InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Geschiedenis > Vier revoluties: in 1789, 1848, 1917 en 1989

Vier revoluties: in 1789, 1848, 1917 en 1989

Vier revoluties: in 1789, 1848, 1917 en 1989 Revoluties zijn van alle tijden en er zijn diverse soorten, bijvoorbeeld politieke, economische, sociale en wetenschappelijke. De Franse revolutie in 1789 kan gerekend worden tot de politieke soort. De gevolgen ervan waren ingrijpend en ze liet diepe sporen na. Zij wordt wel genoemd ‘de moeder aller revoluties’. In de 19e en 20e eeuw volgden er nog vele politieke revoluties. Die in 1848 (in meerdere landen) en in 1917 in Rusland zijn wat invloed en de gevolgen betreft vergelijkbaar met de Franse revolutie van 1789. De afloop van de Tweede Wereldoorlog bracht Sovjet-Russische overheersing in Oost-Europa met zich mee en daarmee ook communistische regimes in de betreffende landen. Als volgende revolutiejaar in de reeks kan 1989 gelden: toen vielen de regimes in Oost-Europa, spoedig gevolgd door een omwenteling in Rusland zelf.

Inhoud


De revoluties van 1848 waren veelal gebaseerd op de Verlichtingsideeën van de 18e eeuw. Daarin komen ze overeen met de Franse revolutie. Daarom kunnen ze op goede gronden ook liberale revoluties genoemd worden. De revolutie van 1917 in Rusland leidde tot een zogenaamde ‘socialistische heilstaat’. Die van 1789 en 1948 liberaal en die van 1917 socialistisch/communistisch - ze lijken tegengesteld, maar er waren, naar zal blijken, frappante overeenkomsten.

De Franse revolutie, 1789

Achtergrond

Wat de achterliggende denkbeelden betreft werd de Franse revolutie dus voorafgegaan door een ontwikkeling van nieuwe verlichte denkbeelden in de 18e eeuw. Die ideeën waren gebaseerd op rationalisme, die leidden tot individualisme, kritiek op bestaande toestanden en nieuwe opvattingen op politiek, godsdienstig en economisch gebied. Wat de politiek betreft werd volkssoevereiniteit gepropageerd met als consequentie de democratische republiek gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel.

Oorzaken van de Franse revolutie

Als oorzaken worden in de literatuur genoemd:
  • Geestelijke oorzaken: Zie hierboven.
  • Politieke oorzaken: Er heerste een absolutistisch regime, met van 1718-‘74 Lodewijk XV uit het Huis Bourbon als koning; er werden grote hoeveelheden geld verkwist, gegenereerd door het volk.
  • Sociale oorzaken: De hoge adel en de hoge geestelijkheid leefden ten koste van het volk. Ze betaalden weinig tot geen belastingen;
  • Financiële oorzaken: Van belasting naar draagkracht was dus geen sprake. En door een slechte financiële organisatie kwam er, ondanks de drukkende belastingen, minder binnen dan door de overheid werd uitgegeven. Dit leidde tot financiële ontreddering.

Situatie in 1789

De kleinzoon van Lodewijk XV kwam in 1774 aan de macht. Hij had niet de talenten om de gewenste veranderingen tot stand te brengen. In 1789 was de situatie voor het land zo onhoudbaar geworden dat de regering ten einde raad besloot om de vertegenwoordigers van de drie standen (adel, geestelijkheid en derde stand) weer eens samen te roepen – na ruim 170 jaar. De bijeenkomst vond voor het eerst weer plaats in mei 1789. Zo werd het volk in staat gesteld, hoe gebrekkig de vertegenwoordiging ervan ook was, invloed op de regering uit te oefenen, waardoor er een eind kwam aan het oude regime met zijn absolute vorstenmacht en standenprivileges. Dat leidde niet direct tot de gewenste veranderingen. Daarvoor was een revolutie van ‘de straat’ nodig: de bestorming van de staatsgevangenis in Parijs, de Bastille, op 14 juli 1789.

Directe gevolgen

Er kwam een ‘constituante’, een nationale grondwetgevende vergadering die een constitutie (grondwet) moest opstellen en de financiën ordenen. De meerderheid van de vergadering wilde een constitutionele monarchie. Aan die constitutie ging een beginselverklaring vooraf: de verklaring van de rechten van de mens en de burger, waarin de ideeën van bovengenoemde filosofen tot uiting kwamen en die ook nu nog als grondrechten in grondwetten voorkomen; bijvoorbeeld het beginsel van de scheiding der machten (de uitvoerende, de wetgevende en de rechterlijke macht).

Bedreiging, dictatuur en terreur

Na de ‘constituante’ kwam de ‘legislatieve’ (de wetgevende assemblee, 1791-1792). Maar er kwam ook onrust door binnenlandse partijschap en door contrarevolutionaire dreigingen vanuit het buitenland. Door die bedreigingen besloot de ‘legislatieve’ de koning te schorsen. De Nationale Conventie die vervolgens bijeenkwam, bestond uitsluitend uit republikeinen. Frankrijk werd tot een republiek verklaard en de koning werd gevangen gezet, ter dood veroordeeld en onthoofd op het schavot. Dit deed de angst in het buitenland (in casu monarchieën) voor de gebeurtenissen in Frankrijk sterk toenemen. De jonge republiek werd in haar bestaan bedreigd door oorlog met een coalitie van buitenlandse monarchieën. Daarbij waren er binnenlandse opstanden.

Vanwege die bedreigingen gaf de Conventie zichzelf dictatoriale macht. Er ontstond een schrikbewind (1793-1794) o.l.v. M. de Robespierre, een radicale afgevaardigde van de derde stand in de Conventie. Deze trad meedogenloos op – veel tegenstanders (of vermeende tegenstanders) werden gedood. Bovendien versloeg het Franse leger buitenlandse vijanden. Robespierre had tenslotte de alleenheerschappij. Maar hij werd spoedig ten val gebracht en gedood. De Conventie stelde in 1795 een nieuw uitvoerend bewind aan: het Directoire.

Napoleon grijpt de macht, wordt keizer maar vindt uiteindelijk zijn Waterloo

Het lukte de nieuwe regering echter niet om de touwtjes stevig in handen te krijgen. Ze werd van diverse kanten bedreigd. Nu greep de ambitieuze en populaire generaal Napoleon Bonaparte, die in 1797 opzienbarende successen tegen de Oostenrijkers had behaald, zijn kans. In 1799 nam hij de macht van het Directoire over na een staatsgreep. In 1804 kroonde hij zichzelf tot keizer. Zo was Frankrijk van een koninkrijk met een absoluut regerende vorst een keizerrijk geworden waarin Napoleon de oppermacht bezat.

De Franse keizer bracht een flink stuk van Europa onder zijn heerschappij. Het einde van zijn macht werd ingeluid door een mislukte veldtocht tegen Rusland in 1812. Napoleon werd verslagen door zijn Europese tegenstanders in 1813, in de slag bij Leipzig. (Als er in dit artikel sprake is van Europa is dat inclusief Rusland). De keizer werd in 1814 gedwongen afstand van de troon te doen. Na verbanning slaagde hij er in 1815 in om toch weer aan de macht te komen in Frankrijk. Spoedig trok hij ook weer ten strijde en versloeg het Pruisische leger. Maar de buitenlandse koninkrijken die in 1813 zijn nederlaag hadden bewerkstelligd rukten eendrachtig tegen hem op en hij werd in 1815 in de slag bij Waterloo definitief verslagen.

Elders in Europa

In 1789 vonden er in andere landen geen revoluties plaats, vergelijkbaar met die in Frankrijk. Wel had de Franse revolutie invloed elders in Europa. Bijna geheel Europa ondervond er de gevolgen van en/of werd er bij betrokken. Dat blijkt wel uit de Nederlandse geschiedenis. (Zie het einde van de Republiek in 1795, het ontstaan van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1815 en de daarmee samenhangende lotgevallen van de leden van de stadhouderlijke familie Van Oranje-Nassau.)

Zeker ingrijpend waren de gevolgen van de Franse revolutie voor de Habsburgse monarchie. Het Midden-Europees imperialisme van de Oostenrijkse keizer Jozef II werd een halt toegeroepen. Niet alleen in de Zuidelijke Nederlanden (België), dat onder zijn bestuur stond, brak een opstand uit, dat gebeurde ook in Hongarije waar de separatistische beweging later leidde tot een grote mate van autonomie van het land: de ‘dubbelmonarchie’ ofwel ‘Donaumonarchie’ ontstond in 1867. En vooral: de macht van Pruisen nam toe, wat in eerste instantie met name ten koste ging van de invloed van Oostenrijk.

De revoluties van 1848

Zoals al vermeld, in1848 waren er meerdere revoluties, dat wil zeggen, op Engeland en Rusland na, in alle Europese landen. Er werd daarbij gestreden voor liberale, socialistische en nationalistische idealen. De belangrijkste drijvende kracht was het liberalisme.

Frankrijk

In Frankrijk brak er na de restauratie van het Huis Bourbon weer een revolutie uit: de juli-revolutie van 1830 die de ‘burger-koning’ Lodewijk Filips I aan de macht bracht. Ook deze revolutie had gevolgen voor veel Europese landen. Bijvoorbeeld voor de Nederlanden, waar de Belgen in opstand kwamen zodat het daar uiteindelijk tot een splitsing kwam; maar ook voor Italië, Duitsland en Polen. In 1848 was er ook weer een revolutie in Frankrijk: de februari-revolutie die onder anderen ontevreden arbeiders op de barricaden bracht en de burgerkoning tot aftreden dwong, waarna de republiek werd uitgeroepen.

Onder invloed van radicale socialisten vond er in juni van dat jaar in Parijs nogmaals een revolutie plaats. De minister van Oorlog, generaal Cavaignac, kreeg dictatoriale bevoegdheden van de Constituante die ondertussen gekozen was en de Tweede Republiek ontstond.

Italië

Onder invloed van een patriottische beweging braken er overal in Italië revoluties uit (het land was toen nog geen eenheid; de Italiaanse eenheid kreeg pas vanaf 1861 vorm). De eerste begon al, vóór de februari-revolutie in Frankrijk, in januari 1848 en wel in het zuiden, in het zogenaamde Koninkrijk der Beide Siciliën. In het noorden brak in Milaan een opstand uit, dat was toen in het Lombardisch-Venetiaans Koninkrijk (in 1815 ontstaan en in een personele unie verbonden met Oostenrijk). Oostenrijk wist de opstand in het Noorden van Italië te bedwingen.

Ook in de Kerkelijke Staat, met Rome als hoofdstad, kwam een volksbeweging op gang. Paus Pius IV moest zelfs vluchten. Maar Frankrijk, waar toen een Bonaparte, de latere keizer Napoleon III, president was, greep in. Franse troepen trokken in juli 1849 Rome binnen en herstelden de paus in zijn macht.

De gang van zaken in de Kerkelijke Staat was tekenend voor heel Italië: overal werden door de revolutionairen uiteindelijk nederlagen geleden.

Duitsland

De onlusten in Frankrijk, februari 1848, sloegen ook over naar Duitsland. (Hierbij dient in het oog gehouden te worden dat Duitsland toen net als Italië geen eenheid was. Het bestond uit 34 vorstendommen en enige vrije steden die samen de Duitse Bond vormden, met als machtigste land Pruisen.)

De liberale gegoede burgerij demonstreerde voor meer vrijheid. De radicale groep die bestond uit (kleine) boeren en uit arbeiders in met name de industriegebieden - vooral te vinden langs de Rijn, in Saksen en in Silezië - wenste democratie en de republiek als staatsvorm. Ook in de grote steden als Berlijn. Hoewel er in die stad tijdens een demonstratie wel enige doden vielen, verliepen over het geheel de omwentelingen in de Duitse landen vreedzaam. De vorsten gaven gehoor aan wensen van het volk; hervormingen en liberale grondwetswijzigingen bepaalden over het algemeen het beeld. Een voorbeeld daarvan is de gang van zaken in het Groothertogdom Saksen-Weimar-Eisenach, het vaderland van dochter Sophie van Koning Willem II sinds haar huwelijk in 1842 met de erfgroothertog daar.

In het kader van dat eenheidssteven vond in mei 1848 op voordracht van de Duitse Bond de opening plaats van het zogenaamde Frankforter Parlement. In dat parlement hield men trouwens rekening met de roep om politieke hervormingen in die tijd: er werden (liberale) grondrechten afgekondigd.

Oostenrijk

Zoals ook vermeld onder Italië, in Milaan, in het Lombardisch-Venetiaans Koninkrijk (dat dus met Oostenrijk was verbonden), brak in 1848 een opstand uit. Dat gebeurde later, in maart van dat jaar, eveneens in Wenen. In die stad kwamen arbeiders en studenten in opstand. Bovendien sloegen troepen aan het muiten in het Hongaarse deel van de Dubbelmonarchie. Het leger brak het verzet in Wenen. Ook elders in het keizerrijk braken opstanden uit.

In juli kwam de Constituerende Rijksdag bijeen. Het was een democratische volksvertegenwoordiging, maar deze was niet in staat om de vele problemen in het uitgestrekte rijk met zoveel diverse bevolkingsgroepen op te lossen. Tijdens ongeregeldheden in oktober verliet de keizer het land. Het voordeel daarvan was dat hij werd opgevolgd door zijn meer energieke neef: Franz Joseph (1848-1916).

De rust keerde echter niet terug. Nu greep, in 1849, Rusland in. De tsaar was bezorgd over het toenemende liberalisme aan zijn oostgrenzen en stuurde een leger om Franz Jozef bij te staan. Nu gelukte het om de eenheid van de Oostenrijkse landen weer te herstellen. Bovendien was er een grondwet. Maar in 1851 hief de keizer de grondwet en grondrechten weer op. Oostenrijk was een modern-absolutistische staat geworden.

Engeland, Nederland, België en Rusland

In Engeland was in de eerste helft van de 19e eeuw de industrialisatie al goed op gang gekomen en was er dus ook een bijbehorende arbeidersklasse ontstaan met daarbij een organisatie ten bate van haar belangen. Als gevolg daarvan veranderde ook het parlementaire stelsel en kwam er, relatief spoedig, sociale wetgeving – al in 1833 kwam er een beperking van de kinderarbeid (ter vergelijking: in Nederland gebeurde dat in 1874). In ieder geval, de revolutie van 1848 ging aan Engeland voorbij.

Ook in Nederland en België had de revolutie van 1848 geen gevolg die vergelijkbaar was met die in Frankrijk. Wel kwam er in Nederland, mede dankzij de revoluties in andere landen, een liberale grondwet, van de hand van J.R. Thorbecke. (De gang van zaken in het Groothertogdom Saksen-Weimar was daarbij zeker van belang vanwege de nauwe familieband van Koning Willem II met de erfgroothertogin daar; het ligt voor de hand te veronderstellen dat de ommekeer van Willem II - 'in één nacht van conservatief liberaal' - met name met die band samenhangt.) In België was er eveneens geen ingrijpende revolte. Er waren al plannen om het kiesrecht uit te breiden vóór 1848. Een kleine groep probeerde nog een republiek te stichten, maar dat mislukte totaal. Ook in Rusland was geen revolutie in 1848. Het autocratische tsarenregime was wel bezorgd over het oprukkende liberalisme in Europa: zoals we zagen zond zij daarom wel troepen naar de Dubbelmonarchie om het gezag daar (het keizerlijk gezag) bij te staan.

De Russische revolutie, 1917

Voorgeschiedenis

Geen revolutie in 1848 in Rusland dus. Dat wil niet zeggen dat er in deze absolute monarchie - die qua ontwikkeling was achtergebleven bij West-Europa - geen onvrede was. In tegendeel. Met name tijdens de regeerperiode van tsaar Nicolaas I (1825-1855) was er de nodige onrust, zeker onder liberalen en republikeinen. Bovendien waren er revolutionaire bewegingen en opstanden onder lijfeigen boeren (45% der bevolking!). Onder intellectuelen nam de belangstelling voor politieke en sociale vraagstukken toe; denkers als Karl Marx, die in 1848 zijn Communistisch Manifest uitgaf, kwamen in beeld. Er waren ook wel plannen voor hervorming maar daar kwam niets van terecht.

Begin van verandering: afschaffing van de lijfeigenschap

Onder zijn opvolger, Alexander II (1855-’81) begon de verandering: in 1861 werd de lijfeigenschap afgeschaft. Bovendien kregen de betreffende boeren, die nu vrije Russen geworden waren, de beschikking over een stukje land dat ze voor zichzelf konden bewerken. Maar een grondwet kwam er niet. Wel nam het aantal ‘nihilisten’ toe; zij wilden door het plegen van aanslagen een einde maken aan de bestaande toestanden. Hun pogingen om het volk in opstand tegen het heersende regime te brengen, onder meer door een (mislukte) aanslag op de tsaar, hadden echter geen succes. Wel nam de repressie door het regime toe. Wat niet wegnam dat dit regime genegen was liberale hervormingen in te voeren, om de revolutionairen de wind uit de zeilen te nemen. In 1881 lukte een aanslag op de tsaar: Alexander II werd vermoord.

Ontevredenheid, onlusten en revolutiepogingen

Alexander III wilde in de eerste plaats de rust in zijn rijk herstellen. Daarbij werden enigszins liberaalgezinde ministers ontslagen en vervangen door reactionairen. Om de publieke opinie tevreden te stellen bevorderde het regime Groot-Russisch nationalisme en imperialisme, inclusief russificering van de randgebieden, wat onrust bracht in buurlanden als Polen, Finland en de Baltische staten.

Na het overlijden van Alexander III, kwam zijn zoon Nicolaas II aan de macht (1894-1917). Hij was een zwakke tsaar die niet in staat was zijn enorme rijk absoluut te regeren. Toch was zijn ideaal de onverkorte handhaving van het reactionaire bewind van zijn vader. Van de kant van liberalen, maar zeker ook van sociaal-revolutionairen en marxisten nam de oppositie toe.

Die werd versterkt door de slechte afloop voor Rusland van de oorlog tegen Japan, in 1905. Politieke ontevredenheid onder de liberalen en sociale ontevredenheid onder de arbeiders namen steeds meer toe. En de kleine vrije boeren, die al zo weinig land hadden, werden nu ook nog gedwongen tot graanleveranties ten bate van de uitvoerpolitiek van de overheid; al te vaak met hongersnood tot gevolg.

De volksvertegenwoordiging komt samen

De situatie liep uit de hand: in 1905 begon er een revolutie, met de beruchte ‘bloedige zondag’ van 22 januari dat jaar als beginpunt (volgens de nieuwe Russische tijdrekening die in West-Europa gold en ook in Rusland na de revolutie werd ingevoerd). Stakingen, terroristische aanslagen en boerenopstanden volgden. Toen er in 1906 ook nog muiterij uitbrak onder matrozen, achtte de tsaar de tijd gekomen om de Doema (volksvertegenwoordiging) bijeen te roepen. Dat resulteerde in een samenwerking tussen regering en gematigde liberalen. Er ontstond een ‘constitutionele autocratie’ met onder meer verkaveling van grootgrondbezit, wat ten doel had een krachtige middenklasse van boeren tot stand te brengen, mede om sterker te staan bij de beteugeling van revolutionairen, (sociaal-)radicalen en marxistische socialisten.

Op weg naar de Eerste Wereldoorlog en de revolutie

Het lukte de regering zowaar om orde te herstellen en economische bloei te bewerkstelligen, waardoor de aanhang van revolutionaire groeperingen slonk. Bovendien was er al sinds 1903 een tegenstelling ontstaan onder de marxisten; er waren sindsdien bolsjewieken onder leiding van Lenin en de mensjewieken. Dit leidde later tot de splitsing van de marxisten in twee partijen. Bij de gematigder sociaal-revolutionairen kwam Kerensky naar voren in het parlement.

Ondertussen waren in de internationale verhoudingen tegenstellingen ontstaan tussen Frankrijk, Engeland en Rusland aan de ene en Duitsland, Oostenrijk en Italië aan de andere kant. Zeker wat Rusland betreft had dat alles te maken met de Balkan, waar Rusland en Oostenrijk tegenstrijdige belangen hadden. De moord op de Oostenrijkse troonopvolger Frans Ferdinand en zijn vrouw door een Bosnisch-Servische nationalist, was de lont in het kruitvat. Oostenrijk verklaarde Servië de oorlog. Servië werd gesteund door Rusland en Oostenrijk door Duitsland.

De Eerste Wereldoorlog en de ontwikkelingen in Rusland

In de tijd dat de oorlog begon was de tsarenfamilie in de ban van de ‘wonderdoener’ Raspoetin waardoor het prestige van de tsaar in zijn land nog verder daalde. De opstandigheid nam toe, te meer daar in 1916 de buitenlandse vijand Rusland bedreigde en in het binnenland de spanningen toenamen. De oorlog ging de krachten en vermogens van het tsarenrijk ver te boven; er heerste spoedig een economische crisis, overal braken stakingen uit en honger dreigde. Leden van de Russische adel smeedden een complot tegen Raspoetin en vermoordden hem eind 1916. Een aantal maanden later, in maart 1917, vond de maartrevolutie plaats (februarirevolutie volgens de oude Russische tijdrekening).

Februari/Maartrevolutie

De soldaten van het garderegiment, die tegen betogingen moesten optreden, weigerden de bevelen van de officieren op te volgen en kozen de kant van het volk. De tsaar zag geen toekomst meer voor zijn regime, hij trad af en werd geïnterneerd. Er kwam een voorlopige regering gevormd uit leden van de Doema en de Sowjet (de raad van opstandige arbeiders, studenten en soldaten), die weldra in binnen- en buitenland erkend werd. De Sowjet beschouwde zich als orgaan van revolutionair toezicht op de uitvoerende regering die uit Doema-leden was samengesteld. Het duurde niet lang of er ontstonden moeilijkheden tussen de twee organen. Onder meer over voortzetting van de oorlog. Er kwam een nieuw kabinet met Kerensky als minister van defensie, dat als gematigd socialistisch werd beschouwd.

Ondertussen werd de oorlog voortgezet, maar het leger was moegestreden. Kerensky deed z’n best om de soldaten te motiveren tot een offensief tegen de Duitsers en de Oostenrijkers. Dat leek eerst te lukken, maar spoedig nam het Russische elan in de oorlogsvoering weer af. De bolsjewieken o.l.v. Lenin en Trotskij, die vrede met Duitsland wensten, probeerden nu, evenals andere ontevreden elementen, de macht naar zich toe te trekken, maar Kerensky liet regeringsgetrouwe troepen aanrukken en de oorlog werd voortgezet.

Oktober/Novemberrevolutie 1917

Ondertussen nam de macht van de bolsjewieken in de verschillende sowjets toe. In de loop van 1917 verwierven de bolsjewieken in Moskou en Petrograd (daarvoor Sint-Petersburg en na de revolutie Leningrad genoemd) de meerderheid in de sovjets aldaar. Op 25 oktober greep de uit ballingschap teruggekeerde bolsjewistische leider Lenin, met behulp van Trotskij, de macht. (7 november volgens de nieuwe Russische tijdrekening.)

De voorlopige regering werd afgezet verklaard, het Winterpaleis in Petrograd bezet en vervolgens verwierven de bolsjewieken overal de macht. Er kwam een raad van volkscommissarissen, waarin ook Trotskij en Stalin zitting namen, met Lenin als voorzitter. Tegenstanders werden gevangen gezet. Zo begon de dictatuur van bolsjewieken in Rusland dat nu Sovjet-Unie werd genoemd. De oorlog met Duitsland en diens bondgenoten werd beëindigd.

De verdere gang van zaken tot de Tweede Wereldoorlog

Na de dood van Lenin in 1924 greep Jozef Stalin de alleenheerschappij. Trotsky, de organisator van de oktoberrevolutie en het Sovjet-leger, werd afgezet en naar het buitenland verbannen. Andere tegenstanders werden meedogenloos vervolgd. Er kwam een strikte planeconomie (de vijfjarenplannen). De opbouw van de industrie kreeg prioriteit en de landbouw werd verder gecollectiviseerd: er ontstonden grote staatsbedrijven (kolchozen); de zelfstandige boeren/koelakken/werden onteigend en verdreven - grote aantallen van hen moesten die politiek met de dood bekopen. Rusland was een totalitaire staat geworden, beheerst door terreur die een hoogtepunt bereikte in de jaren 1934-1939 tijdens de Grote Zuiveringen.

De Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) ontstond er een strijd tussen de twee totalitaire staten Rusland en Hitler-Duitsland. Samen met de andere Geallieerden overwon Rusland het nazi-regime van Hitler-Duitsland, maar wel ten koste van enorme verliezen (waarschijnlijk 20 miljoen Russische doden). Daarbij kwamen ook nog de verwoestingen door de oorlog aangericht en de miljoenen daklozen. Binnenlandse onlusten dreigden. En Stalin was ziekelijk achterdochtig; ook ten opzichte van zijn vroegere geallieerde bondgenoten. Mede in dat kader creëerde hij een serie van Oost-Europese satellietstaten (zogenaamd ter verdediging van de westgrens tegen een inval van de kapitalistische vijanden). Er ontstond op die manier in de naoorlogse jaren een ‘koude oorlog’ tussen de voormalige bondgenoten. Rusland meende in verband daarmee een (te groot en te duur) leger in stand te moeten houden. Kortom: de situatie was zeer bedreigend voor het Russische regime.

Met het opleggen van zware belastingen, het verminderen van de consumptie tot een uiterst laag peil en meedogenloze onderdrukking van (vermeende) oppositie lukte het Stalin en de zijnen om aan de macht te blijven.

Na de dood van Stalin

In 1953 stierf Stalin. Zijn opvolger, Chroesjtsjov, verklaarde op het Twintigste Partijcongres (1956) dat Stalin zich schuldig had gemaakt aan grof machtsmisbruik. Een periode van destalinisatie begon. Hoewel de machthebbers de teugels nu wat lieten vieren en er verbeteringen kwamen bleef toch het starre Sovjetsysteem bestaan, met de bijbehorende de communistische dictatuur en repressie. De Hongaarse opstand van 1956 toont wel aan dat er in ieder geval voor wat betreft de Oost-Europese satellietstaten weinig veranderd was. Dat bleek ook ruim tien jaar later, toen Rusland de Praagse Lente onderdrukte.

Fundamentele veranderingen kwamen er pas na het aantreden van een Sovjet-leider nieuwe stijl in 1985: Gorbatsjov. Hij liet de teugels voorzichtig vieren, streefde ‘glasnost’ (openheid) en 'perestrojka' (hervorming) na en bovendien ontspanning in de buitenlandse politiek.

Revoluties in 1989

Gorbatsjov begreep dus dat er veranderingen moesten komen, te meer omdat de Sovjet-Unie economisch (weer) aan de afgrond stond. Dat hing samen met de torenhoge uitgaven voor de bewapening - het land was al sinds het begin van de Koude Oorlog verwikkeld in een bewapeningswedloop met het Westen.

Daarbij groeide de oppositie in de communistische satellietstaten in Oost-Europa tegen grote broer Rusland. Bij andere vergelijkbare situaties in het verleden - de Hongaarse opstand in 1956 en de Praagse Lente van 1968 - had de Sovjet-Unie onmiddellijk ingegrepen om de communistische heerschappij in die staten te herstellen. Gorbatsjov was niet van plan dat beleid voort te zetten. Het gevolg was dat te beginnen in Polen in juni 1989 de communistische regimes van het Oostblok successievelijk ten val kwamen; in december 1991 was Rusland zelf aan de beurt. In dat jaar hield de Sovjet-Unie op te bestaan.

Polen

De centrale figuur in het Poolse verzet tegen de Russische overheersing was Lech Wałęsa, de leider van Solidarność, een van het communistisch regime onafhankelijke vakbeweging. De oorsprong daarvan lag in de jaren 1970 toen er in Polen stakingscomités van ontevreden arbeiders ontstonden. De overheid zag zich gedwongen in het begin van de jaren 1980 de beweging te erkennen. In 1981 volgde, onder druk van de Sovjet-Unie, een verbod.

Na een golf van stakingen werd Solidarność in 1989 weer gelegaliseerd. Ook in dat jaar, in juni, mocht de beweging meedoen met parlementsverkiezingen in Polen - de eerste vrije verkiezing die in een communistisch Oostblokland werden georganiseerd. De communisten verloren dramatisch, er kwam een niet-communistisch bewind en in 1990 werd de communistische partij opgeheven. De revolutie in Polen was gerealiseerd.

Hongarije

In de jaren direct voorafgaande aan de revoluties van 1989 werd Hongarije beschouwd als de meest liberale staat van de Oostbloklanden. Al in de jaren 60 werd het communistische systeem niet zo strak meer toegepast en was er ruimte voor enig particulier initiatief. Daarbij kwam later ook binnen de communistische partij een roep om meer vrijheid. In 1988 werd de Rusland getrouwe leider Kádár met pensioen gestuurd en vonden binnen het regime hervormingen plaats. In 89 volgde eerherstel van de leiders van de opstand die in 1956 had plaatsgevonden. Ook ging in augustus van dat jaar in Hongarije de door de communisten streng bewaakte grens tussen de Oostbloklanden en het Westen (‘het ijzeren gordijn’) open. Vervolgens werd in oktober, in overleg met de oppositie, de Volksrepubliek ontbonden. Het jaar daarop ontstond de Republiek Hongarije compleet met vrije verkiezingen.

Oost-Duitsland (De DDR – Duitse Democratische Republiek)

Ook aan het voortbestaan van de DDR (Oost-Duitsland), een van de meest repressieve regimes in Oost-Europa, kwam in 1989 een einde. De veranderingen in de communistische buurlanden hadden ook in Oost-Duitsland gevolgen. In 89 vluchtten veel inwoners via Hongarije, toen daar de grenzen open gingen, naar West-Duitsland. Spoedig beseften de leiders van het DDR-regime dat er geen houden aan was. Massale, geweldloze demonstraties vonden plaats, met name in Leipzig. En nog onverwacht snel gingen de grenzen open. Het belangrijkste, meest indrukkende symbool daarvan werd de val van de muur in Berlijn op 9 november van dat jaar. In maart 1990 vonden democratische verkiezingen plaats, op 3 oktober dat jaar hield de DDR op te bestaan en werd Oost-Duitsland officieel herenigd verklaard met West-Duitsland.

De andere Oostbloklanden

Ook in Bulgarije, Tsjecho-Slowakije en Roemenië kwamen in 1989 de communistische regimes ten val. Joegoslavië volgde in 1990, Albanië in 1991 (hetzelfde jaar dus als de Sovjet-Unie)

Conclusie

Zoals gesteld aan het begin van dit artikel: de revoluties van 1789 en 1848 kunnen liberaal genoemd worden en die van 1917 socialistisch/communistisch. Toch zijn blijkbaar kenmerken van veel revoluties die de betreffende, ogenschijnlijk tegengestelde, ideologieën overstijgen.
Bij zowel de Franse als de Russische revolutie brak een periode van terreur aan: in Frankrijk die van Robespierre en in Rusland die van Stalin. (Er wordt ook wel gesteld dat de terreur van Robespierre voor Stalin een soort model is geweest.) Bovendien hadden beide revoluties internationale gevolgen en beïnvloedden beide de politieke ontwikkelingen tot heden toe.

In deze conclusie is de revolutie van 1989 (met een uitloper tot in 1991) inbegrepen omdat zij in wezen een reactie was op de revolutie van 1917. En die van 1848 wordt vaak, op goede gronden, in het verlengde van de Franse geplaatst. Al met al kan gesteld worden dat in de geschiedenis van de 18e, 19e en 20e eeuw de Franse revolutie van 1798 en de Russische van 1917 de belangrijkste waren.

Lees verder

© 2016 - 2017 Petervandenburg, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
De Grondwet van 1848; de grondwetsherzieningDe Grondwet van 1848; de grondwetsherzieningDe Nederlandse grondwet is meermalen herschreven en aangepast. De grondwetsherziening van 1848, onder leiding van Thorbe…
Revolutie, betekenis en geschiedenisRevolutie, betekenis en geschiedenisHet is niet eenvoudig om een definitie te geven van het woord revolutie. In de loop van de geschiedenis heeft het woord…
Van Ancien Régime naar moderne natiestatenVan Ancien Régime naar moderne natiestatenDe Franse Revolutie maakte een einde aan de Ancien Régimesamenleving. De revolutionairen schreven een aantal grondleggen…
De Franse Revolutie: Hoe het allemaal begonDe Franse Revolutie: Hoe het allemaal begonHet begon natuurlijk allemaal met de Franse revolutie, de mensen in Frankrijk waren niet tevreden over de gang van zaken…
De laatste zes Russische tsaren (1796 - 1917)De laatste zes Russische tsaren (1796 - 1917)Om te onthouden wie de laatste zes Russische tsaren waren is een handig ezelsbruggetje bedacht: panaan. Dit staat voor P…
Bronnen en referenties
  • Inleidingsfoto: Jean Pierre Houël / Wikimedia Commons
  • E. Rijpma, De ontwikkelingsgang der historie IIIA; het tijdperk van 1789 tot heden (Groningen, uitg. J.B. Wolters, 1961)
  • Sesam atlas bij de wereldgeschiedenis, deel 2 – Van Franse revolutie tot heden (Baarn, uitg. Bosch &Keuning, 1967)
  • Wereldgeschiedenis, deel7 (begint met de Franse revolutie), 8 en 9 (eindigt rond 1970) (Bussum/Antwerpen, uitg. De Haan/Standaard, 1972)
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Val_van_het_communisme
  • http://www.dbnl.org/tekst/wert005lang01_01/wert005lang01_01_0009.php

Reageer op het artikel "Vier revoluties: in 1789, 1848, 1917 en 1989"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Infoteur: Petervandenburg
Laatste update: 21-04-2017
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Geschiedenis
Bronnen en referenties: 6
Schrijf mee!