InfoNu.nl > Kunst en Cultuur > Koningshuis > Koning Willem I en de katholieken

Koning Willem I en de katholieken

Koning Willem I en de katholieken In het artikel ‘Koning Willem I en de Afscheiding van 1834’ lezen we hoe koning Willem I in aanvaring kwam met een deel van zijn orthodox-gereformeerde onderdanen. Ook kwam hij in aanvaring met een deel van zijn rooms-katholieke onderdanen. Maar dat was onderdeel van een complexer en, voor de eenheid van het koninkrijk gevaarlijker probleem waarmee Willem I te maken kreeg: de onvrede die heerste in de voormalige Zuidelijke Nederlanden. Een onvrede die, anders dan de Afscheiding van 1834, wèl leidde tot een revolutie en zelfs tot het ontstaan van een nieuwe staat: België.

Inhoud


Verlicht despoot

Koning Willem I wordt in de geschiedschrijving vaak opgevoerd als toonbeeld van de verlichte despoot. In zijn boek over de koning, uit 2013, bevestigt J. Koch dat beeld met opmerkelijke details. Op blz. 153 geeft de schrijver eerst een beschrijving van verlicht vorstelijk beleid aan de hand van de hervormingen die Willem in zijn vorstendom Fulda invoerde (het voormalige bisdom was hem als compensatie toebedeeld voor zijn verlies van ambt en bezittingen in de Nederlanden bij de vrede van Amiens in 1802). Bij die hervormingen was op meerdere punten de verhouding kerk en staat in ’t geding. Zowel ten aanzien van de kerk (dat was wat betreft Fulda, de katholiek kerk) als op het terrein van het maatschappelijk leven streefde hij naar secularisatie in die zin dat hij de kerk, en ook het onderwijs, aan het staatsgezag wilde onderwerpen. Daarbij paste een principiële gelijkstelling van de verschillende kerkgenootschappen c.q. religieuze groeperingen (incl. de joodse). Daarin kan hij vergeleken worden met verlichte despoten in de 18e eeuw, zoals Frededrik de Grote (koning van Pruisen) en Jozef II (Duits keizer en monarch van het Oostenrijkse rijk, incl. de Zuidelijke Nederlanden). Trouwens ook met Napoleon (wat niet wegnam dat die rond 1804 zijn vijand werd)

Verlichte opvattingen

Als verlicht vorst ijverde Willem I voor een ‘christendom boven geloofsverdeeldheid’. Onenigheid over de godsdienst had in het verleden alleen maar geleid tot ruzies en oorlogen. Een ongedeelde christelijke landskerk was zijn ideaal. En dat ging verder dan één ongedeelde protestantse kerk in Nederland. Hij pleitte voor een georganiseerde samenwerking tussen protestanten en katholieken. Dat zou dan moeten leiden tot bijvoorbeeld het gezamenlijk gebruik van één kerkgebouw. Dit is wel duidelijk: de vorst heeft in die constellatie belang bij kerkelijke eenheid, want die eenheid komt de eenheid van de staat ten goede. Zo kunnen ook via de kerk, de deugden (der Verlichting) binnen de staat, onder het volk, verspreid worden. Dan moet de kerk zich natuurlijk, in haar verkondiging, niet in de eerste plaats laten leiden door dogma’s (uit voorbije tijden), maar meer door de idealen van de Verlichting!

Hiërarchisch kerkbestuur

Het zal duidelijk zijn dat een vorst met die denkbeelden totaal geen begrip op kon brengen voor zoiets als een orthodoxe afscheiding binnen de protestantse volkskerk (zie de Afscheiding van 1834 en de reactie van de koning daarop). Ook is duidelijk dat het (voor gereformeerden beruchte) Algemeen Reglement uit 1816, waarmee de oude kerkorde van Dordrecht uit 1619 aan de kant werd gezet ten gunste van een hiërarchisch bestuur vanuit ‘Den Haag’, helemaal paste in het beleid van die eerste Oranjevorst.

Dat zo zijnde, vragen we ons af hoe dat beleid dan uitpakte voor de Rooms-katholieke Kerk. Want juist die kerk, die een hiërarchische kerkordening kent met een paus aan de top, zal toch botsen met de pretenties van een vorst als Willem I, misschien nog wel meer dan een gereformeerde kerk? Inderdaad, formeel in ieder geval wel. En in de praktijk ook voluit voor wat betreft de katholieke kerk in de Zuidelijke Nederlanden. We gaan daar straks op door (zie ook Koch, p. 418 e.v.)

Grip op de kerken via ministeries van Eredienst

Hiervoor zagen we dat de koning het liefst alle christenen in zijn koninkrijk, protestanten en katholieken, in één kerk zou willen verenigen. Maar hij realiseerde zich ook wel dat zoiets niet haalbaar was. Hij legde zich neer bij de realiteit van kerkelijk gescheidenheid en probeerde binnen de kerkgenootschappen die al bestonden toen hij als koning aantrad zoveel mogelijk grip op de zaak te houden. Voor de hervormde kerk was er een ministerie van de hervormde Eredienst (officieel Ministerie van Zaken van de hervormde en andere Erediensten, behalve die der rooms‐katholieke) met een daarbij behorende minister van hervormde Eredienst. Zo was er er ook een minister / ministerie van de katholieke Eredienst (Ministerie van Zaken der Rooms‐Katholieke Eredienst). Via dat ministerie probeerde de overheid grip te houden op de katholieke Kerk. Dat gebeurde aan de hand van een Algemeene verordening op de organisatie van het r.k. kerkgenootschap binnen het koningrijk der Nederlanden. (Het zal duidelijk zijn dat, toen het koninkrijk nog ongedeeld was, de minister voor katholieke Eredienst te maken had met alle katholieke kerken in het rijk, zowel in Nood als in Zuid.)

Verzet in het Zuiden

Nu eerst naar de Zuidelijke Nederlanden.
De bisschop van Gent, de Franse edelman Maurice de Broglie (zie foto), keerde zich direct in 1815 tegen de nieuwe grondwet, met name de artikelen die vrijheid van godsdienst en bescherming van bestaande kerkgenootschappen afkondigden. Hij vond dat niet passen bij de pretenties van de katholieke Kerk, de enige ware kerk te zijn. Hij kreeg voor zijn verzet tegen de nieuwe grondwet brede steun in het Zuiden (van notabelen wel te verstaan, want ‘de stem van het volk’ telde in die tijd nog niet mee). Te meer omdat in 1815 in de praktijk een meerderheid van leden der Staten Generaal uit het Noorden besliste over het aannemen van de nieuwe grondwet, maakte de bisschop geen schijn van kans met z’n verzet. Maar hij zette z’n agitatie onverminderd voort. Hij werd daarop gedeporteerd. Daarna kregen weliswaar de meer gematigde krachten in de katholieke kerk het overwicht, maar het lukte de koning niet om met de r.k. geestelijkheid tot overeenstemming te komen.

Jarenlang heeft koning Willem I onderhandeld met de paus (misschien beter gezegd: met Rome) over zijn zeggenschap over de Rooms‐katholieke Kerk in de Nederlanden. Steeds zonder succes. Breekpunt daarbij was vooral de bisschopsbenoeming: de koning wilde de bisschoppen benoemen, of er in ieder geval de nodige invloed op hebben. (Het zal trouwens niet verbazen dat juist protestantse politici de koning daarin van harte steunden…). Maar niet alleen de bisschopsbenoeming was in ’t geding. Ook wilde de koning grip houden op andere zaken die met de kerk te maken hadden: huwelijksrecht en onderwijs, inclusief de priesteropleidingen. Wat dat laatste betreft: op last van de koning kwam er een verlichte, door de staat gecontroleerde vooropleiding voor aanstaande priesters. Wie die niet volgde kon niet als priester aan het werk. Dit zette veel kwaad bloed bij de katholieken; de opleiding (‘Het Collegium Philisophicum’) werd geboycot door de potentiële studenten en de koning moest in 1829 toegeven: de opleiding werd facultatief. De twist over de priesteropleidingen werd uiteindelijk een van de belangrijkste oorzaken van de Belgische opstand en daarmee van de splitsing van het Koninkrijk der Nederlanden - officieel in 1839, de facto al in 1831.

Concordaat

De gematigde krachten in de katholieke Kerk in het Zuiden werden dus sterker toen De Broglie van het toneel verdween. Het verzet tegen de grondwet, dat in 1815 nog zo hevig was geweest, verminderde. Rond 1825 beriep men zich in het Zuiden zelfs op die grondwet om de kerk te beschermen tegen teveel staatsbemoeienis… En eindelijk, in 1827, lukte het Rome en de koning (officieel: het Koninkrijk der Nederlanden) om tot een concordaat te komen. In de praktijk kwam er echter niet veel van terecht en met de scheiding van Noord en Zuid had het concordaat geen betekenis meer, in ieder geval voor wat betreft België.

Een gevaarlijk bondgenootschap

In het Zuiden was tijdens het bewind van Willem I de roep om vrijheid steeds sterker geworden – vrijheid van de Kerk, de staat, het onderwijs, ja zelfs op den duur de vrijheid van drukpers; dat wil zeggen, vrijheid ten opzichte van de staat, het Verenigd Koninkrijk, zoals die, met Willem I, gestalte had gekregen. Eigenlijk bracht dat automatisch met zich mee dat er ook geijverd werd voor een vrije, zelfstandige zuidelijke staat (België). Hier vonden de (katholieke) geestelijkheid en de liberalen elkaar. Omdat veel noordelijke katholieken mee gingen doen met hun zuidelijke geloofsgenoten, ontstond er voor de eenheid van het koninkrijk en daarmee voor koning Willem een gevaarlijke situatie.

E.H. Kossmann, stelt in zijn boek De Lage landen 1780-1940 (uitgegeven 1976) dat de Belgen (de notabelen dus) zich in hun afkeer niet zozeer richten tegen de koning, maar meer tegen diens ministers en dan vooral de minister van Justitie Van Maanen. In ieder geval, de regering besloot toegevender te worden. Zij kwam de Belgen tegemoet wat betreft de eisen van de kerk ten aanzien van bisschopsbenoemingen en de opleiding van geestelijken. En in de Vlaamse provincies werd gebruik van het Frans voor sommige officiële akten toegestaan (een element dat de macht, ook in Vlaanderen, van de notabelen duidelijk maakt). Ondertussen mobiliseerde de clerus, het ‘gewone’ katholieke volk, vooral Vlaamse plattelanders. Zij konden, bij petities ten bate van de invoering van vrijheid van drukpers zo nodig volstaan met het zetten van een kruisje - en dan te bedenken dat de eenvoudige lieden zelf vaak helemaal niet konden lezen…

Het zat de regering begin 1830 ook al niet mee wat de economie betreft. De winter was streng en lang geweest; landbouw en veeteelt waren in slechte staat en overproductie in de zuidelijke industrie leidde tot faillissementen, werkeloosheid en verlaging van lonen. Al met al was er een reservoir van ontevredenheid ontstaan in het Zuiden, waarvan de separatisten en met name de extremisten onder hen een dankbaar gebruik maakten om het vuurtje verder op te stoken. Op den duur was er sprake van een regelrechte opstand die een duidelijke bedreiging vormde voor het voortbestaan van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

Opstand en afscheiding

In augustus 1830 begon de opstand, in Brussel. Het gegeven dat het revolutionairen in Frankrijk in die tijd gelukte om hun koning (Karel X) te verjagen, zal daar mede toe hebben bijgedragen. De koning aarzelde. Hij stuurde zijn twee oudste zonen, de Prins van Oranje (de latere koning Willem II) en Prins Frederik naar het Zuiden om te proberen het Verenigd Koninkrijk voor de Oranjedynastie te behouden. (Kroonprins Willem stemde, toen hij in Brussel was aangekomen, opvallend gemakkelijk in met een scheiding van de twee delen. Was hij wellicht bereid de macht in het Zuiden naar zichzelf toe te trekken…?)

De opstandige Zuiderlingen wensten afscheiding en bouwden in snel tempo een eigen staat op. In het najaar van 1830 riep een voorlopig bewind de onafhankelijkheid uit. Toen in juni 1831 de Belgen een nieuwe koning, Leopold van Saksen-Coburg, binnenhaalden, was blijkbaar voor koning Willem I de maat vol: hij viel in augustus van dat jaar België binnen met een (Noordelijk) leger; de Tiendaagse Veldtocht was begonnen. Het nieuwe Belgische leger stelde nog niets voor en Willem had in die zin gemakkelijk zijn positie kunnen heroveren. Maar de grootmachten beslisten anders. Willem moest zich terugtrekken. Aan opgeven dacht hij echter niet. Hij bleef star vasthouden aan het ideaal van een koninkrijk der Verenigde Nederlanden onder Oranjeleiding. Hij hield een voor ons land groot – en in ieder geval veel te duur leger – op oorlogssterkte. Maar liefst acht jaar bleef hij in zijn starre houding volharden. In 1839 legde hij eindelijk het hoofd in de schoot. In april van dat jaar ondertekende de regering een verdrag waarbij de volledige afscheiding van België geaccepteerd werd.

De situatie in het Noorden

Tot zover over het Zuiden. We vragen ons ondertussen wel af hoe de verhouding Willem I – katholieke onderdanen in het het Noorden was, in zijn regeerperiode en speciaal ten tijde van de Belgische opstand. In de paragraaf hiervoor over de grip die de overheid op de kerkgenootschappen probeerde te houden via de ministeries van Eredienst, herinnerden we eraan dat, vanwege het ene ongedeelde koninkrijk, de kerkpolitiek van de staat / de koning de katholieken betrof in zowel Zuid als Noord. Maar ’t is niet toevallig dat we aan de twee delen van het rijk bij dit onderwerp apart aandacht besteden. Door de scheiding van de oorspronkelijk zeventien Nederlanden tijdens de 80-jarige oorlog, waren er in wezen twee naties ontstaan, met twee verschillende dominante kerkgenootschappen: rooms-katholiek respectievelijk protestant.

Anti-België

In het Noorden was de publieke opinie fel-anti België. Velen vonden het in de loop van 1831 wel best als er een (administratieve) scheiding zou zijn gekomen, maar de Belgen moesten sowieso gestraft worden voor hun rebellie. De koning ondervond in het Noorden dan ook weinig oppositie tegen zijn beleid in zake België. En de katholieke onderdanen daar, van wie je misschien toch, zeker in Brabant en Limburg, hulp voor de geloofsbroeders in de Zuidelijke Nederlanden had mogen verwachten, hielden zich rustig. (Hoewel, dat was het algemene beeld; daar waren heus wel uitzonderingen op. Zo streefde een deel der Brabanders naar aansluiting bij België. Dat streven kwam, mede dankzij de houding van r.k. geestelijken als bisschop Zwijsen, nooit goed uit de verf, maar het bevorderde in de noordelijke provincies het begrip voor de Belgen ook bepaald niet. De poging de opstand der Belgen te beteugelen duurde dus in wezen zo’n acht jaar. Maar succes bleef uit. In tegendeel, de hele situatie trok het land nog verder de armoede in. Toch had die poging een positieve uitwerking op het (Noordelijk) nationaal bewustzijn. Kossmann meent zelfs dat in het nationale bewustzijn vanaf 1830 zich de illusie vastzette dat Nederland – klein maar dapper, en strijdend voor de goede zaak –‘ het middelpunt van ’s werelds rechtvaardigheid vormde’. Opvallend is in ieder geval dat de regering heel makkelijk, zonder noemenswaardige oppositie, de verschillende voorstellen voor een grondwetswijziging – nodig omdat de situatie van het koninkrijk zo ingrijpend veranderd was – aanvaard kreeg door de Staten-Generaal. Wat wel een grote schok teweeg bracht in Nederland, wat de koning betreft, was het tweede huwelijk van de koning – nota bene, met een katholiek, Belgische gravin… Hoe het ook zij, Willem I was na de onafhankelijkheid van België als koning totaal gedesillusioneerd. Hij trad af in 1840 en ging in Berlijn wonen.

En de katholieken in het Noorden?

In het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden waren de katholieken in de meerderheid. Toen het katholieke Zuiden er afgesplitst was, vormden zij, in het Noorden de minderheid. (In 1829 was daar 39,0% katholiek en 59,1% was lid van de hervormde volkskerk). Bovendien waren de protestanten in het Noorden, mede vanwege de opstand van de (katholieke) Belgen, bevestigd in hun oude argwaan jegens de roomse godsdienst. Daarbij moet aangetekend worden dat die houding ook in de hand gewerkt werd door een (in heel Europa) groeiende hang binnen de katholieke Kerk naar restauratie van het oude gedachtegoed. Ook begonnen de katholieken in het Noorden op te komen voor hun rechten – hun emancipatie was bepaald nog niet voltooid. Tekend is dat in die periode (in 1842, om precies te zijn) het katholieke blad De Tijd werd opgericht, onder het motto ‘laten wij het erfdeel onzer vaderen heroveren’.

De koning had dus in 1827 een concordaat met Rome gesloten. Daarmee bleef toen - zoals Napoleon al in zijn concordaat van 1801 met Rome was overeengekomen - in het Noorden een deel van het oude bisdom Roermond bij Luik. Zeeland, Noord-Brabant en Gelderland zouden het bisdom 's-Hertogenbosch vormen; de rest van het Noorden kreeg een bisschop in Amsterdam. Vanwege de scheiding binnen het Koninkrijk was van dat alles niet veel terecht gekomen. Zo was er in 1830 nog altijd een Italiaan die de supervisie op de kerk in Nederland had – dat wil zeggen, eigenlijk werd nog altijd vanuit Rome ‘het Hollandse zendingsgebied’ bestuurd (hoewel de man van de praktijk, dat was dan een vice-superior, als standplaats Munster had). Wel waren in de loop der tijd overal zelfstandige staties gekomen op plaatsen waar tijdens de Republiek altijd geestelijken van elders de zielszorg van de (katholieke) gelovigen op zich hadden moeten nemen.

Willem II

Met de komst Willem II verdween ook de bevoogding van de kerken door de staat op de manier waarop zijn vader daar gestalte aan had gegeven. Wat de katholieken betreft: de nieuwe koning probeerde al direct met Rome een nieuw concordaat af te sluiten, passend bij de veranderde staatkundige situatie sinds de splitsing van het Verenigd koninkrijk. Daarbij werd hij echter tegengewerkt door protestanten in Nederland, en het concordaat kwam er niet.

De katholieken vormden, anders dan in het Verenigd Koninkrijk, dus in het nieuwe Nederlandse rijk niet meer de meerderheid. Hun invloed was daarmee natuurlijk sterk verminderd. Wel vormden zij nu een groep binnen het koninkrijk waarvan - vergelijkbaar met de afgescheidenen van 1834 - het emancipatieproces weinig meer in de weg werd gelegd. In dat kader past de verdere opbouw van de Nederlandse Rooms-katholieke kerkprovincie, die begonnen was met de komst van de Bataafse Republiek in 1795. Bisdommen werden heringedeeld, kleinsemenaria overal heropend en het grootsemenarie van ’s-Heerenberg, gesticht in 1799, werd in 1842 bij dat van Warmond gevoegd.

Emancipatie

Een belangrijk jaartal, misschien wel het belangrijkste, in dat emancipatieproces is 1848. Toen werd in de liberale Grondwet van Thorbecke ten aanzien van de godsdienst gesteld:
  • Art. 164: Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en harer leden tegen de overtreding der strafwet.
  • Art.165: Aan alle kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke bescherming verleend
  • Art. 166: De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en burgerschapsrechten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen

In 1853 werd door de Rooms-Katholieke Kerk de hiërarchie in Nederland hersteld.

Lees verder

© 2014 - 2017 Petervandenburg, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
De Belgische opstandDe Belgische opstandDe Belgische opstand is de opstand in 1830 tegen koning Willem de eerste die tot de onafhankelijkheid van België heeft g…
Eredivisie 2014-2015 Willem II programmaEredivisie 2014-2015 Willem II programmaWillem II heeft zich binnen een jaar weten terug te keren naar de Eredivisie. Willem II wist op het eind van het Jupiler…
Willem van OranjeWillem van OranjeWillem van Oranje, wordt in 1533 geboren in Duitsland als Willem van Nassau. Als zijn Oom, prins van Oranje, sterft, laa…
Koning Willem-Alexander en Koningin MáximaOp 28 januari 2013 deelde Koningin Beatrix in een televisietoespraak mee dat zij op 30 april van dat jaar zal aftreden.…
Belgische revolutie en ontstaan koninkrijk met Leopold IDe val van Napoleon heeft heel wat teweeg gebracht. Een zeer belangrijke actie na alle oorlogen was het Congres van Wene…
Bronnen en referenties
  • Inleidingsfoto: www.pmrmaeyaert.com / Wikimedia Commons
  • J. Koch, koning Willem, 1772-1843 (Uitg. Boom, Amsterdam 2013)
  • E.H. Kossmann, De Lage landen 1780-1940 - Anderhalve eeuw Nederland en België (Uitg. Elsevier, Amsterdam/Brussel 1976)
  • O.J. de Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis (Uitg. Callenbach, Nijkerk 1978)

Reageer op het artikel "Koning Willem I en de katholieken"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Infoteur: Petervandenburg
Laatste update: 16-01-2017
Rubriek: Kunst en Cultuur
Subrubriek: Koningshuis
Special: Koning Willem I
Bronnen en referenties: 5
Schrijf mee!