InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Geschiedenis > S. Blaupot ten Cate – armoedebestrijding en onderwijs

S. Blaupot ten Cate – armoedebestrijding en onderwijs

Steven Blaupot ten Cate (1807-1884) was doopsgezind predikant, schrijver van de geschiedenis der doopsgezinden, lid van de Tweede Kamer en in de periode 1859-1880 inspecteur van het lager onderwijs in de provincie Groningen. Opvallend bij al die functies is, zijn niet aflatende betrokkenheid bij de armoedebestrijding. Daarbij is goed volksonderwijs essentieel. De combinatie van die twee aspecten, armoedebestrijding en volksonderwijs is kenmerkend voor het werk van Blaupot ten Cate.

Inzet voor de ‘mindere man’

In de jaren1830-1848 was Steven Blaupot ten Cate predikant bij de doopsgezinde gemeenten in respectievelijk Akkrum en Zaandam. Aangezien hij later actief werd als liberaal kamerlid en als voorman van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, mogen we hem ongetwijfeld rekenen tot de vrijzinnig doopsgezinde richting in Nederland. Daarbij past ook het beeld van de man van gegoede stand die zich inzet voor het welzijn van ‘de mindere man’. In dat geheel speelde in de 19e eeuw de armoedebestrijding een essentiële rol. En in verband daarmee ook de bevordering van goed onderwijs.

De rol van de staat en de filantropie

In 1852 verscheen de eerste uitgave van het Tijdschrift voor het Armwezen. Ten Cate schreef daarin een artikel over ‘de betrekking van den Staat tot den Armwezen’. Hij zag die betrekking als volgt:
‘De staatszorg komt uit haren aard later in aanmerking dan de persoonlijke en Kerkelijke liefdadigheid; want de Staat zorgt alleen op maatschappelijke en staatkundige gronden en niet uit liefde, daar, waar de liefdadigheid te kort schiet of minder duidelijk hare roeping voelt.’

Dat is dus de 19e–eeuwse liberaal ten voeten uit: wel staatsbemoeienis, maar alleen daar waar het particulier initiatief te kort schiet. Filantropie blijft hoofdzaak voor Ten Cate.

In een artikel van zijn hand in het Tijdschrift voor het Armwezen IV (1856), lezen we dat, wat het armwezen betreft, hij ‘eene eendrachtige zamenwerking van alle krachten voor noodzakelijk’ houdt. Er mag iets verwacht worden van de staat en van de kerk, maar ook iets van de vrijwillige hulp der ingezetenen.

‘In allen gevalle moet er veel verwacht worden van de meer gegoede standen. Deze moeten doordrongen zijn van hunne verplichting om de verarming van de lagere klassen tegen te gaan. Die verplichting wordt ons door geene staatswet opgelegd. (…). Wij handelen dus vrijwillig, (…) zonder een ander wetboek te kennen, dan dat, waarvan de titel en inhoud door elke bladzijde van ons levensboek worden uitgedrukt: de liefde!’

Schoolverzuim is ‘het groote kwaad’ - volksonderwijs als wapen tegen armoede

Blaupot ten Cate heeft al met al een 50-tal titels van boeken en artikelen op zijn naam staan. Veel van de artikelen betreffen het armwezen, (volks)onderwijs en schoolverzuim. In de tweede uitgave van het Tijdschrift voor het Armwezen (1853) geeft hij zijn visie op ‘het verwaarlozen der scholen door kinderen van behoeftige ouders‘. Volgens hem staat het schoolverzuim, ‘het groote kwaad’, in nauw verband met ‘het groote vraagstuk omtrent het Armwezen’. Volksonderwijs is een krachtig wapen in de strijd tegen armoede. Het is niet voor niets dat in de grondwet (van 1848) onderwijs en armbestuur in één hoofdstuk zijn samengevoegd. Goed onderwijs, zo legt hij de lezer uit, verheft het volk, het gaat leegloperij (met vaak misdaad ten gevolg) tegen, het leidt tot een betere prestatie van de arbeiders – te meer daar op school de leerlingen gewend worden aan orde, tucht en zedelijkheid. Zolang dan ook het schoolverzuim blijft bestaan, zo schrijft Ten Cate, kan ik niet zeggen – ondanks alles wat er voor het onderwijs wordt gedaan – dat het onderwijs in een bloeiend bestaan leidt.

En wie zijn schuldig? Niet de kinderen, maar de ouders die hen van school terughouden. En waarom doen ze dat? Deels omdat ze niet wíllen (ze vinden het belangrijker dat het kind wat ‘binnen brengt’ dan dat het naar school gaat), deels omdat ze niet kúnnen (bijvoorbeeld: als vader en moeder allebei werken, dan moet een kind op de jongere broertjes en zusjes passen), deels omdat ze niet mogen (omdat ze de kinderen niet hebben laten inenten), deels omdat ze niet hóeven (een dwangmiddel is er niet).

Veranderd inzicht ten aanzien van dwang

Ten Cate vindt – we volgen nog steeds zijn artikel in de tweede uitgave van het Tijdschrift voor het Armwezen - dat onderwijzers gesteund moeten worden bij hun pogen zoveel mogelijk kinderen op school te krijgen en te houden, en wel in de eerste plaats door ‘hunne plaatsgenoten uit den meer aanzienlijken stand’. Maar ook bestaat er behoefte aan strenge bepalingen ten aanzien van het schoolgaan der kinderen; ouders moeten (bij wet) gedwongen worden.

Tien jaar later is Ten Cate echter van mening veranderd. Zo blijkt uit een artikel dat hij in 1863 in het Tijdschrift schreef (toen had hij enige jaren praktijkervaring als onderwijsinspecteur achter de rug…). Hij toont er dan begrip voor dat ouders hun kinderen inzetten bij ‘veldarbeid’’, bij de oogst bijvoorbeeld, of vanwege het weer. Hij ziet in dat zowel ouders als landbouwers dat vaak wel móeten doen, uit financieel oogpunt. En ‘tegen zulk een drang (…) is het niet goed wetten te maken, zelfs geene zoogenaamde Zondagswet’.

Middelen ter voorkoming van schoolverzuim

Eigenlijk kan er in dezen, zo stelt hij, alleen maar ‘palliatief gehandeld worden’. Twee mogelijkheden noemt Ten Cate: a. De vakantieweken bepalen in die tijden dat de school doorgaans het minst bezocht wordt; b. de schooltijden verschuiven, als de omstandigheden daar aanleiding toe geven (in de oogsttijd, bijvoorbeeld, zouden de kinderen van zes tot acht uur ’s morgens naar school moeten gaan).

In 1865 kwam Ten Cate nog eens weer terug op het schoolverzuim, naar aanleiding van ‘eenige rapporten der afdeelingen van ’t Genootschap van Nijverheid, te Onderdendam, omtrent de middelen ter bevordering van het geregeld schoolgaan der kinderen op de lagere school’. De verschillende afdelingen van ‘Nijverheid’ kwamen met een vijftiental voorstellen. Onder meer de volgende:
  • Invoering van de leerplicht
  • Kosteloos onderwijs voor allen, of ‘met meer ruimte voor minvermogenden';
  • Streng toezicht op de onderwijzers; aansporen van de ouders door de onderwijzers;
  • Meer onderwijs dat zich ‘aan het werkelijke leven sluit’;
  • Verbetering van schoollokalen;
  • Oprichten van bewaarscholen, met het oog op de arbeid door de ouders;
  • Openbare lezingen over opvoeding en onderwijs;
  • Meer toezicht van armverzorgers (ouders waarvan de kinderen de school verzuimd hebben, niet bedelen).

De mening daarover van Blaupot ten Cate

Ten Cate kan zich in de meeste voorstellen wel vinden. Al heeft hij ook zijn bedenkingen. Zo vindt hij de invoering van ‘schoolgeld-plichtigheid’ beter dan leerplicht, want: ‘Als men er voor betalen moet, wil men er ook wat voor hebben.’ En kosteloos onderwijs voor allen acht hij niet haalbaar – dat is te kostbaar; alleen behoeftigen moeten er voor in aanmerking komen. Wat het toezicht op de onderwijzers betreft: dat is er wel, maar ook het beste toezicht is niet opgewassen tegen ‘lauwheid en onverschilligheid’.

Onderwijswetgeving

Naar aanleiding van het tienjarig bestaan van de wet op het lager onderwijs van 1857, schreef Blaupot ten Cate in 1868 in het Tijdschrift een toelichting op die wet. In 1871 volgde zijn Handleiding tot de kennis der wet op ’t lager onderwijs. In ’t geheel genomen is het een objectieve beschrijving en uitleg van de wetsartikelen. Behalve als de doelstelling van het onderwijs (zie art. 23 - ‘opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden’) en in het verband daarmee de positie van het bijzonder (christelijk) onderwijs aan de orde komt. Dan komt zijn persoonlijke opvatting duidelijk naar voren.

Ten aanzien van artikel 23 van de wet stelt hij: ‘Ook zonder geijkte vormen, ook zonder kerkelijke leerstellingen kunnen de kinderen tot maatschappelijke en Christelijke deugdsbetrachting, tot zedelijkheid en godsdienstigheid worden opgeleid.’ Dat leerstellige onderwijs dient te worden overgelaten aan ‘de kerkelijke godsdienstleraars en het gevoelen van de ouders der kinderen'.

Hij wijst er verder op dat de wet geen ‘godsdienstlooze, maar kerkelooze openbare school’ wil.

‘Zwarigheden’

Ten Cate kon zich al met al wel vinden in de wet van 1857. Maar later, in 1878, erkende hij dat er toch ook ‘zwarigheden’ waren. Zo oordeelden, volgens zijn zeggen, vele onderwijzers dat de regeling van hun jaarwedden niet billijk getroffen was; bleek het aantal gelegenheden tot opleiding van onderwijzers niet voldoende te zijn; was er ontevredenheid over de examens; verlangden de voorstanders van het bijzonder onderwijs subsidie voor dat onderwijs.

In dat verband kwamen er in 1887 onderwerpen tot herziening der wet in de Tweede Kamer aan de orde. Als laatste een van Ten Cate’s geestverwant, de liberaal Kappeyne van de Coppello. Het behelsde vele verbeteringen op onderwijsterrein, maar niet de gewenste subsidie voor het bijzonder onderwijs. Deze wet werd aangenomen. Dit tot genoegen van Ten Cate (en tot ongenoegen van de voorstanders van algehele gelijkstelling van openbare en bijzondere scholen.)

Lees verder

© 2014 - 2019 Petervandenburg, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
S. Blaupot ten Cate als onderwijsinspecteur (1859-1880)Steven Blaupot ten Cate (1807-1884) was eerst doopsgezind predikant, later lid van de Tweede Kamer en daarna, in de peri…
Soorten basisonderwijsSoorten basisonderwijsIeder kind in Nederland heeft recht op basisonderwijs. Het wordt gegeven aan kinderen van vier tot twaalf jaar en het is…
Is schoolverzuim toegestaan?Is schoolverzuim toegestaan?Ouders hebben de neiging om de schoolvakantie te verlengen door een paar dagen voor een vakantie weg te gaan en/of een p…
Adaptief OnderwijsHet is zover. Je kind is oud genoeg om naar de basisschool te gaan. Er zijn veel keuzes die je als ouder kan maken. Welk…
Particulier onderwijs, toenemende plaats in onderwijslandUit onvrede met het reguliere onderwijs sturen meer en meer ouders kinderen naar het particulier onderwijs. Volgens het…
Bronnen en referenties
  • S. Blaupot ten Cate - inspecteur van het lager onderwijs in de provincie Groningen (1859-1880) (referaat P. v.d. Burg, RUG, 1983

Reageer op het artikel "S. Blaupot ten Cate – armoedebestrijding en onderwijs"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Petervandenburg
Laatste update: 23-09-2018
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Geschiedenis
Bronnen en referenties: 1
Schrijf mee!