InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Geschiedenis > Ulrum en Ulrumers in 1828

Ulrum en Ulrumers in 1828

Ulrum en Ulrumers in 1828 Over Ulrum bestaat een schoolmeesterrapport uit 1828. Schoolmeester A.J. Buiringe heeft het rapport geschreven. De schoolmeesterrapporten zijn de antwoorden op de vragen die de Commissie van Onderwijs in 1828 stuurde aan de schoolmeesters van een groot aantal Groninger plaatsen. Het doel van deze vragen was om informatie te verzamelen waarmee schoolopziener Nicolaus Westendorp een geologische en topografische kaart van de provincie kon samenstellen. Het rapport geeft onder meer informatie over de geografische ligging, het dorpsleven in het algemeen, over zeden en gewoonten en het karakter van de dorpelingen. In 1835 stuurde Buiringe weer een schrijven met gegevens over Ulrum naar de schoolopziener. Het kan gezien worden als een aanvulling op het rapport van 1828. De twee bronnen geven een aardig beeld van Ulrum en de Ulrumers in 1828.

Vooraf

Een artikel over 'Ulrum en Ulrumers in 1828' roept al gauw de vraag op hoe de situatie van het dorp en haar bewoners was vóór dat jaar - alle situaties en gebeurtenissen hebben immers een geschiedenis en kennis daarvan is eigenlijk nodig om de actuele stand van zaken te kunnen begrijpen. Die vraag kan in het kader van dit artikel niet bevredigend beantwoord worden. Dan zou er hier een complete geschiedenis van Ulrum gepubliceerd moeten worden. Bovendien moet daarbij ook bedacht worden dat er dan veel meer onderwerpen en personen aan de orde zouden moeten komen dan het geval is in het rapport van meester Buiringe. Nee, de inhoud van dit artikel is beperkt wat betreft de omvang van de geschiedenis en ook wat betreft het aantal onderwerpen. Wat niet wegneemt dat we ons niet beperkt hebben tot de gegevens die in het rapport staan. Ook andere bronnen zijn geraadpleegd. Voor meer uitgebreide informatie over de geschiedenis van het dorp, verwijzen we ook graag naar de afdeling verhalen op de website van 'Ulrum 1834'.

Meester Buiringe

Voor het rapport aan de orde komt, volgen hier eerst nog wat nadere gegevens over de schrijver van het rapport, Albert Jans Buiringe. Hij leefde van 1796-1837, was onderwijzer in Ulrum van 1822-1838 en daar tevens koster en organist (een combinatie die gebruikelijk was in die tijd). Uit de kerkgeschiedenis van Ulrum weten we dat hij in 1824 een van de zes notabelen was (van de hervormde gemeente van Ulrum) ten tijde van de bekende Afscheiding binnen de hervormde gemeente, die onder leiding van ds. H.de Cock plaatsvond in 1834. Binnen dat college nam hij de functie van secretaris waar. Hij was trouwens de enige van de notabelen die niet meeging met de Afscheiding.

Een aanvulling op het rapport

Het rapport van meester Buiringe dateert van september 1828. In december 1835 stuurde de meester nog een schrijven naar de schoolopziener, over de geschiedenis van Ulrum, inclusief een kwestie betreffende schoolverzuim die een relatie heeft met de Afscheidingsgeschiedenis. Dit schrijven en het rapport zijn in het betreffende archief samengevoegd. Het is dus ongetwijfeld de bedoeling dat wij het schrijven van december 1835 opvatten als aanvulling op het rapport van 1828.

Meester vertelt dat er kinderen zijn die de school niet meer bezoeken omdat de ouders van mening zijn dat hun kinderen nu wel genoeg onderricht hebben ontvangen, en dat zij wat nu nog van belang is, en dat is volgens die ouders het lezen van de Bijbel, zelf wel kunnen aanleren. Zij achten zelfs, zo vertelt de meester, veel wetenschap gevaarlijk, zeker als de meester meent zijn leerlingen zedelijke verbeteringen te moeten bijbrengen. Buiringe stelt dat die ouders behoren tot de volgelingen van De Cock (de leider van de Afscheiding dus) waarvan hij trouwens vindt dat ze tot 'de domsten' behoren.

En, zo stelt hij: "Eén kind is mij zelfs door deszelfs Grootvader van de School gehouden, omdat ik, (zoo als hij zeide) eene verderfelijke leer had en slechte boeken. Mijn heer! het laatste bragt mij niet eens in drift, omdat het de opperste der Cock's gezinden mij dit toeduwde! Voor het overige verblijd ik mij, dat het onderwijs, aan die kinderen welke de School geregeld bezoeken voordeelig werkt, en zou niets vuriger wenschen, dan dat allen de School nooit verzuimden."

Het onderwijs

't Is eigenlijk wat vreemd dat in een schoolrapport waarin over het betreffende dorp zoveel verschillende gegevens vermeld zijn, het onderwijs ter plaatse slechts beperkt aan de orde komt. Op de vraag '"Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?" volgt, wat de school betreft, slechts de mededeling dat er een school is, die in 1815 nieuw is gebouwd met plaats is voor 100 kinderen. Verder niets over het onderwijs zelf, de vorderingen van de leerlingen, het schoolverzuim (een hot item in die tijd) e.d.

In het schrijven van de meester aan de schoolopziener van december 1835 wordt nadere informatie verstrekt over de geografische situatie van Ulrum, de voortbrengselen van "de drie natuurrijken" (de dieren, de planten, en de producten die land- en tuinbouw voortbrengen), de omvang en de inrichting van het schoolgebouw en, zoals we zagen, over schoolverzuim in verband met de Afscheidingsgeschiedenis).

Leefwijze; dagindeling

Het rapport maakt er geen melding van, maar als we een beeld willen geven van het reilen en zijlen van een dorp en zijn bewoners, kunnen we er niet omheen dat in die jaren in de dorpen - en Ulrum vormde daar geen uitzondering op vaak - meerdere vreemdelingen van diverse pluimage vertoefden. Daarbij ook inbegrepen de nodige bedelaars, zwervers en 'schooiers' en natuurlijk ontbrak geboefte daarbij niet. Het ging vaak om scharrelaars die, tegen een kleine vergoeding, ook wel eens tijdelijk klusjes voor de boeren deden. Daarbij rekenen we ook de zogenaamde hannekemaaiers, kiepkerels en anderen die, onder meer vanuit de Duitse grensstreken en uit de Friese Woudenstreek in het zomerseizoen naar het Hogeland kwamen om bij de grote(re) boeren als losse boerenarbeiders wat bij te verdienen en meteen een handeltje dreven (in kleren bijvoorbeeld). Ze overnachtten dan in de schuur van de betreffende boerderij waarin ook het hooi was opgetast (of in de hooiberg, die, buiten het Friese en Groningse gebied, gewoonlijk op het erf stond).

De bedelaars en vanzelfsprekend de ongure types onder hen waren niet welkom en (burgelijke) gemeenten vaardigden nogal eens verordeningen uit die de ongewenste gasten buiten de deur moesten houden - de veldwachter had in dezen een belangrijke taak in de gemeente.

Richten we onze blik weer op de 'gewone' boeren en burgers, waarbij we weer de gegevens volgen die in het rapport genoteerd staan, dan kunnen we constateren dat 'de landsman' - en z'n vrouw, als hij getrouwd is - de dag vroeg begon: meestal tegen vier uur. De zogenoemde 'handwerkslieden' stonden een uur later op (als hun bezigheden dat toelieten).

's Winters ontbeet de landsman om zeven uur en de handwerksman - de aanduiding 'dorpsbewoner' wordt hier ook wel gebruikt - om acht uur. Het middageten was voor allen dezelfde tijd: om twaalf uur. Het avondeten was voor de landsman om zes uur, voor de handwerksman om zeven uur; de boeren aten 's winters om vijf uur. Het naar bed gaan gebeurde 's zomers 's avonds om negen à tien uur; 's winters om acht à negen uur.

Vermaak en visite

Ontspanning en vermaak vond men voornamelijk in bezoek aan kermissen, harddraverijen, (zo mogelijk) schaatsen en openbare verkopingen/boeldagen. De sportbeoefening zoals wij die kennen was er niet of stond in de kinderschoenen). Ook voor de elite in Ulrum en omgevingen bleven de mogelijkheden tot ontspanning meestal beperkt tot wandelen, bezoek aan harddraverijen en het maken van een ritje met paard en wagen of koets voor de welgestelden.

Over op-visite-gaan schrijft meester Buiringe: "De genodigden gaan des avonds te zeven à acht uren uit, drinken dan te zamen Koffij of Chocolade en daarna eenig brandewijn met suiker, en na elkaar onder het roken van enige pijpen tabak (roken geschiedt hier door de mannen), het nieuws van den dag, en nuttige gesprekken afgehoord te hebben, scheidt men ten elf à twaalf uren of later in den nacht." Gewoonlijk werden kennissen/vrienden eenmaal per jaar uitgenodigd voor bezoek.

De grote gebeurtenis van vermaak in de dorpen, inclusief Ulrum, was de jaarlijkse kermis. Niet door allen werden de kermissen gewaardeerd. Zeker de orthodoxe gereformeerden meden dat vermaak. De 'strenge' dominees en ouderlingen waarschuwden hun volgelingen voor het 'zondige' vermaak. Bij de Afgescheidenen bijvoorbeeld moesten degenen die het waagden de kermis te bezoeken zich maar al te vaak voor de kerkenraad verantwoorden; de zondaar werd dan berispt en hij liep het risico dat hem de toegang tot het Avondmaal ontzegd werd.

Een zonde die veel voorkwam en waar tegen het kerkelijke, maar ook het wereldlijk gezag, zich te weer stelde, was drankmisbruik. In het licht van wat er hiervoor over het kermisbezoek werd verteld, kan vermeld worden dat ook voor veel orthodoxe christenen drankgebruik tot de (dagelijkse) gewoonten behoorde. Voor alle zekerheid: het drinken van alcoholische drank kwam niet alleen tijdens kermissen en huwelijken voor. Drank werd door velen dagelijks gebruikt/misbruikt en het kwam onder alle lagen van de bevolking voor. Er waren heel wat gelegenheden waar alcohol geschonken werd: herbergen, cafés, kroegen, 'tapperijen'. Veelzeggend is in dit verband dat de gemeenteraad meestal vergaderde in de plaatselijk herberg. Groningen was wat dit fenomeen betreft trouwens de koploper bij de provincies: daar gebeurde het in 54 van de 57 gemeenten (cijfers uit 1881).

Huwelijk

Hier rapporteert de meester dat het er bij het huwelijk eenvoudig aan toe ging. Samen met de naaste bloedverwanten en buren ging het bruidspaar naar het gemeentehuis. Daar werd door de burgemeester, volgens wettelijke voorschriften, het huwelijk voltrokken. Daarna begaf het gezelschap zich naar het huis waar de jonggetrouwden hun intrek zouden nemen. Daar werd "niet zelden het overige van den avond in vrolijkheid doorgebragt, en men scheidt somtijds diep in den nacht."

Buiringe zwijgt over de kerkelijk bevestiging van het huwelijk. Dat kan erop wijzen dat in Ulrum in die tijd de kerkelijke bevestiging (ook vaak 'inzegening' genoemd) niet of slechts sporadisch voorkwam. Dat zal ongetwijfeld te maken hebben met het gegeven dat na de Franse tijd voor de wet alleen het burgerlijk huwelijk geldig was. Met andere woorden, kerkelijke bevestiging van het huwelijk was officieel (juridisch gezien) voor de overheid niet relevant meer. (Vóór de Franse tijd was dat anders; de kerk was sowieso bij het huwelijk betrokken omdat zij de registratie van de huwelijksvoltrekking verzorgde.)

Zeker onder de boerenarbeiders (en die vormden in Ulrum, en elders op de noordelijke klei, het grootste deel der bevolking) kwam het gedwongen huwelijk veel voor. Het gegeven dat op de boerderijen de knechts en de meiden vaak in één ruimte sliepen, heeft daar ongetwijfeld toe bijgedragen.

Begraven

Bij de begrafenisplechtigheden noteert de meester alleen datgene wat betrekking heeft op de gegoedsten. Op de dag van de teraardebestelling komen de naaste familieleden en buren en ook de predikant en de kerkenraad naar het huis van de overledene. Daar is voor de middag, tussen tien en twaalf uur, een samenzijn waarbij koffie, brandewijn of jenever geschonken wordt (en waar, naar we mogen aannemen gelegenheid is voor condoleren). Als de klok twaalf uur heeft geslagen, "draagt men het lijk uit, zet het vervolgens op een draagbaar, en dan wordt het door acht à tien personen naar het kerkhof gedragen. De vrienden en buren volgen deze trein "paars gewyze in het zwart grootendeels gekleed, de naaste bloedverwanten vooräan, de vrouwen plaatsen zich achter de mannen en voor het grootste gedeelte door een zwart kleed omhangen, onder den naam van zegenkleed. Op het kerkhof gekomen zijnde, draagt men het lijk rondom het kerkhof, en zet het vervolgens in een graf; hetwelk door de buren of kluflieden des voormiddags is gegraven."

Daarna gaat men terug naar het sterfhuis waar een maaltijd wordt gehouden, dat wil zeggen, er wordt wittebrood genuttigd. Maar voor men daaraan begint, "tikt de bediende aan de deur van het vertrek waar de vrienden te zamen zijn; terwyl dan alles stil is staat de Predikant op en doet gepaste aanspraken en gebed voor den maaltijd. Indien men van wittebrood byna voorzien is, wordt er Rystebrij gegeven, hiervan ieder deszelfs behoefte genomen te hebben, houdt men de maaltyd voor geëindigd. Voorts doet wederom den Predikant, eene dankzegging, voor het genotene en het overige van den dag, wordt dan in stille eerbiedigheid, onder het roken van tabak, aangevoerde zedelijke gesprekken en nuttigen van thee, koffij en bier doorgebragt; waarna de vrienden en verder genoodigden, den een vóór en den ander na vertrekt."

Lees verder

© 2015 - 2017 Petervandenburg, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Ds. H.P. Scholte en H. Scholte in UlrumDs. H.P. Scholte en H. Scholte in UlrumIn het centrum van Ulrum, op de westelijke wierde, is de H. Scholtestraat te vinden. Velen zeker de geïnteresseerden i…
Familie Van Geuns - Oorlogsslachtoffers uit UlrumFamilie Van Geuns - Oorlogsslachtoffers uit UlrumAl spoedig na het begin van de Duitse bezetting in 1940 werden de eerste anti-joodse maatregelen van kracht. Diverse geb…
Klaas Luidens - Oorlogsslachtoffer uit UlrumKlaas Luidens - Oorlogsslachtoffer uit UlrumOp dinsdagmorgen 25 april 1944 reisden vier jongemannen uit Ulrum, Jan Brondijk, Tobi van Dijk, Jaap Homan en Klaas Luid…
Doopsgezinden in Ulrum en Houwerzijl: GetalsverminderingDoopsgezinden in Ulrum en Houwerzijl: GetalsverminderingIn de achttiende eeuw deed zich een opvallende achteruitgang voor in aantal leden van de doopsgezinde gemeenten in Neder…
Hellinga, Lucas en De Groot - Oorlogsslachtoffers uit UlrumHellinga, Lucas en De Groot - Oorlogsslachtoffers uit UlrumJan Hendrik Lucas en Jelle Hellinga voeren beiden op het m.s. Gerdina. Op 30 september 1942 liep het schip op een mijn e…
Bronnen en referenties
  • Groninger Archieven: SchoGeschiedenis van Groningenolmeesterrapport Ulrum 1828
  • J.S. van Weerden, Spanningen en konflikten. Verkenningen rondom de Afscheiding van 1834. (Groningen, 1967)
  • Geschiedenis van Groningen deel III (Zwolle, z.j.)

Reageer op het artikel "Ulrum en Ulrumers in 1828"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Petervandenburg
Laatste update: 19-07-2017
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Geschiedenis
Special: Geschiedenis Ulrum
Bronnen en referenties: 3
Schrijf mee!