InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Geschiedenis > Het kabinet De Geer, 1939-1940

Het kabinet De Geer, 1939-1940

Het kabinet De Geer, 1939-1940 Van Jhr. De Geer, de premier van het kabinet dat in de meidagen 1940 naar Londen uitweek, bestaat een uitgesproken negatief beeld: Hij was een zwakke figuur, eigenlijk niet geschikt om premier te zijn en zeker niet in die moeilijke tijd in 1940. Tot overmaat van ramp keerde hij weer terug naar Nederland waar hij het op een akkoordje met de Duitsers gooide. Sterker nog, hij steunde hen door een brochure uit te geven waarin hij het Nederlandse volk opriep tot samenwerking met de bezetters. Hij is dan ook volkomen terecht na de oorlog veroordeeld voor zijn gedrag in bezettingstijd – zo wordt over het algemeen gedacht. Dit negatieve beeld is eenzijdig, het dient genuanceerd te worden. Zo blijkt uit het proefschrift van M. van de Kaaij over De Geer uit 2012.

Inhoud


Twee kabinetten De Geer

Het kabinet De Geer dat vooral bekend is vanwege het vertrek naar Londen in mei 1940, toen in Nederland de Tweede Wereldoorlog begon, was het tweede kabinet waarvan Jhr. Mr. D.J. de Geer premier was. Wie ‘kabinet De Geer’ zegt, bedoelt eigenlijk als vanzelfsprekend dát kabinet (dat was aangetreden in augustus 1939). Vaak realiseert men zich dan niet dat ervóór 1939 ook al eens een kabinet werd geformeerd dat zijn naam droeg: het eerste kabinet De Geer.

Het eerste kabinet De Geer (1926-1929)
Het trad aan in maart 1926, na de val van het eerste kabinet van zijn rivaal AR-voorman H. Colijn in 1925. Het wordt getypeerd als een extraparlementair kabinet, dat wil zeggen, het kon niet rekenen op een politieke meerderheid in het parlement. De leden ervan hadden geen directe band met partijen in de volksvertegenwoordiging, behalve De Geer zelf: hij was een voorman van de Christelijke Historische Unie (CHU). Geen duidelijke politieke meerderheid betekende in de praktijk dat zijn ministersploeg zich niet met politiek gevoelige zaken kon bezighouden. In die zin kan het ook een zakenkabinet genoemd worden. Er werd ook niet veel meer van verwacht dan dat het als ‘intermezzokabinet’ wilde fungeren tot er wel een regering op basis van een meerderheid gevormd kon worden. Maar in de praktijk liep het anders dan verwacht: het was een relatief succesvol kabinet dat de hele rit uitzat, tot de verkiezingen van 1929. En het wist een aantal belangrijke wetten tot stand te brengen (en door de Kamer te krijgen) – onder andere betreffende de gemeentefinanciën. Dit kon mede dankzij het gunstige economische klimaat dat er toen heerste. Zo was er ook nog ruimte voor enige belastingverlaging. De Geer was trouwens behalve minister-president ook minister van Financiën in zijn eerste kabinet (een ambt dat hij ook al in een vorig kabinet had bekleed). Hij werd over het algemeen als premier positief gewaardeerd.

De Geer voor de tweede keer minister-president
De verkiezingen van 1929 brachten geen grote verschuivingen in het parlement teweeg. Het in die periode heersende overwicht van de confessionele ('rechtse') partijen, de katholieke RKSP en de protestantse ARP en CHU, bleef bestaan. Zo trad na de verkiezingen het derde kabinet van de katholieke voorman Jhr. Mr. Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck aan (1929-1933) waarin De Geer wederom minister van Financiën was. Een zestal jaren later kwam hij, de politiek-gematigde, hardwerkende politicus, weer in beeld. Toen, in 1939, viel het laatste kabinet Colijn al twee dagen nadat het was aangetreden. De Geer was toen al 69 jaar, toch accepteerde hij in die moeilijke periode vol binnen- en vooral buitenlandse spanningen de opdracht van de Koningin om een nieuw kabinet te formeren.

Jhr. D.J. de Geer (1870-1960)

Dirk Jan (Dirk) de Geer studeerde rechten in Utrecht waar hij in 1895 cum laude promoveerde en betrokken raakte bij de politieke groepering van Jhr. A.F. de Savornin Lohman: de Vrij-Antirevolurionaire Partij (die in 1908 opging in de CHU). Eerst was hij gemeenteraadslid in Rotterdam, in 1907 kwam hij in de Tweede Kamer. Hij was dus jurist, maar had een speciale belangstelling voor financiën. Hij stelde zich nogal eens onafhankelijk van de partijlijn op – maar dat was kenmerkend voor de CHU. Toen hij 50 jaar was werd hij burgemeester van Arnhem, waar hij snel aanzien en gezag verwierf. Maar na anderhalf jaar, in 1921, was hij al weer terug in de landelijke politiek: als minister van Financiën in het eerste kabinet Ruijs de Beerenbrouck (1918-1922).

De bewindsman De Geer, 1921-1939
Hij was altijd politicus met een onafhankelijke geest gebleven. Hij opereerde graag solistisch, ook als minister. Raadpleegde zelden anderen en zorgde nog al eens voor verrassingen. Zo trad hij in 1923 onverwacht af als minister van Financiën omdat hij zich niet kon verenigen met de Vlootwet die de regering voorstelde (en die trouwens verworpen werd door de Kamer). In het volgende kabinet, Colijn I, was hij minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw. De regering kwam ten val in de befaamde nacht van Kersten, november 1925 ). Tijdens het kabinet Colijn III (1935-’37) was De Geer weer ‘gewoon’ Kamerlid - maar wel fractievoorzitter van de CHU. Colijn IV dat daarop volgde kwam in juni 1939 ten val. Daarmee was er een eind gekomen aan de regeerperiode van meer dan 20 jaar rechtse coalities (RKPS, CHU en ARP).

Wilhelmina wilde in eerste instantie graag een herstel van het bestaande kabinet onder leiding van Colijn, mede omdat deze ooit z’n sporen ook al had verdiend in het leger (in Indië), en verbetering van de nationale defensie was nu urgent. De AR-voorman was toen net als De Geer op leeftijd maar hij meende toch dat hij "als soldaat”, zoals hij zei, moest gehoorzamen als de koningin hem een opdracht gaf. Evenwel, het lukte hem niet de zaak rond te krijgen. Dit tot ongenoegen van hemzelf, van vele andere politici en de koningin, want gezien de situatie in binnen- en buitenland kon Nederland zich een kabinetscrisis eigenlijk niet veroorloven. Sterker nog, er moest een kabinet komen dat breed gedragen werd in de Kamer. Dus was het van groot belang nu ook de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) er bij te betrekken, en fractievoorzitter van J.W. Albarda had al aangegeven dat hij wel mee wilde werken aan zo’n kabinet. En het moest dus niet te lang duren, gezien de zorgwekkende omstandigheden. Mede op aanraden van de voorzitter van de Tweede Kamer, J.R.H. van Schaik (RKSP), wees de majesteit De Geer aan om het zo dringend gewenste kabinet te formeren.

Het Tweede kabinet De Geer

Waarom De Geer, zo vraagt C. Fasseur zich af in zijn boek over Wilhelmina (p. 208). Zijn antwoord: “Hij was verreweg de slimste, neen de sluwste, van de beschikbare kandidaten voor het premierschap. Hij had in de afgelopen jaren en maanden politiek zo behendig gemanoeuvreerd dat hij voor vrijwel alle partijen (inclusief de SDAP) aanvaardbaar was.”
In 1939 deed koningin Wilhelmina dus niet tevergeefs een beroep op de toen al bejaarde De Geer. Natuurlijk waren er twijfels: men wist van zijn pacifistische gezindheid, zijn eigengereidheid en wereldvreemdheid. Maar dat werd op de koop toegenomen.

In de ARP werden vraagtekens gezet bij de beweegreden van De Geer om wel te willen formeren. Hij stelde namelijk voor dat Colijn maar weer premier moest worden, dan zou hij Financiën wel doen. Waarom stelde hij dat voor? Bij de AR verdacht men hem ervan dat hij Colijn op die manier in verlegenheid wilde brengen. Want, zo werd verondersteld, De Geer wist al bij voorbaat dat zijn AR-collega het niet zou doen, niet zou kúnnen doen omdat dan de SDAP zou afhaken – van die partij was bekend dat die niet samen met Colijn wilde regeren

De formatie.
Inderdaad, Colijn ging niet op zijn voorstel in - De Geer werd formateur. Hij probeerde een zo breed mogelijk kabinet te vormen, met ministers uit alle grote partijen. Binnen een week was hij klaar: hij slaagde erin ministers te vinden uit de grote partijen, alleen de liberalen deden niet mee; de links-liberalen van de Vrijzinnig-democratische Bond (VDB) wel. De ARP ook niet, maar toch was er een vooraanstaand lid van die partij die een ministerspost voor zijn rekening nam: de VU-hoogleraar P.S. Gerbrandy. Die eigenzinnige actie leverde Gerbrandy een storm van kritiek op (zoals te begrijpen valt gezien het gevoelen van de ARP bij deze kabinetsformatie). P.J. Oud (VDB, die van '35-'37 minister van Financiën was geweest werd gevraagd die post nu weer te gaan bekleden, maar deze weigerde. Dus nam De Geer die portefeuille erbij naast zijn functie als minister van Algemene Zaken (en daarmee meteen premier). Het is in dit verband interessant om na te gaan hoe genoemde P.J. Oud de situatie zelf beoordeelde. Dat kan aan de hand van zijn boek Honderd jaren dat de parlementaire geschiedenis van 1840-1940 beschrijft. Welnu, Oud schrijft niets over een weigering zijnerzijds – wat trouwens niet wil zeggen dat die bewering niet klopt; hij zwijgt in de beschrijving van die periode sowieso over zijn eigen rol. Over de werkzaamheden van het kabinet in de periode vóór mei ’40 schrijft hij: er valt weinig over te zeggen; “het zet de politiek van zijn beide voorgangers voort. Men begrijpt steeds minder waarom het kabinet-Colijn van 1937 in elkaar moest storten.” (p.308) Ook de neutraliteitspolitiek wordt in deze periode van oorlogsdreiging voortgezet.

De Geers premierschap tot het uitbreken van de oorlog mei ‘40
Meindert van der Kaaij stelt in het artikel “Het tragische einde van minister-president Dirk de Geer” in Trouw (31/5/2012 ) naar aanleiding van zijn proefschrift Een eenzaam staatsman - Dirk de Geer, 1870-1960 dat men na een paar maanden regeren moest erkennen, ook de liberale kranten, die zo verdrietig waren over het vertrek van Colijn, dat het kabinet boven verwachting presteerde. Dat is een ander beeld dan wat daarvoor over het algemeen van De Geer geschetst werd. De al genoemde P.J. Oud bijvoorbeeld – en hij zat dus dicht bij het vuur - geeft in zijn boek Honderd jaren niet de indruk dat hij zo positief was. Trouwens De Geer pretendeert zelf ook niet een belangrijke rol zullen gaan spelen; hij noemt zijn ploeg heel bewust een “noodkabinet” – er moest nu eenmaal geregeerd worden, juist in die moeilijke situatie, en hij is bereid daarbij de last van premierschap wel te willen dragen. Hij zette dus de politiek van zijn voorgangers voort, waaronder de handhaving van een strikte neutraliteit in die tijd van oorlogsdreiging. Financieel gezien was er ook niet veel ruimte voor verandering, voor bijvoorbeeld grote extra-uitgaven voor defensie – door de algehele mobilisatie die in ’39 was afgekondigd was de financiële druk al danig toegenomen. Al met al is de defensie-inspanning onvoldoende geweest. Dat bleek spoedig in mei ’40 toen het Nederlandse leger weinig uit kon richten tegen het moderne, sterke Duitse leger dat ons land in mei ’40 binnenviel.

Premier in ballingschap

Van der Kaaij stelt in bovengenoemd artikel dat De Geer vlak na de inval van de Duitsers op 10 mei 1940 de ministers in de vroege uren naar zijn huis liet komen en op zijn werkkamer een proclamatie schreef waarin iedereen zich kon vinden. Zelfs Wilhelmina vond die 'heel goed'. G. van der List komt in zijn boek over de premiers van Nederland (p. 100) met een ander verhaal: de bejaarde premier was geheel de klus kwijt en na veel angstig getob en getwijfel nam hij de wijk naar Londen, waar hij zich van zijn meest defaitistische kant toonde. Een houding die juist Wilhelmina al spoedig bijzonder tegenstond. Ook J. Bosman – die het boek van P.J. Oud een vervolg heeft gegeven voor de periode 10 mei ’40 tot 1986- is bepaald niet positief. Volgens hem ontbrak het de regering in de fatale meidagen aan besluitvaardigheid. Om het artikel van Van der Kaaij recht te doen dient hier wel vermeld te worden dat ook hij wat betreft die rampzalige 10e mei ’40 stelt dat er paniek uitbrak, maar wel later die ochtend " toen het ene militaire rampbericht het andere opvolgde. Alle plannen die voor een eventuele inval waren gemaakt, konden de prullenbak in. Geruchten gingen dat Duitse militairen reeds door Den Haag liepen. De Geer trachtte wanhopig contact te leggen met het staatshoofd, maar zij hield zich onbereikbaar. Het kabinet kwam moeizaam tot het besluit om de regering naar Londen te verplaatsen en pas nadat het bericht was binnengekomen dat de koningin plotseling het land had verlaten".

Wat zegt Koningin Wilhelmina zelf? InEenzaam maar niet alleen vertelt ze dat zij en de andere leden van de koninklijke familie van paleis Huis ten Bosch naar een schuilkelder in de tuin van paleis Noordeinde werden gebracht toen er Duitse parachutisten boven Den Haag werden gedropt. Juliana, Bernhard en de kinderen vertrokken later met een Engels fregat vanuit IJmuiden. Op 13 mei had de opperbevelhebber der strijdkrachten generaal Winkelman haar bevel gegeven Den Haag te verlaten want voor haar veiligheid kon hij niet meer instaan. De koningin en haar gezelschap vertrokken naar Hoek van Holland en van daaruit voeren ze weg met een Engelse jager. Op zee werd, gezien de meest recente ontwikkelingen, besloten naar Londen te gaan.

Verblijf in Londen; Wilhelmina en De Geer
Wilhelmina vond De Geer totaal niet geschikt als premier in die moeilijke situatie. Een bijzondere situatie ook in die zin dat het kabinet moest regeren zonder de grondwettelijke vereiste organen Raad van State en Staten-Generaal; er werd geregeerd ”met behulp van in koninklijke besluiten gegoten wetsbesluiten. (…) De ministeriële verantwoordelijkheid, spil van het parlementaire stelsel, is buiten werking komen te staan." (Oud/Bosman p. 301). Een krachtige leiding was dus nodig; welnu, die leiding kwam zeker niet van de premier en de meeste van de andere kabinetsleden. Wilhelmina minachtte hen. Alleen de minister van Justitie P.S. Gerbrandy en de SDAP-minister van Sociale Zaken J. van den Tempel achtte ze bekwaam voor hun taak. Van De Geer wilde ze zo spoedig mogelijk af. Ze probeerde hem naar Nederlands-Indië over te laten plaatsen, maar dat mislukte – de gouverneur daar ging er niet mee akkoord. Toen greep ze een verzoek van De Geer om in Zwitserland op vakantie te mogen gaan – wat zij een idioot idee vond - aan om zijn aftreden te eisen. Het kabinet protesteerde. De koningin zette door en er dreigde een constitutionele crisis. Dat kon de gezagsgetrouwe en koningsgezinde De Geer niet voor zijn verantwoording nemen. Hij trad af. Gerbrandy was bereid de ministeriële verantwoordelijkheid daarvoor op zich te nemen.
Volgens Van der Kaaij is het niet zo, wat later vanuit Londen werd gesuggereerd, dat hij op eigen beweging was opgestapt, dat hij koningin en vaderland had verraden. Hij werd onwaardig bevonden en hij vertrok. Dat hij van verraad werd beticht kwetste hem diep.

Het defaitisme van De Geer
Het grote verwijt aan De Geer was (en is) is zijn defaitsme. Hij was niet zoals Wilhelmina en Gerbrandy een strijdbaar type – dat hing ongetwijfeld samen met zijn pacifistische instelling. Hij wilde zich neerleggen bij de ontstane situatie en proberen, zo nodig in samenwerking met de Duitse bezetters, er het beste van te maken voor Nederland. Tekenend is dat hij al op 20 mei, zonder zijn collega’s daar in te kennen, via de BBC een boodschap aan het Nederlandse volk liet uitgaan waarin hij het volk maande tot kalmte en ordelijk gedrag en de administratieve dienst opriep samen te werken met de Duitse autoriteiten. In juni en juli sprak hij zich in de ministerraad zonder meer uit voor onderhandelingen met de Duitsers, desnoods buiten de Engelsen om. Wilhelmina wist toen zeker dat ze van hem af moest zien te komen. en ze dwong hem dus tot aftreden. Eind augustus werd hij vervangen door de stoere Fries Gerbrandy, meer iemand naar het hart van de onverzettelijke, eigenzinnige koningin - later zou de verhouding minder goed worden .

De Geer terug naar Nederland

De Geer werd aan de kant gezet door Wilhelmina en trad dus af. Hij had nu, naar zijn idee, niets meer te zoeken in Londen en hij besloot te vertrekken naar Nederlands-Indië, waar kinderen van hem woonden. Tijdens een overstap in Lissabon kwam hij er achter dat hij, zonder problemen met de Duitse bezetter te krijgen, ook terug kon naar Nederland. En dat deed hij. In februari 1941 was hij weer thuis. Prompt noemde Gerbrandy hem een verrader. De Geer voelde zich diep gekwetst en schreef later, in april ’42 een brochure waarin hij zijn stap verdedigde en ook pleitte voor vrede en een synthese tussen democratie en nationaal-socialisme - in de praktijk: samenwerking met de Duitsers. Dit boekje wekte natuurlijk grote verontwaardiging, met name bij het verzet.

De tragische Jhr. De Geer
‘Verontwaardiging’ is waarschijnlijk te zwak uitgedrukt. G. van der List stelt in zijn boek: “Hij werd geminacht en gehaat.” Hij kwam in 1947 voor de rechter, die vond dat hij met zijn brochure de bezetter had geholpen en veroordeelde hem tot een jaar voorwaardelijke gevangenisstraf. De titel Minister van Staat, die hij had sinds 1933, moest hij inleveren; zo ook zijn koninklijke onderscheidingen. Hij bereikte de hoge leeftijd van 89 jaar; hij leefde al die tijd in verbittering, teruggetrokken en genegeerd.
M. van der Kaaij heeft in zijn proefschrift uit 2012 over De Geer het bestaande negatieve beeld van de jonkheer genuanceerd. Hij wijst op het vele goede wat hij vóór de oorlog verrichtte ten bate van het vaderland. Ook wijst hij zonder meer de beschuldiging van de hand dat De Geer altijd al een sympathisant van de NSB zou zijn geweest. Hij was juist (voor de oorlog) altijd een van de grootste bestrijders van die partij geweest. Ook stelt hij dat het niet klopt wat minister Van Kleffens over De Geer naar buiten bracht: deze zou op Churchill een ‘allerakeligste indruk’ hebben gemaakt. Van der Kaay zegt in het archief van de Britse staatsman een memo te hebben gevonden waaruit een heel ander beeld oprijst.

Een kwalijke rol van Van Kleffens en Gerbrandy
Waarom, zo vraagt de schrijver van het proefschrift zich af, bracht Van Kleffens zo’n negatief beeld van De Geer naar buiten? “Vermoedelijk wilde hij de aandacht van zijn eigen handelen afleiden. Zo steunde hij in de zomer van 1940 een gesprek dat KLM-directeur Plesman had met nazi-topman Göring over een mogelijke vrede. In het verslag van dit gesprek aan zijn Britse collega Lord Halifax droomde Van Kleffens al van een tunnel onder het Kanaal die de uitwisseling van goederen en personen tussen Groot-Brittannië en het continent mogelijk zou maken.” Van der Kaaij meent, op grond van archiefonderzoek, dat ook minister Gerbrandy een kwalijke rol in het geheel heeft gespeeld. Zo zou deze geheime staatsstukken hebben verdonkeremaand die tot een ander oordeel van de rechter in het proces tegen De Geer hadden kunnen leidden; pas ná veroordeling van De Geer kwam hij er, na veel aandringen, mee op de proppen.

Van der Kaaij stelt dat er van een onafhankelijke rechtspraak ten aanzien van De Geer geen sprake is geweest . En waarom spande Gerbrandy zich zo in om De Geer veroordeeld te krijgen? “Vermoedelijk redeneerde hij dat het makkelijker was om het ontslag van De Geer te verantwoorden wanneer zijn voorganger was veroordeeld. Daarin slaagde Gerbrandy goed. Over de betrokkenheid van Wilhelmina bij het ontslag van De Geer maakte niemand zich meer druk. De Geer werd, samen met Colijn, het symbool voor alles wat voor de oorlog fout was. Daar waar sociaal-democraten voor de oorlog De Geer prezen voor zijn moed om de SDAP in de regeringsmacht te laten delen, zo lieten zij na de oorlog geen spaan van hem heel. (…) De Geer bekende dat hij op zijn loopbaan terugkeek als op een ruïne. De rest van zijn leven sleet hij als een paria en schreef hij wanhopige brochures om zijn naam te zuiveren.”

Lees verder

© 2017 Petervandenburg, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
H. Colijn - levensloop in jaartallenHendrikus Colijn (1869-1944) is een omstreden politicus. Aan de ene kant was hij – zeker in zijn tijd – populair en voor…
Geer & Goor: Effe Geen Cent Te MakkenIn het RTL4 programma Geer & Goor: Effe Geen Cent Te Makken leven Gerard Joling en Gordon Heuckeroth een maand lang op A…
Brochure schrijvenEen brochure is een medium dat geschikt is voor bijna elk doel en elke doelgroep. Een brochure bestaat uit een vast aant…
Noachieden: Een noachied is een rechtvaardigeNoachieden: Een noachied is een rechtvaardigeEen noachied, iemand die de noachidische geboden naleeft, is een rechtvaardige en mag deel uit maken van de toekomstige…
W. Drees - levensloop in jaartallenWillem Drees is dé politicus van de wederopbouw van Nederland na de Tweede Wereldoorlog. Maar niet alleen met wederopbou…
Bronnen en referenties
  • Inleidingsfoto: Foto Coll. Icon. Bureau, 's-Gravenhage / Wikimedia Commons
  • www.parlement.com/regering/kabinetten
  • G. van der List, “De tragische jonkheer, Dirk de Geer (1870-1960)”, in: Alle 42 premiers (Uitg. Elsevier, Amstredam 2010
  • P.J. Oud, Honderd jaren, een eeuw van staatkundige vormgeving in Nederland, 1840-1940 – Bewerkt en voor de periode na 1940 aangevuld door J. Bosman (uitg. Van Gorcum, Assen; eerste druk in 1945; bewerkte uitgave in 1987)
  • Meidert van der Kaaij, “Het tragische einde van minister-president Dirk de Geer”, in Trouw, 31 mei 2012

Reageer op het artikel "Het kabinet De Geer, 1939-1940"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Infoteur: Petervandenburg
Laatste update: 03-03-2017
Gepubliceerd: 02-03-2017
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Geschiedenis
Bronnen en referenties: 5
Schrijf mee!