal ontwapenend naïef.
Als andere voorbeelden kunnen worden genoemd:
- Het Evangelarium voor Lotharius uit 804, te zien in Tours.
- De Vivianusbijbel, gemaakt door Vivianus van Marmontier (846)voor Karel de Kale. Te bezichtigen in de Bibliotheque Nationale te Parijs.
- De pronkbijbel van Leo de Grote. Deze is helaas verloren gegaan.
- De Codex Aureüs, gift van Arnolf van Karinthië aan St. Emmerans in Regensburg. Deze laatste is te zien in München.
Honderd jaar na de teloorgang van de Karolingische tijd ontstaat in de kloosterscholen op Reichenau in de Bodensee een nieuwe kunstrichting: de Ottoonse.
Scholen
In de Karolingische schilderkunst en dan met name in de miniatuurkunst (boekverluchtingen), onderscheiden we vijf hoofdstromingen, "scholen" genoemd:[OLIST]De Schola Palatina, de paleisschool. Zo genoemd omdat de verbinding met het Hof van de keizer duidelijk was aan te geven. Hiertoe behoort het Weense Schatzkammerevangeliar. Op dit boek werd door de Duitse koningen bij de kroning in Aken de eed afgelegd.
De Hoofse School. De Trierse Ada is hiervan de leidende figuur. Zij wordt voor een zuster van Karel de Grote gehouden.
De School van Tours. Hiertoe rekenen we het Evangelarium van keizer Lotharius.
De School van Metz.
De School van Reims. Hiertoe rekent men het Evangelarium van Ebo en het Utrechtse Psalter.[/OLIST]