InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Taal > Het ontstaan van de Nederlandse taal

Het ontstaan van de Nederlandse taal

Het ontstaan van de Nederlandse taal Van het Germaans via Oudnederlands naar onze moderne taal. Stammen wij af van 'schreeuwers'? Volgens sommigen is de naam van Germanen afkomstig van het Keltische woord voor schreeuwers: 'kermen'. Anderen vertellen ons dat de oorsprong van de naam ligt in het Latijns voor 'broeder': 'germanus'. Vanaf 800 ontstond het Oudnederlands dat rond 1150 evolueerde tot Middelnederlands. Sinds 1550 begon daar het Nieuwnederlands uit te komen. Het Nederlands wordt ook wel een levende fossiel genoemd, want het is weinig veranderd en heeft kenmerken van Germaanse talen behouden.

Het Germaans

In het derde millennium kwamen sprekers van het Proto-Indo-Europees, oftewel PIE, in de Nederlanden en Noord-Duitsland. Men denkt dat de PIE sprekende nomadenstam van oorsprong uit het gebied rond de Zwarte Zee en Zuidoost-Europa kwam. Na hun komst ontstond in de Nederlanden en Noord-Duitsland het Germaans. Die ging zich van andere Indo-Europese taalgroepen onderscheiden. Deze ontwikkeling duurde tot ongeveer het begin van onze jaartelling. Toen begonnen pas bínnen het Germaans verschillende talen te ontstaan. De klanken en klemtoon van het Germaans verschillen van die van de Indo-Europese moedertaal.

De medeklinkers zijn systematisch veranderd. De 'p' is bv in het oudste Germaans een 'f' geworden, zoals in 'pater' in het Latijn dat in het Engels 'father' is. Ander voorbeeld van deze verschuiving is de verandering van de Indo-Europese 'b' en 'd' in een 'p' en 't', zoals in het Latijnse 'duo' en het Nederlandse 'twee'. Het Latijn heeft de oudste vormen bewaard in dit geval. Dit geheel van veranderingen wordt ook wel de Germaanse klankverschuiving genoemd, ontdekt door taalkundige Jakob Grimm (ja, de sprookjesverzamelaar).

Klemtonen

Verdere veranderingen kwamen in klemtonen. Waar de Indo-Europese klemtoon altijd wisselde, kreeg het in het Germaans een vaste klemtoon op de eerste lettergreep. In het oudste Latijn lag in een woord als 'patér' de klemtoon op de tweede lettergreep en in 'fráter' op de eerste lettergreep. Het oudste Germaans echter heeft beide klemtonen op de eerste lettergreep. Dat zie je nu nog terug in het Nederlands: 'váder' en 'bróeder'. Door deze klemtoonverschuiving veranderde het taalritme. Ander gevolg was dat het niet langer beklemtoonde woordeinde geleidelijk afsleet. De 'o' uit het woord 'tawido' (verwant met ons 'tooide') veranderde uiteindelijk in een stomme 'e', oftewel een sjwa. Door het verdwijnen van het woordeinde ging vaak belangrijke grammaticale informatie verloren, want het liet bijvoorbeeld zien in welke naamval een zelfstandig naamwoord stond. Zo begon al in de oudste fase van het Germaans de verbuiging van naamwoorden en vervoeging van werkwoorden te verdwijnen. In onze tijd gaat dit nog door.

Vertakkingen van het Germaans

We weten niet zeker hoe uit het Oergermaans de verschillende Oudgermaanse talen ontstonden. Er zijn geen geschriften van gevonden. Vlak voor het begin van onze jaartelling kreeg het Oergermaans twee takken: een noordelijke Scandinavische, het Noordgermaans, en een zuidelijke taalgroep, Zuidgermaans dat verwarrend genoeg ook wel Westgermaans wordt genoemd.

Sommige Noordgermaanse stammen, zoals Teutonen, Goten en Vandalen, trokken over de Oostzee naar het Weichselgebied en later naar de Zwarte Zee. Daarom worden zij ook wel Oostgermanen genoemd. Het oudste bewaard gebleven geschrift in welke Germaanse taal dan ook, is in het Oostgermaans. Gotische bisschop Wulfila (311-383) werkte tot aan zijn dood aan een Bijbelvertaling uit het Grieks. Waarschijnlijk schreef Wulfila (de naam betekent wolfje) als eerste iets op in een Germaanse taal. Het alfabet stelde hij samen met letters uit het Grieks en het Latijn, waaronder ook runentekens. Een deel van zijn werk is bewaard gebleven in een kopie uit de zesde eeuw: de Codex Argentus. Dat betekent 'het zilveren handschrift'. Wulfilla schreef met zilveren en gouden inkt op purperkleurig perkament. Hij moest zelf een alfabet en spelling creëren omdat hij de eerste was die een Germaanse taal opschreef. De tekens waren grotendeels geïnspireerd door Griekse letters. Ook kende het Gotisch geen woorden voor bepaalde termen en begrippen uit de bijbel, dus gebruikte Wulfilla leenwoorden en maakte hij nieuwe samenstellingen of hij gaf bestaande Gotische woorden een nieuwe betekenis. Zo betekende 'galga' eigenlijk 'stang', maar de nieuwe christelijke betekenis werd in de bijbel van Wulfilla 'kruis'.

Het Zweedse Uppsala bewaart het boek. Voor de taalkunde is dit waardevol, want anders zouden we vrijwel niets weten van de Gotische taal. Daaruit is weer veel af te leiden over de voorgeschiedenis van het Nederlands. Al stamt het Westgermaanse Nederlands niet direct af van het Oostgermaanse Gotisch, het deelt wel familietrekjes. Het Krimgotisch, zoals het Oostgermaans ook wel eens genoemd is, bleef tot de achttiende eeuw bestaan in de een of andere vorm in Zuid-Rusland. Later overheersten deze Germanen wat tegenwoordig Italië is.

Westgermanen verspreidden zich over een uitgestrekt gebied, van Engeland tot Beieren. Daarom zijn hun talen steeds sterker uiteengegroeid. We kregen onder meer het Oudengels, Oudfries, Oudsakisch (of Oudnederduits), Oudhoogduits. Invloed op talen hebben oorlogen en volksverhuizingen ook. Na emigratiegolven in de vijfde eeuw van Angelen, Saksen en Jutten ontstond bv het Oudengels. Op het Europese vasteland ontwikkelden zich de andere Oudgermaanse talen. Een ervan was het Oudnederlands (of Oudnederfrankisch).

Het Oudnederlands

Door het te vergelijken met het Middelnederlands dat werd gebruikt tussen 1150 en 1500, kunnen we het Oudnederlands gemakkelijker karakteriseren. Bepaalde ontwikkelingen van het Middelnederlands hadden in het Oudnederlands nog niet plaats gevonden. Het Oudnederlands had 'ald' en 'old' nog niet veranderd in 'oud'. De th-klank was nog geen 'd' zoals in het Oudnederlandse 'thu' en het Middelnederlandse 'du' voor het latere 'jij'. Door de Germaanse klemtoonverschuiving naar de eerste lettergreep, raakten we langzaamaan het woordeinde kwijt. 'Unbidan', dat betekent 'wachten op', werd bv in het Nederlands een paar eeuwen later 'ontbiden'. Nu bestaat het bij ons niet meer, maar in het verwante Engels is het er nog steeds als 'to bide' en 'abide'.

Ook door eigen ontwikkeling onderscheidt het Oudnederlands zich van omringende talen. Germaanse tweeklanken 'ai' en 'au' zijn in het Oudnederlands vaak gewone klinkers geworden. Vergelijk het Duitse 'Bein' en 'Baum' met het Nederlandse 'been' en 'boom'. Een van de bekendste Oudnederlandse sjibbolets is de stemhebbende 'g'.

De sjibbolet

Een sjibbolet is een uitspraak die aangeeft of de spreker wel of niet bij een bepaalde groep hoort. Dus een niet-moedertaalspreker kan die niet correct uitspreken. Een van de bekendste sjibbolets is Scheveningen. In 1940 werd dat gebruikt tijdens de Duitse aanval om Duitse spionnen en Duitse soldaten in burgerkleding te ontmaskeren, want Duitsers kunnen in het algemeen de 'sch' klank in Scheveningen niet uitspreken.

Welnu, de sjibbolet 'g' in het Oudnederlands komt nog steeds voor in woorden als 'zeggen' en 'gloren'. De beginklank van 'geven' is duidelijk anders dan die van het verwante Duitse 'geben' en het Engelse 'give'. Ondanks deze kenmerken waarmee we Oudnederlands kunnen onderscheiden van andere talen, weten we niet precies wanneer het ontstond. Er is namelijk geen schriftelijk bewijsmateriaal. In ieder geval weten we zeker dat aan het einde van de negende eeuw het Nederlands bestond. Hoe lang daarvoor dat ook zo was, is onzeker.

Het gebied waar het Oudnederlands werd gesproken is ook lastig aan te geven. De dialecten in het huidige Nederland, Duitsland en Vlaanderen leken te sterk op elkaar om precieze grenzen te kunnen trekken. Het Oudnederlands stond onder invloed van taalverschijnselen die wetenschappers 'ingweoons' noemen. Naast ingweonismen heeft het Nederlands ook Saksische kenmerken opgenomen.

Ingweoons

Aan de kusten van de Noordzee ontstonden ingweoons. Dat zijn taalverschijnselen als bijvoorbeeld de meervouden op -s, zoals 'nestas' uit het Oudnederlands. In het Engels zijn die de regel, 'nests', maar in het Nederlands weer niet, 'nesten'. De naam Ingweoons komt van Romeinse schrijvers uit de eerste eeuw na Christus, Tacitus en Plinius de Oudere die Noordzeegermanen zo noemden ('Ingvaeonen'). Dat waren stammen die langs de kust van Gallië tot Denemarken woonden. De kustverschijnselen van die gebieden kwamen niet voor in het binnenland. Al kregen deze verschijnselen dus de naam 'ingweonismen', het verband is niet bewezen.

Ingweoons zijn ook persoonlijke voornaamwoorden die beginnen met een 'h', net als in het Nederlandse en Engelse 'hij' en 'him', terwijl Duitsers die niet kennen met hun 'er'. Verder hoort de verlenging van een klinker na het verdwijnen van de 'n' tussen een klinker en medeklinkers 'f', 's' en 'th' bij Ingweoons. Denk aan het Engelse 'mouth' en het 'muide' uit Nederlandse dialecten. We vinden het nog terug in plaatsnamen als Ijmuiden en Arnemuiden. Het Duitse 'Mund' heeft de 'n' wel behouden. Het Oergermaanse woord was *munth, uitgesproken als 'moenth'. In het Algemeen Nederlands kwam deze verandering niet door; wij zeggen 'mond' en niet 'muid' of 'muide'. In andere plaatsnamen die verder van de kust liggen, ontbreekt dit verschijnsel ook; Dendermonde of Roermond. In de woorden 'vijf' en 'zuid' gebeurde dit wel, vergelijk ze met het Germaanse *fimfe en *sunth.

Middelnederlandse literaire fragmenten

Uit het gebied van Limburg en de Nederrijn stammen de vroegste literaire fragmenten in het Middelnederlands. De eerste Nederlandse dichter die we bij naam kennen, Hendrik van Veldeke (± 1140 - ± 1200), schreef omstreeks 1170 over het leven van Sint-Servaas. Die was de beschermheilige van Maastricht. Daar staat een standbeeld van Hendrik van Veldeke als stadsdichter. Maastricht was in de twaalfde eeuw al een internationaal ontmoetingspunt. Daar ontmoetten ook de Franse en Duitse hoofse cultuur elkaar, waarvan het werk Hendrik van Veldeke een van de resultaten was. Hij schreef verhalende gedichten naar Frans voorbeeld en in Duitsland was hij ook beroemd. Duitse dichters roemden hem al tijdens zijn leven.

De moedertaal van Van Veldeke was het Limburgs, maar zijn werk is zowel in meer 'Duits' als in meer 'Nederlands' overgeleverd; het grootste deel is alleen in Middelhoogduits geschreven. Daarom hebben zowel Duitsers als Nederlanders hem opgeëist als hun eerste dichter. Als we Van Veldeke mogen geloven, kon de heilige Servaas zich zonder hulp van een tolk toch voor iedereen verstaanbaar maken. In de 'Servaeslegende' staat hoe hij een internationaal gezelschap toesprak op een concilie in Tongeren. Afkomstig uit Armenië, kende Servaas alleen Grieks, maar toen hij zijn mond opende gebeurde er een wonder; de Heilige Geest daalde in hem neer en 'Allen die hem hoorden spreken, begrepen alles wat hij zei.'

Naast literaire teksten zijn er ook veel ambtelijke teksten bewaard gebleven. Een belangrijke uitgave van Middelnederlandse teksten is het 'Corpus Gijsseling' ('Corpus Gysseling). Het is samengesteld door de Belgische taalkundige Maurits Gysseling (1919-1997) en bevat naast Oudnederlandse veel Middelnederlandse literaire manuscripten en ambtelijke documenten. De serie van het Corpus Gijsseling bestaat uit vijftien boeken. Tegenwoordig kan dit werk online worden geraadpleegd: taalbank gysseling.

'Nederlandse' taal- en literatuurlandschap

Vóór het midden van de dertiende eeuw is er buiten Limburg en het aangrenzende Nederrijngebied geen literaire tekst aan te wijzen. Er zijn acht teksten bekend uit Limburg, zeven uit Brabant, vier uit Vlaanderen en één uit Holland. Ze bestaan uit complete handschriften, maar ook uit vodjes beschadigd perkament. Een van de redenen is dat er geen Nederlanden bestonden als een staat. Er waren wel cultuurcentra, maar die hadden weinig contact met elkaar. Het cultuurcentrum in het Nederrijngebied, waar Hendrik van Veldeke zijn 'Servaeslegende' schreef, hoorde in de dertiende eeuw bij het Rijn-Maasgebied, met steden als Keulen, Aken en Maastricht aan de Germaanse en Luik aan de Romaanse kant van de taalgrens. In deze streek, die pas eeuwen later tot de Nederlanden zou gaan behoren, werd waarschijnlijk al vroeg literatuur in de volkstaal geschreven.

Invloed van patriciërs

Aan volkstalige literatuur kreeg men behoefte toen Vlaamse steden als Brugge, Gent en Ieper in de loop van de dertiende eeuw economisch vooruitgingen. De stedelijke patriciërs wilden graag een literatuur die het aangename met het nuttige combineerde. Ridderliteratuur werd populair. Vlaanderen kreeg een omvangrijke burgerlijk-didactische literatuur in de volkstaal. Vanaf dat moment ontstonden literaire contacten. Vlaanderen beïnvloedde de literatuur van de oostelijke gebieden. Samen met de literatuur kwamen westelijke klanken, woorden en zinsconstructies naar het oosten. Zo ontstond een 'Nederlands' taal-en literatuurlandschap.

Het aantal leken dat kon schrijven groeide vooral in de veertiende eeuw. 'Clericus' of' klerk' was oorspronkelijk een geestelijke. Nu werd het de naam voor een beroep. Grote steden als Brugge, Ieper, Gent en Dordrecht kregen eigen klerken in dienst. Vlaanderen adopteerde als eerste de volkstaal. Officiële stukken werden tot dan toe in het Latijns geschreven. Kloosters bleven die nog trouw, lang nadat het ambtelijk schrijfwerk in de volkstaal werd verricht. Na Vlaanderen begon ook het graafschap Holland-Zeeland het volkstaal als schrijftaal te gebruiken. Daarna volgde Brabant.

Kenmerken van het Middelnederlands

Een van de opvallendste kenmerken van het Middelnederlands was dat de woorden zo werden opgeschreven als ze werden uitgesproken. Ook zijn allerlei woorden aan elkaar geschreven. In de eerste regels van het bekende 'Karel ende Elegast' is dat duidelijk te zien, men schrijft 'tengelem' voor 'te Ingelheim' en 'dengel' in plaats van 'de engel'. Zoiets noemen we een clisis; zwak beklemtoonde woorden vormen dan tijdens het spreken een geheel met een beklemtoond woord. Een clisis aan het begin heet een proclisis terwilj een clisis aan het eind van een woord een enclisis is. Meer voorbeelden van een clisis zijn:
  • tien tiden uit 'te dien tiden' (op die tijd)
  • darme man uit 'die arme man' (de arme man)
  • smenschen herte uit 'des menschen herte' (het hart van de mens)
  • int covent uit 'in dat covent' (in het klooster)
  • alsi uit 'alse si' (zoals zij)
  • hi leidene uit 'hi leide ene' (hij voerde hem)

Er was geen vaste spelling, want die kon je nergens opzoeken of leren. Het alfabet was zelfs ontleend aan een vreemde taal; het Latijn. Ondanks de variaties waren er wel wat vaste gewoonten in de spelling. De spelling van het Frans bepaalde ook hoe er werd geschreven. Met een 'h' tussen de 'g' en de 'i' in het woord 'ghingen' zei men dat het woord met een zachte 'g' moest worden uitgesproken en niet met de 'zj' van 'genre'. Algemeen Nederlands bestond nog niet, wel waren er dialecten.

Tweeklanken 'ui' en 'ij' gebruikte men niet. 'Muus' en 'huus' waren nog geen 'muis' en 'huis'. 'Wijs' sprak men uit als 'wies'. In het rijm zijn ook belangrijke aanwijzingen over de uitspraak te vinden. Zo werd 'niet' waarschijnlijk ongeveer uitgesproken als 'niët' omdat het nooit rijmt op 'nijt' of 'nijd'. In woorden als 'mensch' en 'tusschen' was nog een 'ch' of 'k' te horen. 'Zich' werd niet gebruikt in het westen, men zei 'hem scamen' in plaats van 'zich schamen'. De vervoeging van werkwoorden in eerste persoon zette een -e aan het einde, zoals in 'ic blive' of 'blijve'. Ook waren er toen meer sterke werkwoorden dan tegenwoordig. De verleden tijd van 'lachen' was 'loech' en van 'beseffen' was het 'besief' of 'besaf'. Naamvallen kende het Middelnederlands ook nog. Dubbele ontkenningen werden gebruikt, zoals in 'ic en sal niet mogen gaen'. Het bijvoeglijk naamwoord stond achter het zelfstandig naamwoord, 'die ridder goet' in plaats van 'de goede ridder'. Voegwoorden gebruikte men weinig, bv 'ic denke hi comt' en niet 'ik denk dat hij komt'.

Middelnederlandse dialecten

De dialecten van het Middelnederlands zijn:
  • Vlaams (de huidige provincies West- en Oost-Vlaanderen)
  • Brabants (de huidige Belgische provincies Brabant en Antwerpen, de Nederlandse provincie Noord-Brabant)
  • Hollands (het huidige Noord- en Zuid-Holland, en ook wel Utrecht)
  • Limburgs (het huidige Nederlands- en Belgisch Limburg)
  • Oostelijk Nederlands (gebieden ten oosten van de IJssel; het huidige Gelderland, Overijssel, Drente en deels Groningen)

1482: Het Nederlands

Tijdens de heerschappij van de Bourgondiërs werd het Frans de taal van het centrale bestuur in de Nederlanden. Het taalgebruik in de gewesten bleef echter ongewijzigd. De politiek van de Bourgondiërs was de vroegere gebruiken en privileges zo veel mogelijk ongemoeid te laten. Ze werden ook zelf steeds meer Nederlandse vorsten. De volkstaal werd gebruikt door de gewesten als symbool van verzet tegen de centrale overheid. In ruil voor steun eisten plaatselijke machthebbers dat zij Nederlands mochten gebruiken, ook in correspondentie met het centrale bestuur. Bourgondische vorsten leerden het Nederlands.

Dankzij de rederijkers en de boekdrukkunst ontstond een algemene cultuurtaal. In de vijftiende eeuw waren poëzie en toneel zeer populair, vooral door de rederijkerskamers. De rederijkers hielden feestelijke wedstrijden die soms dagen duurden, zelfs al was de literaire kwaliteit vaak niet erg hoog. Met de uitvinding van de boekdrukkunst kwamen eind vijftiende eeuw volksboeken, vaak een herbewerking in proza van ridderromans. Door de groeiende politieke eenheid en toegenomen culturele contacten die ermee samengingen, kwam de behoefte aan een algemeen Nederlands. Niet alleen een taal die in een groot gebied te verstaan was, maar die ook in geschreven vorm algemeen bruikbaar was.

Nadeel van het ontstaan van een algemene cultuurtaal is dat men na 1500 amper nog in het eigen dialect schreef. Daardoor is er weinig informatie over dialecten vanaf die tijd. Pas rond 1800 zou het romantische verlangen naar streektalen terugkeren. Vanaf 1500 groeide de algemene Nederlandse taal en ontwikkelde het zich tot ons moderne hedendaagse Nederlands. Deze naam kreeg de taal voor het eerst in 1482.

Lees verder

© 2015 - 2018 Sadya, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Het MiddelnederlandsHet Middelnederlands werd tussen 1200 en 1500 in Nederland gesproken. In dit artikel bespreek ik een aantal kenmerken va…
De Zweedse taal - De basisZweeds wordt voornamelijk gesproken in Zweden, maar ook indelen van Finland wordt Zweeds gesproken. In totaal wordt door…
De prehistorie of voorgeschiedenis van het NederlandsDe prehistorie of voorgeschiedenis van het NederlandsOver de voorgeschiedenis van het Nederlands, ook wel de prehistorie van het Nederlands genoemd, is weinig bekend. Het Ne…
Het Oudnederlands (900-1170): een verzameling dialectenHet Oudnederlands (900-1170): een verzameling dialectenDe oudste Nederlandse teksten zijn geschreven in een taal die we Oudnederlands noemen. Het Nederlands van voor 1170 was…
Het Middelnederlands (1170-1500): spelling en grammaticaHet Middelnederlands (1170-1500): spelling en grammaticaHet Middelnederlands was een wirwar van allerlei dialecten. Een uniforme spelling bestond nog niet. Kopiisten zorgden da…
Bronnen en referenties
  • 'Het verhaal van een Taal', auteurs Jan W. de Vries, Roland Willemyns, Peter Burger
  • 'Geschiedenis van het Nederlands', Marijke van der Wal ism Cor van Bree
  • 'Atlas van de Europese Talen', redactie Victor Stevenson
  • http://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_het_Nederlands
  • http://gysseling.corpus.taalbanknederlands.inl.nl/gysseling/page/search
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Maurits_Gysseling
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Corpus_Gysseling

Reageer op het artikel "Het ontstaan van de Nederlandse taal"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Sadya
Laatste update: 13-11-2017
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Taal
Special: Schrift en taal
Bronnen en referenties: 7
Schrijf mee!