InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Geschiedenis > Nederland in de vroege middeleeuwen (500 tot 950 n.Chr.)

Nederland in de vroege middeleeuwen (500 tot 950 n.Chr.)

Nederland in de vroege middeleeuwen (500 tot 950 n.Chr.) De middeleeuwen beslaan in zijn totaliteit een periode van ruim 1.000 jaar. Daarom kijken we in dit artikel alleen naar de eerste periode van de middeleeuwen, de zogenaamde vroege middeleeuwen. Een enorm woelige tijd voor ons land, het christendom wordt geïntroduceerd, de macht van de Franken breidt zich steeds verder uit, het Heilige Roomse Rijk wordt gevormd en de Vikingen komen (meerdere malen) binnenvallen. Dit alles brengt veel angst en chaos met zich mee en de bevolking heeft het dan ook vooral zwaar in deze periode. De strijd om de macht is volop gaande en het enorme Heilige Roomse Rijk gaat dan ook uiteindelijk ten onder aan zijn eigen veroveringsdrang.

Inhoud


Overgang Romeinse Tijd naar middeleeuwen

De middeleeuwen beginnen officieel als de Romeinen uit Nederland zijn verdwenen. Het terugtrekken van de Romeinen nam echter bijna 2 eeuwen in beslag, en als begin van de middeleeuwen worden dan ook de jaren 300 tot en met 500 na Christus aangehouden. Zo rond het jaar 1.500 na Christus liepen de middeleeuwen weer ten einde. Omdat de periode van de gehele middeleeuwen zo lang is wordt deze verdeeld in drie stukken, te weten de vroege, hoge en late middeleeuwen. In dit artikel zullen we alleen de periode van de vroege middeleeuwen behandelen, deze loopt vanaf +/- het jaar 500 tot ongeveer het jaar 950.

Nederland rond 50 na Christus / Bron: RACM & TNO / Wikimedia CommonsNederland rond 50 na Christus / Bron: RACM & TNO / Wikimedia Commons
De Nederlanden of de Lage Landen?
Als we kijken naar de geschiedenis van ons land dan is het belangrijk om te beseffen dat ons land ten tijde van de vroege middeleeuwen veel groter was dan nu. Ook was de naam Nederland of de Nederlanden volledig onbekend en werd ons gebied in de volksmond de Lage Landen genoemd. De Lage Landen besloegen in de middeleeuwen ons huidige Nederland, grote delen van het huidige België, Luxemburg, Frankrijk en Duitsland. Pas vanaf de 15e eeuw werd een bepaald gedeelte van de Lage Landen aangeduid als de Nederlanden. Als de hertog van Bourgondië in de loop van de vroege middeleeuwen zijn gebied flink uitbreidt, wordt er voor het eerst een duidelijke naam aan ons land gegeven. Een deel van ons huidige Nederland heette toen "Les pays de par-deçà oftewel de landen van herwaarts over. Het gedeelte wat wij nu Bourgondië noemen werd toen "Les pays de par-delà oftewel de landen van derwaarts over genoemd.

Romeinen VS Germanen

De Romeinen trokken uiteindelijk weg uit de Lage Landen onder dwang van de Germanen. Zij waren afkomstig uit het gebied wat nu Duitsland heet en breiden hun macht en gebied langzaam maar gestaag uit. De Germanen stuitten wel op een probleem in de Lage Landen. Grote delen waren lange tijd onder invloed van de Romeinen geweest en inmiddels volledig geromaniseerd. Ze spraken Latijn, leefden volgens de Romeinse gebruiken en cultuur en maakten gebruik van het Romeinse geschreven recht. De Germanen kwamen via het noordelijk gedeelte de Lage Landen en ons huidige Nederland binnen. In dit gebied ontstond al snel een mengtaal tussen het Latijn en het Germaans. Het taalprobleem wat in het noorden was ontstaan werd vrij soepel opgelost. De stammen die eerst overtuigend Latijn hadden gesproken kozen toch voor de Germaanse taal als spreektaal.

Het Germaanse gebied, weergegeven in geel, rond het begin van de jaartelling / Bron: Cristiano64 / Wikimedia CommonsHet Germaanse gebied, weergegeven in geel, rond het begin van de jaartelling / Bron: Cristiano64 / Wikimedia Commons
In het zuiden van de Lage Landen zijn de Romeinen veel langer aan de macht geweest en de Germanen zijn daar veel minder massaal aanwezig. Hierdoor kiezen veel zuidelijke stammen ervoor om Latijn te blijven spreken. Er ontstaat hierdoor een taalgrens in de Lage Landen die heden dagen voor bepaalde gedeelten van België nog steeds geld. Boven de taalgrens (het noorden) werd er een Germaanse taal gesproken die bekend komt te staan als Oudnederlands. Het Oudnederlands was vooral een gesproken taal, de schriftelijke taal die in heel de Lage Landen werd gebruikt was nog steeds Latijn. Door de taalgrens die optrad nam ook de geletterdheid van de mensen af. Want in welke taal moesten mensen nu precies schrijven en/of spreken? Waar in de Romeinse tijd redelijk veel mensen over de kennis van lezen en schrijven beschikten was dit in de middeleeuwen een voorrecht wat alleen nog aan geestelijken was voorbehouden.

De stammen verenigen zich tot volken

Toen de Romeinen de Lage Landen binnenkwamen bestond de bevolking uit vele stammen met vrijwel geen onderlinge samenhang. Doordat de Romeinen gebieden gingen samenvoegen raakten de stammen steeds meer met elkaar vermengd. Ook voegen stammen zich vrijwillig samen om in opstand te komen tegen de Romeinen.

Koning Clovis I (465-511), ook wel Chlodovech genoemd, was de eerste koning der Franken / Bron: François-Louis Dejuinne / Wikimedia CommonsKoning Clovis I (465-511), ook wel Chlodovech genoemd, was de eerste koning der Franken / Bron: François-Louis Dejuinne / Wikimedia Commons
Drie volken
Door velen veranderingen in de Romeinse tijd bleven er aan het begin van de vroege middeleeuwen nog maar drie stammen over;
  • De Friezen - Zij bewoonden vooral de noordelijke kustgebieden van de Lage Landen
  • De Saksen - Zij bewoonden het oosten van de Lage Landen
  • De Franken - Zij bewoonden het zuiden en gedeeltelijk het westen van de Lage Landen

Het zijn vooral de Franken die hun gebied in de Lage Landen in hoog tempo weten uit te breiden. In de 481 komt de 15 jarige koning Clovis I (465-511) aan het hoofd van de Franken te staan. Hij bekeert zich als eerste vorst tot het katholieke geloof om zo meer steun te krijgen van de paus. En dit legt koning Clovis I geen windeieren. Naast het uitbreiden van zijn macht weet Clovis het ook voor elkaar te krijgen om alle Franken op één lijn te krijgen. Vele Franken lieten zich, in navolging van hun koning, bekeren tot het katholieke geloof en door deze massale bekering begint het geloof langzaam zijn intrede te doen in de Lage Landen. Wat Clovis alleen nooit lukt, lukt Karel Martel jaren later wel. Karel weet naast de Franken ook de Friezen en Saksen aan zich te onderwerpen.

Friezen in de vroege middeleeuwen

De Friezen hadden vanaf de Romeinse tijd al een aparte status binnen de Lage Landen. Na opschuiving van de grenzen van het Romeinse Rijk tot onder de grote rivieren, behoorden de Friezen niet meer bij het Romeinse Rijk. Ze zijn gedurende deze hele periode zelfstandig geweest en hadden zelfs een eigen koning. Toen de Germanen hun intreden deden, veranderden er in eerste instantie niet veel voor de onafhankelijke Friezen, ze profiteerden juist van de Germaanse komst. Door de veroveringen van de Germanen begonnen zich in de hele Lage Landen en in overzeese gebieden in Europa nieuwe koninkrijken, graafschappen en hertogdommen te vormen en de Friese kust was centraal gelegen. Velen landen dreven dan ook handel met de Friezen waardoor de Friese economie stabiel bleef. Dit in tegenstelling tot de rest van de Lage Landen. Met het vertrek van de Romeinen was de handel zo goed als stil komen te liggen en daarnaast was ook het gebruik van muntgeld weer vervangen door de ouderwetse ruilhandel. Maar de Frankische koning(en) had(den) het al een tijdje op het welvarende Friesland voorzien en vielen dan ook geregeld binnen. Dit leidde tot grote chaos en veel schade in de Friese gebieden. De strijd om het Friese koninkrijk duurt uiteindelijk tot ongeveer 734 na Christus. De Frankische hofmeier Karel Martel wist uiteindelijk de Friese koning Poppo (674-734, werd ook wel Bubo en Bobba genoemd) te verslaan.

Karel Martel; Hofmeier en stamvader der Karolingen

Karel Martel (689-741) had de eervolle taak de hofmeier van het Frankische Rijk te zijn. Na het uitsterven van de erfgenamen van koning Clovis kwam het Frankische Rijk onder tijdelijk bestuur van de hofmeier te staan. Karel Martel werd ook wel gezien als de stamvader van de Karolingen. Het geslacht wat hij naliet heeft lange tijd aan het hoofd van het Frankische Rijk gestaan en veel invloed uitgeoefend vanaf de 8e tot aan de 10e eeuw.

Standbeeld van Karel de Grote in Zürich. / Bron: Roland / Wikimedia CommonsStandbeeld van Karel de Grote in Zürich. / Bron: Roland / Wikimedia Commons
Karel de Grote (747 of 748 - 814)
Het Karolingse geslacht is begonnen bij Karel Martel, maar de meest bekende telg uit de dynastie is toch wel zijn kleinzoon Karel de Grote. De zoon van Karel Martel was Pepijn de Korte (714 of 715 - 768) en ook hij wist tijdens zijn regeerperiode weer veel land te veroveren. Hij veroverde zelfs dusdanig veel land dat hij door de paus tot koning werd gezalfd want sinds Clovis I waren alle koningen van de Franken katholiek. Hiermee kwam de titel hofmeier te vervallen. Toen Pepijn de Korte in 768 overleed liet hij twee zoons na: Karel de Grote en Karloman I (751-771). Karel de Grote erfde de titels van zijn vader en werd hiermee rond zijn twintigste gekroond tot koning der Franken. Net als zijn vader en opa wist ook Karel al snel zijn macht uit te breiden. Zijn Frankische Rijk werd op een gegeven moment zelfs zo groot dat het voor Karel en zijn vertrouwelingen niet meer mogelijk was alle gebieden zelf in de gaten te houden.

Invoering van het hofstelsel

Na lang en goed overleg met zijn vertrouwelingen dacht Karel een goede manier gevonden te hebben om al zijn gebieden te besturen. Hij wilde het zogenaamde hofstelsel, ook wel leenstelsel genoemd, invoeren. Het idee was als volgt; Koning Karel wees een bepaald gebied aan wat "beleend" mocht worden. Dit gebied werd dan in bruikleen genomen door een leenheer.

Een (fictieve) indeling van een vroonhof / Bron: William R. Shepherd, Historical Atlas, New York, Henry Holt and Company, 1923 / Wikimedia CommonsEen (fictieve) indeling van een vroonhof / Bron: William R. Shepherd, Historical Atlas, New York, Henry Holt and Company, 1923 / Wikimedia Commons
De leenheer was vaak een edele van hoge komaf. In het gebied van de leenheer, dit werd ook wel het domein of het vroonhof genoemd, woonden mensen. Deze mensen konden kiezen of ze werden leenman van de leenheer of ze vertrokken naar elders. Kozen ze er voor om leenman te worden dan bewerkten ze het land van hun heer en in ruil daarvoor mochten ze in de veiligheid van het vroonhof wonen. Een meer gebruikelijke naam voor een leenman is horigen. Naast de horigen had je ook nog boeren in het vroonhof wonen. Zij hadden iets meer middelen tot hun beschikking en huurden een stuk land van de leenheer. In ruil voor het gebruik van het land moesten de boeren zogenaamde "herendiensten" voor hun leenheer verrichtten. Het Nederlandse woord herendienst is afgeleid van het Franse woord corvee, dit betekende dat het verrichten van een herendienst van alles kon inhouden. De leenheer moest op zijn beurt natuurlijk iets terug krijgen voor al zijn harde werken, hij hield namelijk niet alleen toezicht op zijn domein maar had ook de recht en macht om bepaalde beslissingen te nemen. Karel de Grote beloonde zijn leenheren door hun het gebied cadeau te geven, als ze heel goed presteerden, of door ze het vruchtgebruik van de grond te geven.

Gevolgen van het hofstelsel

De leenheren kregen door het vruchtgebruik of het verkrijgen van de grond langzaam aan steeds meer macht. Daarnaast begonnen ze ook in te zien dat het belangrijk was om de grond te behouden voor hun nageslacht. Ze dienden een verzoek in bij koning Karel en het werd toegestaan om de grond of het vruchtgebruik daarvan door te geven door middel van vererving. Wat Karel de Grote op dat moment waarschijnlijk niet beseft was dat het door dit systeem het niet meer mogelijk was om één groot Rijk te vormen zoals de Romeinen in het verleden hadden gedaan. Maar Karel vond ook hier weer wat op en besloot als trouw katholiek te beginnen met het bouwen van kerken en kloosters. De bisdommen die hierbij ontstonden stonden onder leiding van een bisschop die was goedgekeurd door Karel de Grote zelf. Zo hoopte hij een deel van zijn macht weer terug te krijgen.

Drastische beslissingen van Karel

Karel de Grote bouwde dat het een lievenlust was en soms stonden bepaalde dorpen of gehuchten zijn plannen in de weg. Hij besloot grote delen van de Lage Landen helemaal opnieuw in te delen zodat de grond efficiënter gebruikt kon worden. Als hij daarbij een nederzetting tegen kwam wat niet in zijn plan paste liet hij de nederzetting simpelweg verplaatsen en als dat niet kon met de grond gelijk maken en elders weer opbouwen. Ook stond het geldende gewoonterecht Karel in de weg. Door Clovis I was de Lex Salica al opgericht, maar Karel voegde daar nog de Capitularia aan toe. Met deze wet zorgt Karel ervoor dat alle (rand)gebieden in de Lage Landen in één keer tot lid van het Frankische Rijk werden benoemd. Wederom een poging van hem om de macht weer terug in handen te krijgen. Karel de Grote leidde zijn gebieden op deze manier de zogenaamde Karolingse renaissance in. De cultuur, kunst en wetenschap maken een enorme periode van bloei door onder leiding van Karel de Grote, maar daar komen we aan het einde van dit artikel op terug.

De Lage Landen gaan de ijzeren eeuw in

De periode van 850 tot ongeveer 950 is de laatste eeuw van de vroege middeleeuwen en wordt ook wel de ijzeren eeuw genoemd. In deze periode begint de Karolingse dynastie langzaam uit te sterven en de macht van het Frankische Rijk, wat inmiddels is omgedoopt tot het Heilige Roomse Rijk, begint in rap tempo af te nemen. Het Karolingse Rijk ging net als het Romeinse Rijk ten onder aan zijn eigen roem. Het Rijk werd simpelweg te groot om onder controle te kunnen houden.

Kaart van de Vikinggebieden in de 8e (donkerrood), 9e (rood), 10e (oranje) en 11e (geel) eeuw. De groene gebieden waren het slachtoffer van regelmatige rooftochten door Vikingen / Bron: Briangotts / Wikimedia CommonsKaart van de Vikinggebieden in de 8e (donkerrood), 9e (rood), 10e (oranje) en 11e (geel) eeuw. De groene gebieden waren het slachtoffer van regelmatige rooftochten door Vikingen / Bron: Briangotts / Wikimedia Commons
De Karolingse koning(en) hebben hun handen vol
Het afbrokkelen van het Karolingse Rijk begint eigenlijk al bij Karel de Grote. Zoals we net zagen had het invoeren van zijn hofstelsel ook negatieven gevolgen. Daarnaast werd het Rijk zo groot dat er steeds minder controle van de koning plaats vond. Diverse gebieden in de Lage Landen worden steeds meer losgelaten en beginnen langzaam hun eigen identiteit te ontwikkelen. Acute kwesties moesten zonder advies van de koning worden opgelost en de leenheren begonnen meer macht naar zich toe te trekken. Ook vonden diverse koningen het nodig het centrum van hun macht (lees de hoofdstad van hun Rijk) meerdere keren te verplaatsen. Vanuit het huidige Nederland wordt de hoofdstad verplaats naar het Duitse Aken en vervolgens naar het Franse Parijs. Het hof van de koning (en later keizer) raakt hierdoor steeds verder verwijderd van de Lage Landen. De Lage Landen die jaren geleden nog zo interessant waren voor de Karolingen en hun Frankische volk werden nu steeds meer vergeten. Dit leverde een nieuw probleem op voor de bevolking van de Lage Landen. Andere heersers van de gebieden om hun heen zagen ook dat de Karolingse koning(en) het te druk hadden elders en een volk genaamd de Vikingen (ook wel Noormannen genoemd) begonnen de Lage Landen binnen te vallen.

Leenheren grijpen de macht

De invallen van deze woeste Vikingen gingen gepaard met veel geweld, berovingen en plunderingen. En de bevolking van de Lage Landen werd in korte tijd doodsbang voor deze woestelingen. De Karolingse koning moest lijdzaam toezien hoe de Vikingen "zijn" bevolking in de Lage Landen op stang joeg. Hij had al zijn legers elders nodig en kon dus niet optreden. De bevolking begon op haar beurt in snel tempo het geloof in hun koning te verliezen en gingen op zoek naar andere manieren om zich zelf te beschermen. Deze bescherming vond het merendeel van de bevolking al snel in de vorm van hun leenheer. De term leenheer was inmiddels uit de mode geraakt en de leenheren waren inmiddels "gepromoveerd" tot gouwgraven. De gouwgraven zagen in de angst van de bevolking hun kans schoon om steeds meer gezag te gaan uitoefenen. Feitelijk gezien waren ze door de koning in eigen persoon aangewezen om een bepaald gezag over een gebied uit te oefenen, dus ze hoefden dan ook niet op zijn orders te wachten om actie te ondernemen. De gouwgraven begonnen al snel hun gebied en macht uit te breiden vaak ten kosten van de buurman. De zogenaamde vroonhoven werden al snel omgevormd tot heerlijkheden en weer later tot graafschappen, hertogdommen, bisdommen, prinsbisdommen enzovoorts. Uitzondering op de regel zijn wederom de Friezen. Bij hun was het op dit gebied rustig in deze periode. Omdat zij niet onder het koninklijk gezag van het Karolingse Rijk vielen kenden zij ook de problemen van het hofstelsel niet.

Een kaart van het gebied Vlaanderen rond 1609 / Bron: Matthias Quad / Wikimedia CommonsEen kaart van het gebied Vlaanderen rond 1609 / Bron: Matthias Quad / Wikimedia Commons
Hertog van Bourgondië en de opkomst van Vlaanderen
Om het vervolg van onze geschiedenis te kunnen begrijpen lopen we even langs het nageslacht van Karel de Grote. Toen Karel de Grote in 814 overleed werd hij opgevolgd door zijn zoon Lodewijk de Vrome (778-840). Toen deze in 840 overleed werd ook hij opgevolgd door zijn zoon die de naam Karel de Kale (823-877) droeg. Karel de Kale had een dochter; Judith (844-870) die werd uitgehuwelijkt aan Boudewijn I (840-879). Boudewijn I zou later bekend komen te staan als Boudewijn I van Vlaanderen. Als huwelijkscadeau kreeg Boudewijn van zijn schoonvader de titel van Gouwgraaf van Pagus Flandrensis cadeau. Dit redelijk kleine gebied zou onder invloed van Boudewijn uiteindelijk uitgroeien tot het enorme graafschap Vlaanderen. Toen de zoon van Boudewijn I, genaamd Boudewijn II (865-918) zijn vader opvolgden naar diens overlijden kreeg hij een update van zijn titel cadeau. Hij promoveerde van gouwgraaf naar graaf van Vlaanderen. Boudewijn II en zijn kinderen wisten het graafschap Vlaanderen steeds verder uit te breiden tot het hele gebied ten zuiden en ten westen van de Schelde ook bij Vlaanderen hoorden. Daarnaast begon het graafschap Vlaanderen zich ook steeds meer los te maken van het koninklijk gezag, net zoals vele andere gouwgraven in de Lage Landen al hadden gedaan.

Rollo de Noorman

De groei van het gebied Vlaanderen werd uiteindelijk rond 911 gestopt toen Rollo de Noorman (860-932) aan de macht kwam. De beste Rollo had inmiddels het gebied Normandië gesticht en bewaakten zijn grenzen strikt. Vlaanderen kon hierdoor niet meer verder naar de noordkant uitbreiden. Daarnaast hadden ze de gebieden ten zuiden en ten westen al verkend en waar mogelijk ingenomen en in het oosten was koning Hendrik I de Vogelaar (876-936) inmiddels aan de macht gekomen. In 912 werd Hendrik I de Vogelaar (876-936) benoemd tot de hertog van Saksen, later kwam daar nog de titel van koning Hendrik I van Duitsland bij. De gebieden die Hendrik I onder zijn leiding had behoorden eerst toe aan aan de Karolingse koningen, maar deze dynastie was inmiddels uitgestorven. Hendrik was vermoedelijk een achter-achter-achterkleinzoon van Karel de Grote en werd daarom verkozen tot koning van het huidige Duitsland. Hendrik I ging verder waar zijn voorgangers waren gebleven en veroverden het ene na het andere gebied. In 925 wist hij zelfs het stamhertogdom Lotharingen aan zijn Rijk toe voegen. De gebieden die Hendrik in zijn beheer had werden het Oost-Frankische Rijk genoemd, maar Hendrik wist zijn domein om te vormen tot het Heilige Roomse Rijk. De leider van het Heilige Roomse Rijk was een keizer in plaats van een koning. Hendriks zoon Bruno de Grote (925-965) kreeg de eer om als hertog van Lotharingen op te treden. Hierdoor droeg Bruno naast de titel van aartsbisschop van Keulen ook de titel hertog van Lotharingen bij. Toen het Heilige Roomse Rijk gevormd was kreeg Bruno ook nog de titel van aartskanselier van het Heilige Roomse Rijk van zijn vader. In 965 overleed Bruno de Grote en het hertogdom Lotharingen werd in tweeën gesplitst: Opper-Lotharingen en Neder-Lotharingen.

Vikingen in de Lage Landen

We hadden de Vikingen al eerder even genoemd, maar dit wilde en woeste volk was een ware plaag voor de bevolking van de Lage Landen. De Vikingen die ook wel Noormannen werden genoemd waren in korte tijd hun gebied enorm aan het uitbreiden en dit ging gepaard met veel geweld en plunderingen.

Het graf van Rollo de Noorman gelegen in de kathedraal van Rouen / Bron: Onbekend / Wikimedia CommonsHet graf van Rollo de Noorman gelegen in de kathedraal van Rouen / Bron: Onbekend / Wikimedia Commons
De Vikingen op strooptocht
Vooral de noordelijke gebieden hadden veel en vaak last van de Vikingen, zo ook de belangrijke Friese handelsstad Dorestad (gelegen op de plaats van het huidige Wijk bij Duurstede). Zo als we eerder lazen waren de Friezen de enige in de Lage Landen die nog enige vorm van handel dreven met andere gebieden om hun heen. De Friese handelsstad, Dorestad genaamd, is daarom enorm belangrijk voor de Friese economie tussen de 7e en het midden van de 9e eeuw. Nadat de Vikingen Dorestad meerdere keren overvallen en geplunderd hadden bleef er niet veel meer van de stad over. De Vikingen besloten toen om verder te trekken richting de IJsselstreek. In de periode van 866 tot en met 882 hielden de Vikingen ook hier flink huis en roofden op hun tocht de handelsplaats Deventer volledig leeg en het hof en de nederzettingen van Zutphen werden ook niet ontzien. In 882 weten de Vikingen door te stoten tot aan het Valkhof in Nijmegen en nemen het hof in. Het bevalt de Vikingen prima in het Valkhof en ze besluiten er zelfs te overwinteren.

Godfried de Zeekoning

De toenmalige keizer van het Heilige Roomse Rijk, Karel de Dikke (839-888) was het helemaal zat met de Vikingen. Het lukte hem en zijn legers niet om ze te stoppen en ze zorgden voor veel onrust in zijn gebieden.Karel besluit een deal te sluiten met de Vikingen in de hoop dat ze zich dan rustig houden. De Vikingen krijgen van keizer Karel een aantal gebieden toegewezen die ze mogen belenen. Karel hoopt hiermee dat de Vikingen hun eigen gebieden gaan verdedigen tegen indringers én zouden stoppen met het plunderen. Godfried de Zeekoning (onbekend-885), ook wel Godfried de Noorman genoemd, kreeg de eer om de Friese gebieden te beheren. De Friezen zelf waren alles behalve blij met hun nieuwe leider, ze waren het geweld van de Vikingen nog lang niet vergeten. Helaas verliep ook het plan van Karel de Dikke niet zoals hij had gehoopt. Godfried de Zeekoning verdedigden "zijn" Friesland helemaal niet, maar ging gewoon verder met roven en plunderen. Uiteindelijk gaat al dit geweld ten koste van de stad Dorestad, deze wordt in 863 volledig met de grond gelijk gemaakt. De Friezen zijn de overheersende Vikingen helemaal zat, maar helaas zijn ze zelf niet bij machten er iets aan te doen.

Arnulf van Karinthië (845-899) / Bron: Publiek domein / Wikimedia CommonsArnulf van Karinthië (845-899) / Bron: Publiek domein / Wikimedia Commons
De Vikingen blazen de aftocht
Gelukkig voor de Friezen komt er uiteindelijk hulp uit onverwachte hoek. Een dapper man genaamd graaf Gerulf I (850-896), die later bekend zou komen te staan als graaf Gerolf I van Holland, is de Vikingen ook helemaal zat en trekt met een leger ten strijden. In 855 lukt het Gerulf om de gewelddadige Godfried de Zeeman te vermoorden en zo de aftocht van de Vikingen in gang te zetten. Door zijn dappere overwinning op de Vikingen krijgt Gerulf de titel graaf van West-Frisia cadeau. Niet alleen de Friezen waren de Vikingen helemaal zat ook in het huidige Zeeland en Vlaanderen werd er hard gewerkt om de Vikingen te verjagen. Er waren hier meerdere defensie systemen opgericht aan de kust die steeds beter gingen functioneren. In 891 wist Arnulf van Karinthië (845-899), koning van Lotharingen en het Oost-Frankische Rijk, de Vikingen ter hoogte van de huidige plaats Leuven, definitief te verslaan. De Vikingen besluiten hierop om hun strijd in de Lage Landen te staken en te vertrekken. Het merendeel van de Vikingen gaat terug richting Normandië, de paar Vikingen die achter blijven vermengen zich met de inheemse bevolking van de Lage Landen. Vanaf het jaar 1.000 neemt de dreiging van de Vikingen helemaal af, het vermoeden bestaat dat dit komt omdat de Vikingen zich hebben bekeerd tot het christendom.

Lotharingen

We hebben de naam van het gebied Lotharingen al even voor bij zien komen, maar juist dit gebied heeft een belangrijke rol in onze geschiedenis gespeeld. Toen het zogenaamde Frankische Rijk werd omgedoopt tot het Heilige Roomse Rijk was er opnieuw behoefte aan een duidelijke indeling van de gebieden. Het Heilige Roomse Rijk ging over tot het benoemen van zogenaamde stamhertogdommen.

De omvang van het Heilige Roomse Rijk tegen het einde van de vroege middeleeuwen / Bron: Paul2 / Wikimedia CommonsDe omvang van het Heilige Roomse Rijk tegen het einde van de vroege middeleeuwen / Bron: Paul2 / Wikimedia Commons
Stamhertogdom Lotharingen
Een stamhertogdom was een bepaald grondgebied waar één volksstam overheersten. Dit gebied en zijn bewoners kwamen onder leiding van een (stam)hertog te staan. Als er spreken over een stamhertogdom kan zowel het gebied als de leider worden bedoeld.

Het Heilige Roomse Rijk werd uiteindelijk ingedeeld in vijf stamhertogdommen met elke een eigen leider aan het hoofd. Deze stamhertog was uiteraard gekozen door de keizer van het Heilige Roomse Rijk. Het stamhertogdom was dan wel één gebied maar kon binnen dit gebied ook weer uit allerlei graafschappen, hertogdommen en bisdommen bestaan. Ondanks de hevige strijd die gaande is tegen de Vikingen weten zowel het graafschap Henegouwen en het graafschap Vlaanderen zich toch verder te ontwikkelen. Ook in het stamhertogdom Lotharingen beginnen zich nieuwe (kleine) vorstendommen zich te ontwikkelen. De huidige provincies Brabant, Limburg, Loon, Luxemburg en Namen zijn hier goede voorbeelden van. Omdat al deze kleine vorstendommen zich weer in het grote stamhertogdom bevonden stonden ze allemaal onder "leiding" van het Heilige Roomse Rijk. Er zijn hier een tweetal uitzonderingen op. Het prinsbisdom Luik bleef tot aan de Franse Revolutie in 1789 een onafhankelijke staat binnen het Heilige Roomse Rijk. En in ons huidige Nederland geldt dit ook voor de Friezen, zij brengen deze periode wederom zonder leiding van een hertog, graaf of iets dergelijks door.

Het stamhertogdom Lotharingen; Groen & Geel vormen Lotharingen. Groen is het latere Neder Lotharingen. Geel is het latere Opper Lotharingen / Bron: Joostik / Wikimedia CommonsHet stamhertogdom Lotharingen; Groen & Geel vormen Lotharingen. Groen is het latere Neder Lotharingen. Geel is het latere Opper Lotharingen / Bron: Joostik / Wikimedia Commons
Chaos in Lotharingen
Met al die kleine vorstendommen zou het duidelijk moeten zijn welk gebied aan wie toebehoorden, maar niets is minder waar. Al deze vorstendommen stonden dan officieel onder leiding van de Duitse keizer, maar onderling was er een enorme machtsstrijd gaande. De grenzen van het Heilige Roomse Rijk wisselden bijna dagelijks net als de keizers zelf, hierdoor nam het machtsbereik van deze keizers enorm af. Kortom de gebieden in het Rijk waren een allegaartje en de onderlinge samenhang tussen deze gebieden nam alleen maar verder af in plaats van toe. In het huidige Nederland stonden de hertogen van Gelre en Brabant en de bisschop van Utrecht bekend als notoire ruziezoekers en zij zorgden voor veel onrust. Rond de 11e eeuw is het overzicht van welk gebied aan wie toebehoort niet meer in te tekenen op een kaart, alleen de graafschappen Vlaanderen en Henegouwen zijn overzichtelijk en duidelijk. De reden hiervoor was dat de Duitse keizer in deze gebieden veel gezag uitoefenden via de door hem aangestelde bisschoppen.

Otto I de Grote grijpt in

Inmiddels is keizer Otto I de Grote (912-973, zoon van Hendrik I de Vogelaar) aan de macht gekomen. Hij ziet mede door de chaos in Lotharingen in dat het op deze manier niets gaat worden met het beoogden Heilige Roomse Rijk en besluit in te grijpen. Hij besluit het rijkskerkenstelsel in te voeren.

Invoering van het rijkskerkenstelsel

Keizer Otto I wilde meer rust creëren en besloot daarom het zogenaamde rijkskerkenstelsel in te voeren. Kortweg wordt dit ook wel de Rijkskerk genoemd. De keizer vertrouwde in een rijkskerkenstelsel zoveel mogelijk land en bestuurszaken toe aan een door hem benoemde bisschop of abt in plaats van aan een leek (iemand die niet gewijd is tot bisschop of abt). Omdat bisschoppen en abten ongehuwd moesten blijven konden zij geen wettelijke erfgenaam verwekken. Mochten de bisschop of abt komen te overlijden dan ging de macht over dat gebied automatisch terug naar de keizer. Daarnaast kon keizer Otto op deze manier ook nog flink invloed uitoefenen op de kerken. Maar de invoering van de Rijkskerk zorgden helemaal niet voor rust, in tegendeel zelfs. Het was de aanleiding voor de zogenaamde investituur strijd.

Het concordaat van Worms uit 1122 / Bron: DALIBRI / Wikimedia CommonsHet concordaat van Worms uit 1122 / Bron: DALIBRI / Wikimedia Commons
Keizer VS Paus
Als je als bisschop of abt een leuke positie wilden veroveren moest je dus in een goed blaadje bij de keizer zien te komen. Goede "vrienden" van de keizer hadden sowieso een streepje voor wat zich vaak in rijkdom vertaalden. De keizer is door het invoeren van zijn rijkskerkenstelsel ook nog eens op de stoel van de paus gaan zitten. Het toewijzen van bisschoppen en abten was tot voor kort alleen voorbehouden aan de paus en nu ging de keizer zich daar opeens mee bemoeien! Er barst een ware machtsstrijd los tussen de keizer en de paus die de investituur strijd wordt genoemd. Deze strijd duurt bijna twee eeuwen maar er zal nooit een winnaar uitkomen. Op 23 september 1122 vinden toenmalige keizer, Hendrik V (1081-1125) en toenmalig paus Calixtus II (1006-1124) het genoeg en besluiten het concordaat van Worms te tekenen. Met het tekenen van het concordaat leveren zowel de keizer als de paus beide aan macht in. De keizer kon namelijk geen bisschoppen meer benoemen en moest op een andere manier zijn invloed zien uit te oefenen. De bisschoppen verloren op hun beurt de keizerlijke bescherming en de daar vaak bijbehorende bron van inkomsten.

Het geloof in de Lage Landen

We hebben een algemene indruk gekregen hoe ons huidige Nederland langzaam vorm kreeg in de middeleeuwen. Nadat de Romeinen waren vertrokken kwamen we onder invloed van de Karolingse dynastie en later de Duitse keizer(s). De Romeinen hadden nooit enige eisen gesteld met betrekking tot het geloof in de door hun veroverden gebieden, maar met de komst van de Karolingse koning Clovis I kwam daar verandering in.

Oorspronkelijk geloof in de Lage Landen

Een tekening van het Nehalennia altaar in Domburg / Bron: Hooiberg / Wikimedia CommonsEen tekening van het Nehalennia altaar in Domburg / Bron: Hooiberg / Wikimedia Commons
In de tijd van de Romeinen hadden de vele stammen die de Lage Landen wonen hun eigen (heidense) geloof ontwikkeld. Er wordt aangenomen dat het christendom het grootste geloof was in de Lage Landen omdat deze zo lang onder invloed van de Karolingse dynastie hebben gestaan, maar zeker weten doen de historici dit niet. Wel zijn er diverse bewijzen gevonden die er op duidden dat er vooral een mengelmoes van geloven was. De invloeden van de Germaanse-, Keltische en Romeinse cultuur zijn allemaal terug gevonden bij bodemvondsten. Er werden regelmatig cultusfeesten gehouden onder diverse stammen met als doel bepaalde goden goed te stemmen en/of te vereren. De stamleden brachten dan offers aan deze god in het door hun aangewezen cultusdomein. Een cultusdomein kon van alles zijn zoals een bos, een bepaalde struik of bloem of een bepaalde plek in of langs een rivier. Ook zijn er diverse oude altaren gevonden die simpelweg bestonden uit een stapel stenen. Er is met zekerheid vastgesteld dat in de 2e en 3e eeuw in het gebied rond Schelde een godin genaamd Nehalennia werd vereerd. Nehalennia was de Keltisch-Germaanse beschermgodin van de vissers, handelaars en zeelieden. Er zijn diverse offer plaatsen en altaren ter ere van haar gevonden onder andere in Zeeland.

Introductie christendom

Het christendom wordt aan het begin van de 4e eeuw in de Lage Landen geïntroduceerd. Vanuit het Duitse Keulen en uit het noorden van Frankrijk komt een kerkelijke stroming "overgewaaid" die de naam christendom heeft. Deze kerkelijke stroming brengt een aantal bisschoppen met zich mee die het woord van God komen verkondigen. De eerste bisschop die zich vestigt in ons huidige Nederland is bisschop Maternus (onbekend - 325). Maternus was op dat moment de eerste bisschop van Keulen en zag het als zijn persoonlijke taak om het christendom te verspreiden. In navolging van Maternus volgden Servatius (onbekend-384?), bisschop van Tongeren. Onder invloed van de Germanen lukten het de heren alleen niet om het christendom echt voet aan de grond te laten krijgen.

Bekering Clovis I

De grote kentering voor het christendom kwam rond 500 toen de toenmalige koning der Franken, Clovis I, zich besloot te bekeren. De meeste van zijn Frankische onderdanen volgden het voorbeeld van hun koning en bekeerden zich ook tot het christelijke geloof. Maar de verspreiding van het geloof gaat niet altijd even soepel of vriendelijk. Tussen 772 en 804 breekt de zogenaamde Saksenoorlog uit waarbij het Saksische gedeelte van de bevolking in de Lage Landen hardhandig wordt bekeerd. Ook de Friezen die niet onder het Heilige Roomse Rijk vallen worden meerdere keren bezocht door rondtrekkende predikers. Vele grote namen passeren de revue zoals Willibrordus (658-739), Bonifatius (672 of 675 - 7544 of 755) en Adelbert van Egmond (onbekend - 740). Maar uiteindelijk blijken de Friezen ruim 400 jaar nodig hebben om zich te bekeren. Pas rond 900 heeft het merendeel van de Friese bevolking zich bekeerd en is lid van een kerk.

Kerstening gaat niet van een leien (kerk)dak

Fresco van Lebuïnes / Bron: Onbekend / Wikimedia CommonsFresco van Lebuïnes / Bron: Onbekend / Wikimedia Commons
De Friezen lieten duidelijk merken dat ze geen zin hadden in dit opgedrongen geloof, maar over het algemeen is dit in veel plaatsen het overheersende gevoel. Vanaf de bekering van Clovis I worden grote gebieden van zijn Rijk massaal bekeerd, desnoods met geweld. Dit massaal bekeren van de "heidenen" wordt ook wel kerstening genoemd. Maar dat bekeren ging in de Lage Landen totaal niet van een leien dak. Door de hele Lage Landen heen zien we in deze periode diverse uitingen van geweld tegen het christendom. Een voorbeeld hiervan is de moord op Bonifatius in Dokkum (754). De kerk die Bonifatius had gesticht werd na zijn overlijden meteen met de grond gelijk gemaakt. In 773 zien we éénzelfde incident in Deventer. Zodra de Angelsaksische missionaris en patroonheilige van Deventer, Lebuïnes (onbekend - +/- 773), zijn laatste adem heeft uitgeblazen ligt zijn kerk continu onder vuur. Het duurde uiteindelijk 20 jaar voordat nieuwe missionarissen de kerk van Lebuïnes in Deventer weer volledig herstelden. In Groningen en Twente boekten een Friese missionaris en Rooms-Katholieke bisschop genaamd Liudger (742-809) meer succes. Beide provincies bekeerden zich onder zijn invloed al snel en vrijwel probleemloos tot het christendom.

Kloosters, abdijen en parochies

Begijnhof in Amsterdam. De begijnen waren mannen en vrouwen die leefden als alleenstaanden en deel uitmaakten van een gemeenschap binnen de Rooms-Katholieke Kerk. De begijnen van het zelfde geslacht woonden dicht bij elkaar in zogenaamde begijnhoven. De begijnen legden geen eeuwige geloften af behalve de gelofte van kuisheid. / Bron: Andreas Praefcke / Wikimedia CommonsBegijnhof in Amsterdam. De begijnen waren mannen en vrouwen die leefden als alleenstaanden en deel uitmaakten van een gemeenschap binnen de Rooms-Katholieke Kerk. De begijnen van het zelfde geslacht woonden dicht bij elkaar in zogenaamde begijnhoven. De begijnen legden geen eeuwige geloften af behalve de gelofte van kuisheid. / Bron: Andreas Praefcke / Wikimedia Commons
Vanaf de 7e eeuw was de bekering in volle gang waarbij een grote tweestrijd tussen de bevolking ontstond. Het christendom had zich inmiddels al in meerdere richtingen ontwikkeld en in het katholieke geloof was het gebruikelijk geworden om dicht bij de kerk te gaan wonen. Zo ontstonden langzaam de eerste parochies in de Lage Landen. Juist deze parochies veranderden veel in het uiterlijk van de zuidelijke Lage Landen. Waar vroeger voornamelijk kleine en lage (boeren)woningen stonden torende nu enorme kerktorens en basilieken boven hun daken uit. In de periode tussen 630 en 740 werden er in de zuidelijke Lage Landen rond de 50 abdijen opgericht. In deze periode deden ook de bekende abdijen van de Benedictijnen, Kartuizers en Norbertijnen hun intreden. Al deze kerken, kloosters, abdijen en parochies hebben enorm bijgedragen aan het verspreiden van het geloof in de Lage Landen. Het noorden van de Lage Landen stelde zich een stuk afwachtender op zoals we al konden lezen bij bekering Clovis I Hier werd pas in de 9e eeuw het Kapittelklooster in Deventer gesticht. Deze was tot aan de 10e eeuw het enige klooster in het noorden tot er een tweede klooster werd opgericht in Oldenzaal. In de 11e eeuw stichtten zowel Zutphen als Groningen een klooster. Het noordelijke platteland volgt zelfs nog later. Pas vanaf eind 12e en begin 13e eeuw zien we hier de eerste kloosters verschijnen. In de steden beginnen vanaf de 13e eeuw ook de zogenaamde Bedelorderkloosters en Heilige Geest-gasthuizen (kerkelijke instellingen die zieken en ouderen opvangen en verplegen) in opkomst te komen. Vanaf de 14e eeuw nam de stijging van het aantal kloosters in zowel de steden als op het platteland explosief toe. Dit kwam door de enorme toenamen in het aantal Begijnen en de opkomst van de Moderne Devotie. De Moderne Devotie was een beweging die aan het einde van de 14e eeuw opkwam binnen de Katholieke Kerk. De Moderne Devotie wilde het christelijke gemeenschapsleven vernieuwen door persoonlijke levensheiliging en praktische levenswijsheid als doel te stellen.

Leven in de vroege middeleeuwen

Het leven in de Lage Landen was ten tijde van de vroege middeleeuwen voor het overgrote deel van de bevolking niet makkelijk. Door het invoeren van het hofstelsel en later het rijkskerkenstelsel kwam de handel vrijwel volledig stil te liggen en dat deed de welvaart in veel gebieden geen goed. Daarnaast bracht dit systeem ook een grote onrust met zich mee die als rode draad door de hele vroege middeleeuwen loopt.

Leven in een vroonhof

Zodra het Karolingse Rijk begon te groeien voerden Karel de Grote het zogenaamde hofstelsel in. Door de invoering van dit stelsel werd het onderscheid tussen de rijke en arme burgers alleen maar groter. De edelen, die vaak aan het hoofd van het vroonhof stonden, boerden goed in dit systeem. Maar zijn horigen en boeren werden schaamteloos uitgebuit. Waarom bleven mensen er dan wonen? Om de simpele reden dat ze daar veilig waren. De vroege middeleeuwen was een woelige periode en in je huidige vroonhof wist je tenminste waar je aan toe was. Niemand kon je garanderen dat het daar buiten beter was. Daarnaast was een vroonhof volledig zelfvoorzienend ingericht al hadden vooral de edelen daar profijt van. De arme horigen en boeren konden net rond komen, maar hadden voor hun gevoel wel alle benodigde middelen binnen handbereik. Doordat een vroonhof volledig zelfvoorzienend was, was dit funest voor de handel in de Lage Landen. Tegen het einde van de vroege middeleeuwen werd het leven in een vroonhof, die toen vaak omgedoopt waren tot een heerlijkheid, graafschap of ander soort vorstendom lang zo veilig niet meer. Toen de macht uit de handen van de Duitse keizer begon te glippen probeerden elke graaf, hertog enzovoorts zijn gebied te vergroten vaak ten koste van alles en iedereen in dat anderen gebied.

Rangen & standen

In de vroege middeleeuwen wist je al vanaf je geboorte tot welk milieu je zou behoren. Als je vader boer was werd jij ook boer of in het geval van een meisje, je trouwde met een boer. Had je het meer getroffen en was je vader van adel, dan lag er een mooi leven op je te wachten. Doordat er stug werd vast gehouden aan de indeling in rangen en standen was het vrijwel niet mogelijk om "op te klimmen" naar een ander milieu door bijvoorbeeld een huwelijk. Trouwen met iemand die niet dezelfde stand was, was uit den boze. Aangezien er nauwelijks handel werd gedreven en het aangelegde wegennet van de Romeinen zwaar was verwaarloosd werd er ook vrijwel niet gereisd door mensen. Dit beperkten, zeker de armen om in contact te komen met mensen van buiten hun eigen milieu. De personen die nog meer aanzien hadden dan de edelen waren de geestelijken. In de tijd van de Romeinen konden veel mensen lezen en schrijven, maar in de vroege middeleeuwen nam de geletterdheid van de bevolking drastisch af. Lezen en schrijven was alleen nog maar voorbehouden aan geestelijken en mede door het bezit van deze kennis genoten zij een enorm aanzien. De enige manier om als arme horigen of boer op te klimmen was door geestelijken te worden. De meeste inwoners van de Lage Landen waren door middel van de vele kesteringen die waren gehouden, lid van een kerk. Hierdoor konden de geestelijke die toch al heel veel macht hadden, nog meer macht uitoefenen via hun preekgestoelte. In de vroege middeleeuwen was de vrees voor het hiernamaals en dan met name de hel enorm en veel geestelijken maakten hier dankbaar gebruik van.

Ontwikkeling steden

De Romeinen hebben aan de basis gestaan van de "stedenbouw" in ons huidige Nederland. Zij waren de eerste die op belangrijke en centrale punten nederzettingen stichtten waarvan er vele later uitgroeiden tot enorme steden. Na de grote volksverhuizing kwamen veel van deze steden leeg te staan en toen de Karolingse dynastie aan de macht kwam moesten zij veel steden weer volledig opbouwen. Tijden de Karolingse dynastie weet een aantal belangrijke handelssteden zich te ontwikkelen zoals Dorestad, Medemblik en Deventer. En vanaf de 10e eeuw beginnen de steden spontaan te ontstaan en te groeien. Tiel en Stavoren zijn beide steden die zonder "hulp" zijn gesticht maar spontaan zijn ontstaan.

Huizen & gebouwen

Aangezien het merendeel van de inwoners van de Lage Landen zeer arm was bestonden de huizen voornamelijk uit hout en leem. Dit waren beide bouwmaterialen die goedkoop waren of zelf gewonnen konden worden. Al deze houten bouwwerken gaven later grote problemen toen de steden ontstonden. Diverse steden zijn meerdere keren volledig verwoest door grote (stads)branden. De enige gebouwen die van steen werden gebouwd waren de kerkelijke- en bestuurlijke gebouwen. Het bouwen in steen deden ze in de vroege middeleeuwen nog niet uit praktisch oogpunt, maar puur om de status van een gebouw te benadrukken. Na goedkeuring van het iconisme werden kerken aan zowel de binnen- als buitenkant rijkelijk versierd. De edelen deden het weer op een andere manier. Om zich te onderscheiden van de arme, kerkelijke- en bestuurlijke gebouwen lieten zij hun huizen van natuursteen maken. Tevens was het de trend onder edele om brede, diepe huizen te bouwen voorzien van diverse verdiepingen. Om hun huizen beter te kunnen beschermen bij oorlog lieten de edelen de voordeur vaak op de eerste verdieping aanleggen. Deze voordeur was alleen te bereiken via een losse ladder of trap. De voorkant van deze huizen (de zijde van het huis wat zich aan de straat bevond) werd vaak gebruikt als winkel of werkplaats.

Karolingse renaissance

Karel de Grote is op veel gebieden belangrijk geweest voor de ontwikkeling van ons huidige Nederland en de rest van de Lage Landen. Hij vond kunst, cultuur en wetenschap erg belangrijk en legde dan ook de basis voor een grote periode van bloei die ook wel de Karolingse renaissance (850-950) wordt genoemd.

Scholing

Een middeleeuwse collegezaalEen middeleeuwse collegezaal
Net als zijn voorouders was Karel een fanatiek aanhanger van het katholieke geloof en hij liet dan ook veel kerken en klooster bouwen. Naast passie voor het geloof zag Karel ook het belang van scholing in. De Romeinen hadden eeuwen geleden een goede basis gelegd voor een onderwijs systeem maar dat was inmiddels volledig verwaarloosd. De meeste intellectuelen bevonden zich in die tijd in de kloosters en abdijen en Karel besloot scholing en geloof te verenigen. Wie konden er mensen tenslotte beter les geven dan de intellectuelen? Karel begint met het stichtten van diverse kloosterscholen. Op deze scholen is er uiteraard veel aandacht voor het bestuderen van het geloof. De studenten kregen les in liturgie, gebeden en de 7 vrije kunsten.

De 7 vrije kunsten is een onderwijssysteem wat op de vroege middeleeuwse scholen werd gehanteerd. ze werden "vrije" kunsten genoemd omdat de studie alleen beoefend kon worden door hen die waren vrij gesteld van lichamelijke arbeid en materiële zorgen. Het doel van het onderwijsprogramma was niet het vinden van een goede baan maar was er puur op gericht om God te vinden door hierbij gebruik te maken van wetenschap. Naast de voornoemde vakken kwamen ook de vakken filosofie en theologie veelvuldig voor. Daarnaast werkt ook het woord kunsten misleidend. De kunsten verwijzen in dit geval naar kunsten in de breedste zin van het woord en is in dit geval afgeleid van het woord kunde oftewel kennis hebben van. De voertaal in de kloosterscholen was vaak Latijn net als de op schrift gestelden stukken.

Kunst & Cultuur

Byzantijnse kerkmozaïeken, in de kathedraal van Monreale. / Bron: Berthold Werner / Wikimedia CommonsByzantijnse kerkmozaïeken, in de kathedraal van Monreale. / Bron: Berthold Werner / Wikimedia Commons
Met het opbloeien van de kunst wordt in dit geval kunst bedoeld in de vorm van schilderijen, teksten, gedichten, beelden enzovoorts. Deze vorm van kunst deed pas zijn intrede zo rond 700 na Christus en het duurde ruim een eeuw voor de kunst echt goed tot bloei kwam. Vooral Karel de Grote wist de kunst tijdens zijn lange regeerperiode enorm te stimuleren en schilders werden steeds vaker gevraagd om te portretteren voor het hof. De schilder- en tekenkunst wist zich als eerste te ontplooien, mede door de invloed die het Byzantynse Rijk (ook wel Oost-Romeinse Rijk) hier op uitoefenden. De eerste schilderijen en tekeningen bestonden voornamelijk uit beeltenissen van mensen die rijkelijk gedecoreerd waren met Germaanse en Romeinse symbolen. Na de kunst begonnen teksten, en dan met name Latijnse teksten, erg belangrijk te worden en ook beschouwd als vorm van kunst. Er zijn wel honderden Latijnse teksten uit deze periode bewaard gebleven, mede door dat de eerste bibliotheken werden opgericht in de kloosters.

Iconisme

Met de komst van het geloof in de Lage Landen werden ook de kerken steeds belanrijker. Maar zij hadden op hun beurt ook een aantal problemen op te lossen. Ten eerste was er de langdurige strijd over welk geloof leidend zou moeten zijn en moest de kerk een beslissing nemen over het gebruik van afbeeldingen in het geloof. Aan de ene kant stonden de voorstanders van deze strijd die de naam iconisme kreeg. Zij wilden wel afbeeldingen zoals beelden of schilderijen in de kerk hebben, de tegenstanders wilden dit niet. Uiteindelijk wordt in 787 besloten het gebruik van afbeeldingen tot nader order toe te staan. De bouw van de kerken nam vanaf dat moment een geheel andere wending. De kerken werden aan zowel de binnen- als buitenkant rijkelijk versierd mede om hun status te tonen maar ook om te laten zien welk geloof er in de kerk werd aangehangen. Een discussie waar nooit een einde is gekomen is de discussie over de leer van de predestinatie. De predestinatieleer betreft God's besluit om over te gaan tot de schepping én het onderhoud van zijn schepping. Binnen het christendom waren hier veel verschillende gedachten over en dit leidden tot heftige discussies.

Recht

De handgeschreven tekst van de Lex Salica / Bron: Vandalgrius / Wikimedia CommonsDe handgeschreven tekst van de Lex Salica / Bron: Vandalgrius / Wikimedia Commons
Ten tijde van de Romeinen was er altijd gebruikt gemaakt van het zogenaamde geschreven recht. Alles stond keurig op schrift gesteld en iedereen kon op deze manier weten wat wel en niet mocht. Maar toen de Germanen hun intreden deden namen zij ook het bij hen geldende gewoonterecht mee. Het gewoonterecht wordt ook wel het ongeschreven recht genoemd en is vooral gebaseerd op het de algemene normen en waarden. Lange tijd werd er zonder problemen gebruik gemaakt van het gewoonterecht in de Lage Landen. Maar in de 6e eeuw besloot Clovis toch weer het één en ander aan regels op schrift te stellen. Dit "wetboek" vulden het al geldende gewoonterecht aan en kreeg de naam Lex Salica. Karel de Grote breidde de Lex Salica later uit met de toevoeging van de zogenaamde Capitularia. Ondanks deze pogingen bleef het gewoonterecht het meest gehanteerde recht in de Lage Landen. Wederom vormen de Friezen een uitzondering, omdat zij grotendeels zelfstandig zijn gebleven. Ze hadden naast hun eigen gewoonten en gebruiken ook hun eigen recht systeem ontwikkeld. Karel de Grote besloot het Friese recht systeem in 790 te erkennen, het Friese recht werd vastgelegd in een document getiteld: "Lex Frisionum" - Het Fries gewoonterecht.

Lees verder

© 2015 - 2017 Marjolijnr, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Het rijk van de FrankenHet rijk van de FrankenDe Franken waren een volk dat door de jaren heen vele oorlogen voerde. Ze breidden hun gebied uit tot een groot en macht…
Stichter der Nederlanden (Viglius)Op 15 november 2004 werd op televisie bekend gemaakt wie de grootse Nederlander aller tijden was. Het publiek mocht kiez…
Kerstening in de Middeleeuwen: Hoe ging dat?Dat de historische figuur Karel de Grote (748-814) nog bij veel mensen nog een belletje doet rinkelen, is een mooi gegev…
Ontstaan Nederland: Karel VHabsburger Karel V 1515-1555, keizer en koning van Spanje, heerser van de Nieuwe Wereld en keizer van het Roomse Rijk, z…
Slag bij Hoogwoud, de dood van de Rooms-Duitse koningHet zuiden van West-Friesland, een streek waar u gedachteloos doorheen rijdt, als u de geschiedenis niet kent. Als u zic…
Bronnen en referenties

Reageer op het artikel "Nederland in de vroege middeleeuwen (500 tot 950 n.Chr.)"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Infoteur: Marjolijnr
Laatste update: 03-03-2017
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Geschiedenis
Special: Geschiedenis Nederland
Bronnen en referenties: 29
Schrijf mee!